C. (continued 2)
Reading edition
Cassiope, -opēa, -epēa, Κασσιέπεια, -όπεια, -όπη, 1) moeder van Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de sterren opgenomen.—2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcȳra.
Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.—2) een jachtnet.
Cassiterides insulae, Κασσιτερίδες νῆσοι, de Scilly-eilanden ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood, dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van Tartessus verkochten.
Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van Caesar in Britannia.
Cassotis, Κασσοτίς, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook de nimf van die bron.
Castalia, Κασταλία, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den delphischen tempel gebruikt.—Den naam Castalia had deze bron naar eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.
Castalides, Κασταλίδες, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.
Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding, dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende fonteinen en gebouwen werd geleid.
Castōlus, Καστωλός, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.
Castor, Κάστωρ, 1) z. Dioscūri.—2) schoonzoon van Deiotarus, schreef een vervolg op de Χρονικά van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar 61 liep.

Voorzijde naar den vijand gekeerd.
Achterzijde der legerplaats.
Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp, waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c) naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.—Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld, heet praetentura, het achtergedeelte retentura.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africānus maior, waar hij in den winter van 204–203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra Batāva, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epīrus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traiānus onder de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de 4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.
Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminālis gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seiānus.
Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picēnum, in het land der Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistāni (z. a.).
Castulo, Κασταλών, bloeiende stad der Oretāni in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.
Casystes, Κασύστης, haven van Erythrae in Ionia.
Catabathmus, Καταβαθμός, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.
Catabothra, τὰ Κατάβοθρα, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.
Catadromus, κατάδρομος, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.
Catadūpa, τὰ Κατάδουπα, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.
Catagogia, Καταγώγια, feest ter eere van Aphrodīte op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.
Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.
Catamītus = Ganymēdes.
Catana, Κατάνη, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontīni overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna veranderde. Na Hiero’s dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.
Cataonia, Καταονία, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.
Cataphractus, κατάφρακτος, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.
Catapulta, καταπέλτης, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.
Catarractes of -ta, Καταρράκτης, ook met één r geschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.
Catasta, verbastering van κατάστασις, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.
Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.
Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.
Cathaei, Καθαῖοι, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesīnes.
Catharsius, Καθάρσιος, de reinigende, bijnaam van Zeus.
Cathedra, καθέδρα, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.
Catilīna, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.
Catilius Sevērus (L.), staatsman onder keizer Hadriānus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antonīnus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.

Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.
Catil(l)us, zie Tiburtus.
Catina = Catana.
Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd.
Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.
Catreus, Crēteus, Κατρεύς, Κρητεύς, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.
Catti of Chatti, Χάττοι, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).
Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.
Catulus, familienaam in de gens Lutatia.
Caturīges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodūnum, thans Embrun.
Caucasa, τὰ Καύκασα, stad in het Z. van Chius.
Caucasus, Καύκασος, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Καυκάσιαι πύλαι, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Promētheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.
Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanīsus.
Cauchi = Chauci.
Caucōnes, Καύκωνες, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.
Caudex = Codex.
Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.
Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudīnae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvīnus en Sp. Postumius Albīnus door de Samnieten werden ingesloten.
Caulon of Caulonia, Καυλωνία, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.
Caunus, Καῦνος, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.
Caupōna, καπηλεῖον. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.
Caurus = Corus.
Causia, καυσία, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.
Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.
Cayster of -trus, Κάυστρος, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.
Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).
Cavarīnus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).
Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.
Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld: ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.
Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.
Ceadas, Κεάδας, Καιάδας, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.
Cebenna mons, τὸ Κέμμενον ὄρος, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.
Cebes, Κέβης, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Πίναξ, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw na C. dateert.
Cebren, Κεβρήν, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.
Cebrēnis, Κεβρηνίς, Oenōne, dochter van den riviergod Cebren.
Cebriones, Κεβριόνης, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.
Cecīdes, Κηκείδης, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.
Cecropia, Κεκροπία, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.
Cecropides, Κεκροπίδης, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.
Cecropis, Κεκροπίς, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomēla, de kleindochters van Cecrops.—2) = Attica.—3) een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Cecrops, Κέκροψ, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athēna (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus, διφυής), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.
Cecryphalēa, Κεκρυφάλεια, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.
Cedalio, Κηδαλίων, dienaar van Hephaestus.
Cedides, Κηδείδης = Cecīdes.
Cedreae, Κεδρέαι, of Κεδρεῖαι, stad in Caria aan de Ceramische golf.
Cedrus, κέδρος, 1) de cederboom.—2) de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.
Celaenae, Κελαιναί, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.
Celaeno, Κελαινώ, eene van de Harpyiën.
Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).
Celelātes, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).
Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.
Celetrum, Κήλητρον, stad in het macedonische landschap Orestis.
Celeüs, Κελεός, koning van Eleusis, die Demēter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.—Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.
Celox, κέλης, κελήτιον, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.
Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.—2) A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan nog 8 de medicina bestaan.—3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasiānus en Hadriānus.—4) Celsus, schrijver van den ἀληθὴς λόγος (± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).
Celtae, Κελτοί, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam van Galli, Γαλάται, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpīna, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staat Κελτοί vaak voor Germani, tegenover Γαλάται = Galli.
Celtibēri, Κελτίβηρες, dapper en vrijheidslievend volk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143–133) was een hunner steden.
Cena, zie Coena.
Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.
Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zie Coena.
Cenaeum, Κηναῖον ἄκρον, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.
Cenchreae, Κεγχρέαι, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.
Cenomāni, Κενομανοί, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpīna vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zie Aulerci.
Cenotaphium, Κενοτάφιον, ook wel tumulus honorarius of inanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.
Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canulēia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillānus en L. Sempronius Atratīnus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercīnus tot 1½ jaar beperkt, zoodat de staat dan 3½ jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.
Censorīnus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8–10.
Censorīnus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op ’s menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.
Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven, waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar, tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).
Centauri, Κένταυροι, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epīrus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.—Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.
Centimani, Ἐκατόγχειρες, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.
Centrītes, Κεντρίτης, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.
Centrōnes, min juiste lezing voor Ceutrones.
Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traiānus eene villa had.
Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.
Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.
Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum (onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede klasse (75000–100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines, en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.
Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:
1200 hastati, flos iuvenum pubescentium,
1200 principes, robustior aetas,
600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,
terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man, met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond een centurio.
Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior, princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.
Centuripae, τὰ Κεντόριπα, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.
Ceos, Κέως, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iūlis de voornaamste.
Cephallenia, Κεφαλληνία, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.
Cephaloedis of -dium, Κεφαλοιδίς, -οίδιον, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.
Cephalus, Κέφαλος, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomēde, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.—2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Cerae (open).
Cephēis, Κηφηίς, Andromeda, dochter van Cepheus.
Cepheus, Κηφεύς, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië, vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de sterren verplaatst.—2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de calydonische jacht.—3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van de Argonauten.
Cephisodotus, Κηφισόδοτος, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidēmus liet overhalen tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten beboet.—2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.
Cephīs(s)us, Κηφισός, ook wel Κηφισσός, naam van verscheidene rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Κηφισίς. De riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.—2) riv. in Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.—3) rivier in Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.
Cephren, = Chephren.
Cera, κηρός, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen, had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje staat een korte opgave van den inhoud van het document.—Ook werd het was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.—Ook schilderde men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking encaustiek heet, ἐγκαυστική, (z. encaustica).
Ceramīcus, Κεραμεικός = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen waren, van staatswege begraven.
Ceramus, Κέραμος, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus Ceramicus wordt genoemd.
Cerasus, Κερασοῦς = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van Pontus, een kolonie van Sinōpe, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).

Cerae (gesloten en verzegeld).
Ceraunii montes, Κεραύνια ὄρη, gebergte op de kust van Epīrus, berucht door de vele onweders (κεραυνός). Zie ook Acroceraunia.
Cerberus, Κέρβερος, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie, vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht, wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.
Cercasōrum, Κερκάσωρον, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in verschillende armen begint te splitsen.
Cercīna, Κέρκινα of Κέρκιννα, twee door eene brug verbonden eilandjes met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinītis genoemd.
Cercīne, Κερκίνη, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar) en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.
Cercinium, Κερκίνιον, sterkte in Thessalia aan het meer Boebēis.
Cercius = Circius.
Cercōpes, Κέρκωπες, een soort kabouters, die bij de Thermopylae, op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.—V.a. een volk dat het eiland Pithecūsa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen veranderd.—Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht werd, heette Κερκώπων ἀγορά. Cercyon, Κερκύων, zoon van Poseidon of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te overwinnen en te dooden.
Cerdiciātes, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.
Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd, met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.
Cereālis, familienaam in de gens Petillia.
Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus (z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd werd met Demēter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius Viscellīnus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionȳsus) en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis, dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus aan den kant van den Aventīnus), haar dienst stond onder toezicht der aediles plebeii.
Cerinthus, Κήρινθος, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis afhankelijk.
Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatīnus. Het was een onderdeel van het Septimontium, zie Roma.
Cerretāni, Κερρητανοί, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.
Cersobleptes, Κερσοβλέπτης, zoon van Cotys, werd in 358 koning der odrysische Thraciërs. De thracische Chersonēsus, die door zijn vader veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.
Cersus, Κέρσος = Carsus, Κάρσος.
Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters, uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken had laten zitten als het gewei van een hert.
Cerynia, Κερύνεια, stad op de N.-kust van Cyprus.
Ceryx, Κήρυξ, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het atheensche priestergeslacht der Cerȳces (Κήρυκες of Κηρυκίδαι).
Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook bonorum cessio.
Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug, pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina verbindt.—2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor, tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43 omgekomen.—3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door eenige zijner erfgenamen de “pyramide van Cestius” werd opgericht, 37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene kleine lijkenkamer.—4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de rom. onderdrukking moede waren.
Cestrīne, Κεστρίνη, landschap in Epīrus tegenover Corcȳra.
Cestus, κεστός, de geborduurde gordel van Aphrodīte, die onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.
Cetēi, Κήτειοι, oude stam in Mysia aan de rivier Cetēus, die bij Pergamum in den Caïcus valt.
Cethēgus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30–34.
Ceto, Κητώ, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.
Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen gebruikt.
Ceutrōnes, alpenvolk in de provincia Alpes Poenīnae. De weg van Italia naar Lugdunum liep door hun gebied.
Cevenna, = Cebenna.
Ceyx, Κήυξ, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen werd.—2) zoon van Hesperus en Philōnis, gemaal van Alcyone (z. a.).
Chabōras, Χαβώρας, ook Ἀβόρρας, rivier in Mesopotamia, ontspringt bij Resaïna, stroomt door Gauzanītis, neemt den Mygdonius en den Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.
Chabrias, Χαβρίας, atheensch veldheer, die het bevel voerde over de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden (388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde hij (378) een inval van Agesilāus in Boeotië door goed bedachte en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdēra tegen de aanvallen van Charidēmus. Na afloop van den thebaanschen oorlog voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot afgesneden en bijna reeds gezonken was.
Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.
Chaerēmon, Χαιρήμων, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken, in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij leefde omstreeks 375.—2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts weinig over.
Chaerephon, Χαιρεφῶν, Athener, een van de vurigste vereerders van Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel wordt hij genoemd.
Chaeronēa, Χαιρώνεια, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus, bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de Atheners in 447;—2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde Atheners en Thebanen in 338;—3) van Sulla op Mithradātes’ veldheer Archelāus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).
Chalaeum, Χάλαιον, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van de Crisaeïsche golf.
Chalastra, Χαλάστρα, stad in Macedonia aan den mond van den Axius (Vardar).
Chalce, Χάλκη, eilandje ten W. van Rhodus.
Chalcēdon, Χαλκηδών, megarensische kolonie op de kust van Bithynia tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene andere schrijfwijze is Calchedon, Καλχηδών.
Chalcidice, Χαλκιδική, groot schiereiland aan de macedonische kust, bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met den berg Athos, Sithonia en Pallēne.
Chalcidicum, χαλκιδικόν, overdekt, van voren open voorportaal of portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.
Chalcioecus, Χαλκίοικος, bijnaam van Athēna te Sparta, naar haar met koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond en waar op de Chalcioecia (Χαλκιοίκια) gewapende jongelingen offerden.
Chalcis, Χαλκίς, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte van den Eurīpus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia, Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700–± 650) strijd gevoerd om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte (zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de ἱπποβόται, een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten, κληροῦχοι, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar Isaeus.—Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea), vond men eene stad Chalcis.
Chaldaea, Χαλδαία, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens Babylonia en Chalybes.
Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.
Chaleium, Χάλειον = Chalaeum.
Chalus, Χάλος, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis lagen en dat in de woestijn wegsterft.
Chalybes, Χάλυβες, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus, onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, χάλυψ, is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden, die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze niets te maken.
Chalybon, Χαλύβων, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De stad was beroemd om haar wijn.
Chamāvi, Χαμαυοί, Χάμαβοι, germaansche stam, eerst aan den Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.
Chaones, Χάονες, ruwe volksstam in Epīrus, wier land, Chaonia, zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona, en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.
Chaos, Χάος, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa, waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus en Nyx voort.
Characēne, dat gedeelte van Susiāna, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax (zie Charax no. 1) ligt.
Charādra, Χαράδρα, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea, aan het riviertje Charādrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en in Zuid-Epīrus vond men eene stad van dezen naam.
Charax, Χάραξ (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden steden. 1) stad in Susiāne aan de monding van den Tigris, door Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt in Antiochīa naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming beveiligde.—2) stad op Corsica.—3) stad in Media, nabij de Caspiae portae.
Chares, Χάρης, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs, die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen satraap Artabāzus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronēa.—2) bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld, dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.
Charicles, Χαρικλῆς, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog, later een van de dertig.—2) schoonzoon van Phocion, liet zich door Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).
Charidēmus, Χαρίδημος, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen, welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in 351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronēa. Hij was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de maatregelen van Darīus, door dezen ter dood gebracht werd (333).
Charietto, Χαριέττων, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358 n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen, die wederom in Gallië waren ingevallen.
Charilāus, Charillus, Χαρίλαος, -λεως, Χάριλλος, nageboren zoon van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun beloofd had hen niet weder te bestrijden.
Charis, Charites, Χάρις, Χάριτες, Gratiae, dochters van Zeus en Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionȳsus en Aphrodīte. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee, Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne, Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.—Te Athene werden zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het weder toegeschreven.—In lateren tijd golden zij ook voor godinnen van dankbaarheid en weldoen.—Gewoonlijk worden de drie Charites met elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.
Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.
Charistia, z. Caristia.
Charito, Χαρίτων, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk uit de 2de eeuw n. C.).
Charmādas, Χαρμαδας, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades, omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene, v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid en zijn merkwaardig geheugen.
Charmande, Χαρμάνδη, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den rechteroever van den Euphraat.
Charmides, Χαρμίδης, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van 403 in een gevecht tegen Thrasybūlus.
Charmīnus, Χαρμῖνος, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.
Charoeades, Χαροιάδης, atheensch veldheer, ondersteunde Leontīni met eene vloot in den oorlog tegen Syracūsae, maar sneuvelde (427).
Charon, Χάρων, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld, die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze over Styx, Cocȳtus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het veroorloofden.—Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig gekleed man.—2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.
Charondas, Χαρώνδας, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550), wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng, doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het zwaard in de borst te stooten.
Charta, χάρτης, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken, die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant, die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana, de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula, een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina) er voor in de plaats komt.
Charūdes, Χαροῦδες = Harūdes.
Charybdis, Χάρυβδις, z. Scylla.
Chasuarii of -ri, Χαττουάριοι, vermoedelijk dezelfden als de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJssel woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.
Chatti = Catti.
Chauci, Χαῦκοι, onderscheiden in maiores en minores, een machtige germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met de Batavieren onder Claudius Civīlis. Later gaan ze op in de Saxones (z. a.).
Χειρονομία, de beweging der handen, in het algemeen de mimische beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook een soort spiegelgevecht.
Χειροτονία, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze gekozen magistraten werden χειροτονητοί (ook αἱρετοί) genoemd.
Chelidoniae insulae, Χελιδόνιαι νῆσοι = zwaluweilanden, vijf eilandjes tegenover kaap Chelidonium.
Chelidonium promunturium, Χελιδονία ἄκρα ook Promunturium Sacrum genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phasēlis, uitlooper van den Taurus.
Chelonātas, Χελωνάτας, kaap in Elis, westelijkste punt der Peloponnēsus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.
Cheops, Χέοψ, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500, liet de grootste pyramide bouwen.
Chephren, Χεφρήν, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte werd overtroffen.
Chersonēsus, Χερσόνησος, schiereiland, van χέρσος of χέρρος, vast, en νῆσος, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica, dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche, vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus was de geheele Chersonēsus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en na diens dood van Augustus.—Ook een atheensche stad op de Chersonesus heet Chersonesus (of Agora).—2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri; in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden (mythe van Iphigenīa en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van Heraclēa Taurica gesticht.—3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel Ch. Cnidia of ἀπό Κνίδου, het oostelijk X. τῆς Βυβασσίης heet.—4) Ch. Thrachēa of Rhodia tegenover Rhodus.—5) Ch. magna, op de kust van Cyrenaïca.—6) Ch. aurea, χρυσῆ, thans Malakka, in Achter-Indië.—7) Ch. Cimbrica, thans Jutland.—8) landtongen: in Argolis naar het N. gekeerd, tegenover Aegīna (hierop lag Methāna); verder: van Athos, bij Sinōpe, bij Carthāgo, enz.
Cherusci, Χερουσκοί, machtig germaansch volk in den omtrek van het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis (Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en de Marcomannen. In Tacitus’ tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige twisten zeer verzwakt.
Chiliarchus, Χιλίαρχος, Χιλιάρχης, aanvoerder eener χιλιαρχία, eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16 diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht, de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.
Chilo, Χείλων, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven wijzen wordt hem de spreuk γνῶθι σαυτόν of τέλος ὁρᾶν μακροῦ βίου toegeschreven.
Chimaera, Χιμαίρα, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en Echidna, door den lycischen koning Amisodārus opgevoed, dat in Lycië groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van Athēna gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw, in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.
Chione, Χιόνη, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van Eumolpus.—2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.
Chionides, Χιονίδης, 1) Eumolpus, zoon van Chione.—2) dichter der oude comedie, omstreeks 450.
Chiridōta, χειριδωτός, sc. χιτών, tunica met lange mouwen, eene dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen zeer veel voor.
Chirisophus, Χειρίσοφος, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun terugtocht.
Chiron, Χείρων, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iāson, Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij, opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken, zijne onsterfelijkheid aan Promētheus af, zoodat deze tevens, volgens eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.
Χιτών, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den linkerarm een mouw was, (ἑτερομάσχαλος, daarentegen wordt de gewone ch. ἀμφιμάσχαλος genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (ἐξωμίς). De dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang; de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken (περόναι) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang, wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (χιτώνιον).
Chius, Chios, Χίος, thans Scio, groot en machtig eiland op de ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd (477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In 413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377–357 is het lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausōlus. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette ook Chius of Chios.

Chlamys.
Chlamys, Χλαμύς, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.
Chloe, Χλόη, bijnaam van Demēter.
Chloris, Χλῶρις, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.—2) dochter van Amphīon en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.—3) dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.—4) dochter van Tiresias.
Choaspes, Χοάσπης, 1) rivier in Susiāne, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.—2) stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.
Choerades, Χοιράδες, sc. νῆσοι, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.
Choerilus, Χοίριλος, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.—2) van Samus, dichter van een historisch epos, Persēis (omstreeks 400).—3) van Iāsus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.
Χόες, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).
Chones, Χῶνες, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.
Chorāgus, χορηγός, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van den χοροδιδάσκαλος, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.
Chorasmii, Χωράσμιοι, een arische volksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.
Choraules, χοραύλης, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.
Χορηγία, z. Chorāgus.
Χωρίζοντες werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.
Chorus, χορός, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (χορυφαῖος), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (παραστάται). De plaats van het koor was in de orchestra.
Chremonideïsche oorlog (± 265–263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonātas had moeten overgeven.
Chrȳsa of -e, Χρύσα, -η, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.
Chrysāor, Χρυσάωρ, 1) zoon van Poseidon en Medūsa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.—2) “met een gouden zwaard”, bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.
Chrysas, Χρύσας, rivier op Sicilia nabij Assōrus, een zijrivier van den Symaethus.
Chryse promunturium, Χρυσῆ χερρόνησος, het schiereiland Malakka.
Chrysēis, Χρυσηίς dochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Brisēis).
Chrysippus, Χρύσιππος, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.—2) van Soli of Tarsus (282–206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord: εἰ μὴ γὰρ ἦν Χρύσιππος, οὐκ ἂν ἦν Στοά.
Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero’s oratio pro S. Roscio Amerino.
Chrysopolis, Χρυσόπολις, versterkte havenstad in het gebied van Chalcēdon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.
Chrysothemis, Χρυσόθεμις, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.
Chthonius, Χθόνιος, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).—2) Χθόνιος, Χθονία, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demēter, Persephone e. a. Ζεὺς Χθόνιος = Hades.
Χύτροι, de derde dag der Anthesteria (z. a.).
Chytri, Χύτροι, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.
Cia = Ceos.
Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.
Cibyra, Κίβυρα, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyrātis, 2½ uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.
Cicerēius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.
Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3–9.
Cicones, Κίκονες, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdēra en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronēa, ook Orthagorēa geheeten.
Cidaris, κίδαρις, κίταρις, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.
Cierium, Κιέριον, stad in Thessaliōtis, vroeger Arne geheeten.
Cilicia, Κιλικία, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amānus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, τραχεῖα, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, πεδιάς, ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naam Ἐλευθεροκίλικες. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.
Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de portae Amanides verleenden toegang uit het O.
Cilix, Κίλιξ, zoon van Agēnor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.
Cilla, Κίλλα, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.
Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C. Cilnius Maecēnas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en is Maecēnas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octaviānus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.
Cimber, familienaam in de gens Tillia.
Cimbri, Κίμβροι, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonēsus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Norēia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silānus (Junii no. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.
Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.
Cimmerii, Κιμμέριοι, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeōtis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.
Cimolus, Κίμωλος, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).
Cimon, Κίμων, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.—2) zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinīce af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonēsus in het bezit der Atheners (476–468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristīdes gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z. Callias no. 1).—Behalve Cimon’s groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.
Cinado, Κινάδων, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilāus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.
Cinara, Κινάρα, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken, κινάραι.
Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.
Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver van annales in het Grieksch.—2) M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.
Cincinnātus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2–5.
Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.
Cineas, Κινέας, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.—2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epīrus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus’ overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.
Cinesias, Κινησίας, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.
Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.
Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.
Cingulum, bergvesting in Picēnum, in 63 door Labiēnus aangelegd.
Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39–42) en de gens Helvia.
Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.
Cinyps, gen. -phis, Κίνυψ, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is cinyphius = afrikaansch.
Cinyras, Κινύρας, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodīte. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adōnis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.
Cios = Cius.
Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium, de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.
Circe, Κίρκη, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latīnus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.
Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).
Circesium, Κιρκήσιον, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chabōras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.
Circius, Θρασκίας, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.
Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.

Circus.
Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.

Circus maximus.
De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatīnus en den Aventīnus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.
Cirphis, Κίρφις, zie Parnassus.
Cirrha, zie Crissa.
Cirta, Κίρτα, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantīna genaamd; tgw. Constantine.
Cisalpīna (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadāna, Gallia Transpadāna, Venetia, Histria.
Cispadāna (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).
Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma; hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminālis.
Cissēis, Κισσηίς, 1) Theāno, dochter van den thracischen koning Cisses.—2) Hecabe, dochter van Cisseus.
Cissia, Κισσία, oude naam voor de landstreek Susiāne aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.
Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heeten lacus.
Cistophorus, κιστοφόρος, 1) degene, die bij sommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.—2) aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.
Cithaeron, Κιθαιρών, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe’s kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).
Cithara, κιθάρα, κίθαρις, een muziekinstrument, door Amphīon of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.
Citium, Κίτιον, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).
Cius of Cios, Κίος, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Milētus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.
Civīlis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69–70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cereālis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.
Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en πολιτεία.
Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.
Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,—òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echter socii.
Cladeus, Κλάδεος, beek die langs Olympia stroomend in den Alphēus valt.
Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.
Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.
Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.
Clarus, Κλάρος, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel van Apollo Clarius.
Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.
Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook = classiarii.
Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen der comitia centuriata.
Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld (zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misēnum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.
Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadāna, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomārus.
Claternae, stad in Gallia Cispadāna aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).
Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.
Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.
Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.
Claudiānus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandrīa, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.
Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam Sabīnus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.—2) App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451–449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.—3) C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.—4) App. Claudius Crassus of Crassīnus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.—5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.—6) App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.—7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.—8) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.—9) App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M’. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.—10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia de sociis Latinis.—11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.—12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.—13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.—14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15–19) in armoede achter.—15) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradātes in 74–72, en eischte in 72 van Tigrānes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsālus.—16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.—17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradātes ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar’s woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder Clodiae leges.—18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caelii no. 4).—19) Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20) C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.—21) App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.—22) C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinātor bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.—23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio Africānus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.—24) Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octaviānus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).—25) Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14–37 na C. Zie Tiberius.—26) Nero Claudius Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octaviānus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12–9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa Drusiāna (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus’ dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en Germanicus.—27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41–54 na C. Zie Claudius (keizer).—28) Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalīna. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).—29) Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55–68 na C. Zie Nero (keizer).—30) M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpīna, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumārus de spolia opima behaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctātor Casilīnum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontīni in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimēdes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem “het zwaard van den staat” wegens zijne onversaagde dapperheid.—De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.—31) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.—32) M. Claudius Marcellus, consul in 183.—33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpīna, Liguria en Hispania.—34) M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.—35) C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.—36) C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octaviānus.—37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861–887) verheerlijkt wordt: “Tu Marcellus eris”.—38) Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.—39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla’s dood.—40) Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.