← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

C. (continued 4)

Reading edition

Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdūnum Convenārum.

Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg, bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela.

Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.—Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.

Convivium, συμπόσιον, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie δεῖπνον.

Coos = Cos.

Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.

Cōpae, Κῶπαι, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copāis.

Copaïs, Κωπαίς, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen, catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.

Cophen, Κωφήν, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.

Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.

Copis, κόπις, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.

Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).

Copreus, Κοπρεύς, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.

Coptus, Κοπτός, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.

Cora, Κόρη = Persephone.

Cora, Κόρα, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.

Coracesium, Κορακήσιον, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.

Coras, zie Tiburtus.

Corassiae, Κορασσίαι, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ook Corsiae.

Corax, Κόραξ, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.

Corax, Κόραξ, berg in het oosten van Aetolia.

Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.—2) stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), thans Berga.

Corbulo, familienaam in de gens Domitia, z. Domitii no. 16.

Corcȳra, Κέρκυρα, later Κόρκυρα, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.

Corcȳra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.

Cordax, κόρδαξ, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.

Corduba, Κόρδυβα, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucānus.

Cordyēne of Gordyēne, Γορδυηνή, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.

Coressus, Κορησός, ook wel Κορεσσός geschreven, berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.

Coresus, Κόρεσος, z. Callirrhoë no. 4.

Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naam Italia tot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.

Corinna, Κόριννα, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.

Corinthia, Κορινθία, landschap van de Peloponnēsus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door den sinus Corinthiacus, aan de andere door den sinus Saronicus bespoeld.—Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657–628). Zijn zoon Periander (628–585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verder Isthmus en Isthmia.

Corinthische oorlog wordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilāus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronēa, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabāzus als bondgenoot van Sparta’s vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).

Corinthus, Κόρινθος, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burcht Ἀκροκόρινθος stond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Cranēum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord: οὐ παντὸς ἀνδρὸς ἐς Κόρινθον ἔσθ’ ὁ πλοῦς. Beroemd was de Aphrodīte-tempel met zijne 1000 ἱερόδουλοι.—Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z. Corinthia.

Coriolānus (C. of Cn. Marcius), zie Marcii no. 3.

Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolānus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.

Cormasa, stad in Pisidia.

Cornelia (lex) de senatu cooptando Agrigentinorum van P. Cornelius Scipio Africānus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.

Cornelia (lex) van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus (Cornelii no. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.

Cornelia (lex) de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Cornelii no. 50).

Corneliae (leges) van L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 39) van 87. 1) de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alle tribus werden verdeeld.—2) de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.

Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van de leges Sulpiciae van P. Sulpicius Rufus.—2) dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z. lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.—3) dat het volk bij de verkiezingen niet meer tributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zie Comitia Centuriata), maar volgens de ouderwetsche centuriënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.—4) dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.—5) een lex de coloniis deducendis.—6) eene lex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eene uncia per 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zie Fenus.

Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla, van 81. 1) lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.—2) lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ook Corneliae (leges) van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, het ius auxilii ferendi was, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.—3) lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van de lex Villia annalis.—4) lex iudiciaria, die de iudicia aan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.—5) lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd de lex Domitia de sacerdotiis afgeschaft (zie Attia (lex)), en ook de verkiezing van den pontifex maximus en den curio maximus door cooptatio vervangen.—6) leges agrariae en lex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onder Agrariae (leges).—7) lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonder lex curiata het imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.—8) lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.—Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende de quaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten: lex de repetundis, lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis, lex nummaria (tegen valsche munters), lex testamentaria (tegen testamentvervalsching) sive de falsis, lex de iniuriis e.a. Zie verder iudex. Sulla’s lex iudiciaria werd in 70 afgeschaft door de lex Aurelia van den praetor L. Aurelius Cotta, de lex tribunicia in hetzelfde jaar door de lex Pompeia, de lex de civitate geraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot de lex de magistratibus behoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.

Corneliae (leges) van den volkstribuun C. Cornelius (Cornelii no. 55), in 67. 1) dat aan niemand in eene senaatszitting dispensatie van eenige wet zou verleend worden, tenzij 200 leden aanwezig waren, en dat geene intercessio zou gelden, wanneer daartoe een wetsvoorstel aan het volk werd gedaan.—2) ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent.

Cornelia Baebia (lex) de ambitu van de consuls P. Cornelius Cethēgus en M. Baebius Tamphilus, 181. Omtrent den inhoud van deze wet is niets bekend.

Cornelia Caecilia (lex) de Cn. Pompeio, van de consuls P. Cornelius Lentulus Spinther en Q. Caecilius Metellus Nepos, 57, strekkende om Pompeius gedurende vijf jaar met de cura annonae in het geheele rom. rijk te belasten.

Cornelia Gellia (lex) van de consuls Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus en L. Gellius Poplicola, in 72, tot bekrachtiging der schenkingen van het burgerrecht door Pompeius.

Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethēgus, Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de eerste consul uit de gens Cornelia, 485.—2) L. Corn. Maluginensis Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de Aequi.—3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius Marmercīnus.—4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten, door M. Manlius Capitolīnus verwekt.—5) A. Corn. Cossus Arvīna, consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).—6) P. Corn. Scipio komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die het cognomen Scipio had.—7) L. Corn. Scipio Barbātus, consul in 298, streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog bewaard gebleven.—8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus (Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.—9) L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard gebleven.—10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221, streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.—11) P. Corn. Scipio, zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan den Ticīnus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216 stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger, waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald, omsingeld en afgemaakt werd.—12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan), ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno versloeg en in 217 aan den mond van den Ibērus (Ebro) eene carthaagsche vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.—13) P. Corn. Scipio Africānus maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticīnus het leven, streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in 210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot; Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203 Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in 201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In 190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flaminīnus voor de volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen, in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.—14) L. Corn. Scipio Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.—15) P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die no. 18 tot zoon aannam.—16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15, een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten; hij werd in 174 uit den senaat gestooten.—17) Cornelia, de edele dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus, beroemd om hare deugden.—18) P. Corn. Scipio Aemiliānus Africānus minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus, door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151) in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa onder M’. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij, schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad, en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen, en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in 134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde Numantia en kreeg den eernaam Numantīnus. Zijne tegenkanting tegen de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd (zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius, Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de inleiding van Cicero’s geschrift de amicitia.—19) P. Corn. Scipio Nasīca, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In 194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot rechtsgeleerde. De bijnaam Nasīca, die in de familie bleef, beteekent kromneus.—20) P. Corn. Scipio Nasīca Corculum, zoon van no. 19 en schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In 159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.—21) P. Corn. Scipio, bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen, droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij was een zoon van no. 20.—22) P. Corn. Scipio Nasīca Serapio, zoon van no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.—23) P. Corn. Scipio Nasīca, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van den redenaar L. Licinius Crassus.—24) L. Corn. Scipio Nasīca, zoon van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus (Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.—25) P. Corn. Scipio Nasīca, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.—26) L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius, dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).—27) Cn. Corn. Blasio, consul in 270 en 257, censor in 265.—28) L. Corn. Balbus, afkomstig uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octaviānus stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.—29) L. Corn. Balbus minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor (43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21–20, overwon hij de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19), en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is door hem gebouwd (13).—30) M. Corn. Cethēgus, consul 204, pontifex maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago in het land der Insubriërs (in Cisalpīna).—31) C. Corn. Cethēgus, consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpīna. Later werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en Carthago te vereffenen.—32) P. Corn. Cethēgus, consul 181, bracht als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000 Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuāni), en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.—33) P. Corn. Cethēgus, door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen, werd na Sulla’s dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter, een man van grooten invloed.—34) C. Corn. Cethēgus, deelgenoot aan de samenzwering van Catilīna, behoorde onder hen, die door Cicero werden ter dood gebracht.—35) P. Corn. Dolabella, consul in 283, overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.—36) Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.—37) Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia, zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij, doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij ging in ballingschap.—38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne uitspattingen, was met Cicero’s dochter Tullia gehuwd tegen diens zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed onder hem bij Pharsālus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in 47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44 verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden, zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicēa ad mare om het leven.—39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius, was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven, trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten te Ancōna gedood.—40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich na Sulla’s dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem aanzag, door het volk vermoord werd.—41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was (16–13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na C.).—42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die in weerwil van Sulla’s aandrang weigerde haar te verstooten.—43) L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had, werd hem geen zegetocht toegestaan.—44) L. Corn. Merula werd in 87 consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.—45) L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad, door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam Caudīnus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van linzen.—46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd, in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).—47) P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen, en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten tegen C. Gracchus.—48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor, in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten, in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.—49) Cn. Corn. Lentulus Clodiānus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius in den zeerooversoorlog.—50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar gevangen genomen en gedood.—51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in Aegypte vermoord.—52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe, vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen (104–101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradātes verdreven was, op den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij in het Cappadocische Comāna, waar zijne soldaten den eeredienst van Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89 veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania, onderwierp de Hirpīni, drong daarop in Samnium door, en veroverde de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus (z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde, en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen veldheer Archelāus bij Chaeronēa, en een tweede leger bij Orchomenos (86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4) en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna (no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van Italië ontvolkte en met Sulla’s zegepraal eindigde. De belangrijkste slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collīna (1 Nov. 82), waarbij de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van 10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar (79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen, die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.—53) Faustus Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten, o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later streed hij ook bij Pharsālus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij was de schoonzoon van Pompeius.—54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius Torquātus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de tweede samenzwering van Catilīna, waartegen Cicero hem verdedigde, nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste samenzwering. Hij streed ook bij Pharsālus, doch voor Caesar. In 45 werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.—55) C. Cornelius, volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).—56) L. Cornelius Sisenna, praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene vertaling uit der milesische vertellingen van Aristīdes.—56 b) Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.—57) Verder vindt men nog de familienamen Merenda, Rufīnus, Scapula. Onder de Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul 290 met M’ Curius Dentātus; zij maakten samen een einde aan den Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was berucht om zijn hebzucht.—58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in Gallia Transpadāna geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3 boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.—59) C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten zijn verloren.—60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.—61) C. Cornelius Chrysogonus, zie Chrysogonus.—62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto (M. Cornelius).—63) Cornelius Sevērus, zie Severi no. 1.—64) P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius).

Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen.

Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethēgus werd gesteld. Hij was het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs, naar het consulaat.—2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen het driemanschap bij Hadrumētum. Evenals zijn vader had hij met Cicero omgang. Hij was redenaar en dichter.—3) L. Cornificius, aanhanger van Octaviānus.—4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt.

Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthēa.

Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia.

Cornūti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap.—2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43, werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.—3) Cornutus (L. Annaeus). Zie Annaei.

Coroebus, Κόροιβος, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aenēas nog een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze gelegenheid sneuvelde hij.—2) overwinnaar in de olympische spelen in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint.

Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal, die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar = toegift, fooi.

Corōna.
Corōna.

Corōna. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen, en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans van Ariadne.

Corōna.
Corōna.

Corōne, Κορωνή, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronēa, op de plaats van het vroegere Aepēa gesticht, thans Coron.

Coronēa, Κορώνεια, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder Agesilāus in 394 in den corinthischen oorlog.

Coronides, Κορωνίδης, Asclepius, zoon van Corōnis.

Corōnis, Κορωνίς, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys; tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd door hem gered.—2) dochter van Corōneus, koning van Phocis, werd, terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athēna in een kraai veranderd.

Coronta, τὰ Κόροντα, stad in het Z. van Acarnania.

Corōnus, Κόρωνος, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.—2) zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronēa.

Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes praetoriae).

Corsiae, Κορσίαι, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae.

Corsica, Κορσική, doch bij de ouderen gewoonlijk Κύρνος geheeten, het bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar, de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne provincie vereenigd bleef.

Corsōte, Κορσώτη, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat, in Xenophon’s tijd reeds verlaten.

Cortōna, Κόρτωνα, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren.

Coru pedion, Κόρου πεδίον, vlakte in Lydia bij Sardes.

Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores toeliet.—2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen.

Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken.

Corvīnus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28).

Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen.

Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken, en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus tusschen Hydra en Crater.

Corybantes, Κορύβαντες, z. Rhea (Cybele).

Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot in Phocis.

Corycium antrum, Κωρύκιον ἄντρον, grot aan de zuidelijke helling van den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1.

Corycus, Κώρυκος, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).—2) kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.—3) kaap en stad in Pamphylia.

Corymbus, κόρυμβος, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt.

Corynētes, Κορυνήτης, “knotsdrager”, bijnaam van Periphētes en Areïthoüs.

Coryphaeus, κορυφαῖος, in het bizonder de leider van den koorzang en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt.

Coryphasium, Κορυφάσιον, kaap en stad op de Westkust van Messenia.

Corythus, Κόρυθος, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra, stichter van Corythus, later Cortōna.—2) zoon van Paris en Oenōne, werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij hem zonder hem te herkennen.—3) een van de Lapithen.—4) een van de gasten op de bruiloft van Perseus.

Cos, Κῶς, ook Coos, Cous, Κόως, grieksch eiland op de aziatische kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene, die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht.

Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosānus.

Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende oorlogen en betrekkingen voorkomen.—1) C. Cosconius, praetor in 89, versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.—2) C. Cosconius, bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het proces van P. Sestius.

Cossaea, Κόσσαια, landstreek op de grenzen van Susiāna en Media, door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond.

Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3–5.

Cossȳra, Κόσσυρα, eil. tusschen Sicilia en Africa.

Cothon, Κώθων, eene haven van Carthago.

Cothurnus, κόθορνος, een tot het midden van het been reikende laars, van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker- als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand die alle politieke partijen bevredigen wil.

Cotini, een keltisch volk in Germania, ten N. van de Donau, aan den bovenloop van de rivier de Gran wonende.

Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog tusschen Octaviānus en Antonius over den Donau was gevallen, maar later overwonnen werd.

Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1–8.—In den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde.

Cottabus, κότταβος, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook een liefdeorakel.

Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio (Susa).

Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem genoemde Cottische Alpenland. Octaviānus stelde hem als vorst aan met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje als provincie ingelijfd.

Cottus, Κόττος, een van de Centimani.

Cotyla, κοτύλη, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor het meten van geneesmiddelen gebruikt.

Cotyōra, Κοτύωρα, kolonie van Sinōpe op de kust van Pontus, vanwaar Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope.

Cotys, Κότυς, 1) koning van Thracië (383–359), om zijne wreedheid berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.—2) koning der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.—3) regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft beheerschte, gevangen genomen en gedood.—4) zoon van den vorigen, kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46 n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces, Cotys en Polemo.

Cotys, Cotytto, Κότυς, Κοτυττώ, thracische of phrygische godin, die ook door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Κοτύττια, die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Βάπται.

Cous = Cos.

Cragus, Κράγος, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus.

Cranaë, Κρανάη, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica, waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten.

Cranaea, Κραναία, bijnaam van Athēna te Elatēa in Phocis.

Cranaüs, Κραναός, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Κραναοί) en Athene Cranaa (Κρανάα, Κρανάαι); zijne dochter Atthis gaf haar naam aan Attica.

Cranēum, Κράνειον, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe, waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven.

Cranii, -ium, Κράνιοι, -ιον, stadje aan de Westkust van het eil. Cephallenia.

Cranon, Crannon, Κράνων, Κράννων, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in het gewest Pelasgiōtis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322).

Crantor, Κράντωρ, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato schreef, en bestreed de stoicijnsche leer.

Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7–17). Hij komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1–4).

Crāter.
Crāter.

Crāter, κρατήρ, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten geschept werd.

Craterus, Κράτερος, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater, met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen laatstgenoemde sneuvelde hij (321).—2) Macedoniër, v. s. zoon van den vorigen, schrijver eener Ψηφισμάτων Συναγωγή, verzameld uit de te Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels bestaan.—3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero.

Crates, Κράτης, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken toe.—2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten tijd hoofd der academie.—3) Thebaan, de voornaamste leerling van den cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.—4) van Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus.

Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf.

Crathis, Κρᾶθίς, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den sinus Tarentīnus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan, maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een kuststroompje in Achaia.

Cratīnus, Κρατῖνος, 1) Athener (520–423), de eigenlijke schepper der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Πυτίνη (de wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.—2) atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd.

Cratippus, Κράτιππος, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.—2) van Mytilēne, peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero’s zoon.

Cratis = Crates.

Cratylus, Κρατύλος, leerling van Heraclītus en van Protagoras, leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde.

Cremaste, Κρεμαστή, goudhoudende streek in Troas nabij Abȳdus.—Zie ook Larissa no. 2.

Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt, en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden.

Cremni, Κρημνοί, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs (Don) in de Maeōtis.

Cremōna, Κρεμώνη, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219 aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia Cisalpīna. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius, in 69 na C. werd het door die van Vespasiānus verwoest. Hoewel Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug.

Cremōnis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur.

Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten, en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.).

Crenides, Κρηνίδες, zie Philippi.

Creon, Κρέων, 1) koning van Corinthe, vader van Creūsa.—2) zoon van Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en Polynīces; z. Antigone.—3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles, z. Amphitryo.

Creophȳlus, Κρεώφυλος, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht en aan Lycurgus gegeven hebben.

Crepida.
Crepida.

Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij uw leest.

Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij als herkenningsteeken.

Cresilas, Κρησίλας, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias, Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de laatste zijn nog een paar replieken over.

Cresphontes, Κρεσφόντης, een van de drie zonen van Aristomachus, den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnēsus heroverden; bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand met twee van zijne zonen gedood werd.

Cressa, Κρῆσσα, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope; Cressa bos = Pasiphaë.

Crestonia, Κρηστωνία, met de hoofdstad Crestōne of Creston, Κρηστώνη, Κρηστών, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius.

Creta, Κρήτη, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat, was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij Homerus heet Creta nog ἑκατόμπολις en vooral in de Odyssēa vindt men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de burgers. De ὑπήκοοι, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen overeen met de περίοικοι in Laconica. Dan volgden twee klassen van lijfeigenen: de μνωῖται, lijfeigenen van den staat, en de κλαρῶται of ἀφαμιῶται, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10 archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna, en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68–64 het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta, ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs, Ciliciërs of Cariërs onder de κάππα κακά gerekend werden: Κρῆτες ἀεὶ ψεῦσται, κακὰ θηρία, γαστέρες ἀργαί. Op Creta behooren de mythen te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus, wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde.

Crēteus = Catreus.

Crētheus, Κρηθεύς, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus, vader van Aeson, Pheres, Amythāon en Hippolyte.—2) een zanger, die Aenēas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.—3) vader van Neleus.

Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men eene erfenis aanvaardt.

Creūsa, Κρέουσα, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Penēus moeder van Hypseus.—2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van Achaeus en Ion.—3) dochter van Priamus, gemalin van Aenēas, moeder van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.—4) dochter van Creon, onder wiens regeering Iāson en Medēa te Corinthe kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen.

Crimissus of Crimīsus, Κριμισσός, Κριμισός, rivier in het W. van Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van Timoleon op de Carthagers in 339.

Criobolia, zie Rhea (Cybele).

Crisa, Κρῖσα = Crissa.

Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).—Flavius Julius Crispus, oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling, zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord.

Crissa, Κρίσσα, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha, werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als havenstad van Delphi herbouwd.

Crithōte, Κριθώτη, stad in het N. van de thracische Chersonēsus, aan den Hellespont gelegen.

Critias, Κριτίας, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon, overgrootvader van Plato.—2) achterkleinzoon van den vorigen, leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar, dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybūlus.

Crito, Κρίτων, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato een van zijne werken noemde.—2) dichter der nieuwe comedie; één zijner stukken is in 168/7 opgevoerd.

Critolāus, Κριτόλαος, 1) van Phasēlis, opvolger van Ariston als hoofd der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.—2) strateeg van het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146 door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos.

Crius, Κρῖος, Κρεῖος, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen.

Crobylus, κρωβύλος, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens = Corymbus.

Crocodilopolis, Κροκοδείλων πόλις, stad in Midden-Aegypte aan het meer Moeris, later Arsinoë geheeten.

Croesus, Κροῖσος, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs, regeerde 560–546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig, sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven, naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambȳses aan. De rijkdom van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht.

Crommyon, Κρομμυών, stad op de Corinthische landengte, aan de Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn.

Cromnus, Κρῶμνος, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis.

Cronides, Cronīon, Κρονίδης, Κρονίων, Zeus, de zoon van Cronus.

Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia.

Cronus, Κρόνος, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund, dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen, die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene vierde men zijn feest, de Κρόνια, onder gebruiken, die aan den gouden tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.—Cr. wordt algemeen beschouwd als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon, met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand.

Crossaea, Κροσσαία, streek op de grens van Chalcidice aan de golf van Thermae.

Croton, Κρότων, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden, door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en de Lucaniërs aan den anderen kant.—In den tweeden punischen oorlog maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën, waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten.

Crotōna = Cortona.

Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata, inlegwerk.—2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden.

Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht.

Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand.

Crypta, κρύπτη. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie ook cryptoporticus.

Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta ter weerszijden muren had.

Cteatus, Κτέατος, z. Actoriones.

Ctesias, Κτησίας, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van 404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische geschiedenis, Περσικά, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Ἰνδικά, slechts eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig historicus. Zijn Ἰνδικά zijn belangrijker, omdat daarin de eerste berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen.

Ctesibius, Κτησίβιος, beroemd werktuigkundige te Alexandrië onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel.

Ctesiphon, Κτησιφῶν, z. Demosthenes.

Ctesiphon, Κτησιφῶν, stad aan den Tigris, na den dood van Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucīa. Ctesiphon was lang het winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in 116 door keizer Traiānus, in 165 door de legaten van Lucius Verus, in 198 door Septimius Sevērus.

Cuberni = Gugerni.

Cubi, zie Bituriges.

Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen, studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende houding.—De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan.

Cubitus, rom. lengtemaat = 1½ rom. voet = bijna 45 centimeter.

Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd te trekken.

Cugerni = Gugerni.

Cularo, zie Gratianopolis.

Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt.

Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water geworpen werden.—2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter.

Cumae, Κύμη, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea, met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai (z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas.

Cunaxa, Κούναξα, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon (401).

Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcīnum, zwijnskop. Zie verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken, ook wel een dichtgesloten vierkant.

Cuneus, de Zuidkust van Lusitania.

Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes, vader van Caratacus.

Cupīdo, z. Eros.

Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picēnum, tusschen Castrum Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde godin Cupra mater = Juno.

Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen, in allerlei vormen gesnoeid.

Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig.

Curātor is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners, b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii.

Cures, Κυρεῖς, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd, geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft.

Curētes, Κουρῆτες, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië, werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.—2) z. Rhea (Cybele).

Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus (mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de comitia curiata calata plaats.

Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres, was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal, curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia, Faucia, Acculeia en Tifāta. De leden eener curia waren curiales. Ze vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia.

Curiāta (lex), zie Comitia Curiata.

Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument, dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in 188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar in hechtenis liet nemen.

Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitiānus, van wiens geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon in Tacitus’ Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize gehouden.

Curii, een plebejisch geslacht. 1) M’. Curius Dentātus trad als volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op, toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufīnus de Samnieten, en onderwierp de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen, onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf rijk zijn.—2) Q. Curius, deelgenoot van Catilīna’s samenzwering, verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op hare beurt aan Cicero overbracht.

Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4–6.

Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia sacerdotum gekozen.

Curiosolites, gallisch volk in Aremorica.

Curium, Κούριον, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias, ἡ Κουριὰς ἄκρα, naar men zeide, een volkplanting der Argivers.

Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5–7.

Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.

Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking.

Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.—2) M. Curtius, een moedig jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in moest worden geworpen. Na Curtius’ zelfopoffering sloot de kloof zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus Curtius.—3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canulēius. Het verhaal, en de geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.—4) Q. Curtius Rufus, rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste twee en stukken van de andere boeken verloren zijn.

Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus.

Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea (Aspis).

Curūlis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren, de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden, derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta.

Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te Rome gevangen zat.

Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje, dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa, waar Vespasiānus stierf.

Cyaneae insulae, Κυανέια νῆσοι, twee drijvende rotsen in zee aan den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades, Συμπληγάδες, genoemd.

Cyathus, κύαθος, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de bekers geschept werd.—2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel van een χοῦς of congius, het 192ste van een ἑκτεύς of modius.

Cyaxares, Κυαξάρης, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië (625–585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische rijk vernietigd, z. Alyattes.

Cybēbe, Cybele, Κυβήβη, Κυβέλη, z. Rhea.

Cybistra, τὰ Κύβιστρα, oude stad in Cataonia aan den noordelijken voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd behoort de stad tot Cappadocia.

Cychreus, Κυχρεύς, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van Asōpus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering aan Telamon na.

Cyclades, Κυκλάδες, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus, Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is men het niet eens.

Cyclici, Κυκλικοί, een groep epische dichters, navolgers van Homerus, die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw.

Cyclōpes, Κύκλωπες, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen, maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken, samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren), worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar Argolis gekomen zouden zijn.—Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid alles voort wat zij noodig hebben.—De Cyclopen worden voorgesteld als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd.

Cycnus, Κύκνος, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had, waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.—2) zoon van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte Poseidon hem koning van Colōnae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder, in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden, en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus, daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.—3) zoon van Ares en Pelopēa, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te bouwen. Hij werd door Heracles gedood.—4) zoon van Ares en Pyrēne, eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig, dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.—5) zoon van Sthenelus, koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en onder de sterren plaatste.

Cȳdippe, Κυδίππη, z. Acontius.

Cydnus, Κύδνος, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den hals haalde.

Cydonia, Κυδωνία, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydōnes, Κύδωνες. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala = kweeperen.

Cylipēnus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee.

Cyllēne, Κυλλήνη, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en Arcadia, de hoogste berg der Peloponnēsus, geboorteplek van Hermes of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters Cyllenius wordt genoemd.—Ook eene havenstad in het N. van Elis.

Cyllenius, Κυλλήνιος, bijnaam van Hermes, z. Cyllēne.

Cylon, Κύλων, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette, door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.—2) van Croton, een aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef.

Cymbalum, κύμβαλον, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens, in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele.

Cyme, Κύμη, 1) bijgenaamd ἡ Αἰολική (in onderscheiding van het Italiaansche Cumae) of ἡ Φρικωνίς, beroemde aeolische havenstad op de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland allerlei dwaasheden de ronde.—2) stad aan de Oostkust van Euboea, z. Cumae.

Cynegīrus, Κυνέγειρος, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge waarvan hij stierf.

Cynaetha, Κύναιθα, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag van inwoners.

Cynaethus, Κύναιθος, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500 de gedichten van Homērus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen.

Cynesii, Κυνήσιοι, Κύνητες, een volk in het W., bij Herodotus vermeld, waarschijnlijk Iberiërs.

Cynici, Κύνες, Κυνικοί, heetten de wijsgeeren uit de school van Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici, die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend op het moderne denken.

Cynosarges, Κυνόσαργες, een worstelperk voor onechte kinderen, buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze plaats de cynische is genoemd.

Cynoscephalae, Κυνὸς κεφαλαί, naam van twee heuvels in het Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flaminīnus in 197 de overwinning op Philippus van Macedonia.

Cynossēma, Κυνὸς σῆμα, kaap van de thracische Chersonēsus, daar waar de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in een hond veranderde Hecuba.

Cynosūra, Κυνόσουρα, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van Marathon in het O. afsluit.—2) smalle landtong aan de Oostkust van Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht werd.—3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.—4) eene nimf van het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst werd, v. s. de Kleine Beer.

Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in werkelijkheid heette ze Hostia.

Cynthius, -a, Κύνθιος, -θία, Apollo en Artemis, naar den berg Cynthus, hun geboorteplaats.

Cynthus, Κύνθος, kale berg op het eil. Delus, z. a.

Cynuria, Κυνουρία, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd (338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreātis geheeten.

Cynus, Κῦνος, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte.

Cyparissia, Κυπαρισσία, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia aan de Cyparissische golf.

Cyparissus, Κυπάρισσος, 1) zoon van Telephus, die van verdriet verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.—2) stadje in Phocis bij Delphi.

Cypria, Cypris, Κυπρία, Κύπρις, Aphrodīte, zoo genoemd naar het eiland Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Cypriānus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de regeering van keizer Valeriānus met grooten moed den marteldood. Hij heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere tijdgenooten.

Cyprus, Κύπρος, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560 werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het eiland vrij van 478–449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium) en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend, dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt βοὸς οὐρά, ossestaart. Cyprus was de hoofdzetel der Aphrodīte- of Venusvereering; vandaar dat Venus dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis, Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition.

Cypsela, τὰ Κύψελα, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza) en aan de via Egnatia.—2) vesting in Parrhasia, in het Z. van Arcadia.

Cypselus, Κύψελος, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan Cresphontes tot vrouw te geven.—2) zoon van Eëtion en Labda, van moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist (κυψέλη), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld; hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden, en regeerde sedert gelukkig en zacht (657–627), bevorderde handel en verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon Periander volgde hem op.

Cyrenaica, Κυρηναϊκή, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden: Cyrēne en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar havenstad Ptolemaïs, Tauchīra of Arsinoë, en Hesperis of Berenīce werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion, vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne provincie vereenigden. Onder Traiānus kwamen de in Cyr. gevestigde Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd, daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd.

Cyrēne, Κυρήνη, dochter van Hypseus of Penēus, beminde van Apollo, die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan de stad Cyrēne gaf; zij was de moeder van Aristaeus.

Cyrēne, Κυρήνη, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen, gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen, de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare silphium (σίλφιον), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus, den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus.

Cyrenius, Κυρήνιος = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21).

Cyreschata, τὰ Κυρέσχατα, in Sogdiāna, de uiterste grensvesting van Cyrus’ gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest.

Cyrnus, Κύρνος = Corsica.

Cyropolis, Κυρούπολις = Cyreschata.

Cyrrhestice, Κυρρηστική, landschap in het N. van Syria, tusschen het Amānusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagēne. Het droeg zijn naam naar de stad Cyrrhus.

Cyrrhus, Κύρρος, 1) stad in Cyrrhestice.—2) stad in het macedonische gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon (Vistritza), ten N. van Pella.

Cyrus, Κῦρος, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambȳses, die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane, de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was, spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan, en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk te bewerken.—V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk) gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.—Verdicht is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen zou hebben.—2) de jongere, tweede zoon van Darīus Nothus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes, tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht, terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In 401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door een van de begeleiders des konings gedood werd.—De Grieken volbrachten hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden van moeilijkheden van allerlei aard.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings