← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

S.

Reading edition

Saba of Sabae, Σάβα, Σάβαι, 1) naam van eene stad der Sabaeërs (z. Sabaei) in Arabia Felix, ook Mariaba geheeten, die op een hoogen, boschrijken berg was gelegen, en door den praefectus van Aegypte, Aelius Gallus, bij diens mislukten arabischen veldtocht te vergeefs aangevallen werd (24).—2) stad in Aethiopia aan de arabische golf.

Sabacos, Σαβακώς, -κών, koning van Aethiopië, die Aegypte veroverde en het na eene regeering van 50 jaar ten gevolge van een droomgezicht vrijwillig verliet. Dit zou volgens het verhaal van Herodotus in de 11e eeuw geschied zijn. In werkelijkheid hebben drie aethiopische koningen, waarvan de eerste Sabacos heette, tusschen 728 en 672 bij tusschenpoozen over Aegypte geregeerd, onder voortdurende oorlogen met de Assyriërs, die ten slotte het land veroverden.

Sabaei, Σαβαῖοι, Seba, Sheba, aanzienlijk volk in Arabia Felix, in het tegenw. Yemen. Hun land bracht kostbare specerijen en reukwerken voort, waarin zij een winstgevenden handel dreven. Zij golden voor het rijkste en weelderigste volk der wereld. Van hun rijkdom waren allerlei fabelen in omloop.

Sabaria, Savaria, oude bojische stad, onder keizer Claudius rom. kolonie, in Pannonia Superior, waarvan nog vele overblijfselen aanwezig zijn (Stein am Anger).

Sabata, 1) oud etruscisch stadje ten N.-W. van Rome aan den lacus Sabatīnus.—2) stad in Liguria, met een haven Vada Sabatia, ook wel kortweg Vada genoemd.

Sabatīni, volksstam in Campania, aan de riv. Sabātus, een zijtak van den Vulturnus.

Sabatīnus lacus, meertje in Etruria, ten N. W. van Rome.

Sabazius, Σαβάζιος, een phrygisch of thracisch god, die door de Grieken overgenomen werd en met Dionȳsus vereenzelvigd werd; hij staat ook in betrekking tot Rhea Cybele (z. a.). Soms heet hij een zoon van Zeus en Persephone, en wordt van hem verhaald dat de Titanen hem op last van Hera in stukken scheurden, waarbij Zeus echter zijn hart redde en aan Athēna gaf. Ook Zeus zou den naam S. gedragen hebben, maar dien bij de geboorte van Dionȳsus aan dezen afgestaan hebben.—Zijne feesten (Σαβάζια) overtroffen in buitensporigheid nog die van Dionȳsus en Rhea Cybele.

Sabbata, Σάββατα, = Sabata no. 2.

Sabelli, zie Sabīni.

Sabi Regnum, Σάμβου βασιλεία, klein indisch rijkje van zekeren vorst Sabus of Sambus, in India, ten W. van den Ganges, ten O. van Pattalēne.

Sabīna, echtgenoote van keizer Hadriānus.—Over Poppaea Sabina zie Poppaei no. 3 en 4.

Sabīni, Σαβῖνοι, bergvolk in het hart van Midden-Italië, tusschen Etruria, Umbria en Latium. Het breidde zich in den loop der vijfde eeuw in Midden- en Zuid-Italië uit, waar het zich met de oude oscische bevolking vermengde en zelfs de taal daarvan aannam. In tegenstelling van de Sabijnen in de vroegere woonplaats werden de Sabijnen in het door hen veroverde gebied Samnītes genoemd, Σαυνῖται = Sabinītae. Evenals de naam Sabīna, ἡ Σαβίνη, tot het gebied der oude Sabijnen beperkt bleef, bleef ook de naam Samnium, Σαυνῖτις, tot een gedeelte van het samnietisch gebied beperkt, hoewel de Samnieten ook Campania (z. a.) en Lucania vermeesterden en de Hernici in Latium, de Picentes of Picēni, de Marsi, Marrucīni, Paeligni, Vestīni, Frentāni ook tot denzelfden stam behoorden. Al die stammen nu van sabijnschen oorsprong buiten het oude stamland worden gezamenlijk Sabelli genoemd en met inbegrip der Sabijnen zelven spreekt men nog liever van sabellischen, dan van sabijnschen stam. In het eigenlijke Samnium onderscheidde men de Hirpīni, de Pentri, de Caudīni, de Caracēni, in Campania de Picentīni en Sidicīni. De Sabijnen waren een krachtig, landbouwend volk; Cicero noemt ze fortissimos viros, florem Italiae ac robur rei publicae. De gewoonte van het ver sacrum (z. a.) bevorderde hunne verbreiding. Omtrent den Sabijnschen maagdenroof zie Romulus en Roma. De Sabijnen onderwierpen zich in 290 en werden cives sine suffragio. De Samnieten en de overige Sabellen zetten den strijd nog voort tot 272 en bogen toen ook noode het hoofd. In den bondgenootenoorlog waren zij verbitterde vijanden van Rome, totdat Sulla in 82 de beslissende zegepraal op Pontius Telesīnus behaalde en den strijd in verdelging deed overgaan; Samnium werd uitgemoord en bleef braak liggen; van dezen slag heeft het zich nooit hersteld; men zag er voortaan slechts armoedige dorpen.

Sabiniāni, naam der juristen uit de school van C. Ateius Capito. Zij werden zoo geheeten naar een der beroemdste vertegenwoordigers dezer school, Masurius Sabīnus, ten tijde van Tiberius en Nero.

Sabīnum, landgoed ten N. van Tibur, op de grenzen van het sabijnsche land, door Maecenas aan den dichter Horatius ten geschenke gegeven. Het was niet groot, maar lag heerlijk in een boschrijk dal. Op het landgoed ontsprong de bron Bandusia en vloeide de beek Digentia.

Sabīnus, 1) Sabinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius, die o. a. antwoorden schreef op diens Heroïdes. Hij stierf op jeugdigen leeftijd; of dit dezelfde is als Sabinus, de vriend van Horatius, is onbekend.—2) Masurius Sabinus, uit Verōna, rechtsgeleerde en oudheidkundige onder Tiberius en Nero, zie Sabiniani.—3) Flavius Sabinus, oudere broeder van Vespasiānus, was onder Claudius stadhouder van Moesia en onder Nero praefectus urbi te Rome. Galba ontsloeg hem, doch Otho herstelde hem in zijn ambt. Bij den strijd tusschen de troepen van Vitellius en Vespasianus werd hij met een aantal senatoren en ridders op het Capitool ingesloten en door de soldaten van Vitellius belegerd. Toen deze het Capitool in brand staken, geraakte Sabinus in handen van het gepeupel, dat hem vermoordde.—4) Iulius Sabinus, een aanzienlijk Trevir, ruide zijn volk tegen Vespasianus op, doch werd gevat en ter dood gebracht.—5) Familienaam in de gentes Calvisia, Claudia, Poppaea en Sicinia.

Sabis, thans Sambre, zijtak der Mosa (Maas), op welks oever Caesar in een hevigen en gevaarlijken strijd de Nerviërs versloeg.

Sabrata, Σαβράτα, phoenicische volkplanting, later rom. kolonie in Tripolitāna, tusschen de beide Syrten.

Sabrīna, Σαβριάνας, rivier in het Z.W. van Britannia, thans Severn.

Sabus, zoon van Sancus, de oudste koning der Sabijnen, die als een god vereerd werd. Men schreef hem de uitvinding van den wijnbouw toe.

Sacadas, Σακάδας, van Argos, beroemd toonkunstenaar en elegisch dichter, die driemaal bij de Pythia den prijs behaalde, omstreeks 600. Een niet nader bekend muziekinstrument wordt naar hem σακάδιον genoemd.

Sacae, Σάκαι, woest nomadenvolk, voortreffelijke ruiters en boogschutters, ten O. der Massageten, in het steppenland der tegenw. Kirghizen. Zie Bactria.

Sacellum, kapel aan eene godheid gewijd, bestaande uit een altaar met een muur er om, doch zonder dak.

Sacer, aan de goden geheiligd, doch in boozen zin = aan de goden der onderwereld gewijd en dus vogelvrij verklaard. Wie sacer was, kon straffeloos gedood worden, zulk een vonnis heette sacratio capitis. Zie sacratae (leges).

Sacer (mons), 1) heuvel ¾ uur N.O.waarts van Rome aan den Anio, ongeveer waar de via Nomentāna deze rivier kruist; v. a. bij Crustumerium. In de rom. geschiedenis is deze berg bekend door de eerste secessio plebis.—2) Zie Ἱερὸν ὄρος.

Sacerdos, familienaam in de gens Licinia zie Licinii no. 34 en 35.

Sacra via, eene der hoofdstraten van Rome, die langs de noordelijke helling van den mons Palatīnus naar het forum liep en daarvan den Zuidkant volgde in de richting naar het Capitool.

Sacramentum, 1) de krijgseed, die den soldaten werd afgenomen. Hierbij zwoeren de soldaten trouw aan den veldheer, later aan den keizer.—2) de geldsom die bij eene legis actio per sacramentum door beide partijen vóór het proces gedeponeerd en door den verliezer verbeurd werd. Dit was namelijk eene der oudste vormen om een proces in te leiden, dat men zijne tegenpartij op eene som geld daagde. Hij was afkomstig uit het ius pontificium en het verbeurde geld werd oorspronkelijk tot sacrale doeleinden bestemd. Vandaar dan ook de naam.

Sacrātae (leges) heeten de wetten tot waarborg van de onschendbaarheid der volkstribunen en plebejische aedielen. Wie zich aan hen vergreep kon voor sacer (z. a.) verklaard worden. Om dezelfde reden wordt ook de lex Valeria Horatia de provocatione van 449 eene lex sacrata genoemd.

Sacratio capitis, zie sacer.

Sacriportus, 1) Ἱερὸς λιμήν, vlek in Latium tusschen Signia en Praeneste, waar Sulla in 82 den jongen Marius versloeg.—2) stadje aan de golf van Tarentum, ten W. van Tarentum.

Sacrovir (Iulius), een aanzienlijk Aeduer, trachtte onder de regeering van Tiberius een opstand in Gallia te verwekken (21 n. C.), doch werd reeds in het eerste gevecht verslagen en viel op de vlucht door eigen hand.

Sacrum promunturium, ἱερὸν ἀκρωτήριον, naam van onderscheiden kapen: 1) Z.W. punt van Hispania (kaap St. Vincent).—2) ergens in het Noorden van Corsica.—3) W. spits van den Cragus in Lycia.—4) Nog een kaap in Lycia aan de pamphylische grenzen, tegenover de Chelidonische eilanden.—6) kaap in Pontus, ten W. van Trapezus.

Sadocus, Σάδοκος, zoon van den thracischen koning Sitalces, die zijn vader tot een bondgenootschap met Athene bewoog, en daarvoor met het atheensch burgerrecht begiftigd werd (431). Toen een gezantschap van Spartanen en Corinthiërs Sitalces tot het verbreken van dit bondgenootschap trachtte te bewegen, bewerkte Sadocus, dat de gezanten aan de Atheners werden uitgeleverd.

Sadyattes, Σαδυάττης, zoon en opvolger van Ardys, koning van Lydië 615–610, zette den door zijn vader begonnen oorlog met Milētus voort, doch kon evenmin als deze de stad innemen.

Saeculāres (ludi), eeuwfeesten van Rome’s bestaan. Door een heraut werd het volk opgeroepen tot deze spelen, quos numquam quisquam vidisset neque spectaturus esset. Plechtige offers, lectisternia, gebeden, optochten, wedrennen, gladiatorengevechten, venationes of dierengevechten, het ludicrum Troiae, zang, dans, enz., wisselden elkander af, drie dagen en drie nachten achtereen. De nachtelijke feestviering gaf aanleiding tot ongebondenheid, daarom verbood Augustus het bijwonen daarvan aan jongelieden van beiderlei kunne, tenzij onder toezicht van oudere bloedverwanten. Het feest werd besloten door een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27 jongelingen en 27 jonge meisjes werd gezongen. Zóó heeft Augustus bij de nieuwe regeling door hem ingevoerd, het feest in 17 laten vieren, en Horatius heeft daarvoor het carmen saeculare gedicht. Vroeger was het meer een feest ter eere van Dis pater (Πλούτων) en Proserpina, tot afwending van onheilen, die naar het nieuwe saeculum niet konden overspringen, zooals men meende. Het feest is gevierd in 463, 363 en 263, en daarna weder opnieuw onder den verschen indruk van de rampen van den 1sten Punischen oorlog in 249, en dan weer in 146; dit zijn de Terentini ludi (z. a.). De ludi saeculares van Augustus zijn herhaald door Domitiānus in 88 n. C. en door Septimius Sevērus in 204 n. C., waarbij het saeculum berekend werd op 110 jaar, terwijl daarnaast het stichtingsjaar der stad herdacht werd in 47 n. C. (800), 147 n. C. (900) en 248 (1001).

Saenia (lex), van L. Saenius, consul suffectus in de twee laatste maanden van 30. Door deze wet werd aan Octaviānus het recht verleend, aanzienlijke plebejers onder de patricii op te nemen.

S(a)epīnum, Σαίπινον, stad in Samnium, ten O. van Boviānum.

Saepta, zie ovīle.

Saetabis, stad der Contestāni in Hispania, ten Z. van den Sucro (Xucar). De plaats was een rom. municipium, met veel vlasteelt en weverijen. Ook wordt eene rivier van dezen naam in het Z. van Hispania vermeld.

Saevo mons, gebergte in Scandia, het tgw. noorweegsche Kjölengebergte.

Sagalassus, Σαγαλασσός, aanzienlijke stad en grensvesting in Pisidia, op de helling van een heuvel gebouwd. De inwoners hadden den naam van bijzondere dapperheid.

Sagaris, Σαγαρίς = Sangarius.

Sagartii, Σαγάρτιοι, nomadenstam in het binnenland van Iran, ten O. van Persis en Media.

Sagittarius, Arcitenens, Τοξότης, het sterrenbeeld de Boogschutter, z. Chiron.

Sagmen, gewoonlijk plur. sagmina, zie verbēna.

Sagra, Σάγρας, kustrivier in Bruttium, die tusschen Locri en Caulonia in zee valt. Hier werden omstreeks 550 de Crotoniaten bloedig verslagen door de inwoners van Locri Epizephyrii. Van hier kwam een grieksch spreekwoord, ἀληθέστερα τῶν ἐπὶ Σάγρα = het is nog waarachtiger dan het gebeurde bij Sagra.

Sagrus, rivier in Midden-Italië, stroomt door Noord-Samnium en het land der Frentāni.

Sagum, een wollen soldatenmantel, die op den eenen schouder door een gesp werd vastgehouden en, uitgespreid, als deken kon gebezigd worden. In hoofdzaak was het een groote vierkante lap, die men dubbel vouwde en dan omsloeg. Zie de afbeelding bij fasces.

Saguntia of Segontia, Σαγουντία, stad der Arevaci in Hispania, aan een zijtakje van den Tagus, thans Siguenza.

Saguntum, Σάγουντον, bloeiende stad der Edetāni aan de O.kust van Hispania, nabij het tegenw. Murviedro, aan de rivier Pallantias. Het was, zooals men later aannam, eene volkplanting van Zacynthus (Zante), en kolonisten uit Ardea hadden aan de stichting deelgenomen. Het was in bondgenootschap met Rome, toen het in 219 door Hannibal werd aangevallen en, in weerwil eener heldhaftige verdediging, ingenomen en verwoest werd. Toen de Carthagers hierop de uitlevering van Hannibal weigerden (Maart 218), begon de tweede punische oorlog. Later (210) werd Saguntum door de Romeinen als kolonie herbouwd.

Saii, Σάιοι, een thracische volksstam in de omgeving van Abdēra.

Sais, Σάις, oude hoofdstad van Beneden-Aegypte, aan den Bolbitinischen Nijlarm, met een prachtigen tempel der godin Neïth, het graf van Osīris en graven der oude Pharao’s. Bij genoemden tempel werd het jaarlijksche lampenfeest gevierd, waarbij alle huizen gedurende den nacht met een kring van brandende lampen omgeven waren.

Saītis, Σαῖτις, bijnaam, onder welken Athēna te Lerna vereerd werd, misschien naar Sais in Aegypte, z. Neïth.

Sala, Σάλας, naam van twee rivieren in Germania, 1) de tegenw. saksische Saale, zijtak van den Albis (Elbe).—2) de tegenw. frankische Saale, zijtak van den Moenus (Main). Deze laatste was grensrivier tusschen de Hermundūri en de Chatti.

Salacia, romeinsche zeegodin, die tot den kring van Neptūnus hoort; in de grieksch-romeinsche mythologie is ze bij Neptunus moeder van Triton. Ook bijnaam van Venus, de uit de zee geborene.

Salaeca, Salēca, stad in het gebied van Carthago, ten Z.O. van Utica, in 204 door Scipio Africānus Maior veroverd.

Salaminia, Σαλαμινία, een atheensch schip, dat voor dezelfde doeleinden gebruikt werd als de Paralus (z. a.).

Salamis, Σαλαμίς, gen. -ῖνος, 1) eiland aan de W.kust van Attica, bekend door de luisterrijke overwinning, die de grieksche vloot in 480 op die van Xerxes behaalde. Hier heerschte tijdens den trojaanschen oorlog Telamon, de vader van den eenen Ajax en van Teucer. Later kwam het eiland onder Megaris en werd onder Solon door de Atheners veroverd. In de 3de eeuw is het meestal in handen van de Macedoniërs, tot Athene het met hulp van Arātus in 232 hernam. De oude hoofdstad Salamis lag op de Zuidspits, de nieuwe, Salamis nova, op de Oostkust.—2) Toen Teucer van Troje terugkeerde, zonder zijn broeder Ajax te hebben gewroken, werd hij door Telamon verstooten. Daarop stevende Teucer oostwaarts en stichtte op de oostkust van Cyprus eene nieuwe stad Salamis, die de voornaamste stad van Cyprus werd. Zij had een zeer ruime haven. In 449 behaalden de Atheners hier eene overwinning op de perzische vloot. Onder de regeering van Constantijn den Gr. werd zij door eene aardbeving verwoest, doch onder den naam Constantia herbouwd en tot hoofdstad van Cyprus verheven.

Salapia, oude daunische stad in Apulia, v. s. door Diomēdes gesticht. In den bondgenooten-oorlog werd ze verbrand en kwam niet weder tot bloei. Ze lag in eene moerassige streek, zoodat ze op sommige tijden bijna onbewoonbaar was.

Salapīna palus, meer bij Salapia, dat door een kanaal met de zee verbonden en tot haven gemaakt werd.

Salaria (via), oudste heirweg in Italië, waarlangs het zout van de Salinae aan de monding van den Tiber naar het land der Sabijnen (Reate) vervoerd werd. Later werd de weg door de Apennijnen verlengd tot Truentum aan de Adriatische zee.

Salassi, Σαλασσοί, Alpenvolk in den N.W. hoek van Gallia Cisalpīna aan de Alpes Graiae en Poenīnae. Onder Augustus werden zij minder onderworpen dan uitgeroeid (25 v. C.); de veldheer Terentius Varro (Licinii no. 32) liet er 26000 als slaven verkoopen. Er lagen goudmijnen in hun gebied. Uit de legerplaats der praetoriaansche bezetting ontstond de stad Augusta Praetoria, thans Aosta.

Saldae, Σάλδαι, aanzienlijke zeestad in het O. van Mauretania Caesariensis.

Salduba, zie Caesaraugusta.

Sale, Σάλη, stad op de Z.kust van Thracia, ten W. van den Hebrus.

Salēca = Salaeca.

Salentīni, Σαλεντινοί, volksstam in Calabria aan de golf van Tarentum. Ook kaap Iapygium wordt naar hen promunturium Salentīnum genoemd.

Salernum, Σάλερνον (Salerno), zeestad in het Z. van Campania aan den sinus Paestānus (golf van Salerno), sedert 194 rom. kolonie.

Salganeus, Salganea, Σαλγανεύς, stadje in Boeotia aan den Eurīpus, O.waarts van Anthēdon.

Salii, frankische stam in den omtrek van het eiland der Batavieren. Ze komen van den IJssel, en dringen in de 4de eeuw het Romeinsche rijk binnen, en zijn de stichters van het latere rijk van Clovis. Een hoofdbestanddeel van hen zijn v.s. de vroegere Sygambren (zie aldaar).

Salii, rom. priestercollege, verdeeld in twee gezelschappen, elk van 12 leden. Het oudste, waarvan de instelling toegeschreven wordt aan Numa Pompilius (zie ancile), had zijne offerplaats op den palatijnschen berg en droeg den naam van Salii Palatīni. Het andere, ingesteld door Tullus Hostilius, had zijn heiligdom op den Quirinalis bij de porta Collīna en heette Salii Collīni (Agonenses of Agonales). De eersten waren aan den dienst van Mars, de laatsten aan dien van Quirīnus gewijd. Den 1en Maart offerde de pontifex maximus in de Regia (z. a.), waar de heilige schilden geborgen waren, en op de volgende dagen trokken de Salii met de ancilia al dansende de stad door, alle tempels en altaren rond, terwijl hier en daar geofferd werd. Deze optocht duurde verscheiden dagen; de liederen, die daarbij gezongen werden, heetten axamenta, de plaatsen, waar de schilden ’s nachts geborgen werden, mansiōnes. De optochten eindigden met een prachtig feestmaal, vandaar de uitdrukking epulae Saliares. De Saliërs droegen een priestermuts (zie apex en albogalērus), eene geborduurde tunica (tunica picta), een metalen borstharnas, de toga praetexta of de trabea, verder zwaard en speer. Zij werden uit de patriciërs gekozen, hun naam beteekent: dansers. Aan hun hoofd stond een magister Saliorum, op hem volgde de praesul of voordanser. Bij enkele hunner offers kwam een koor van jonkvrouwen voor, virgines Saliae, ook met borstpantser en priestermuts, dit waren echter geene priesteressen, maar gehuurde meisjes.

Salinae, naam van verschillende steden, in wier nabijheid zout gewonnen werd. Ook de zoutfabrieken droegen dezen naam (ook wel salifodīnae = zoutgroeven). De pacht, die daarvoor aan den staat betaald werd, behoorde tot de vectigalia.

Salinātor = zoutkooper, bijnaam in de gens Livia (Livii no. 7).

Sallentini = Salentini.

Sal(l)ustii, plebejisch geslacht. 1) C. Sallustius Crispus, geb. in 86 te Amiternum in het sabijnsche land, gaf zich in zijne jeugd nogal aan verkwisting en uitspattingen over. Als volkstribuun was hij in 52 vijandig gezind tegen Milo en diens verdediger Cicero. Door den censor App. Claudius Pulcher werd S. in 50 uit den senaat gestooten, doch Caesar bezorgde hem in 49 de quaestuur en bracht hem in den senaat terug. In 47 maakte Caesar hem tot stadhouder van Numidia, waar S. door afpersingen zijn fortuin herstelde, waarvan hij te Rome de prachtige horti Sallustiani op den Collis hortorum (M. Pincio) deed aanleggen. Slechts met moeite ontsnapte hij door Caesars invloed aan eene aanklacht. Na Caesars dood trok hij zich uit de staatszaken terug en wijdde zich aan letterkundigen arbeid. Wij hebben nog van hem twee volledige geschriften: Catilina en Jugurtha of Bellum Iugurthinum, alsmede fragmenten zijner 5 libri Historiarum. Wat verder op zijn naam staat, is onecht. De stijl van S. is gevormd naar dien van Thucydides, kernachtig en pittig. Zijne beschouwingen zijn pessimistisch, als van iemand, die de genietingen der wereld heeft leeren kennen en op lateren leeftijd tot inkeer is gekomen. Hij stierf in 35 of 34.—2) Cn. Sallustius, een vriend van Cicero.—3) C. Sallustius Crispus, achterneef en aangenomen zoon van no. 1, en erfgenaam van diens vermogen, zeer gezien bij Augustus en Tiberius. Horatius droeg hem eene ode op.—4) Flavius Sallustius, vicarius urbis Romae, werd door keizer Julianus tot praefectus praetorio Galliarum (361) en consul (363) benoemd. Hij trachtte te vergeefs Iulianus door middel van een brief van den veldtocht tegen Perzië af te houden. Een andere Sallustius uit dien tijd, wiens ware naam was Saturninus Secundus (Sallustius, juister Salutius, is in dezen tijd een signum, zie nomen), was praef. praet. Orientis, en begeleidde Iulianus op den tocht naar Perzië. Hij was ambtenaar in Gallia geweest, toen Julianus daar tegen de Germanen streed; Julianus had met hem vriendschap gesloten, en toen keizer Constantius hem daarom terugriep (359) had Julianus tot hem een troostrede, or. IV gericht, die nog over is. Na den dood van Iulianus wilde men hem tot keizer benoemen, maar hij weigerde. Hij is waarschijnlijk de schrijver van een werk περὶ θεῶν καὶ κόσμου.

Salluvii, de machtigste der ligurische stammen op de kust van Gallia Narbonensis, tusschen de Alpen en den Rhodanus (in het tegenw. Provence). In hun gebied werd in 600 door de Phocencers Massilia gesticht. Na langen strijd werden zij in 122 aan Rome onderworpen door den proconsul C. Sextius Calvīnus, die in hun gebied Aquae Sextiae stichtte (Aix).

Salmacis, Σαλμακίς, z. Hermaphroditus.

Salmanassar, Σαλμανασάρης, naam van eenige assyrische koningen. De beroemdste is S. IV, die gedurende zijne korte regeering (726–722) een einde maakte aan het rijk Israël, koning Hosēa gevangen nam en Samarīa veroverde.

Salmantica, stad der Vettones in Hispania aan den Termes, een zijrivier van den Durius (Douro), thans Salamanca.

Salmōne, Σαλμώνη, 1) overoude stad in het elische gewest Pisātis aan den Enīpeus.—2) = Salmonium.

Salmōneus, Σαλμωνεύς, zoon van Aeolus en Enarete, ging van Thessalië naar Elis en stichtte daar de stad Salmōne. Hij waagde het zich met Zeus gelijk te stellen, en bootste daartoe door kunstmiddelen bliksem en donder na, maar Zeus doodde hem met den bliksem, wierp hem in den Tartarus en verwoestte de door hem gestichte stad.

Salmōnis, Tyro, dochter van Salmōneus.

Salmonium of Samonium, kaap aan de N.O. punt van Creta.

Salmydessus, Σαλμυδησσός, stad en kuststreek van Thracia aan den Pontus Euxīnus, berucht door strandroof.

Salo, rechterzijtak van den Ibērus (Ebro) in Hispania, die langs de stad Bilbilis stroomt.

Saloë, zie Sipylus.

Salona of -nae, Σαλῶνα, -ναι, hoofdstad van Dalmatia, rom. kolonie, sterk door hare ligging, met slechts één toegang aan de landzijde door den nabijgelegen bergpas Clissūra. In de nabijheid, bij Spalatum, lag de prachtige villa van Diocletiānus, waarvan nog overblijfsels aanwezig zijn. Door de Gothen werd Salona verwoest. Het bleef echter ook onder het byzantijnsche keizerrijk een zeer belangrijke havenstad.

Salsa (mola), speltmeel met zout vermengd, waarmede de offerdieren vóór het slachten werden bestrooid.

Salus, personificatie van gezondheid en welvaart. De Salus publica populi Romani had sedert 302 een tempel op den Quirinālis (zie Fabii no. 24), die in de plaats kwam van een ouder heiligdom; men bad tot haar bij het begin van het jaar, maar moest eerst door middel van het augurium Salutis vragen of zulk een gebed geoorloofd was. De zaak is echter zeer onduidelijk overgeleverd. Nevens deze Salus werd in den keizertijd ook de Salus Augusta aangebeden.—Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Fortūna.

Salustii = Sallustii.

Salutatio matutina, morgengroet of morgenbezoek, door vrienden en cliënten aan aanzienlijke personen gebracht. Dit bezoek had plaats in de eerste paar uren na zonsopgang. Zie clientes.

Salutius, z. Sallustii no. 4.

Salvidiēni. Q. Salvidienus Salvius Rufus, van onaanzienlijke geboorte, was een groot vriend van Octaviānus, vergezelde hem naar Apollonia, was later in den burgeroorlog zijn legaat, doch werd op zijn bevel ter dood gebracht wegens het aanknoopen van geheime onderhandelingen met Antonius.

Salvii. 1) Salvius, volkstribuun in 43, verzette zich tegen het senaatsbesluit, waardoor Antonius (in den mutinensischen oorlog) tot vijand van den staat werd verklaard. Toch was hij met Cicero een der eerste slachtoffers der proscriptie.—2) Salvius, voorlezer en bibliothecaris van T. Pomponius Atticus.—3) M. Salvius Otho, grootvader van keizer Otho, was uit Etruria afkomstig en kwam onder Augustus door Livia’s invloed in den senaat.—4) L. Salvius Otho, zoon van no. 3, een gunsteling van Tiberius, zeer streng op het punt van krijgstucht, was stadhouder in Africa en ontdekte eene samenzwering tegen Claudius.—5) M. Salvius Otho, zoon van no. 4, rom. keizer. Zie Otho.—6) L. Salvius Otho Titiānus, oudere broeder van no. 5, streed voor dezen tegen Vitellius bij Bedriācum, doch werd verslagen en gevangen genomen. Hij bleef echter gespaard.—7) C. Salvius Liberālis, redenaar, door Plinius minor zeer geprezen.—8) Salvius Iuliānus, zie Iuliāni.—9) Salvius, aanvoerder in een slavenopstand op Sicilia in 104, zie Tryphon.

Salyes, Σάλυες = Salluvii.

Samara, rivier in Belgica, de Somme.

Samarīa, Σαμάρεια, of Schomrôn (= wachtpost), stad in het midden van Palaestina, door koning Omri gesticht als hoofdstad van het rijk van Israël, ter vervanging van het oude Sichem als residentie. Na den val van het rijk bleef het oude gebied van den stam van Ephraïm en den halven stam van Manasse onder den naam Samarītis of Samaria bekend. Tijdens de Makkabaeën ging het zuidelijke gedeelte aan Judaea verloren. De stad Samaria lag op een heuvel midden in een groot dal; in 722 werd zij verwoest door den assyrischen koning Salmanassar, in 307 onderging zij hetzelfde lot door Ptolemaeus I Lagi, en later nogmaals door den Makkabaeër Hyrcānus. Door Herōdes den Gr. werd zij vergroot en verfraaid, en ter eere van Augustus Sebaste, Σεβαστή, genoemd. Over het landschap zie men verder Palaestina.

Samarobrīva, stad der Ambiāni in Belgica, aan de Samara (Somme), thans Amiens.

Sambūca, σαμβύκη, 1) snareninstrument van zeer verschillende afmetingen, eenigszins overeenkomende met onze harp.—2) belegeringswerktuig, vermoedelijk eene valbrug, die uit een belegeringstoren werd neergelaten op de muren der belegerde stad.

Sambus, zie Sabi regnum.

Same, of -us, Σάμη, -ος, zie Cephallenia.

Samia, Σαμία = Samicum.

Samicum, Σαμικόν, stad in het Z. van Elis, in Triphylia.

Saminthus, Σάμινθος, plaatsje in Argolis, ten N.W. van Mycēnae.

Samnietische oorlogen. Bij de oude geschiedschrijvers worden 3 oorlogen van de Romeinen met de Samnieten vermeld. De eerste samnietische oorlog van 343 tot 341 heeft echter nooit plaats gehad, daar in dien tijd de Romeinen en Samnieten ten nauwste met elkaar verbonden waren, en de Samnieten de Romeinen hielpen om de Volscen en andere stammen te onderwerpen, en ook aan den oorlog tegen den Latijnschen bond (340–338) hebben deelgenomen. Er worden drie overwinningen uit het jaar 343 verzonnen: bij den Gaurus mons (z.a. en Cornelii no. 5), in de Caudijnsche passen en bij Suessula. De tweede (in werkelijkheid de eerste) Samn. oorlog is gevoerd van 328 of 326–304, waarin de voornaamste gebeurtenis is de nederlaag der Romeinen in de Caudijnsche passen in 321 (zie Caudium), waarna de oorlog een paar jaar gestaakt werd. De laatste oorlog duurde van 299 of 298 tot 290, en eindigde met de volledige onderwerping van Samnium (z. echter Sabini) en de inlijving van het sabijnsche land.

Samnītes, Samnium, zie Sabīni.

Samonium = Salmonium.

Samosata, τὰ Σαμόσατα, versterkte hoofdstad van Commagēne, aan den Euphraat, geboorteplaats van Luciānus.

Samothrāce, Σαμοθράκη, thans Samothraki, eiland op de thracische kust tegenover de monding van den Hebrus (Maritza), met een hoogen berg, Saōce, Σαώκη. Het eiland was vooral bekend door de vereering der Cabīri (z. a.).

Sampsiceramus, spotnaam, door Cicero aan Pompeius gegeven, naar een nietsbeduidend koninkje te Emesa in Syria.

Samus, Σάμος, thans Samo, machtig eiland op de ionisch-aziatische kust, eerst bevolkt door Lelegers en Cariërs, later door Ioniërs en Doriërs. Het was reeds vroeg eene aanzienlijke zeemogendheid; de Samiërs waren de eersten, die triëren bouwden (704). Na vele twisten tusschen adel en volk, maakte in ± 540 Polycrates zich van het bestuur meester. Zijne regeering was een tijdperk van grooten bloei. Kort na zijn dood werd het eiland, niet zonder tegenstand en verwoesting, aan de Perzen schatplichtig en onder Polycrates’ jongeren broeder Syloson geplaatst. Onder Syloson’s zoon Aeaces namen de Samiërs wel deel aan den ionischen opstand (500), doch liepen na den slag bij Lade tot den vijand over. Als lid van het attische zeeverbond bewaarde Samus later eene zekere mate van onafhankelijkheid, totdat in 440 bij een geschil tusschen Samus en Milētus de Atheners te gebiedend optraden, waarop het eiland de gehoorzaamheid opzegde. Na een beleg van negen maanden slaagde Pericles er in, den opstand te bedwingen; de vestingwerken werden geslecht, de vloot uitgeleverd, den Samiërs een zware boete opgelegd en een gedeelte van het eiland tot cleruchieën gemaakt. In den peloponnesischen oorlog bleef Samus aan Athene trouw, doch na den slag bij Aegospotami moest het voor Lysander zwichten en spartaansche bezetting opnemen, terwijl de atheensche kolonisten verdreven werden. In 394 kwam het opnieuw bij Athene, in 390 weder bij Sparta, daarna aan Perzië, in 365 werd het heroverd door de Atheners, die er in 352 weder 2000 cleruchen heenzonden. In 322 werd het door Perdiccas den Atheners ontnomen, in 319 door Polyperchon hun teruggegeven, en sedert veranderde het nog herhaaldelijk van meester, tot het eindelijk door Rome in den mithradatischen oorlog bij de provincie Asia werd ingelijfd. Door Octaviānus werd het wel eene civitas libera, doch bloei en welvaart waren reeds lang verdwenen. Het eiland was ongemeen vruchtbaar, zoodat men zelfs spreekwoordelijk zeide, dat de kippen er melk gaven: φέρει Σάμος καὶ ὀρνίθων γάλα. Bouw- en beeldhouwkunst stonden er eenmaal op hoogen trap, en de stad Samus, aan de Zuidoostkust gelegen, en amphitheaterswijze van het strand tegen heuvels oploopende, gold voor eene van de fraaiste en sterkste steden der oudheid. Tal van overblijfselen getuigen nog van den vroegeren tijd. Beroemd was ook het kostbare samische aardewerk. Samus was het vaderland van den decoratieschilder Agatharchus, den beeldhouwer en metaalgieter, tevens goud- en zilverwerker Theodōrus, van de wijsgeeren Pythagoras en Melissus, de dichters Aeschrion en Choerilus e. a. De voornaamste godheid van het eiland was Hera, aan wie een zeer oude en beroemde tempel, door Rhoecus gebouwd, gewijd was.

Sana, Sane, Σάνη, naam van twee steden van Chalcidice, de eene op de Westkust van het schiereiland Pallēne, de andere ten N. van de doorgraving van den berg Athos, aan den Singiticus sinus.

Sanchoniāthon, Sanchun., Σαγχουνιάθων, van Berȳtus, schrijver van eene zeer oude phoenicische geschiedenis, die door Herennius Philo (Philo no. 8) in het Grieksch vertaald werd. Men vermoedt dat Philo de schrijver en niet de vertaler van dit werk was, en dat de naam S. niets dan een verdichtsel van hem is.

Sancus, Semo S., zie Dius Fidius.

Sandalium, σανδάλ(ι)ον, sandaal, bestond uit een zool met een bovenleder (ζυγόν), dat de teenen en het voorste gedeelte van den voet bedekte.

Sandon, assyrisch heros, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd.

Sandrocottus, Sandracottas, Σανδρόκοττος, Σανδρακόττας, machtig koning van Palibothra, met wien Seleucus Nicātor betrekkingen aanknoopte.

Sangala, Σάγγαλα, stad in het gebied der Cathaei in India.

Sangarius, Σαγγάριος, aanzienlijke rivier van Asia minor, die in het O. van Phrygia op den berg Adoreus ontspringt, door Galatia, langs en door Bithynia stroomt en in den Pontus Euxīnus valt. Evenals de Halys stroomt hij achtereenvolgens in de meest verschillende richtingen.

Sangus = Sancus.

Sanherib, Σαναχάριβος, koning van Assyrië, 704–681. Ten gevolge van oproerige bewegingen in Judaea en Phoenicië, die door Aegypte ondersteund werden, trok hij naar het Westen (701), maar eene pest richtte in zijn leger binnen kort zoo groote verwoestingen aan, dat hij terug moest trekken. Hij werd door een van zijne zonen gedood.

Sannyrion, Σαννυρίων, dichter der oude attische komedie, tijdgenoot van Aristophanes.

Sanquinii, geslacht, dat eerst in den romeinschen keizertijd voorkomt, onder Tiberius en Caligula. Bekend is vooral Q. Sanquinius Maximus, consul saffectus waarschijnlijk in 25 n. C., stierf als legatus pro praetore van Germania Inferior in 47.

Santones, -ni, Σάντονες, -νοι, volksstam in Gallia aan den Carantonus (Charente). Hun naam leeft nog voort in dien der landstreek Saintonges. Steden: Mediolānum (Saintes), Condāte (Cognac).

Sapaei, Σαπαῖοι, thracische stam ten O. van den mons Pangaeus.

Sapientes Septem, οἱ ἑππὰ σοφοί, de zeven wijzen van Griekenland, zeven tijdgenooten (7e en 6e eeuw), die door scherpzinnigheid en wijsheid uitmuntten en wier kort geformuleerde spreuken als algemeen geldige lessen van levenswijsheid beschouwd werden: Bias, Chilo, Cleobūlus, Periander (v.a. Myson), Pittacus, Solon en Thales.

Sapis, Σάπις, kustriviertje in Gallia Cispadāna, dat ten Z. van Ravenna in de Adriatische zee valt.

Sapōres, Σαπώρης, naam van twee koningen uit het nieuw-perzische vorstenhuis der Sassaniden. 1) S. I (241(2)–273 na C.) voerde zware oorlogen tegen de Rom. en nam in 259 keizer Valeriānus bij een onderhoud verraderlijk gevangen. Valeriānus, die tot zijn dood toe (268) gevangene bleef, moest den perzischen koning tot voetbank dienen, wanneer deze te paard steeg. S. veroverde verder Syria, verwoestte Antiochia, Tarsus in Cilicia en drong in Cappadocia door. Door Odenāthus en Zenobia werd hij echter in zijne veroveringen gestuit en naar zijn eigen gebied teruggedreven.—2) S. II (310–379 na C.) was mede een hevig vijand van Rome en vervolgde de Christenen. Het was in den oorlog tegen hem dat keizer Iuliānus omkwam (363 na C.).

Sappho, Σαπφώ, van Mytilēne of Eresus op Lesbus, beroemde lyrische dichteres omstreeks 600. Daar zij tot de adelspartij behoorde, moest zij, evenals Alcaeus, omstreeks 596, haar vaderstad verlaten, en heeft toen een tijd lang op Sicilië geleefd. Later keerde zij terug. Zij onderwees te Mytilēne jonge meisjes in muziek en poëzie. Overigens is van haar leven weinig of niets bekend, en de geruchten omtrent haar onzedelijken levenswandel blijken even weinig grond te hebben als het verhaal van hare onbeantwoorde liefde voor Phaon, die haar eindelijk zou hebben doen besluiten, zich van de Leucadische rots in zee te werpen.—Hare gedichten, meest in de naar haar genoemde sapphische versmaat geschreven, waarvan, behalve een vrij groot aantal fragmenten, slechts twee volledig bewaard zijn gebleven, munten uit door dichterlijken gloed en schoone taal, en worden door de ouden terecht hoog geprezen.

Saracēni, Σαρακηνοί, rondzwervende stam in Arabia Felix.

Sarangae, Σαράγγαι, zie Drangiāne.

Sarāpis = Serāpis.

Sardanapālus, Σαρδανάπαλος, wordt gewoonlijk de laatste koning van Assyrië genoemd. Van hem wordt verhaald, dat hij na een wellustig en verwijfd leven, door den Mediër Arbaces en den Babyloniër Belesys aangevallen, zich na een tweejarige heldhaftige verdediging in Niniveh met al zijne vrouwen en schatten liet verbranden, omstreeks 888. Inderdaad was de naam van den laatsten assyrischen koning Saracus, en werd Niniveh omstreeks 606 door Nabopolassar en Cyaxares ingenomen. De naam S. is, naar men vermoedt, dezelfde als Assurbanipal, die kort te voren (667–626) niet zonder roem over Assyrië regeerde.

Sardes (plur.), Σάρδεις, oude beroemde hoofdstad van Lydia, aan den voet van den Tmolus in het liefelijke dal van den Pactōlus gelegen. In ± 500 werd de lichtgebouwde en grootendeels met stroo gedekte stad door de Ioniërs in brand gestoken. Dit lot onderging zij ook later door den syrischen koning Antiochus den Gr. (192). Ook werd zij tijdens keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest. De burcht, die het paleis en de schatkamers bevatte, werd voor onneembaar gehouden. Er zijn nog enkele verstrooide overblijfselen van Sardes aanwezig. Sedert de verwoesting door den mongoolschen veroveraar Timoerlenk of Tamerlan is de stad niet meer opgebouwd.

Sardi, Σαρδῷοι, inwoners van Sardinia, een gemengd ras, traag en ruw, en bij de ouden als trouweloos en boosaardig aangeschreven, zoodat zij op de slavenmarkten weinig geld opbrachten en goedkoop waren (Sardi venales). Zij gingen in dierenhuiden gekleed (Sardi pelliti).

Sardica = Serdica.

Sardinia, Σαρδώ, het tegenw. eiland Sardinië in de Tyrrheensche zee, hetwelk de Carthagers na den eersten punischen oorlog met Corsica moesten afstaan (238). Op de kust lagen phoenicische, carthaagsche en tyrrheensche volkplantingen. Het bezit van het eiland, zoowel door Rome als door Carthago, bepaalde zich eigenlijk tot het kustland. Het hart des lands, het bergland der Montes insāni, werd nooit geheel onderworpen, en gedurig worden krijgstochten der Rom. tegen de Sardi (z. a.) vermeld. In 450 na C. kwam het eiland in handen der Vandalen. Het land was niet onvruchtbaar, doch aan landbouw werd weinig gedaan. Er waren schapen, die op geiten geleken; op de kusten werden veel konijnen gevangen, verder leverde het land graan, boomvruchten, zilver en ijzer op. De sardinische honig was eenigszins bitter, evenals de corsicaansche; vandaar: amarior melle Sardo. Er groeide een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen, die een stuipachtig vertrekken van den mond te weeg bracht, risus Sardonius.

Sardonius of -nicus (risus), sardonisch lachen, zie Sardinia.

Sardus, Σάρδος, zoon van Maceris, voerde eene kol. uit Libye naar het eiland Ichnūsa, dat naar hem Sardo (Sardinië) genoemd werd.

Sarepta, Σάραπτα, stad van Phoenice, met beroemden wijn, tusschen Tyrus en Sidon.

Sarissa, σάρισ(σ)α, een lans, bij de macedonische infanterie in gebruik. Onder Alexander den Gr. was de sar. hoogstens 5½ M. lang, later beproefde men langere, er worden zelfs sar. van bijna 7½ M. vermeld. Ook bij de ruiterij had men een corps σαρισοφόροι.

Sarmatia, Σαρματία. Sarmaten, Sarmatae, Σαρμάται, was de naam van een uitgebreiden volksstam ten O. van den Beneden-Tanais (Don). Daarnaar is door den aardrijkskundige Pomponius Mela (± 50 na C.) de benaming Sarmatia in gebruik gekomen voor het land tusschen de Vistula (Weichsel) en den Tyras (Dniëster) ten W., den Rha (Wolga) ten O., den Caucasus met de aangrenzende zeeën ten Z. en het māre Suevicum of Sarmaticum (Oostzee) ten N. Als scheiding tusschen europeesch en aziatisch Sarmatia werd gewoonlijk de Tanais aangenomen (zie Europa). Sarmatia werd bovendien bewoond door een aantal groote volksstammen: Venedae (Wenden), Peucīni, Bastarnae, Iazyges, Roxolāni, Alauni of Alāni, waartusschen een aantal kleinere woonden.

Sarmaticae portae, Σαρματικαὶ πύλαι, bergpas in den Caucasus, die van Iberia noordwaarts naar Sarmatia voerde.

Sarmatici montes, het W. gedeelte der Alpes Bastarnicae, de tegenw. kleine Karpathen.

Sarmaticum mare, Σαρματικὸς ὠκεανός, de Oostzee, bij dichters ook wel de Zwarte zee.

Sarmizegethūsa, Σαρμιζεγεθούση, koninklijke residentie van koning Decebalus van Dacia, later na de verovering door Traiānus rom. kolonie, colonia Ulpia Traiana Augusta.

Sarnus, Σάρνος, rivier in Campania, die langs Nuceria stroomde en bij Pompeii in zee viel. Door de uitbarstingen van den Vesuvius is de loop gewijzigd.

Saronicus sinus, Σαρωνικὸς κόλπος, thans golf van Egina, tusschen Attica, den Isthmus en Argolis.

Sarpēdon, Σαρπηδών, 1) zoon van Zeus en Eurōpa, geraakte in twist met zijn broeder Minos en vluchtte met Milētus (z. a.) naar koning Cilix, dien hij tegen de Lyciërs bijstond. Later werd hij koning der Lyciërs. Hij beleefde drie menschengeslachten.—2) zoon van Zeus en Laodamēa, koning der Lyciërs, kwam als bondgenoot van Priamus naar Troje, waar hij vele dappere daden verrichtte en eindelijk door Patroclus gedood werd. Zeus liet zijn lijk naar Lycië brengen om daar begraven te worden.

Sarpedon(ium) promunturium, Σαρπηδονία ἄκρα, 1) kaap van Thracia tegenover het eil. Imbrus.—2) kaap van Cilicia nabij Seleucīa.

Sarrastes, oude stam in Campania aan den Sarnus.

Sarsina, Σάρσινα, stad in Umbria, later rom. municipium, nabij de grenzen van Cispadāna, aan den Sapis.

Sarte, Σάρτη, stad op het chalcidische schiereiland Sithonia.

Sarus, Σάρος, belangrijke rivier, die in Cataonia op den Antitaurus ontspringt, door de stad Comāna stroomt, door den Taurus breekt, langs de cilicische stad Adana vloeit en ten Z. van Tarsus in zee valt.

Saso, Σασών, rotsig eilandje op de illyrische kust tegenover kaap Acroceraunium, een zeer gezochte schuilhoek en landingsplaats voor zeeroovers.

Saspīres, -ri, Σάσπειρες, -ροί, scythisch volk in de gebergten van N.W. Armenia.

Sassanidae, Σασσανίδαι. In 227, v. a. in 224 na C. wierp Artaxerxes (zie Artaxerxes no. 4), parthisch veldheer, den troon der Arsaciden omver, en stichtte het nieuw-perzische rijk. Naar Sassan, Artaxerxes’ grootvader, die van de oud-perzische koningen beweerde af te stammen, werd het nieuwe vorstenhuis dat der Sassaniden genoemd. Zooveel mogelijk had een terugkeer plaats tot oudperzische zeden en instellingen; zoo herleefde o. a. de leer van Zoroaster en de titel “koning der koningen”. Reeds Artaxerxes geraakte met de Rom. in oorlog en de Nieuw-Perzen betoonden zich even verbitterde vijanden van Rome als vroeger de Parthen. Het sassanidische rijk bestond tot in 631, toen de Arabieren Perzië veroverden.

Sassula, stad in Latium, aan Tibur onderhoorig; ligging onbekend.

Satala, τὰ Σάταλα, aanzienlijke stad en strategisch punt in het N.O. van Armenia minor, van waar vier wegen naar de kust van den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) liepen. Het was een der sleutels van Pontus.

Saticula, Σατίκολα, stad en sedert 313 lat. kolonie in Samnium op een berg aan de campaansche grens.

Satira, oud satura, eigenlijk: een allegaartje. Eene lanx satura was een schotel met allerlei spijzen gevuld, oorspronkelijk quae referta variis multisque primitiis sacris Cereris inferebatur. Vervolgens werden gedichten van verschillenden, weinig samenhangenden inhoud met dezen naam bestempeld en wordt de naam satura toegepast op de fescennische kluchten en de atellaansche boertspelen. Ennius bracht eene wijziging hierin. Zijne saturae hadden wel de oude afwisseling van vorm en maat, doch waren van meer ernstigen inhoud. Den grooten overgang echter tot het hekeldicht vormen de satiren van Lucilius (180–103), die in zijne schilderingen een critiseerenden toon aansloeg en aan Horatius tot voorbeeld heeft gestrekt. Zoo werd de satire een soort van causerie met hekelenden toon, bij Horatius vroolijk en luimig, bij Persius en Iuvenālis scherp of bitter. Niet alle satiren waren in versmaat, M. Terentius Varro (116–27) schreef proza en poëzie dooreen, door hem zelven saturae Menippeae genoemd, omdat hij de voor ons verloren geschriften van den cynischen wijsgeer Menippus tot voorbeeld nam. De varroniaansche satirenvorm vond o. a. navolging bij Seneca en in het Satyricon van Petronius, doch de hekelende strekking, die aan Varro’s geschriften vreemd was gebleven, kreeg de overhand. In de grieksche literatuur komt de satire niet voor; vandaar zegt Quintilianus: satira quidem tota nostra est.

Satniois, Σατνιόεις, riviertje in het Z. van Troas, dat bij Hamaxitus in de Aegaeische zee valt.

Satrāe, Σάτραι, vrijheidslievend volk in Thracia tusschen den Strymon en den Nestus.

Satricum, 1) stad in Latium nabij Antium, oorspronkelijk latijnsch, 488 volscisch, vaak door de Rom. hernomen en weer verloren, in 346 verwoest.—2) municipium aan den Liris, valt in 321 van de Romeinen af, en sluit zich aan bij de Samnieten; in 319 wordt de stad heroverd en ontwapend. Deze stad wordt vaak met de vorige verward.

Satrii. 1) Satrius Secundus verried Seiānus.—2) Satrius Rufus, redenaar ten tijde van Domitiānus en Nerva, een vriend van Plinius minor.

Saturae palus, moeras in Latium bij het promunturium Circeium, ontstaan door de gebrekkige uitwatering van den Nymphaeus, een riviertje, dat bij Norba ontspringt.

Saturēium, -rium of -rum, stadje ten Z.O. van Tarentum, bekend door een fijn paardenras.

Saturius (P.), de advokaat van L. Fannius Chaerea, de tegenpartij van Q. Roscius Comoedus (Roscii no. 2).

Saturnalia, feest ter eere van Saturnus, jaarlijks te Rome van 17 tot 23 December gevierd. De grieksche wijze van viering van dit feest is ingevoerd in 217. Sedert offerde men aan den god Graeco ritu. Het feest werd beschouwd als eene herinnering aan de gouden eeuw, toen Saturnus op aarde leefde. Allerwege heerschte vroolijkheid, men liet allen arbeid rusten, gaf elkander maaltijden en geschenken, en zelfs de slaven genoten op die dagen vrijheid en werden soms zelfs door hunne heeren bediend, ter gedachtenis aan de gelijkheid van standen onder Saturnus’ regeering. De geschenken, die men elkander gaf, waren vroeger meestal waskaarsen en poppen van aardewerk (z. Sigillaria), later voorwerpen van grootere waarde.

Saturnia, 1) oude dichterlijke naam voor Italia, meer in het bijzonder voor Latium (zie Saturnus).—2) oude stad van Etruria, rom. kolonie sedert 183, vroeger Aurinia geheeten.—Zie ook Saturnius.

Saturnīnus, 1) familienaam in de gentes Appuleia, Sentia, Volusia.—2) Aelius Saturninus werd van den capitolijnschen berg geworpen, omdat hij een spotdicht op keizer Tiberius had gemaakt (23 n. C.).—3) Aponius Saturninus versloeg in 69 onder Otho, als bestuurder van Moesia, de Rhoxolāni, die een inval gedaan hadden, diende later onder Vespasiānus, en verloor bijna het leven in een soldatenoproer.—4) een der zoogenaamde 30 tyrannen, die in 260 na C., na de gevangenneming van keizer Valeriānus door de Perzen, allerwege tot rom. keizer werden uitgeroepen.—5) generaal onder Aureliānus en Probus, in 280 na C. in Syria tot keizer uitgeroepen en eerst na hevigen strijd overwonnen en door de troepen vermoord.

Saturnius, -a, Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno en Vesta, kinderen van Saturnus.

Saturnus, oud-italisch god van zaadvelden en landbouw. Wegens sommige punten van overeenkomst tusschen hem en Cronus, met wien hij later geheel vereenzelvigd werd, verhaalde men dat hij, door Jupiter van den troon gestooten, na lange omzwervingen in Italië aangekomen en door Janus gastvrij ontvangen was; daarvoor had hij landbouw en beschaving ingevoerd en was zijne regeering een tijd van vrede, overvloed en geluk, dien men de gouden eeuw noemde. Zie ook Saturnalia.—In den tempel, dien hij gemeenschappelijk met zijne gemalin Ops aan den voet van het Capitolium had, werd de schatkist bewaard.

Satyri, Σάτυροι, wezens, die tot de omgeving van Dionȳsus behooren en evenals hij het rijke, weelderige leven der natuur voorstellen, maar op ruwe en grof zinnelijke wijs. Zij verheugen zich in drinken, dansen, spelen en muziek, gaarne zijn zij in gezelschap der nimfen, die zij dikwijls tevergeefs met hunne liefde lastig vallen, en jagen zij den eenzamen wandelaar in de stille bosschen vrees en schrik aan. Hun voorkomen wordt als half dierlijk beschreven; zij hadden stompe neuzen, borstelig haar, spitse ooren en een staart; in oudere kunstwerken worden zij dikwijls zoo voorgesteld, maar latere kunstenaars gaven hun eene jeugdige en bevallige gestalte en schoone, maar schalksche gelaatstrekken.—Bij de romeinsche dichters zijn zij gelijk aan Panen, Faunen en dgl.

Satyrica fabula, δρᾶμα σατυρικόν, een tooneelstuk, dat op het grieksch tooneel na het treurspel opgevoerd werd, opdat de toeschouwers in vroolijke stemming den schouwburg zouden verlaten, z. Tetralogia. Deze stukken waren in den trant van treurspelen bewerkt, de hoofdpersonen waren ook de bekende epische en tragische helden, maar het koor bestond uit satyrs, die lichamelijk en zedelijk zulk een tegenstelling met die helden vormden, dat uit hunne ontmoeting lachwekkende toestanden geboren moesten worden. Deze dichtsoort werd door Pratinas te Athene ingevoerd.—De Cyclops van Euripides is het eenige satyrdrama, dat wij nog in zijn geheel bezitten.

Satyrus, Σάτυρος, 1) S. I, koning van Bosporus, bondgenoot der Atheners (407–393).—2) S. II, koning van Bosporus, sneuvelde na eene korte regeering in een oorlog tegen zijn broeder Eumelus (310).—3) tooneelspeler te Athene, tijdgenoot van Demosthenes.—4) peripatetisch wijsgeer uit de 2de eeuw, schrijver van levensbeschrijvingen van beroemde mannen.—5) grammaticus, leerling van Aristarchus, tijdgenoot van den vorigen.—6) geleerd geneesheer, leermeester van Galēnus, schrijver van commentaren op Hippocrates.—7) naam van een of twee epigrammendichters.

Sauconna, latere naam voor den Arar (Saône).

Saufēius (L.), vriend van T. Pomponius Atticus te Rome, die hem hielp om zijne bezittingen terug te krijgen, die hij in de troebelen na Caesar’s dood verloren had.

Sauromatae = Sarmatae, zie Sarmatia.

Savaria = Sabaria.

Savo, 1) langzaam voortstroomende rivier in Campania tusschen den Liris en den Volturnus.—2) = Sabata no. 2.—3) stad bij de Zee-Alpen, aan zee, ten W. van Genua.

Sa(v)us, Σάος, zijtak van den Ister (Donau), thans Sau of Save, in het Z. van Pannonia.

Saxa, zie Decidius Saxa.

Saxa rubra, zie Rubra saxa.

Saxum Tarpēium, zie Tarpēii en Capitolinus (mons).

Saxones, Σάξονες, germaansch volk tusschen den Albis (Elbe) en de Oostzee in het tegenw. Holstein gevestigd en eerst omstreeks 285 na C. als zeeschuimers opgetreden. Later vormden zij de kern van een verbond der volken van N.W. Germania (z. Chauci), dat zich ook in ons land uitstrekte tot aan de Isala, die de grensrivier tegen de Franken was. Een gedeelte van het volk vestigde zich samen met de Angīli en de Jutten in de 5de eeuw n. Chr. in Engeland.

Scaea porta, Σκαιαὶ πύλαι, poort aan de Westzijde van Troje, die naar het grieksche leger leidde.

Scaeva, 1) een rom. centurio, die onder Caesar met roem in Britannia streed en in de burgeroorlogen een kasteel bij Dyrrachium met grooten moed verdedigde.—2) bij Horatius een verkwister, die zijne oude moeder vergiftigde.

Scaevola, familienaam in de gens Mucia.

Scalae Gemoniae, zie Gemoniaē scalae.

Scaldis, rivier in Belgica, thans Schelde.

Scamander, Σκάμανδρος, 1) rivier in de trojaansche vlakte, om zijn gele kleur ook Ξάνθος genoemd. Hij ontsprong op het Idagebergte bij Scepsis, vereenigde zich dicht bij den mond met den Simoïs, waarna zij bij kaap Sigēum in zee vielen. De monding was reeds vroeg bijna dichtgeslibt, zoodat er een kanaal naar zee moest gegraven worden.—2) zie Egesta.

Scamandrius, Σκαμάνδριος, de eigenlijke naam van Astyanax.

Scandēa, -īa, Σκάνδεια, haven aan de O.-zijde van het eiland Cythēra (Cerigo).

Scandia, Scandinavië, waarvan de ouden een zeer onjuiste of onvolledige kennis hadden. Zij kenden eenige eilanden, Scandiae insulae, waarvan het grootste op de Zuidspits van Zweden schijnt te doelen (het tegenw. Scania, Skone, Schonen). De bewoners heetten Hilleviones, en zijn van germaanschen stam.

Scandila, Scandira, eilandje in het W. der Aegaeische zee, bij Peparēthus.

Scantia Silva, bosch in Campania, met bronnen (aquae Scantiae), in welker nabijheid ontvlambare gassen uit den bodem opstegen.

Scapte Hyle, Σκαπτὴ ὕλη, thracisch kuststadje nabij den mons Pangaeus, aan Thasus behoorende. Uit de nabijgelegen goudmijnen trokken de Thasiërs 80 talenten ’s jaars. Thucydides (de geschiedschrijver) die hier ook bezittingen had, bracht er van 423 tot 403 de jaren zijner ballingschap door.

Scaptensyla = Scapte Hyle.

Scaptia, oude, vroeg verdwenen stad van Latium.

Scaptii, rom. geslacht. M. Scaptius haalde Cicero, die toen proconsul van Cilicia was, over, het geschil over geleende gelden, dat tusschen M. Brutus en de stad Salamis op Cyprus gerezen was en dat Cicero ten gunste van Salamis wilde beslissen, niet af te doen, maar aan zijn opvolger, die op Brutus’ hand was, over te laten.

Scapula, zie Quinctii no. 12.

Scardōna, Σκαρδῶνα, hoofdst. van Liburnia, in het Z. gelegen, aan den Titius.

Scardus mons, Σκάρδον ὄρος, grensgebergte tusschen Illyria ten W. en Dardania en Paeonia ten O.

Scarphe, Scarphēa, Σκάρφη, -φεια, stad der epicnemidische Locriërs, het knooppunt der wegen naar de Thermopylae.

Scatinavia = Scandia.

Scaurus, familienaam in de gentes Aurelia (Aurelii no. 10) en Aemilia (Aemilii no. 11–14).

Scelerātus campus, een plein of veld buiten de porta Collīna te Rome, waar vestaalsche maagden, die hare gelofte van kuischheid geschonden hadden, levend begraven werden. Voordat de kluis werd dichtgemetseld, werd er, behalve spijze, ook eene brandende lamp in geplaatst, waardoor de dood nog werd verhaast.

Scena, σκηνή, eigenlijk de achter- en zijwanden van het tooneel, in ruimeren zin het geheele tooneel met inbegrip van het proscenium en de ruimte er achter en er naast; οἱ ἐπὶ σκηνῆς, de tooneelspelers; τὰ ἀπὸ σκηνῆς, liederen, die door de tooneelspelers, niet door het koor, gezongen werden.

Scenitae, Σκηνῖται (= tentbewoners), algemeene naam der nomadische, onder tenten levende stammen in Arabia en Meroë.

Scepsis, Σκῆψις, oude stad in het binnenland van Troas, door Trojanen gesticht, later milesische kolonie. Toen later een groot gedeelte der bewoners naar Alexandria Troas was overgebracht, heette de oude stad Palaescepsis, Παλαίσκηψις.

Sceptici, Σκεπτικοί, z. Pyrrho.

Schedius, Σχέδιος, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor Troje, beiden door Hector gedood.

Scheria, Σχερία, het eil. der Phaeāces (z. a.). In later tijd vond men dit eiland terug in Corcȳra (z. a.).

Σχιστὴ ὁδός, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles in Phocis, in de buurt van Daulis (z. Parnassus).

Schoeneus, Σχοινεύς, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, vader van Atalante.

Schoenus, Σχοῖνος, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.

Schoenus, Σχοινοῦς (= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.—2) vlek in het hart van Arcadia, bij Methydrium.

Scholium, σχόλιον, aanteekening op den rand van een handschrift; zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.

Sciapodes, Σκιάποδες, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen konden gebruiken.

Sciathus, Σκίαθος, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, later een schuilhoek voor de zeeroovers.

Scidrus, Σκίδρος, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).

Scillus, Σκιλλοῦς, stad in het elische gewest Triphylia, aan den Selīnus, een zijtakje van den Alphēus. Xenophon bracht er een gedeelte zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, in het klein gelijkende op dien te Ephesus.

Sciōne, Σκιώνη, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallēne.

Scipiades, iemand uit de familie der Scipio’s, dichterlijk woord.

Scipio, familienaam in de gens Cornelia z. Cornelii 6–26.

Sciras, Σκιράς, bijnaam van Athēna van onzekere beteekenis, vgl. Scirophoria.

Sciritis, Σκιρῖτις, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, genoemd naar het stadje Scirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar Tegea. De inwoners, Scirītae, Σκιρῖται, vormden in het spartaansche leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Σκιρίτης λόχος), dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.

Sciron, Σκ(ε)ίρων, 1) een berucht roover, die op de Scironische rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze omkomen.—2) zoon van Pylas, schoonzoon van Pandīon. Hij betwistte Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus, als scheidsrechter ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den oorlog toe.

Scironides, Σκιρωνίδης, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op de Lacedaemoniërs en Milesiërs behaalde; onder de 400 werd hij afgezet.

Scirophoria, Σκιροφόρια, feest ter eere van Athēna Sciras den 12den Scirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (σκίρον), het zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.

Scirophorion, Σκιροφοριών, 12de maand van het Attische jaar (Juni–Juli), z. annus.

Scirtus, Σκίρτος, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.

Scirus, Σκῖρος, zie Sciritis.

Scodra, Σκόδρα, hoofdstad der Labeātes, een aanzienlijke stad en sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, aan den lacus Labeātis, tgw. Scutari.

Scodrus = Scardus.

Scoedises, Σκοιδίσης = Scordiscus.

Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.

Scolium, σκόλιον, σκολιὸν μέλος, een bizonder soort van liederen, door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius en Aristogīton.

Scollis, Σκόλλις, gebergte in Acrorēa.

Scolus, Σκῶλος, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling van den woesten Cithaeron aan den Asōpus gelegen, zóó naargeestig, dat men zeide: εἰς Σκῶλον μήτ’ αὐτὸς ἴμεν, μήτ’ ἄλλῳ ἕπεσθαι. Hier zou Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.—2) vlek nabij Olynthus.

Scomius, Σκόμιον ὄρος, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts van den Scardus, van den Haemus afscheidt.

Scopadae, Σκοπάδαι, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.

Scopas, Σκόπας, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.—2) een van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.—3) van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het mausolēum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met de bestaande toestanden.

Scordisci, Σκορδίσκοι, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers van den benedenloop van den Savus.

Scordiscus, Σκορδίσκος, of Scoedises, gebergte op de grenzen van Armenia en Armenia minor.

Scordus = Scardus.

Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.

Scoti, Schotten, zie Picti.

Scotussa, Σκοτοῦσσα, 1) oude stad in het thessalische gewest Pelasgiōtis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.—2) stad in Macedonia ten O. van den Strymon.

Scribae, zie apparitores.

Scriboniae (rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling kwamen of verworpen werden. 1) de intercalando, over het inlasschen eener maand. Dit was meer een verzoek aan de pontifices, dan een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor het doen aannemen zijner rogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van Caesar over, zie Scribonii no. 6.—2) viaria, over het onderhoud der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.—3) alimentaria, over korenuitdeeling.—4) om het gebied van koning Juba tot rom. staatseigendom te verklaren.

Scriboniānus (Furius Camillus of L. Arruntius Camillus), zie Furii no. 14.

Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan de Libōnes en Curiōnes de voornaamste familiën zijn. 1) L. Scrib. Libo, volkstribuun in 216 en praetor in 204.—2) C. Scrib. Curio bouwde als aediel met zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 2) in 196 den Faunus-tempel te Rome.—3) L. Scrib. Libo, drong in 149 als volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) aan, die zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had laten neerhouwen.—4) C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars van zijn tijd, praetor in 121.—5) C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende in 84 onder Sulla tegen Mithradātes; in 76 was hij consul; later versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilīna stond hij aan Cicero’s zijde. Later was hij een vurig tegenstander van Caesar. Hij stierf in 53.—6) C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat (50), (zie Scriboniae rogationes no. 1), ging hij tot de partij van Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.—7) L. Scrib. Libo was een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In 34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.—8) Scribonia, zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octaviānus en de moeder van Iulia, zie Iulii no. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met haar dochter mede.—9) L. Scrib. Libo Drusus wekte de ijverzucht van Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).—10) een drietal Scribonii werden door Caligula en Nero omgebracht.—11) Scrib. Largus was in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens reis naar Britannia. Hij schreef een werk compositiones medicamentorum, een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.

Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten de bureaux der keizerlijke kanselarij scrinia. Zij waren tijdens Constantijn den Gr. vier in getal: scrinium memoriae, scr. epistularum, scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke afdeeling stond een magister en onder hem een proximus, beiden tot de spectabiles behoorende.

Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van Diocletiānus en Constantijn, met name Aelius Spartiānus, Vulcatius Gallicānus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius en Iulius Capitolīnus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117–285 na C. Zij beginnen met het leven van Hadriānus en eindigen met dat van Carīnus.

Scriptūra, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee op de pascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche staatsdomein behoorden.

Scripulum of Scrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eener uncia.

Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts van Mutina stroomt.

Scutala, Scyt-, σκυτάλη, een stok, zooals de spartaansche overheden voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een stok mede.

Scutum.
Scutum.

Scutum, θυρεός, langwerpig vierkant gebogen schild van het rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren en distinctieve figuren versierd.

Scylace, Σκυλάκη, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.

Scylaceum of -cium, Scylletium, Σκυλάκιον, grieksche stad op twee heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan den sinus Scylacius, Σκυλλητικὸς κόλπος, gelegen, thans Squillace.

Scylax, Σκύλαξ, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van Darīus Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaande περίπλους τῆς θαλάσσης τῆς οἰκουμένης, die op zijn naam staat, is van veel lateren tijd.—2) van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.

Scylla, Σκύλλα, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., die met hare muilen 6 van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.—Sc. was vroeger een schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit jaloerschheid gaf Circe of Amphitrīte haar hare latere afgrijselijke gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met den bliksem in zee geslingerd was.—In lateren tijd verklaarde men de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van de sicilische zeeëngte.—2) dochter van Nisus (z. a.), die haar vader aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden vader vervolgd wordt.

Scyllaeum, Σκυλλαῖον, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.—2) kaap in Argolis bij Troezen.

Scyllaeum fretum = fretum Siculum.

Scylletium, Σκυλλήτιον = Scylaceum.

Scymnus, Σκύμνος, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, misschien uit de 2de eeuw, schrijver eener Περιήγησις. Het nog bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza geschreven was.

Scyrus, Σκύρος, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomēdes in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, dat naar Athene werd overgebracht en in het Thesēum bijgezet. Scyrus bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter gaven de Rom. het aan Athene terug.

Scytala = Scutala.

Scythia, Σκυθία. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van den Pontus Euxīnus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners, Scythae, Σκύθαι, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren de Σκ. βασιλήιοι of krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder verdreven. Omtrent den tocht door Darīus tegen hen ondernomen, z. Darius no. 1 en Histiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich hooren, tot op den tijd van Mithradātes. Na Traiānus verdwijnt de naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 na C.) spreekt van een Scythia intra en extra Imāum. De Grieksche schrijvers van de 3de en 4de eeuw n. Chr. duiden met den naam Σκύθαι vaak de Gothen aan, die zich in de 3de eeuw n. Chr. aan de Zwarte Zee hadden gevestigd (zie Gothi).—Zie ook τοξόται.

Scythīni, Σκυθινοί, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.

Scythopolis, Σκυθόπολις, aanzienlijke stad van Palaestina, op de grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.

Sebaste, Σεβαστή, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door koning Archelāus (zie Archelaus no. 7) gesticht ter eere van Augustus, omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.—2) stad in het binnenland van Phrygia.—3) = Cabira.—4) zie Samaria.

Sebastēa, Σεβάστεια, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den keizertijd onder den naam Sebastēa zeer belangrijk als hoofdstad van Armenia minor.

Sebastopolis, Σεβαστόπολις, latere naam van Dioscurias.

Sebennyticum ostium, Σεβεννυτικὸν στόμα, een der Nijlmonden, gelegen tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.

Sebennytus, Σεβέννυτος, distrikt en stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm.

Sebēthus, beekje bij Neapolis.

Sebīnus lacus, in Gallia Transpadāna, door den Ollius (Oglio) gevormd, thans lago d’ Iseo.

Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zie tribuni plebis). Bij de tweede secessio, in 449, rukte het leger, dat op den Algidus stond, op naar den Aventīnus, en toen werd, na onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst gesloten, waarbij de tienmannen (zie decemviri legibus scribundis) aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verder Horatiae Valeriae (leges). Bij de derde secessio plebis in 287 week het volk gewapend uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam de lex Hortensia (z.a.) tot stand. Ook de tweede secessio wordt door sommige geleerden voor onhistorisch gehouden.

Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van den staat, b.v. bij verbeurdverklaringen. De verkoop had sub hasta plaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naam sectio zijn ontstaan verschuldigd, de kooper heette alsdan sector. Bij bonorum emptio (z.a.) in den faillieten boedel had auctio plaats, geen sectio.

Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij de Plinii.—2) Iulius Secundus, zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasiānus, een der sprekers in Tacitus’ dialogus de oratoribus.—3) Secundus Carrinas, rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit armoede het leven.

Secūtor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den retiarius vocht.

Sedetani = Edetani.

Sedūni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.

Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.

Segesama, Σεγεσάμα, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, ten N.O. van Pallantia (Palencia).

Segesta, Segetia, Sēia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten alleen in de open lucht uitgesproken worden.

Segesta, Σεγέστη = Egesta.

Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.

Segestus, -tes = Acestes.

Segetia, z. Segesta.

Segimērus, Σηγίμηρος, Σεγίμηρος, Segimer, 1) vader van Arminius, nam deel aan den strijd tegen Varus.—2) broeder van Segestes, onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.

Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, en door Germanicus in genade aangenomen.

Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburōnes, die aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.

Segobrīga, Σεγόβριγα, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der Celtibēri, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.—2) stad der Edetāni, ten N.W. van Valentia (Valencia).

Segodūnum, Σεγόδουνον, 1) hoofdstad der Rutēni in Aquitania, thans Rhodez.—2) stad der Hermundūri in Germania, misschien Würzburg aan den Main.

Segontia, Σεγοντία = Saguntia.

Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.

Segovia, Σεγουβία, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten W. van de Iuga Carpetāna, thans nog Segovia geheeten.

Seguntia, zie Saguntia.

Segusiāni, Σεγουσιανοί, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.

Segusiāvi = Segusiani.

Segusīni, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.

Segusio, zie Segusini en Cottiae Alpes.

Sēia, z. Segesta.

Seiānus (L. Aelius), zie Aelii no. 8.

Sēii. 1) M. Seius wist als aediel in 74 bij eene groote duurte maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan te leveren.—2) M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend van D. Iunius Brutus.—3) Q. Seius Postumus werd door P. Clodius vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.—4) L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius Seiānus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).—5) L. Seius Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.

Σεισάχθεια, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook alle andere schuldvorderingen vervallen.—V. a. bestond de σεισ. in verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waarde hadden van 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, gevolgen konden hebben.

Selēne, Σελήνη, Μήνη, Luna, godin der maan, dochter van Hyperīon en Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.

Seleucia, Σελεύκεια, naam van verschillende steden, meest door Seleucus I gesticht. 1) Sel. ad Tigridem, ἡ ἐπὶ τοῦ Τίγρητος, eigenlijk niet onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren waren gebouwd in den vorm van een adelaar met uitgespreide vlerken. Het was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na C. werd de stad wegens oproer door Traiānus getuchtigd en gedeeltelijk door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit en was tijdens Iuliānus geheel verlaten (363).—2) Sel. Pieria, ἡ ἐν Πιερίᾳ, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, nabij Kapse.—3) Sel. ad Belum, ἡ πρὸς Βήλῳ, kleine vesting in Syria aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamēa.—4) stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.—5) Sel. Tracheōtis, ἡ Τραχεῖα, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus (Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier geboren.—6) stad in het N. van Pisidia.—7) stad in het Z. van het perzische gewest Margiāne, aan den bovenloop van den Margus, door Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus’ zoon, herbouwd.

Seleucis, Σελευκίς, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia (Pieria), Apamēa (ad Orontem) en Laodicēa (ad Libanum).

Seleucus, Σέλευκος, 1) S. I. Nicātor (Νικάτωρ), zoon van Antiochus en Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in (1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra ook zonder veel moeite Susiāna en Medië. In de nu volgende oorlogen wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcētes in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke (v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.—2) S. II Callinīcus (Καλλίνικος), zoon en opvolger van Antiōchus II, 247–226. Bij het begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner zuster Berenīce (z. Antiochus no. 3) te wreken, een inval in Syrië, waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.—3) S. III Ceraunus (Κεραυνός), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, maar werd spoedig vermoord (223).—4) S. IV Philopator (Φιλοπάτωρ), zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering (187–175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.—5) S. V, oudste zoon van Demetrius Nicātor, kort na het aanvaarden der regeering door zijne moeder vermoord (125).—6) S. VI Epiphanes (Ἐπιφανής), zoon en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef (z. Antiochus no. 11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).

Selge, Σέλγη, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.

Selīnus, Σελινοῦς, naam van onderscheidene steden en rivieren = klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen Syracuse. In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.—2) rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alphēus, langs de stad Scillus stroomende.—3) rivier in Achaia, die tusschen Aegium en Helice in zee valt.—4) riviertje in Mysia, nabij Pergamus, zijtak van den Caicus.—5) zeestad in het W. van Cilicia, later Traianopolis, de sterfplaats van Traiānus.

Sella (curulis), zie Curulis.

Sellasia, Σελλασία, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.

Sellēis, Σελλήεις, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in Elis.—2) rivier nabij Sicyon.—3) riv. in Troas, bij Arisbe, die in den Hellespont uitstroomt.

Selli, Σελλοί, Ἑλλοί, priesters van het orakel van Zeus te Dodōna, die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zie Epirus.

Sellisternium. Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zie lectisternium), werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de tafel geplaatst.

Sely(m)bria, Σηλυ(μ)βρία, stad op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.

Sembella, zilveren munt ter waarde van ½ libella of as. De semissis, ook = ½ as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.

Semele, Σεμέλη, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder van Dionȳsus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind werd echter door Zeus gered (z. Dionȳsus), en later werd zij onder den naam Thyōne onder de onsterfelijken opgenomen.

Sementīnae, -tīvae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en Tellus gevierd, zie Feriae.

Semiramis, Σεμίραμις, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter ongelukkig afliep.—V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.

Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of ½ as, aan de eene zijde gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letter S, aan den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ook Sembella.

Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.

Semo Sancus, zie Dius Fidius.

Semōnes, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.

Semonia, z. Segesta.

Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze dan Simonides.

Sempronia (lex) de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius Tuditānus (Sempronii no. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche socii.

Sempronia (lex) agraria van den volkstribuun Tib. Sempronius Gracchus. Zie agrariae leges.

Semproniae (leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in 123 en 122. 1) lex agraria, zie agrariae leges.—2) lex frumentaria, tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen ⅚ as den modius, zie annona.—3) lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii de Latinitas te verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.—4) lex, ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, vermoedelijk eene verscherping der leges Porciae. Deze wet was oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popilii no. 5, z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.—5) lex iudiciaria, die de iudicia aan de equites gaf, zie iudex en equites.—6) lex de provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën de consulaire provinciën moest aanwijzen.—7) lex de provincia Asia a censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze wet was voor Asia een groote ramp, zie publicani.—Nog andere wetten worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, of waarvan de inhoud duister is.

Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratīni patricisch zijn. 1) A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en 491.—2) L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.—3) S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.—4) A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, 420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.—5) L. Sempr. Atratinus, consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij levensmoede de hand aan zich zelf.—6) C. Sempr. Blaesus, consul in 253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.—7) Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en bezette Sardinia en Corsica.—8) Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit slaven, wien de vrijheid beloofd was (volōnes), eene overwinning op Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.—9) Tib. Sempr. Gracchus was in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in 187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders Scipio op (zie Cornelii no. 13). In 180 ging hij als praetor naar Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africānus maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote van Scipio Africānus minor.—10) Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancīnus. Over land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde vroegere wet (zie agrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasīca, bijgenaamd Serapio (zie Cornelii no. 21) overrompeld en met 300 der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.—11) C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zie agrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zie Semproniae leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus’ invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat Gr. als triumvir coloniae deducendae naar Carthago was vertrokken, zie Rubria (lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe tribunen, Minucius Rufus (z. Minucia (lex) van 121), stelde nu voor, al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te vallen, door een slaaf dooden.—12) Sempronia, zuster van no. 10 en no. 11, gehuwd met Scipio Africānus minor (Cornelii no. 18).—13) Tib. Sempronius Gracchus werd door Augustus verbannen wegens ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, 16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.—14) Tib. Sempr. Longus, consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in Zuid-Italië bij Grumentum.—15) Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, consul in 194, overwon de Bojers.—16) P. Sempr. Sophus, consul in 304, onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudste iurisconsulti.—17) P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de onderwerping van Picēnum. In 252 was hij censor met M.’ Valerius Maximus Messa(l)la (Valerii no. 16); zij stieten 15 senatoren uit den senaat.—18) P. Sempr. Tuditānus ontkwam als krijgstribuun in 216 na dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in 209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij Croton voorspoedig tegen Hannibal.—19) C. Sempr. Tuditanus leed als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan de bekomen wonden.—20) M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 (zie Sempronia (lex) de pecunia credita), consul in 185, overwon de Apuanische Liguriërs.—21) C. Sempr. Tuditanus diende in 146 onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een geschiedkundig werk.—22) Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij onder P. Scipio Africānus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus (91).—22) C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.—23) Sempr. Densus, centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Liciniānus met eigen lijfsgevaar te beschermen.—24) Sempronia, echtgenoote van D. Iunius Brutus (Iunii no. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.

Sena, 1) Sena Gallica, Σήνη, thans Senigaglia, stad der senonische Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde Hannibals broeder Hasdrubal in 207.—2) Sena Iulia, Σαίνα, thans Siena, rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.—3) Sena, eil. aan de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.

Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van het Comitium, naast het Vulcanal.

Senātus, βουλή. In den koningstijd werd de koning in het bestuur bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden, patres (z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van 300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; eerst sedert de instelling der tribuni militum consulari potestate komen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die dan conscripti geheeten hebben (zie patres). De lex Ovinia (z. a.) draagt de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij geene senatoren, maar personen, quibus in senatu sententiam dicere licebat. In ± 300 hebben ook de aediles plebis dit recht gekregen, terwijl het plebiscitum Atinium (zie Atinia (lex)) dit zittingsrecht ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zie Corneliae leges van 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief de lectio senatus geheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt (senatu movere, eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht van uitstooting te beperken (zie Clodiae leges no. 4). Wat het getal betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zie Corneliae leges van 81 aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering (senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis dragen en waarin Cicero’s terugroeping uit de ballingschap ter tafel werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius van 1 millioen sestertiën vast.—De zittingen moesten gehouden worden in een templum (z. a.); de voornaamste plaats was de curia Hostilia aan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den Bellōna-tempel, buiten de stad. Ook tal van andere vergaderplaatsen worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne rede tegen Catilīna uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei (waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de senaat onder den blooten hemel, sub divo, bijeen, b. v. wanneer het prodigium gemeld werd, bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel van het imperium; maar in de 3de eeuw is het ius agendi cum patribus ook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde punten ter tafel (dit heet relatio) met de formule: quod bonum faustum felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij: de ea re quid fieri placet? en noodigde dan de senatoren, quibus ius sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze wijze: quid censes, M. Tulli? Allen waren verplicht te antwoorden, en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede (stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in met censeo of decerno of mihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato’s praeterea censeo Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen (pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen (discessio z. a.). Zie verder pedarii. Was nu de agenda afgehandeld, dan konden de andere ambtenaren, die het ius relationis hadden, de leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, die van het ius referendi het meest gebruik maakten. De grond van dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding overnam, alienis auspiciis handelde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings