← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

I.

Reading edition

Iacchus, Ἴακχος, naam van Dionȳsus in de eleusinische mysteriën; hij had een tempel te Athene, en bij den feestelijken optocht naar Eleusis ter gelegenheid van de mysteriën werd zijn beeld voor den stoet uitgedragen.

Iacetāni, volksstam in Hispania tusschen de Pyrenaeën en den mond van den Ibērus (Ebro). Z. ook Lacetani.

Iadera, Ἰάδερα, stad op de kust van Illyricum, in Liburnia.

Ialmenus, Ἰάλμενος, zoon van Ares en Astyoche, regeerde nevens zijn broeder Ascalaphus in Orchomenus en streed voor Troje. V.s. was hij na den trojaanschen oorlog koning van het eiland Aretias.

Ialysus, Ἰάλυσος of Ἰαλύσος, eene der drie oudste steden van het eiland Rhodus. Het lag in het Noorden, dicht bij het latere Rhodus. Lindus en Camīrus waren de beide andere steden. Volgens de overlevering waren zij gesticht door Ialysus, Lindus en Camirus, drie broeders. Zie verder Rhodus.

Iambe, Ἰάμβη, dochter van Pan en Echo, dienstmaagd van Celeüs. Door hare vroolijkheid wist zij het eerst de over het verlies harer dochter treurende Demēter tot lachen te bewegen; tot belooning werd zij de eerste priesteres van die godin en ter herinnering hieraan werden de feesten van Demēter met scherts en spotternij gevierd.

Iambische poëzie, een dichtsoort, voornamelijk gebruikt voor spot- en hekeldichten (carmen maledicum). Zij heeft waarschijnlijk haar oorsprong te danken aan het plagen en schertsen bij de feesten van Demēter (z. Iambe) en werd door Archilochus tot een bepaalden kunstvorm ontwikkeld. Van de epische poëzie, die tot dien tijd alleen beoefend was, onderscheidt zij zich door eenvoudiger taal en vluggere versmaat, daar in iederen voet de arsis tweemaal zoo lang is als de thesis.—Na Archilochus waren de meest bekende iambografen Simonides, Hippōnax, Solon, en onder de Romeinen Catullus, Horatius, Martiālis.

Iamblichus, Ἰάμβλιχος, 1) van Babylon, grieksch romanschrijver in de 2de eeuw na C. Van zijn groote roman Βαβυλωνιακά is nog een uittreksel over.—2) van Chalcis in Coelesyria, neo-platonisch wijsgeer onder Constantijn d. G., leerling van Porphyrius. In zijne werken tracht hij de stelsels van Plato en Pythagoras te vereenigen, hij verdedigt alle godsdienstige begrippen, zoowel van Grieken en Romeinen als van verscheiden oostersche volken, tegen het Christendom en leert dat waarzeggerij en tooverij noodzakelijk zijn om de betrekking tusschen goden en menschen in stand te houden. Hijzelf werd door zijne leerlingen voor een heilig wonderdoener gehouden. Hij heeft vooral invloed gehad op keizer Julianus.

Iamnīa, Ἰάμνεια, aanzienlijke stad in het Z.W. van Palaestina, niet ver van de zee.

Iamus, Ἴαμος, zoon van Apollo en Euadne. Hij werd door Aepytus opgevoed, en toen hij volwassen was, ging hij op bevel van Apollo naar Olympia, waar hij als waarzegger beroemd werd, en de stamvader werd der Iamiden (Ἰαμίδαι), een geslacht van priesters en waarzeggers te Olympia.

Iāna, echtgenoote van Jānus, oud-italische maangodin, waarschijnlijk dezelfde als Diana.

Ianiculus (mons), een der bergen van Rome, aan de overzijde van den Tiber. Op den top lag eene versterking, arx, waar bij volksvergaderingen eene roode vaan opgesteld en door eene wacht bewaakt werd. Deze gewoonte dagteekende uit den tijd, toen men nog op zijne hoede moest zijn tegen een onverwachten overval der naburige volken. Werd de vlag weggenomen, dan moest de vergadering uiteengaan.

Janus.
Janus.

Janus.

Iānus, de god van deuren en poorten; vandaar heet hij Clusius (Clusivius), sluiter, en Patulcius, opener. Daar iedere deur, om zoo te zeggen, naar binnen en naar buiten ziet, wordt Janus afgebeeld met twee gezichten (Janus Geminus, Biceps, Bifrons); zoo komt hij het eerst op de munten voor, en wel op den ouden koperen as, terwijl men voor de kleinere stukken koppen van grieksche goden nam. Verder is Janus de god van alle begin, en de eerste maand des jaars (Januarius), en de eerste dag van elke maand (Kalendae) is aan hem gewijd; ook het eerste uur van den dag; vandaar heet hij Pater Matutinus. Hij waakt ook over het begin van het leven van ieder mensch, en heet als zoodanig Consevius. Zijn priester is de rex sacrorum, die hem o.a. op den 9 Jan. (Agonium) een ram offert in de regia. Een tempel had Janus oorspronkelijk niet, slechts een doorgang (Janus Geminus) aan den N.O.hoek van het forum was hem gewijd, ook Janus Quirīnus geheeten, omdat hij toegang geeft tot de staatsmarkt, het forum Romanum. Deze doorgang moest steeds openstaan, tenzij er nergens oorlog was. Volgens de sage heeft Numa dezen Janus gesticht en ééns gesloten; in historischen tijd is hij viermaal gesloten geweest, ééns in 235, na het einde van de oorlogen op Sardinië en in Ligurië, en drie maal tijdens Augustus. Na den zeeslag bij Mylae (260) heeft C. Duilius, de overwinnaar in dien slag, Janus een tempel gewijd vóór de Porta Carmentalis, aan het forum holitorium. Zijne beelden hebben gewoonlijk een sleutel in de linkerhand, in de andere een staf zooals de portiers; bij deuren en poorten plaatste men gewoonlijk een borstbeeld van hem met twee aangezichten, die naar binnen en naar buiten gericht waren. Deze aangezichten waren meestal gelijk, soms echter was het eene jong, het andere oud, of het eene mannelijk, het andere vrouwelijk.

Iapetus, Ἰαπετός, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen, die deel nam aan den oorlog tegen Zeus en daarom in den Tartarus is opgesloten. Hij was de vader van Atlas, Menoetius, Promētheus en Epimētheus. V. a. een van de Giganten, zoon van Tartarus en Gaea.

Iāpis = Iapyx no. 2.

Iapodes of Iapydes, Ἰάποδες, illyrisch-keltisch bergvolk in Illyricum, op de grenzen van Liburnia en Histria. Hun land werd Iapydia genoemd. Zij tatouëerden zich. Onder Augustus werden zij voor goed onderworpen.

Iapygia, Ἰαπυγία, oude naam voor de Z.O. punt van Italia, thans Terra d’Otranto. Bij dichters = Calabria of ook wel Apulia.

Iapygium promunturium, Ἰαπυγία ἄκρα, ook wel prom. Sallentinum, Z.O. kaap van Italia, thans Capo di Leuca.

Iāpyx, Ἰάπυξ, 1) zoon van Lycāon of van Daedalus, voerde eene kolonie van Cretensers naar Iapygië, dat naar hem genoemd is.—2) geneesheer van Aenēas.—3) de Noordwestenwind, die gunstig is voor hen, die van Brundisium naar Griekenland varen; bij de Romeinen heet hij gewoonlijk Favonius. Zie Windstreken.

Iarbas, zie Hiarbas.

Iardanus of -us, Ἰαρδάνης, -ος, naam van twee riviertjes, het eene op Creta nabij de stad Cydonia, het andere in Elis ten N. van Phea.

Iardanis, Ἰαρδανίς, Omphale, dochter van den lydischen koning Iardanus.

Iasides, Ἰασίδης, zoon of afstammeling van Iasus of Iasion, bijv. Amphīon, Palinūrus, e. a.

Iasion, Iasius, Ἰασίων, Ἰάσιος, zoon van Zeus of Corythus en Electra, geliefde van Demēter, die hem een zoon baarde, Plutus. Hij werd door Zeus uit minnenijd met den bliksem gedood. Met zijn broeder Dardanus werd hij op Samothrāce in de mysteriën ingewijd, die hij ook op Sicilië ingevoerd zoude hebben.

Iasis, Atalante, dochter van Iasus.

Iāso, Ἰασώ, dochter van Asclepius, godin der geneeskunde.

Iāson, Ἰάσων, 1) zoon van Aeson, koning van Iolcus. Toen deze door zijn broeder Pelias van de regeering beroofd was, liet hij Iason naar Chiron brengen, die hem opvoedde. Op zijn twintigste jaar kwam Ias. naar Iolcus terug en eischte dat Pelias de regeering aan Aeson zou teruggeven; deze beloofde aan dien eisch te zullen voldoen, wanneer Ias. voor hem het gouden vlies (z. Phrixus) uit Aea wilde halen; hij gaf voor dat hem dit werk door een orakel was opgedragen, maar dat hij zich te oud gevoelde om het ten uitvoer te brengen. V. a. had Ias. bij zijne eerste ontmoeting met Pelias toevallig een schoen verloren, en had deze hem de onderneming opgedragen om hem te verwijderen, daar een orakel hem gewaarschuwd had voor iemand met één schoen. Ias. ondernam nu aan het hoofd der Argonauten (z. a.) den hem opgedragen tocht. Toen hij in Aea aangekomen was en aan koning Aeētes zijn verlangen had kenbaar gemaakt, verklaarde deze zich bereid de gouden vacht te geven, indien hij twee vuurspuwende stieren met metalen hoeven voor den ploeg spande, daarmede een stuk gronds omploegde, in de voren draketanden zaaide en de daaruit opgekomen mannen doodde; verder moest hij nog een reusachtigen draak dooden, die de vacht bewaakte en nooit sliep. Door de toovermiddelen van Medēa (z. a.) was Ias. in staat deze moeilijke taak te vervullen, en toen Aeetes uitvluchten zocht, roofde hij met hare hulp de vacht en vluchtte hij met zijne reisgezellen en met Medea. Aeetes vervolgde hen, doch te vergeefs (z. Apsyrtus en Alcinous). Te Iolcus teruggekeerd, vonden zij dat Aeson en zijn geheel geslacht door Pelias vermoord waren; door een list van Medea werd Pelias (z. a.) gedood en Ias. gaf de regeering vrijwillig of gedwongen aan Acastus over. Hij trok daarop met zijne echtgenoote naar Corinthe, vatte liefde op voor Creūsa (no. 4) en huwde haar; toen zij door de wraak van Medea gedood was, bracht ook hij zich om het leven. V. a. had hij zich eens op de landengte van Corinthe onder de Argo te slapen gelegd, en was hij door het instorten van het oude schip gedood.—2) tyran van Pherae, kwam omstreeks 378 aan de regeering en maakte zich in weinige jaren van de heerschappij over een groot deel van Thessalië meester. Hij was de bondgenoot van de Thebanen tegen de Spartanen, ofschoon hij na den slag bij Leuctra beide partijen tot matiging aanspoorde. Terwijl hij, naar men algemeen geloofde, met groote plannen omging, nl. om geheel Griekenland onder zijne heerschappij te brengen en den oorlog tegen Perzië te hervatten, werd hij in 370 vermoord.

Iāsus, Ἴασος of Ἴασσος, stad op de kust van Caria, met veel vischvangst, aan den sinus Iassicus. In de nabijheid stond onder den blooten hemel een standbeeld van Hestia, dat zelfs bij regen nimmer nat werd. De stad was gesticht door Argiven, later bevolkt door Milesiërs.

Iaxartes, Ἰαξάρτης, rivier in aziatisch Scythia, thans Syr-Daria, uitloopende in het Aral-meer; in de oudheid nam men echter aan, dat ze evenals de Oxus in de Caspische zee mondde; wel kende men een Oxia palus van hooren zeggen, maar dat de Oxus en Iaxartes hierin uitliepen, wist men niet. Z. ook Oxus. De Ὠξειανὴ λίμνη, door Ptolemaeus vermeld, is niet het Aral-meer, maar de lacus Oaxus, een bronmeer in het Pamir-gebergte, waarschijnlijk het Victoriameer.

Iazyges, Ἰάζυγες, machtig sarmatisch volk aan de palus Maeōtis (zee van Azow). Later trokken zij westwaarts en vestigden zich tusschen de Tisia (Theiss) en den Danubius. In de 4de eeuw na Chr. komen ze steeds als bondgenooten van de Quaden voor.

Iberia, Ἰβηρία, 1) grieksche naam voor Hispania.—2) landschap ten Z. van den Caucasus en ten O. van Colchis, thans Georgië, waarmede de Rom. onder Pompeius kennis maakten. Dit zeer vruchtbare gewest was geheel door bergen ingesloten en slechts door enkele passen toegankelijk. De bevolking was niet oorlogzuchtig, woonde in goed gebouwde huizen en was in kasten verdeeld.

Ibērus, Ἲβηρ, rivier in Hispania, thans Ebro, een tijd lang grensscheiding tusschen rom. en carthaagsch Hispania.

Ibycus, Ἲβυκος, van Rhegium, grieksch lierdichter, die eenigen tijd aan het hof van Polycrates op Samus leefde en overigens een zwervend leven leidde. Op eene reis naar Corinthe werd hij door struikroovers gedood, terwijl een zwerm kraanvogels over zijn hoofd heenvloog, die hij aanriep om zijn dood te wreken. Toen nu kort daarna weder een zwerm van dezelfde vogels gedurende een feest over den schouwburg van Corinthe vloog, riep een der moordenaars onwillekeurig uit: “de kraanvogels van Ibycus!” waardoor de schuldigen ontdekt en gestraft werden. Vandaar het spreekwoord: οἱ Ἰβύκου γέρανοι. Zijne gedichten behandelden voor een deel mythische onderwerpen, beroemder echter waren bij de ouden zijne minnedichten.

Icaria of Icarus, Ἰκαρία, Ἴκαρος, vroeger Doliche geheeten, eiland in de Aegaeïsche zee, ten W. van Samus, volgens de mythe genoemd naar Icarus, wiens lijk hier aan land spoelde. De omliggende zee werd Icarium mare geheeten.

Icaris, Icariōtis, Penelope, dochter van Icarius no. 2.

Icarius, Ἰκάριος, 1) ook Icarus of Icarion, atheensch landbouwer, die van Dionȳsus den wijnbouw leerde. Toen hij eenige herders wijn had laten proeven en zij daardoor bedwelmd geworden waren, doodden zij hem, in de meening, dat hij hen vergiftigd had. Zijne dochter Erigone (z. a.) zocht hem langen tijd, geholpen door haar trouwen hond Maera; toen zij zijn lijk vond, hing zij zich aan een boom op. De goden plaatsten Ic. als Boōtes of Arctūrus, Erigone als de Maagd, Maera als Procyon (Icarius canis) aan den sterrenhemel. Vgl. Entoria.—2) zoon van Oebalus, werd met zijn broeder Tyndareos door hun halfbroeder Hippocoon uit Lacedaemon verdreven, maar later door Heracles teruggebracht. Hij had de hand zijner dochter Penelope beloofd aan dengene, die in den wedloop de overwinning zoude behalen. Odysseus was de overwinnaar en voerde haar als zijne gade mede naar zijn rijk, hoewel Ic. hem smeekte in Lacedaemon te blijven.

Icarus, Ἴκαρος, 1) zoon van Daedalus (z. a.).—2) koning van Carië, z. Thestor.

Iccius, een vriend van Horatius, die in 24 aan den krijgstocht van Aelius Gallus tegen de Arabieren deelnam en later op Sicilia leefde, waar hij misschien de landgoederen van Agrippa beheerde. Hij was een beoefenaar der wijsbegeerte.

Icelus, Εἴκελος, z. Morpheus.

Iceni of Simeni, Σιμενοί, machtig volk in Britannia, in het tegenw. Norfolk en Suffolk, het volk van koningin Boadicca (z. a.).

Ichnae, Ἴχναι, 1) stad in het macedonische landschap Bottiaea, dicht bij den Axius (Vardar).—2) stad in de thessalische landstreek Phthiōtis.—3) stad in het N. van Mesopotamia, ten N. van Nicephorium, waar Crassus eene overwinning op de Parthen behaalde.

Ichthyophagi, Ἰχθυοφάγοι, naam van onderscheidene van vischvangst levende volksstammen aan de kusten der Indische zee en hare inhammen en op de Westkust van Afrika.

Icilia (lex) sacrata, van den volkstribuun Sp. Icilius in 492 of 471, dat alwie een volkstribuun, die tot het volk sprak, zou belemmeren of in de rede vallen, door een concilium plebis tot elke straf kon veroordeeld worden.

Iciliae (leges) van den volkstribuun L. Icilius, 1) dat de secessio bij de dwingelandij der tienmannen niemand tot vergrijp zou worden aangerekend (449).—2) dat de mons Aventinus, die nog ager publicus was, aan de patricische erfpachters ontnomen en onder de plebejers verdeeld zou worden (456). Zie Icilii.

Icilii, plebejisch geslacht, dat tusschen 493 en 408 verscheidene volkstribunen heeft opgeleverd en bij de secessiones in 494 en 449 eene belangrijke rol speelde. O. a. is Sp. Icilius (v. a. Acilius) één van de 4 volkstribunen geweest, die ten gevolge van de lex Publilia Voleronis voor het eerst tributim in 471 zijn gekozen. De berichten omtrent de secessiones van 494 en 449 zijn tamelijk waardeloos, en dus ook de namen der daarbij optredende personen. Zie ook onder Duilii no. 1. Volgens sommigen is het feit dat Sp. Icilius in 471 tribunus plebis was, het eenige historisch betrouwbare bericht omtrent deze familie en de op hun naam staande wetten.

Iconium, Ἰκόνιον, volkrijke en welvarende hoofdstad van Lycaonia in Asia minor.

Ictīnus, Ἰκτῖνος, beroemd bouwmeester te Athene ten tijde van Pericles. Tot zijne belangrijkste werken behooren het Parthenon en de tempel van Demēter en Persephone te Eleusis.

Icus, Ἴκος, een van de noordelijke Cycladen, in de nabijheid van Peparēthus.

Ida, Ἴδη, dochter van Melisseus, een van de beide nimfen, die Zeus opvoedden.

Ida, Ide, Ἴδη, boschrijk gebergte in Troas en het achterliggende Phrygia. Het was ook rijk aan bronnen. Idaea mater = Cybele, die hier vereerd werd; Idaeus puer = Ganymēdes. Ook op Creta was een Ida-gebergte, met de grot, waarin Zeus was groot gebracht.

Idaea mater, Ἰδαία, bijnaam van Rhea Cybele, naar den berg Ida, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Idaei Dactyli = Dactyli Idaei.

Idaeus, Ἰδαῖος, 1) zoon van Dardanus en Chryse, die met zijn vader in Phrygië kwam, en op den berg Ida den dienst van Rhea Cybele instelde.—2) trojaansch heraut.—3) zoon van Dares.

Idalia, Ἰδαλία, bijnaam van Aphrodīte, naar den berg Idalium, waar zij een beroemden tempel had.

Idalium, Ἰδάλιον ὄρος, phoenicische stad in het binnenland van Cyprus, met een Aphrodite-tempel.

Idas, Ἴδας, een van de Apharetiden (z. a.), ontvoerde Marpessa, de dochter van Euēnus, koning van Aetolië, op een gevleugelden wagen, die hem door Poseidon geschonken was. Euenus vervolgde hem, vergezeld door Apollo, die eveneens het meisje begeerde, maar daar hij hem niet konde inhalen, stortte hij zich in de rivier Lycormas, die sedert dien tijd Euenus heet. Door Apollo in Messēne gevonden, waagde Idas een gevecht met den god, maar Zeus scheidde hen en besliste dat Marpessa moest kiezen. Daar zij vreesde dat Apollo haar niet trouw zoude blijven, gaf zij aan Idas de voorkeur.

Idistavīsus, vlakte aan den Visurgis (Weser), nabij de Porta Westphalica, waar Germanicus op de Cheruscers de nederlaag van Varus wreekte (16 n. C.).

Idmon, Ἴδμων, een waarzegger, die de Argonauten vergezelde, ofschoon hij wist, dat hij onderweg zou omkomen. Hij stierf in Bithynië aan eene ziekte of aan den beet van een slang of een wild zwijn. De stad Heraclēa was, naar het heette, rondom zijn graf gebouwd.

Idomene, Εἰδομένη, stad in het macedonische gewest Mygdonia, aan den Axius (Vardar).

Idomeneus, Ἰδομενεύς, zoon van Deucalion no. 2, koning van Creta. Als een van hen, die naar de hand van Helena (z. a.) gedongen hadden, trok hij later mede tegen Troje op, waar hij zich door dapperheid onderscheidde. Op de terugreis door een geweldigen storm overvallen, deed hij de gelofte, dat hij aan Poseidon zou offeren wat hem in zijn vaderland het eerst zoude ontmoeten, en hij volbracht die gelofte, ofschoon zijn eigen zoon het slachtoffer er van werd. Toen ten gevolge hiervan door den toorn der goden een pest op Creta uitbrak, werd Id. verjaagd; hij ging naar de kust van Calabrië, vanwaar hij later naar Colophon ging of naar Creta terugkeerde. Zijn graf meende men te Cnosus te vinden, waar hij met Meriones als heros vereerd werd.

Idothea, Εἰδοθέα, dochter van Proteus.

Idrias, Ἰδριάς, stad en landstreek in Carìa, zie Stratonicēa.

Idubeda, gebergte in Hispania, ten Z. van en ongeveer evenwijdig met den Ibērus (Ebro), een deel van het tegenw. Cantabrisch gebergte.

Idumaea, Ἰδυμαία, Edôm, het land ten Z. van Palaestina.

Idūs, de 15de dag der maanden Maart, Mei, Juli en October, in de overige maanden de 13de. Oorspronkelijk vielen de Idus samen met de volle maan, daarom zijn zij in het bijzonder gewijd aan Jupiter. Zie verder annus.

Idylle, εἰδύλλιον, een klein gedicht, bevattende schetsen uit het dagelijksch leven van herders en andere op het land levende personen van lageren stand.

Ientaculum, een licht ontbijt ’s morgens vroeg voor degenen, die niet konden wachten tot het prandium, dat later in den voormiddag werd genomen en het karakter van een lunch droeg.

Iërne = Hibernia.

Ietae, Ἰεταί, stad en berg op Sicilia, ten Z.W. van Panormus (Palermo).

Igilium, eilandje nabij de kust van Etruria, tegenover den mons Argentarius.

Ignominia, het verlies van goeden naam, eene oneer of openbare vernedering, welke men zich op den hals haalde door verkeerde handelingen of eene minder voegzame leefwijze, die wel niet onder het bereik der strafwetten vielen, maar toch van den kant der censoren eene openlijke berisping of terugzetting ten gevolge konden hebben. Zie ook infamia.

Iguvium, Ἰγούιον, aanzienlijk municipium in het hart van Umbria, aan de Z.W. helling van den Apennīnus met een beroemden tempel van Jupiter, thans Eugubbio (Gubbio). Onder de puinhoopen van den tempel werden in de 15de eeuw na C. door een boer zeven koperen platen met opschriften in het Umbrisch gevonden, die meer dan duizend umbrische woorden bevatten en onder den naam van tabulae Eugubinae nog op het raadhuis te Eugubbio (Gubbio) bewaard worden.

Ilaīra = Hilaīra.

Ἴλη, troep, schaar, in het bizonder afdeeling ruiterij. De macedonische lichte ruiterij (σαρισσοφόροι) bestond uit 8 ἶλαι van 128 man, de zware uit 15 van 200 man, waarbij nog eene zestiende kwam als koninklijke eerewacht (ἄγημα, ἴλη βασιλική).

Ilercavones, Ilergavonenses, volk in Hispania aan den mond van den Ibērus (Ebro). Hoofdstad: Dertōsa (Tortosa).

Ilerda, thans Lerida, hoofdstad der Ilergetes in Hispania. Caesar versloeg hier Afranius en Petreius, legaten van Pompeius, in 49.

Ilergetes, aanzienlijk volk in Hispania tusschen den Ibērus (Ebro) en de Pyrenaeën, met de steden Ilerda (Lerida) en Osca (Huesca).

Ilia = Rea Sylvia.

Iliades, Ἰλιάδης, 1) Ganymēdes, zoon van Ilus.—2) Romulus of Remus, zoon van Ilia.—3) soms algemeen voor Trojaan.

Ilienses, 1) inwoners van Ilium.—2) volksstam op Sardinia.

Ilion, -um, Ἴλιον, Ἴλιος = Troia.

Ilione, Ἰλιόνη, dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Polymestor. Zie Polydōrus no. 2.

Ilipa, stad aan den Baetis (Guadalquivir) in Baetica, ten N. van Hispalis (Sevilla).

Ilis(s)us, Ἰλισ(σ)ός, riv. in Attica, die op den Hymettus ontspringt en langs Athēnae stroomt.

Ilithyia, Εἰλείθυια, Ἐλευθώ, dochter van Zeus en Hera, godin die de vrouwen bij het baren helpt. Soms wordt van meer dan eene Il. gesproken; Hera en Artemis worden ook dikwijls Il. genoemd. Zij komt overeen met de rom. Juno Lucīna.

Ilium, -on, Ἴλιον, Ἴλιος = Troia.

Illiberis, Ἰλλιβερίς, 1) stad in Baetica, nabij de bronnen van den Singulis (Xenil), thans Elvira.—2) stad in Gallia tusschen Narbo Martius en de grens van Hispania, eerst aanzienlijk, later vervallen, door Constantijn den Gr. herbouwd en naar zijne moeder Helena genoemd, thans Elne.

Illiturgis, Ἰλούργεια, belangrijke bergstad der Turduli, geheel in het Oosten van Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir), in 210 door Scipio (Africānus) veroverd en verwoest, later herbouwd als Forum Iulium.

Illurgavonenses = Ilercavones.

Illustres, titel der hoogste klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr. Hiertoe behoorden de praefecti der vier praefecturae, waarin het rijk verdeeld was, en de zeven hoogste hofbeambten: de quaestor sacri palatii, minister van justitie en wetgeving, de magister officiorum of hofmaarschalk, de comes sacrarum largitionum, minister van financiën, de comes rerum privatarum, administrateur van ’s keizers bijzonder vermogen, de praepositus sacri cubiculi of opperkamerheer, de beide comites domesticorum (equitum en peditum) of bevelhebbers der lijfwacht.

Illyricum, Illyris, τὸ Ἰλλυρικόν, Ἰλλυρίς. Het bergland tusschen Epīrus en Histria, langs de Oostkust der Adriatische zee werd bij de Grieken Illyris of Illyria, bij de Rom. Illyricum genoemd. Het zuidelijke gedeelte tot aan den Drilon heette Illyris Graeca, met de steden Dyrrhachium (Epidamnus) en Apollonia, en hoorde in den romeinschen tijd tot Macedonia; het noordelijke heette Illyris Barbara of Romana. Van dit laatste werd wederom het Z.O.deel Dalmatia, het N.W. Liburnia genoemd. De rom. provincie Illyricum omvatte het tegenw. Dalmatië met Bosnië en Herzegowina. In het jaar 8 na C. kreeg de geheele provincie den naam Dalmatia (z. a.). Onder Diocletiānus werd het geheele rom. rijk in vier praefecturen verdeeld; de praefectura Illyrici strekte zich toen uit van den Donau tot over geheel Griekenland; het oude rom. Illyricum behoorde er echter niet meer toe, zoodat de residentie Sirmium juist aan een uithoek lag, terwijl ten O. de mons Rhodope (Despotodagh) de grens vormde.

Ilus, Ἶλος, 1) zoon van Dardanus en Batēa, volgde zijn vader in de regeering over Dardania op; daar hij kinderloos stierf, was zijn broeder Erichthonius zijn opvolger.—2) zoon van Tros en Callirrhoë, behaalde eens in Phrygië bij een wedstrijd in het worstelen de overwinning, en kreeg als prijs 50 jongelingen en 50 meisjes benevens een koe, met de opdracht van het orakel, om eene stad te stichten waar de koe zich zou nederleggen. Dientengevolge bouwde hij op een heuvel de stad Ilium, en toen hij Zeus om een teeken bad, dat hij het orakel goed begrepen had, vond hij den volgenden morgen voor zijn tent het Palladium.—V. s. had hij Tantalus en Pelops uit Paphlagonië verdreven.—3) zoon van Mermerus van Ephyre, bij wien Odysseus een middel ging halen om zijne pijlen te vergiftigen, wat hem echter geweigerd werd.—4) = Ascanius (z. a.). Zie ook Iulus.

Ilva, z. Aethalia.

Ilvātes, ligurisch volk, dat aan de Noordzijde van den Apennīnus ten N.O. van Genua woonde.

Imachara, stad in het binnenland van Sicilia ten N.O. van Henna.

Imagines, zie ius imaginum.

Imāus, Ἴμαον ὄρος, zie Emodi montes.

Imbrasia, Ἰμβρασία, bijnaam van Hera, naar haar tempel aan de rivier Imbrasus; ook bijnaam van Artemis.

Imbrasus, Ἴμβρασος, 1) rivier op het eiland Samus.—2) riviertje op Euboea, bij Taminae uitmondend.

Imbrus, -os, Ἴμβρος, eiland in het noordelijk gedeelte van de Aegaeïsche zee, bergachtig en boschrijk, een zetel van den dienst der Cabiren. Miltiades (z. a.) veroverde van uit de Chersonēsus het eiland, dat voortaan in het bezit bleef van Athene.

Immarādus, Ἰμμάραδος, zoon van Eumolpus, sneuvelde met zijn vader in den oorlog tegen Erechtheus.

Imperator. Wanneer een veldheer eene luisterrijke overwinning had behaald, begroetten zijne soldaten hem met den titel imperator. Zijne lictoren doorvlochten alsdan hunne bijlbundels met lauriertakken, terwijl hij in een omlauwerden brief (litterae laureatae) den senaat bericht van zijne overwinning zond en achter zijn naam den imperatorstitel voegde. Wanneer hij dan in Italia teruggekeerd was, bleef hij met zijn leger buiten Rome gekampeerd, en verzocht den senaat een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Kwam hij evenwel vóór dien tijd binnen de stad, dan verspeelde hij zijne aanspraken en zijn titel. Niet altijd werd de triumftocht toegestaan. In dit geval gebeurde het somtijds, dat de imperator een zegetocht op den albaanschen berg hield, ook wel eens, dat hij tegen den wil van den senaat onder de bescherming van één of meer volkstribunen zijn feestelijken intocht in de stad hield. In 143 werd den consul App. Claudius Pulcher (Claudii no. 12) de eer eener zegepraal geweigerd en een der volkstribunen dreigde hem van zijn wagen af te rukken, zoo hij toch den triumftocht ondernam. Toen sprong zijne dochter Claudia, eene Vestaalsche maagd, op den zegewagen, sloeg haar arm om haar vader heen, en niemand waagde verder eenig verzet. Zie verder triumphus. Augustus en de volgende keizers kregen het imperatorschap voor hun leven, dus als blijvenden titel, waarmede het veldheerschap over al de legers van het rijk gepaard ging. Zij voeren den titel vóór hun naam.

Imperium, was een bestanddeel van de macht van overheidspersonen, die geroepen konden worden om een leger aan te voeren of recht te spreken. Verder was daaraan verbonden het ius cum populo agendi, d.w.z. het recht om de comitia bijeen te roepen, het ius cum patribus agendi, het recht om den senaat bijeen te roepen, en het ius coërcitionis, het recht van bestraffing. Dit recht hadden de consuls, de praetoren, de dictator, de magister equitum, de interrex. Ook behoorde het bij de tijdelijk ingestelde ambten der decemviri legibus scribundis en der tribuni militum consulari potestate. Het imperium werd na de aanvaarding van het ambt verleend door eene lex curiata, die den wettig gekozen ambtenaar niet mocht geweigerd worden.

Impluvium, zie compluvium en atrium.

Inachides, Ἰναχίδης, Epaphus, kleinzoon van Inachus. Soms in het algemeen voor een argivisch man, bijv. Perseus.

Inachis, Ἰναχίς, Io, dochter van Inachus, ook Isis, wanneer zij met Io vereenzelvigd wordt. Soms in het algemeen voor eene argivische of grieksche vrouw.

Inachus, Ἴναχος, 1) zoon van Oceanus en Tethys, die na den watervloed van Deucalion de vlakte van Argos bewoonbaar maakte door al het water te vereenigen tot eene rivier, die vandaar zijn naam draagt. Hij vestigde het argivische rijk, waarvan hij de eerste koning was. Toen Poseidon en Hera over het bezit van Argos twistten, besliste hij ten gunste van Hera; door den toorn van Poseidon is Argos arm aan water. De dochter van Inachus was Io (Inachia iuvenca).—2) rivier van Argolis, die, voor zij de kust bereiken kan, in het zand verloopt. Zij is in den zomer droog.

Inarime = Aenaria.

Inaros, Ἰνάρως, lybisch koning, die onder Artaxerxes I een grooten opstand van Aegypte tegen de Perzen verwekte, waarbij hij door de Atheners ondersteund werd (459–454). Wel werd een perzische vloot op den Nijl vernietigd, Memphis ingenomen en nog andere voordeelen behaald, doch toen de atheensche vloot door Megabȳzus vernietigd was (454), kon In. zich niet lang meer staande houden, hij gaf zich over, en werd vijf jaar later gekruisigd.

Inauguratio, zie Augures.

Incensus werd de burger genoemd, die zich bij den census verzuimde aan te geven, ten einde den krijgsdienst te ontduiken. Het was volkomen logisch dat men hem als slaaf verkocht en wellicht in den oudsten tijd ter dood bracht, daar hij zichzelf het burgerrecht niet waardig had gekeurd.

Incubatio = ἐγκοίμησις.

Incubus, z. Faunus.

India, Ἰνδία. Dit land was den Grieken weinig meer dan bij naam bekend, totdat Alexander de Gr. tot aan den Hyphasis, een der takken van den Indus, doordrong. Seleucus Nicātor, de stichter van het Seleucidenrijk, kwam in India tot aan den Ganges en sloot met den indischen vorst Sandracotta een verbond. Toen evenwel onder zijne opvolgers Ariāna weder verloren ging, werden de betrekkingen met India weder verbroken. Omtrent grootte en vorm hadden de ouden zeer onvolledige begrippen. Bij naam echter kenden en onderscheidden zij eenige gedeelten, als India intra en extra of trans Gangem, ἐντὸς καὶ ἐκτὸς τοῦ Γάγγου, waaronder zij Voor- en Achter-Indië verstonden, de Aurea Chersonēsus (Malakka), het eiland Taprobane (Ceylon), dat zij zich reusachtig groot voorstelden, de insula Agathodaemonis (Sumatra), Jaba (Java), enz.

Indibilis, vorst der Ilergeten in Hispania Tarraconensis. In den tweeden punischen oorlog wist Scipio (Africānus) hem door eene edelmoedige behandeling voor de rom. belangen te winnen. Indibilis betoonde zich evenwel trouweloos, doch werd door Scipio weder in genade aangenomen. Na diens vertrek viel hij opnieuw af, en sneuvelde toen.

Indicētae of Indigētes, Ἰνδικῆται, volk in den N.O. uithoek van Tarraconensis. Hoofdstad: Emporium of Emporiae.

Indigetes dii = Dii indigetes.

Indigitamenta zijn gebedsformulieren, die door de pontifices in hun archief bewaard werden, en waarin steeds meerdere godheden aangeroepen werden, of ook wel ééne godheid onder meerdere namen, uit vrees de goddelijke hulp, die men inriep, anders niet deelachtig te zullen worden. Hierdoor werd het aantal goden van den oudsten Romeinschen eeredienst door splitsing van de eigenschappen tot in het oneindige vermeerderd. Zoo was Terminus (z. a.) oorspronkelijk een bijnaam van Jupiter. Vooral bij geboorte en huwelijk, in de eerste levensjaren van het kind en bij den landbouw werden dergelijke goden aangeroepen; bij het zaaien o.a. 12 verschillende goden. Bovendien drukte men zich met opzet, om geen godheid uit te sluiten, erg algemeen uit, en voegde aan de formule nog toe: sive deus sive dea, of sive mas sive femina, of ook wel sive quo alio numine fas est nominare.

Induciomarus, 1) een aanvoerder der Treviri in Gallia ten tijde van Caesar, door diens legaat Labiēnus verslagen en gedood (54).—2) een hoofd bij het gezantschap der Allobroges te Rome onder Cicero’s consulaat (63).

Indus, Ἰνδός, 1) rivier, die door Cabalia of Cibyrātis stroomt en tegenover het eiland Rhodus in zee valt.—2) rivier, thans nog Indus geheeten, ook Sindh, ten W. van Voor-Indië, eens de grens van het groote rijk der Perzen. Een zijtak is de Acesīnes, die wederom den Hydaspes, den Hydraōtes, den Zadadrus en den Hyphasis opneemt. Tot aan den Hyphasis drong Alexander d. Gr. door. De genoemde bijrivieren vormen den Pendsjâb, het land der vijf stroomen.

Inessa of Inēsa, oude naam der stad Aetna, aan den voet van den berg Aetna (z. a.).

Infamia, sterker dan ignominia, eerloosverklaring, waarmede het verlies van enkele rechten gepaard ging als: ius suffragii, ius honorum, de bevoegdheid om in rechten op te treden of getuigenis af te leggen. De infamie kon een gevolg zijn van eene veroordeeling; zij kon ook ex edicto praetoris toegepast worden wegens onteerende handelingen of het uitoefenen van een verachtelijk bedrijf.

Infelix arbor. Sommige boomen werden bij de Romeinen infelices arbores geheeten, zooals bijv. de oleaster of wilde olijf. Daar zulke boomen aan de onderaardsche goden gewijd waren, werden zij ook wel gebezigd, om er misdadigers aan op te hangen of te kruisigen.

Inferum, s. Tyrrhēnum mare, de Tyrrheensche of Toscaansche zee, ten W. van Italië.

Infula, στέμμα, een breede, meestal wollen haarband of doek, die om het hoofd gewonden en door een vitta (lint) vastgehouden werd, zoodat de einden aan weerszijden afhingen. Zij was een zinnebeeld van onschendbaarheid, en werd o. a. door de vestaalsche maagden en later ook door de keizers gedragen.

Ingaevones, gemeenschappelijke naam der germaansche volken, die langs de kusten der Noordzee woonden; tot hen behoorden de Cimbren en Teutonen, de Chauken en de Friezen.

Ingauni, Ἴγγαυνοι, volk op de ligurische kust, met de stad Album Ingaunum, ten Z.W. van Genua. Tgw. Albenga.

Ingenuus, de eerste van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta tyranni no. 2), die zich na de gevangenneming van keizer Valeriānus, in Pannonië tot Augustus liet uitroepen. Keizer Galliēnus trok van Gallië uit hem tegemoet, en versloeg hem in 258 n. C. bij Mursa in Pannonië.

Iniuria, eerroof en persoonlijke beleediging. De wetten der XII tafelen vermeldden twee soorten: lichamelijke beleediging (o.a. membrum ruptum, os fractum) en spotliederen (occentatio), v. s. ook het uitspreken van betooveringsformulieren (malum carmen incantare). Het ius praetorium breidde echter het begrip iniuria aanmerkelijk uit en stond ook voor andere gevallen eene actio iniuriarum toe.

Ino, Ἰνώ, dochter van Cadmus en Harmonia, echtgenoote van Athamas (z.a.). Na haar dood werd zij door Poseidon onder de godheden der zee opgenomen, en onder den naam Leucothea op vele zeeplaatsen vereerd. Op Rhodus droeg zij den naam Italia, en verhaalde men, dat zij bij Poseidon moeder geworden was van zes zonen en eene dochter.—V.a. was zij door de Nereïden naar de monden van den Tiber gebracht, en toen Juno haar ook daar vervolgde, naar Rome gevlucht, waar Carmentis haar gastvrij opnam. Op raad van deze nam zij een inheemschen naam aan, en sedert wordt zij als Matūta (z. a.) vereerd.

Inōus, Ἴνωος, Melicertes, zoon van Ino.

Inquilinus, 1) de huurder van een huis, tegenover colonus, de pachter van een stuk land. In den lateren keizertijd worden beide uitdrukkingen dooréén-gebruikt voor den colonus.—2) de inwoner van een municipium, die naar Rome verhuist. Zoo noemde Catilina Cicero, die uit Arpinum stamde, hetgeen de verontwaardiging van den senaat opwekte.

Inscriptio als rechtsterm, het opmaken van het procesverbaal eener aanklacht en de onderteekening daarvan door den aanklager. Zie subscriptio.

Instaurativi (ludi), z. Ludi.

Instita, geplooide strook of aanzetsel, onder aan het romeinsch vrouwengewaad, waardoor dit laatste slepend werd. Vermoedelijk kon de instita aan- en afgehaakt worden.

Institutiones, z. Gaius.

Insubres, Ἲνσουβροι, machtige gallische stam in Gallia Transpadāna, waarmede de Romeinen lang oorlog hebben moeten voeren. Hunne hoofdstad was Mediolanium (Milaan).

Insula, groot alleenstaand huis of wel een blok huizen, aan alle zijden door straten ingesloten. Daar de huurwoningen te Rome in groote blokken werden gebouwd, kreeg insula allengs de gewijzigde beteekenis van huurwoning, in tegenoverstelling van domus als eigen huis. De slaaf of vrijgelatene, wien het opzicht over het blok en het ophalen der huur was opgedragen, werd insularius genoemd. Een enkele maal wordt dit woord ook gebezigd voor den huurder eener woning.

Insula Allobrogum, de vlakte tusschen de Isara (Isère) en den Rhodanus (Rhône).

Intemilii, volk op de ligurische kust met de stad Album Intemilium, aan den voet der Alpes maritimae (Zee-Alpen).

Interamna, 1) stad in het Z. van Umbria, thans Terni, aan de rivier den Nar en aan de via Flaminia gelegen, lat. kolonie, geboorteplaats van keizer Tacitus. De inwoners werden Interamnātes Nahartes genoemd. Niet ver boven de stad de beroemde watervallen (zie Avens).—2) stad in Latium aan den Liris, sedert 312 lat. kolonie.

Interamnia Praetuttiorum, stad in het land der Praetuttii in Picēnum.

Intercatia, stad der Vaccaei in Hispania, ten N. van den Durius (Douro).

Intercessio, tusschenkomst of verzet van een overheidspersoon te Rome tegenover een ambtgenoot of tegenover lagere overheden en der volkstribunen tegenover alle andere magistraten (den dictator uitgezonderd). Zie appellatio. Hierbij deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de praetoren, hoewel ondergeschikt aan de consuls, toch, omdat zij onder gelijke auspiciën werden gekozen, collegae van de consuls waren. Al waren zij nu ook collegae minores, toch konden zij dus de comitiën, door consuls gehouden, storen. Als rechtsterm wordt intercessio gebruikt, wanneer de eene burger ten behoeve van den ander tusschen dezen en het gerecht treedt, bijv. door zich borg te stellen.

Intercidōna, zie Deverra.

Intercisi (dies), zie Festi (dies).

Interdictum, een procesvorm, waarbij de praetor een tusschenuitspraak deed, hetzij in den vorm van een bevel (decretum) of van een verbod (interdictum). De naam interdictum is echter voor beide gevallen de heerschende geworden. Het diende dikwijls tot tijdelijke bevestiging van een bestaande toestand, bijv. tot aanwijzing, wie in het bezit der betwiste zaak zou blijven, totdat de rechter het vonnis had uitgesproken. Dikwijls ook diende het tot inleiding van een proces, waarbij dan de praetor voor beide partijen een interdict uitvaardigde, bijv. een verbod den rechtmatigen bezitter overlast aan te doen. Hieruit ontstond dan eene actie, waarbij de eene partij de andere beschuldigde tegen het bevel des praetors te hebben gehandeld, en die dan door dezen naar een iudex of naar recuperatores werd verwezen. Er zijn verschillende gevallen van interdicta.

Internum mare, ἡ ἔσω of ἐντός θάλαττα, door de Rom. ook dikwijls nostrum mare genoemd, de tegenw. Middellandsche zee.

Interpres, algemeene naam voor tusschenpersonen, onderhandelaars, tolken, ook voor makelaars in stemmen bij verkiezingen.

Interrex, μεσοβασιλεύς. Wanneer de koning te Rome gestorven was en geen opvolger terstond de regeering overnam, nam de senaat het bestuur op zich en wees door het lot uit zijn midden een interrex voor den tijd van vijf dagen aan, waarop dan een tweede, derde enz., volgden, ieder voor vijf dagen. Elke interrex benoemde zelf zijn opvolger. Ook onder de republiek kwam dit meermalen voor. Wanneer b.v. beide consuls gesneuveld waren of als vitio creati hun ambt hadden moeten neerleggen, dan keerden de auspiciën, zooals de term luidt, tot de patres (d. w. z. de patricische leden van den senaat) terug, en moesten er zoolang interreges optreden, totdat er een nieuwe consulsverkiezing had plaats gehad. Daar de comitiën eenigen tijd te voren moesten worden aangekondigd, konden de eerste interreges deze nooit houden. Deze waardigheid is nimmer anders dan door patriciërs bekleed.

Intestabilis is hij, die wegens infamia niet waardig is als getuige in rechten op te treden en ook geen ander als getuige kan oproepen. In ruimeren zin is een homo intestabilis een gemeen, eerloos mensch.

Inui castrum, vervallen zeestadje bij Ardea in Latium.

Inuus, bijnaam van Faunus.

Io, Ἰώ, dochter van Inachus, priesteres van Hera te Argos. Zeus beminde haar, en om haar aan de jaloersche vervolgingen van Hera te onttrekken, veranderde hij haar in een koe. Hera wist echter te verkrijgen dat die koe aan haar werd afgestaan en liet haar bewaken door Argus Panoptes (z. a.); toen deze door Hermes gedood was, kwelde zij haar door een horzel, die haar voortdurend stak en razend maakte. Om aan deze pijniging te ontkomen, zwierf Io lang door de meest verwijderde landen der aarde, totdat zij in Aegypte hare vroegere gedaante terug kreeg en moeder werd van Epaphus.

Iobates, Ἰοβάτης, koning van Lycië, z. Bellerophon.

Iocaste, Ἰοκάστη, moeder en later echtgenoot van Oedipus (z. a.). Toen zij vernam dat zij met haar zoon gehuwd was, hing zij zich op.

Iol, zie Caesarea no. 6.

Iolāus, Ἰόλαος, zoon van Iphicles, wagenmenner en vriend van Heracles. Hij was den held behulpzaam bij het bestrijden van de slang van Lerna, door een naburig woud in brand te steken en de gloeiende boomstammen aan te geven, waarmede de wonden van het monster dichtgeschroeid moesten worden. Bij de eerste olympische spelen behaalde hij de overwinning. Later trok hij met veertig zonen van Heracles naar Sardinië, waar hij een volkplanting stichtte en bij de woeste inwoners meer beschaafde zeden invoerde; van deze onderneming teruggekeerd, vond hij zijn vriend nog juist tijdig genoeg om den brandstapel voor hem op te richten, ook was hij de eerste die hem een offer bracht.—Toen de Heracliden door Eurystheus vervolgd werden, kwam hij uit de onderwereld terug om hen te helpen, v. s. was hij het die Eurystheus doodde of gevangen nam.

Iolcus, Ἰωλκός, Ἰολκός, oude stad in het thessalische gewest Pelasgiōtis, aan de Pagasaeïsche golf, de plaats van vertrek der Argonauten.

Iole, Ἰόλη, dochter van Eurȳtus, koning van Oechalia, door Heracles (z. a.) bemind; na zijn dood werd zij volgens zijn bevel de vrouw van Hyllus.

Ion, Ἴων, 1) de stamvader der Ioniërs, zoon van Xuthus en Creūsa, huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen, wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier ionische phylae genoemd zijn.—V. a. zoon van Apollo en Creūsa, door zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht, waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel nam Xuthus, die Creūsa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos gebleven was, hem tot zoon aan; Creūsa, die vermoedt dat hij een onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen moeder en zoon openbaren.—2) van Chius, tijdgenoot van Pericles, leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.—3) rhapsode van Ephesus, naar wien een van Plato’s werken genoemd is.

Iōnes, Ἴωνες, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica, vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia.

Ionia, Ἰωνία, 1) oude naam voor het landschap Achaia in de Peloponnēsus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar verdreven hadden.—2) kustland met de voorliggende eilanden in Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder aanvoering van Codrus’ zonen Neleus en Androclus eene groote schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon, Ephesus, Priēne, Myus, Milētus en de eilanden Samus en Chius. Ook de aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning Darīus I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis, Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras, Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius, e. a.

Ionium mare, Ἰόνιος πόντος, de zee ten W. van Griekenland en Epīrus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ἰόνιος μυχός genoemd.

Iophon, Ἰοφῶν, zoon van Sophocles en Nicostrate, treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colōnus, voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel.

Joppe, Ἰόππη, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea in Palaestina.

Jordānes, Ἰορδάνης, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee (lacus Asphaltites) stroomt.

Ios, Ἴος, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond.

Josēphus (Flavius), zie Flavius Josephus.

Ioviānus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van Juliānus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel.

Iphianassa, Ἰφιάνασσα, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk dezelfde als Iphigenīa.—2) dochter van Proetus.

Iphias, Euadne, dochter van Iphis.

Iphicles, -clus, Ἰφικλῆς, Ἴφικλος, 1) zoon van Amphitryo en Alcmēne, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den oorlog tegen Ergīnus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).—2) zoon van Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.—3) zoon van Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het loopen, z. Melampus.

Iphicrates, Ἰφικράτης, atheensch veldheer van geringe afkomst, werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren, aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (πέλτη, vanwaar de naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette; de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger, dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar ten gevolge van een twist met Pharnabāzus keerde hij onverrichter zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcȳra gezonden, dat door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was, verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn.

Iphidamas, Ἰφιδάμας, 1) zoon van Busīris, werd met zijn vader door Heracles gedood.—2) zoon van Antēnor.

Iphigenīa, Ἰφιγένεια, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of Menelāus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Ταυρόπολος, totdat Orestes er landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te vinden en werden haar offers gebracht.—V. a. was zij niet gestorven, maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph.

Iphimedēa, Ἰφιμέδεια, -μέδη, dochter van Triops, echtgenoote van Alōeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden.

Iphinoë, Ἰφινόη, eene van de Proetiden.

Iphis, Ἶφις, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.—2) zoon van Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een gevecht tegen Aeētes.—3) z. Anaxarete.—4) dochter van Ligdus en Telethūsa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed, en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen, veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd.

Iphitus, Ἴφιτος, 1) zoon van Eurȳtus, Argonaut, door Heracles (z. a.) verraderlijk gedood.—2) zoon van Naubolus, koning van Phocis.—3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische spelen.

Ipsus, Ἴψος, Ἰψός, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde.

Ira, Εἶρα, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden messenischen oorlog elf jaar (679–668) door Aristomenes tegen de Spartanen werd verdedigd.

Irassa, Ἴρασα, Ἴρασσα, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca.

Iris, Ἶρις, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid van den wind (Ποδήνεμος, Ἀελλόπους) de bevelen der goden, vooral die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert.

Iris, Ἶρις, rivier in Pontus, die langs Comāna en Amasēa stroomt en zich na een bochtigen loop ten O. van Amīsus in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) stort.

Irus, Ἶρος, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd, die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en Phocis staan bleef.—2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior.

Is, Ἴς, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld.

Isaeus, Ἰσαῖος, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars, leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.—2) sophist, die onder Traiānus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam.

Isagoras, Ἰσαγόρας, atheensch aristocraat, na de verdrijving der Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug te brengen mislukten.

Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpīna, 1) een zijtak van den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.—2) een bijstroom der Sequana (Seine), thans de Oise geheeten.

Isauria, Ἰσαυρία, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri heeten, geregeld groote strooptochten.

Ischolāus, Ἰσχόλαος, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs (370).

Ischys, Ἲσχυς, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1.

Isionda, Ἰσιόνδα, Ἲσινδα, oude stad in het Z.W. van Pisidia.

Isis, Ἶσις, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osīris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demēter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.—Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.—Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.

Ismarus, Ἴσμαρος, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch.

Ismēne, Ἰσμήνη, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone (z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.

Ismenias, Ἰσμηνίας, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmēa bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.—2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.

Ismēnus, Ἰσμηνός, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides.

Isocrates, Ἰσοκράτης, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (λογοὶ ἐπιδεικτικοὶ καὶ συμβουλευτικοί). De voornaamste hiervan zijn: Πανηγυρικός (380), Πλαταϊκός (373), Ἀρχίδαμος (365), Συμμαχικὸς ἢ περὶ εἰρήνης (357), Ἀρεοπαγιτικός (354), Φίλιππος (346), Παναθηναϊκός (342–339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronēa maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.

Ἰσοτελής. Een μέτοικος, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de ἰσοτέλεια. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.

Issa, Ἴσσα, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd.

Issedones, Ἰσσηδόνες, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).

Issus, Ἰσσός, Ἰσσοί, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.

Istaevones = Istuaevones.

Ister, Ἴστρος, leerling van Callimachus, schrijver eener Ἀτθίς, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.

Ister, Ἴστρος, zie Danuvius.

Isthmia, Ἴσθμια, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flaminīnus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.

Isthmius, Ἴσθμιος, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.

Isthmus, Ἰσθμός, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen, τὰ Ἴσθμια, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan, δίολκος (z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.

Istria = Histria.

Istropolis, Ἰστρόπολις, Ἴστρος, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Milētus.

Istrus, Ἴστρος = Istropolis. Zie ook Danuvius.

Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.

Isisdienst.
Isisdienst.

Isisdienst.

Italia, Ἰταλία. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome’s heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf regiones opnam. Wel had Gallia Cispadāna in 89, Transpadāna in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpīna nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia Cisalpina.—Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, de Σικελιῶται, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland, Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones, Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe de Sabīni, Peligni, Marsi, Marrucīni, Frentāni, Hernici en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van Saunītae of Samnītes over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picēnum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picēnum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.

Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africānus maior) gesticht.—2) zie Corfinium.

Italicum bellum, zie Marsicum bellum.

Italus, Ἰταλός, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latīnus, en werd de vader van Remus of Romus.

Itanus, Ἴτανος, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.

Ithaca, Ἰθάκη, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.

Ithōme, Ἰθώμη, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743–724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messēne aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens, κέρατα, van de Peloponnēsus genoemd.

Itius portus, τὸ Ἴτιον, havenstad der Morīni in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).

Iton of Itōnus, Ἰτών, Ἴτωνος, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiōtis, met een beroemden tempel van Athēna.

Ituraea, Ἰτουραία, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herōdes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.

Ityca, Ἰτύκη = Utica.

Itylus, Ἴτυλος, zoon van Zethus en Aēdon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.

Itys, Ἴτυς, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.

Iuba, Ἰόβας, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitāna) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selēne (zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarēa (z. a. no. 6).

Iudaea, Ἰουδαία, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verder Palaestina.

Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters, iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.

De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).

Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla’s lex Cornelia iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70) verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.

Iudex pedaneus, χαμαιδικαστής. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus wordt genoemd.

Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.

Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene, wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt.

Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als consilium toevoegen.

Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.

Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex.

Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen, die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.

Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.

Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks ¼ hectare.

Iugum.
Iugum.

Iugum, ζυγός. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.—Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.

Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa’s dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albīnus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius’ leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.

Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.—1) lex de publicanis (door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.—2) lex agraria, zoogenaamd lex Campāna, zie onder Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.—3) lex de repetundis (59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.—4) tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).—5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar’s dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.—6) lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.—7) lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.—8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.—9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.—10) lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.—11) lex de sacerdotiis (46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.—12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.—13) lex de provinciis (46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.—14) lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero’s lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.—15) lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octaviānus, 18. 1) lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.—2) lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.—3) leges de ambitu, de annona (tegen korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.—4) lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea.

Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex Iulia van Octaviānus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum.

Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.

Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia.

Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag.

Iuliāni. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadriānus op diens last het edictum perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.—2) P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antonīnus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.—3) M. Didius Sevērus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.

Iuliānus (Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedēa en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarēa in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius tot Caesar benoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neo-platonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius’ argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeer weinig instemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden: tandem vicisti Galilaee! Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.

Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst de Iuli en later de Caesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aenēas’ zoon Ascanius of Iulus. 1) C. Iulius Iulus, consul in 489.—2) C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.—3) Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenige Iulii Iuli voor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaam Vopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamen Libo en Mento voor.—4) L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijn lex de civitate het rom. burgerrecht aan de trouw gebleven socii in Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zie Egnatii no. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.—5) C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.—6) L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilīna behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).—7) Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.—8) L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato’s dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.—9) C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.—10) C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.—11) C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde, zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla’s toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla’s dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds tot flamen Dialis gekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van de quaestio de sicariis veroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zie Iuliae (leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door de lex Vatinia van den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpīna en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpīna voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58–49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar de lex Trebonia van den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. De commentarii de bello Gallico leeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10den Januari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epīrus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsālus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zie Cleopatra no. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia, Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius’ zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; als praefectus morum bezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15den Maart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.—Behalve de eerste 7 boeken de bello Gallico hebben wij van hem nog 3 boeken de bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd, zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.—12) Iulia, zuster van no. 11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.—13) Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Cornelii no. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.—14) C. Octavius, later C. Iulius Caesar Octaviānus genoemd en in de geschiedenis onder den titel van Augustus bekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie men Antonii no. 4 en 6, Pompeii no. 13.—Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 als triumvir bezat (zie Tresviri no. 9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk of principaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers, princeps civium zijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder de tribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had de princeps de bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem het imperium proconsulare over alle provincies, waar legers stonden, die hij door legati pro praetore liet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, de cohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14 regiones, de oprichting van cohortes vigilum en cohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van een praefectus urbi en twee praefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.—15) Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings