← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

X.

Reading edition

Xanthippe, Ξανθίππη, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.

Xanthippus, Ξάνθιππος, 1) Athener, die met en na Clisthenes als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de vader van Pericles.—2) Lacedaemoniër, die in den eersten punischen oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de carthaagsche schippers gedood was.

Xanthus, Ξάνθος, 1) z. Balius.—2) koning van Thebe, door Melanthus (z. a.) in een tweegevecht gedood.—3) van Sardes, tijdgenoot van Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Λυδιακά).

Xanthus, Ξάνθος, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.—2) riv. in Epīrus, door Helenus aldus genoemd.—3) hoofdrivier van Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpēdon. Cyrus liet haar door zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zie Lycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.

Xenarchus, Ξέναρχος, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten bestaan.—2) zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij leefde onder den ouden Dionysius.—3) van Seleucīa, peripatetisch wijsgeer, die omstreeks het einde der 1e eeuw te Alexandrië, Athene en Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.

Ξενηλασία, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond o. a. te Sparta.

Xeniades, Ξενιάδης, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te geraken betoogd had.—2) z. Diogenes no. 2.

Ξενίας γραφή, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor de ναυτοδίκαι, later voor de thesmotheten.

Ξένιος, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.

Xeno, Ξένων, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen oorlog (413).—2) tyran van Hermione, die zich door Arātus liet overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond toe te treden.—3) een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome gezonden werden.—Een andere X. deed te Rome moeite om de vrijlating van die gijzelaars te bewerken.—4) Athener, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd, door hem met lof vermeld.

Xenoclēa, Ξενόκλεια, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong haar daardoor hem te antwoorden.

Xenocles, Ξενοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij eens tegen Euripides den prijs won.—2) aanvoerder der ruiterij bij het leger van Agesilāus in Azië.—3) van Adramyttium, een redenaar, met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.

Xenocrates, Ξενοκράτης, 1) broeder van Theron van Agrigentum, overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van Pindarus.—2) van Chalcēdon, geb. 396, leerling en vriend van Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato’s dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloed op lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne talrijke werken is bijna niets over.—3) van Aphrodisias, grieksch geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1ste eeuw na Chr.

Xenoetas, Ξενοίτας, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste gedeelte van zijn leger gedood (221).

Xenophanes, Ξενοφάνης, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn lang leven—hij werd meer dan 92 jaar oud—wijdde hij geheel aan het bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn eigen leer, de eleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.

Xenophantus, Ξενόφαντος, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter Hieronymus.—2) van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een beeld van Hadriānus maakte.

Xenophilus, Ξενόφιλος, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem aansloot (316).

Xenophon, Ξενοφῶν, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks 430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen Tissaphernes en Pharnabāzus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., ook onder Dercylidas en Agesilāus, met wien hij zeer bevriend werd en in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilāus naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag bij Coronēa streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen (394). Uit Athene verbannen—misschien wel juist om zijn deelnemen aan dien slag—ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam van Ἀττικὴ μέλισσα en zeide dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn: Κύρου Ἀνάβασις, eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte aan een ander toegeschreven is (z. Themistogenes); Ἑλληνικά, een geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen en vooral voor zijn held, Agesilāus; Κύρου παιδεία, een meer wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld wordt; Ἀπομνημονεύματα Σωκράτους, herinneringen aan Socrates, eene verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht met het doel om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates (z. a. no. 2); Συμπόσιον, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.—2) zoon van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van Potidaea (429).—3) van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien hij ter wille van Agrippīna vergiftigde.—4) van Ephesus, schrijver van een griekschen roman onder den titel Ἐφεσιακά, τὰ κατὰ Ἀνθίαν καὶ Ἀβροκόμην; hij leefde waarschijnlijk in de 3de eeuw na C.

Ξένος, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als gastheer op.—Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te Sparta e. e. niet geoorloofd was (z. ξενηλασία), werden μέτοικοι, (z. a.) genoemd.

Xerxes, Ξέρξης, 1) zoon van Darīus Hystaspis en Atossa, werd door zijn vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, terwijl zijn vloot de haven van Phalērum binnenliep. Doch na de verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabānus vermoord werd (465).—2) X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder Sogdiānus vermoord.

Xois, Ξόις, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14de dynastie.

Xuthus, Ξοῦθος, zoon van Hellen en de nimf Orsēis, werd door zijne broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met Creūsa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialēa vestigde.

Xynia, Ξυνία, stad in het Z.W. van het thessalische landschap Phthiōtis, aan het meer van gelijken naam.

Xystus, -tum, ξυστός, -τόν, in de grieksche gymnasia een overdekte zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings