← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Q.

Reading edition

Q. Rex. C. F. Zie regifugium.

Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de Marcomannen van 166–175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel.

Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of ¼ as. Men vindt er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen.

Quadrigati, z. Bigati.

Quadruplatōres, meer gebruikelijke naam der delatores onder de rom. keizers.

Quaesītor, zie quaestor.

Quaestiōnes perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia in het leven geroepen.

Quaestor, ταμίας. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesītor, welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord, maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden, en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421 werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht, waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie, evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel, werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat, uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten (bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December.

Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis.

Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens ressort wetgeving en justitie behoorden.

Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra.

Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk met bovenstaanden naam worden aangeduid.—2) Quattuorviri viis in urbe purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (vigintiviri).—3) Zie praefecti Capuam Cumas.

Quinarius, rom. zilveren munt = ½ denarius, ter waarde van 5, later van 8 as.

Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolīnus Barbātus, een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.—2) L. Quinctius Cincinnātus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul L. Minucius Esquilīnus Augurīnus te ontzetten. In 16 dagen tijds had hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden, waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door den magister equitum C. Servilius Ahāla omgebracht. Zie hieromtrent Maelii no. 1.—3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had, doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.—4) T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.—5) T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384, veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.—6) T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispīnus was in 361 dictator tegen de Galliërs.—7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en 212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.—8) T. Quinctius Flaminīnus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208) en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae, waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta, regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te eischen.—9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197 zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.—In lateren tijd vindt men eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.—10) P. Quintius, voor wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).—11) L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius tegen Cicero optrad.—12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula om.—13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae (z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over.

Quinctiliānus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven werd.

Quinctilii, zie Quintilii.

Quinctīlis, oude naam voor Juli (zie annus).

Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae = 5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur.

Opstelling in quincuncem
Opstelling in quincuncem

Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri sacrorum.—2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen veel meer voor.

Quinquātrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd (tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden daarentegen de fluitspelers de hoofdrol.

Quinquennāles (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium.

Quinqaertium = Pentathlum.

Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande, b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia), doch toen onder beheer van IIIviri.

Quintāna (via), zie castra.

Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest gebruikelijke.

Quintiliānus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania, omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C., schonk keizer Domitiānus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht.

Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor, streed in 203 in Gallia Cisalpīna zegevierend tegen Hannibals broeder Mago.—2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.—3) P. Quintilius Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak, dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9 na C.).—4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius en Horatius, stierf in 23.—5) Onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de Germanen streden. Commodus bracht hen om.

Quintus, Κόιντος, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch gedicht in 14 zangen, τὰ μεθ’ Ὅμηρον, bevattende de geschiedenis van den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd.

Quirinalia, een feest ter eere van Quirīnus, dat op den 17 Februari te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia.

Quirinālis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma.

Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21.

Quirīnus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinālis, terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Jānus (z. a.).

Quirītes. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing, dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten, dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten was saamgesteld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings