D. (continued 2)
Reading edition
Dionysi(a)des, Διονυσιάδης, -σίδης, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.
Dionysius, Διονύσιος, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.—2) de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontīni enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.—3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.—4) van Milētus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanīcus.—5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodōrus als bronnen gebruikt werden.—6) D. Thrax, (ὁ Θρᾷξ), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.—7) van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Ῥωμαϊκὴ ἀρχαιολογία) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.—8) van Halicarnassus, bijgenaamd ὁ Μουσικός, naar zijne Μουσικὴ ἱστορία, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadriānus.—9) de reisbeschrijver (ὁ περιηγητής), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Aviēnus.

Dionysus van het Vaticaan.

Dionysus van het Louvre-Museum.
Dionȳsus, Διόνυσος, Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Ἀνθεύς, Ἄνθιος, Δενδρίτης, Ὕης, Φλοιός), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demēter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Θεσμοφόρος), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Ἴακχος) draagt, of als broeder of bruidegom van Core Κόρος heet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Λυαῖος), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (ἐνθουσιασμός). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Μελπόμενος) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Βάκχος, Βρόμιος, Εὔιος). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Νυκτέλια), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreet εὐοῖ, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.—De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (θίασος), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodīte. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.—De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.
Diophanes, Διοφάνης, grieksch redenaar van Mytilēne, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.
Diophantus, Διόφαντος, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.—2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werk Ἀριθμητικά is ongeveer de helft bewaard gebleven.
Diopīthes, Διοπείθης, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonēsus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering περὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳ en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.
Diōres, Διώρης, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.—2) vader van Automedon.—3) zoon van Priamus, ging met Aenēas naar Italië en werd door Turnus gedood.
Dioscorides, Διοσκορίδης, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.—2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.—3) Pedanius D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold.
Dioscūri, Διόσκουροι, Castor (Κάστωρ) en Pollux (Πολυδεύκης), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Τυνδαρίδαι), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Ἄνακες, te Rome ook wel Castores genoemd.
Dioscurias, Διοσκουρίας, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traiānus Sebastopolis bijgenaamd.
Diospolis, Διόσπολις, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook magna, ἡ μεγάλη, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis minor, ἡ μικρά. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ook Cabira.
Diōta, wijnkruik met twee ooren.
Diotīmus, Διότιμος, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).—2) atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.—3) zoon van Diopīthes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.
Diotrephes, Διοτρέφης, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.
Dioxippus, Διώξιππος, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.—2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.
Dipaea, Διπαία, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinēa, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.
Diphilus, Δίφιλος, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.—2) van Sinōpe, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philēmon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.—3) stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.—4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.—5) schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).—6) beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.—7) schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.
Diphridas, Διφρίδας, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.
Διφθέρα, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.
Diplōma, δίπλωμα, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.
Dipylon, τὸ Δίπυλον, vroeger αἱ Θριάσιαι πύλαι geheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academīa. Vóór de poort lag ὁ ἔξω Κεραμεικός, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkant ὁ ἐντὸς Κ. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.
Dirae = Furiae.
Dirce, Δίρκη, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.
Diribitores (diribēre = dishibēre) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten.
Dis = Pluto.
Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.
Discordia, z. Eris.

Discobolus.
Δισκοβολία, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het πένταθλον, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (δίσκος), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (δισκοβόλος) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.
Dispensātor, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.
Dithyrambus, διθύραμβος, lied bij de feesten van Dionȳsus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arīon, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.
Dium, Δῖον, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.—2) stad in het N. van Euboea.—3) stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granīcus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.—4) kaap op de N. kust van Creta.
Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch Ζεὺς Πίστιος. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides.
Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longīnus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.
Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria, haruspices en extispicium, voor de Grieken μαντεία. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. Zie Caecilii no. 30.
Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.
Divīsor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.
Divitiācus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.—Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.
Divodūrum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.
Divōna, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.
Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio) werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zie repudium.
Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie Apotheosis.
Diyllus, Δίυλλος, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw.
Dobērus, Δόβηρος, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.
Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linkeroever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.
Dodecaschoenus, Δωδεκάσχοινος, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syēne en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z. Napata), schijnt onjuist te zijn.
Dodōna, Δωδώνη, oude stad in Epīrus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomārus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Σελλοί of Ἑλλοί, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen, Πελειάδες, genoemd.
Dodrans = 9 unciae = ¾ as.
Δοκιμασία, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.
Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35–38.
Doliche, Δολίχη, 1) stad in Commagēne ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van Zeus Δολιχηνός, Jupiter Dolichēnus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagēne (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.—2) stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.—3) = Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus.—4) oude naam voor het eiland Icarus.
Δόλιχος, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heet δολιχόδρομος.
Dolon, Δόλων, Trojaan, zoon van Eumēdes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomēdes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood.
Dolonci, Δόλογκοι, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonēsus.
Dolopes, Δόλοπες, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epīrus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.
Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.
Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere.
Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.
Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd.
Domitiānus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasiānus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82–83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85–86 en 87–89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van “Heer en God” toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.
Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvāni. 1) L. Domitius zou den naam Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.—2) Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook Scribonii no. 2.—3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.—4) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.—5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.—6) L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).—7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.—8) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsālus.—9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsālus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.—10) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.—11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus’ dochter Agrippīna, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zie Nero.—12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passiēnus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.—13) Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippīna omgebracht (54).—14) Cn. Dom. Calvīnus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.—15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsālus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39–36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie Fasti no. 2.—16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55–66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.—17) Domitia Longīna, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitīanus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ook Domitilla geheeten.—Niet tot de gens Domitia behooren: 18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.—19) Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.—20) Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.—21) L. Domitius Aureliānus, rom. keizer; zie Aurelianus.—22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.

Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.), achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken, culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikel οἰκία, over de tegenstelling tusschen insula en domus het artikel insula.

Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ook Circumcelliones.
Donātus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aenēis van Virgilius.
Donātus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.
Donūsa, -sia, Δονουσία, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.
Dora, τὰ Δῶρα, Δῶρος, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.
Dores, Δωριῆς, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnēsus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.
Dorieus, Δωριεύς, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.—2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).
Doris, Δωρίς, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.
Dōris, Δωρίς, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische tetrapolis genoemd.—2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camīrus maakten de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demēter, op kaap Triopium bij Cnidus.
Doriscus, Δορίσκος, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.
Δορπία, de eerste dag der Apaturia.
Δόρπον, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (δεῖπνον) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.
Dorus, Δῶρος, zoon van Hellen en Orsēis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.
Dorylaeum, Δορύλαιον, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.
Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield, propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia.
Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.
Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae.
Dotium, Δώτιον, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebēis.
Δουλεία, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (ἀποφορά) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (δημόσιοι), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (ἀπελεύθερος) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (προστάτης) ontslagen, z. ἀποστασίου γραφή.
Drabescus, Δράβησκος, stad in het macedonische gewest Edōnis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.
Drachma, δραχμή, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het 6000ste deel van een talent, ongeveer ƒ 0,45.
Draco, Δράκων, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.—2) van Stratonicēa, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C.
Draco, Δράκων, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken.
Draconarius, soldaat, die den draco draagt.
Drangiane, Δραγγιανή, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariāna. De bewoners heeten Ζαράγγαι (bij Herodotus Σαράγγεις), waarvan de Grieken Δράγγαι hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).
Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.
Dravus, Δράβος, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.
Drepanum, -a, Δρέπανον, τὰ Δρέπανα, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchīses hier sterven.
Drepsa, Δρέψα, τὰ Δράψακα, sterke stad in Bactriāna, aan de N.-zijde van den Paropanīsus.
Drilae, Δρίλαι, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.
Drilon, Δρίλων, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).
Δρόμος, ook στάδιον, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.—Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen, δρόμοι of δρομῆς genoemd.
Dropici, Δροπικοί, perzische nomadenstam.
Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.
Druidae, Druides, Δρυίδαι, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal ’s jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.
Drusiāna fossa, zie Fossa.
Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. Zie Livii no. 8.—2) Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippīna (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.—3) Drusilla, dochter van den joodschen koning Herōdes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.
Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens Livia (Livii no. 2–5, 8, 9).
Dryades, Hamadryades, Δρυάδες, Ἁμαδρυάδες, boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.
Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.
Dryas, Δρύας, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallēne, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.—2) zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionȳsus met waanzin geslagen was, gedood.
Drymaea, Δρυμαία, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demēter Thesmophoros.
Drymus, Δρύμος of Δρυμός, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.
Drymussa, Δρυμοῦσσα, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.
Dryope, Δρυόπη, dochter van Dryops of van Eurȳtus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.
Dryopes, Δρύοπες, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.
Dryops, Δρύοψ, zoon van Sperchēus en Polydōra of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.
Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).
Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.
Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.
Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.
Ducetius, Δουκέτιος, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.
Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zie Duilii no. 1.
Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus.
Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1) M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.—2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.
Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).
Dulichium, Δουλίχιον, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd.
Δυμᾶνες, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.
Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiācus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.
Duoviri = Duumviri.
Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.
Dūra, τὰ Δοῦρα, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.
Dūris, Δοῦρις, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.—2) van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.
Durius, Δούριος, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.
Durocortōrum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.
Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.
Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.
Duumviri. 1) Duumviri perduellioni iudicandae waren in den rom. koningstijd rechters, die in ’s koningsnaam recht spraken in zaken van perduellio of hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij deze duumviri nog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.—2) Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Zie decemviri s. f.—3) Duumviri iuri (iure) dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipia duoviri aedilicia potestate.—4) Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aan duumviri. Zij worden het eerst genoemd in de lex Julia municipalis van 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toen curatores viarum aan. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (z.a.).—5) Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.—6) Duumviri aedi faciundae, reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.
Dymae of Dyme, Δῦμαι, Δύμη, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan de via Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.
Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.
Dymas, Δύμας, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.—2) zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymānes.
Dynamene, Δυναμένη, eene van de Nereïden.
Dyras, Δύρας, riviertje in Malis, ten Z. van den Sperchēus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Sperchēus.
Dyrr(h)achium, Δυρράχιον, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan de Oostkust der Adriatische zee, door Catullus taberna Adriae genoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan de via Egnatia over Thermae of Thessalonīce naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcȳra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.
Dysaules, Δυσαύλης, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.
Dysōrum, Δύσωρον ὄρος, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.
Dyspontium, Δυσπόντιον, stad in Pisātis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.