← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

P. (continued 3)

Reading edition

Φυλοβασιλεύς, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid van φυλοβ. bestaan.

Phylace, Φυλάκη, stadje in Phthiōtis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilāus.

Phylacus, Φύλακος, 1) zoon van Deïon en Diomēde, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.—2) heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.

Phylarchus, Φυλαρχος, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot van Arātus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272–220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.

Phyle, Φυλή, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404–403) bezette Thrasybūlus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.

Phyleus, Φυλεύς, zoon van Augīas, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.

Phyllidas, Φυλλίδας, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.

Phyllis, Φυλλίς, z. Demophon no. 2.

Phyllis, Φυλλίς, landstreek aan den mons Pangaeus.

Phyllus, Φύλλος, stad in Thessaliōtis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk: Phillēius = thessalisch.

Physcon, Φύσκων, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.

Physcus, Φύσκος, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.—2) berg in Bruttii, bij Croton.—3) haven op de Z. kust van Caria.

Phytalus, Φύταλος, een heros van Eleusis, die Demēter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.

Phyxius, Φύξιος, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.

Picentes, Picēni, bewoners van Picēnum.

Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentīni, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).

Picentīni, een gedeelte der Picentes, dat uit Picēnum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.

Picēnum, Πικεντίνη, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Picēni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestānus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentīni kregen.

Pictāvi, zie Pictones.

Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.

Pictones of Pictāvi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limōnum (Poitiers).

Pictor, zie Fabii no. 24 vv.

Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).

Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomōna of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.

Pieria, Πιερία, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.—2) landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amānus.—3) (of Pierium, Πιέριον), berg in het W. van Thessalia.

Pierides, Πιερίδες, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.

Pierus, Πίερος, koning van Emathia, vader der Emathides.

Pierus, Πίερος, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3.

Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.

Pigres, Πίγρης, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ook Margītes.

Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare.

Pilāni, zie hastati.

Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers en spelen reden.

Pileus, πῖλος, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen; vandaar dikwijls ius pilei = libertas.

Pilōrus, Πιλωρός, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.

Pilum.
Pilum.

Pilum.

Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.

Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ook Deverra.—2) z. Danaē.

Pimplēae, Pimpleides, Πιμπληίδες, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplēa in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.

Pinara, τὰ Πίναρα, stad in Lycia aan den berg Cragus.

Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180.

Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercīnus Rufus, L. Furius Medullīnus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.

Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero’s vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero’s bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octaviānus over.

Pinarus, Πίναρος, rivier in Cilicia, die op den Amānus ontspringt en in de golf van Issus valt.

Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aureliānus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.

Pindarus, Πίνδαρος, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.

Pindenissus, Πινδενίσσος, stad der Eleutherocilices in het Amānusgeb., door Cicero veroverd (51).

Pindus, Πίνδος, 1) grensgebergte tusschen Epīrus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.—2) eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.

Pinna, hoofdstad der Vestīni, die ten Z. van Picēnum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.

Pirae(e)us, Πειραιεύς, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phalēron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (τὸ δεῖγμα), een arsenaal (σκευοθήκη), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren, τὰ μακρὰ τείχη, τὰ σκέλη, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phalēron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.

Piraeus, Πειραιός, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.

Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.

Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.

Pirēne, Πειρήνη, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. Dichterlijk Πειρήνης ἄστυ en Pirēnis Ephyre = Corinthus, Πειρηναῖος πῶλος = Pegasus.

Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.

Pirithous, Πειρίθοος, zoon van Zeus of Ixīon en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamēa ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.

Pirus, Πεῖρος, Πίερος, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.

Pirustae, Πιροῦσται, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.

Pisa, Πίσα, stad in Elis, even ten N. van den Alphēus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).

Pisae, Πισαί, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa.

Pisander, Πείσανδρος, 1) van Camīrus, episch dichter omstreeks het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Ἡράκλεια werd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.—2) Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelēa.—3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Sevērus. Er zijn nog fragmenten over.

Pisātis of Pisaea, Πισᾶτις, Πισαία, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.

Pisaurum, Πισαῦρον, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.

Pisces, Ἰχθύες, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.

Pisidia, Πισιδία, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae, Πισίδαι, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en slechts noode het hoofd boog voor Rome.

Pisidice, Πεισιδίκη, eene van de dochters van Pelias.

Pisistratus, Πεισίστρατος, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.—2) Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon’s tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.

Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1–13).

Pissuthnes, Πισσούθνης, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.

Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.

Pistoria, Πιστωρία, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilīna (62).

Pitane, Πιτάνη, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.—2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.

Pithecūsa, Πιθηκοῦσα, oude naam voor Aenaria, z. a.

Πιθοιγία, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).

Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.

Pithon of Python, Πίθων, Πείθ., Πύθ. 1) zoon van Agēnor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).—2) zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).

Pittacus, Πιττακός, van Mytilēne, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was: καιρὸν γνῶθι, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigēum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnētes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.

Pitthēis, Aethra, dochter van Pittheus.

Pittheus, Πιτθεύς, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.

Pityocamptes, Πιτυοκάμπτης, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).

Pitys, Πίτυς, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.

Pityus, g. -untis, Πιτυοῦς, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxīnus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.

Pityūsa, Πιτυοῦσσα = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.

Pityūsae insulae, Πιτυοῦσσαι, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiūsa = slangeneiland (Formentera).

Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antonīnus Pius.

Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadāna aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremōna lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremōna met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.

Placia, Πλακία, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.

Placus, Πλάκος, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.

Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.

Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele gesteld werden. Zie curatio.

Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestiānus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.—2) Plaetorius Rustiānus kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.—3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer Hadriānus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.

Planasia, Πλανασία, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus’ kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.

Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atīna, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).—2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcȳra.

Planctae, Πλαγκταί, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegadēs verward.

Plancus, familienaam in de gens Munatia.

Plataeae, ook -taea, Πλαταιαί, -ταιά, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe’s hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Sciōne op het schiereiland Pallēne. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.

Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurōtas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.

Platea, Πλατέα, eiland op de kust van Cyrenaïca.

Plato, Πλάτων, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclītus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrēne, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracūsae te komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archȳtas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.—Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (ἰδέα, εἶδος); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (διαλεκτική), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (δημιουργός) uit ongeordende stof (ἄπειρον) tot een goed geordend geheel (κόσμος) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (λογιστικόν, νοῦς), moed (θυμοειδές), begeerte (ἐπιθυμητικόν). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste διάλογοι zijn: Ἀπολογία, Κρίτων, Ἴων, Πρωταγόρας, Μένων, Γοργίας, Εὐθύδημος, Συμπόσιον (385), Φαίδων, Πολιτεία (ongeveer 380–370), Φαῖδρος, Τίμαιος. Zijn laatste werk zijn de Νόμοι. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustiniānus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.—2) Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.

Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3.

Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat.

Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.

Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvānus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.

Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvānus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.—2) lex Plautia agraria, zie Agrariae (leges).

Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.—2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.—3) C. Plautius Deciānus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.—4) C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.—5) M. Plautius Silvānus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.—6) P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.—7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius en in 56 volkstribuun.—8) M. Plautius Silvānus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6–9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).—9) Plautius Laterānus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.—10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasiānus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.—11) A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.—12) L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4.

Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn, zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus, Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius Andronīcus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen, terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184.

Plebiscītum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia (287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges).

Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457 uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige opzichten (b.v. plebiscīta, consulaat, censuur) voorrechten boven den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445).

Plectrum, πλῆκτρον, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde.

Pleiades, Pliades, Πλειάδες, Πληιάδες, dochters van Atlas en Pleïone of Aethra, die door den reus Orīon vervolgd werden, totdat zij op haar bidden door Zeus eerst in duiven (πελειάδες) veranderd en later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang (26 October) de winterstormen aankondigt.—V. a. waren zij onder de sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van haar vader.

Pleias, Πλειάς, een groep van 7 treurspeldichters, die in den alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden.

Pleïone, Πληιόνη, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder van de Pleiades.

Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking (zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd, werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd verraden en Pleminius gedood.

Plemmyrium, Πλημμύριον, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven van Syracusae, tegenover Ortygia.

Πλημοχόν, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de andere naar het Westen.

Plethrum, πλέθρον, het zesde deel van een stadium.

Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie Westvlaanderen.

Pleuron, Πλευρών, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door Demetrius Poliorcētes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn.

Plexippus, Πλήξιππος, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus, uitvinder van het worstelen.—2) oom van Meleager, die hem bij de calydonische jacht doodde.

Plinii. 1) C. Plinius Secundus, ter onderscheiding van no. 2 maior bijgenaamd, in 23 na C. te Novum Comum (Como) geboren, bekleedde verschillende ambten in Germania, Hispania en Italia en was bij keizer Vespasiānus zeer gezien. Bij de uitbarsting van den Vesuvius in 79 was hij admiraal van de te Misēnum gestationneerde vloot der Tyrrheensche zee. Bij zijne pogingen om menschenlevens te redden en de uitbarstingsverschijnselen te bestudeeren, kwam hij zelf om, in de nabijheid van Stabiae. Hij had den naam, suae aetatis doctissimus te zijn, en heeft dan ook veel geschreven, waarvan echter nog slechts één groot werk over is: Naturalis historiae of Naturae historiarum l. XXXVII, eene encyclopedie, die van zijn rustelooze werkzaamheid en veelzijdigheid getuigt, doch tevens bewijst, dat hij meer verzamelaar was dan streng wetenschappelijk onderzoeker.—2) C. Plinius Caecilius Secundus, bijgenaamd minor, geb. te Novum Comum in 62 na C., neef en aangenomen zoon van no. 1 en onder diens oogen opgevoed, leerling van Quintiliānus, was een der beminnelijkste en rechtschapenste mannen van zijn tijd, een talentvol redenaar, een voorstander der letteren en een trouw vriend van Traiānus. Er bestaat van hem eene belangrijke en lezenswaarde verzameling brieven, waaronder ook eene ambtelijke correspondentie, die hij als stadhouder der provincie Bithynia-Pontus met den keizer voerde (111–113), alsmede eene lofrede (Panegyricus) op den keizer. Van de briefwisseling van Plinius met keizer Traiānus is vooral beroemd Plinius’ brief omtrent de Christenen, en Traiānus’ antwoord daarop. Ten onrechte heeft men aan de echtheid dezer brieven getwijfeld. Waarschijnlijk stierf Plinius omstreeks 114.

Plinthīne, Πλινθίνη, westelijke grensstad in Beneden-Aegypte aan de naar de stad genoemde golf.

Plistarchus, Πλείσταρχος, zoon van Leonidas, neef en pupil van Pausanias no. 1.

Plisthenes, Πλεισθένης, vader, zoon of broeder van Atreus, v. s. vader van Agamemnon en Menelāus, z. Atreus.

Plisthenidas, Πλεισθενίδης, Agamemnon of Menelāus, als zonen van Plisthenes.

Plistia, vlek in Samnium, aan de Campaansche grens, in een dal tusschen de bergen Tifāta en Taburnus.

Plistoanax, Πλειστοάναξ, -τώναξ, zoon van Pausanias no. 1, volgde nog als kind Plistarchus als koning van Sparta op. Hij was nog zeer jong, toen hij met Cleandridas een inval in Attica deed (446), en daar Pericles hen bewoog terug te trekken, werd Cleandridas ter dood veroordeeld, P. echter beboet en verbannen. Eerst 19 jaar later werd hij op bevel van het delphisch orakel teruggeroepen; hij deed zijn best een einde aan den peloponnesischen oorlog te maken en sloot in 421 met Nicias den vrede. Hij stierf in 408.

Plistus, Πλειστός, riviertje in Phocis, waarin het water der bron Castalia vloeide en dat zich in de golf van Crisa stortte.

Plōtae, Πλωταί = Strophades.

Plotiae (leges), zie Plautiae (leges).

Plotii, ook wel Plautii geschreven, rom. geslacht, waarvan het meest bekend is 1) Plotius Tucca, dichter en vriend van Vergilius, die met L. Varius de uitgaaf der Aenēis bezorgde.—2) Marius Plotius Sacerdos, een latijnsch grammaticus uit den tijd van Diocletiānus, van wien een weinig belangrijke ars grammatica in 3 boeken over is; het derde boek handelt over de metriek.

Plotīna (Pompeia), de geprezene echtgenoote van keizer Traiānus, wien zij met raad en daad ter zijde stond om hem den last der regeering te helpen torschen. Aan haar vooral had Hadriānus zijne adoptie door Tr. te danken; hij eerde haar dan ook na haar dood (122) door een tempel.

Plotīnus, Πλωτῖνος, van Lycopolis, geb. 205 na C., werd in 232 leerling van Ammonius Saccas, volgde 10 jaar later het leger van Gordiānus naar Perzië om met de oostersche wijsbegeerte bekend te worden, welk doel hij echter door den ongelukkigen afloop van dien krijgstocht niet bereikte. In 244 trad hij als leeraar der neo-platonische wijsbegeerte te Rome op, waar hij door zijn geestdrift en zijne strenge zeden vele leerlingen vond. Zelfs wist hij bijna van Galliēnus de vergunning te verkrijgen, om in Campania eene nieuwe stad, Platonopolis, te stichten, waar men geheel naar de wetten van Plato zoude leven, doch dit plan mislukte door velerlei tegenwerking. Hij stierf in 270. Zijne 54 verhandelingen, het beste dat over de neo-platonische leer geschreven is, door zijn leerling en biograaf Porphyrius in 6 Enneaden uitgegeven, bevatten vele gedachten die door latere, ook christelijke, schrijvers zijn opgenomen en uitgewerkt.

Πλυντήρια, eene plechtigheid, die te Athene den 25en Thargelion plaats had; een zeer oud beeld van Athēna Polias werd dan gesluierd naar het strand gebracht en in zee afgewasschen. De dag werd als een treurdag beschouwd, waarop men geen zaak van belang begon.

Plutarchus, Πλούταρχος, 1) tyran van Eretria, die de hulp der Atheners inriep tegen Clitarchus, die door Philippus van Macedonië gesteund werd. Een atheensch leger onder Phocion herstelde hem in de regeering (350), maar om zijn verraderlijk gedrag liet men hem verder aan zijn lot over en weldra werd hij weder verdreven.—2) van Chaeronēa, studeerde te Athene en kwam, na Griekenland en Italië bereisd te hebben, te Rome, waar hij de gunst van Traiānus en Hadriānus genoot; hij werd consul en kreeg een soort oppertoezicht over alle magistraten van Griekenland, tegen het einde van zijn leven werd hij procurator van Griekenland. Hij stierf in zijne geboortestad als priester van Apollo, ongeveer 70 jaar oud, omstreeks 120 na C. Van zijne werken zijn vooral bekend de biografieën, Βίοι παράλληλοι, waarin telkens op de levensbeschrijving van een Griek die van een Romein, en daarna meestal eene vergelijking (σύγκρισις) tusschen beiden volgt; wij bezitten daarvan nog 23 paren en 4 alleenstaande. De onpartijdigheid van den schrijver en de liefde, waarmede hij zijn onderwerp behandelt, maken de levensbeschrijvingen tot eene aantrekkelijke lectuur, ofschoon hij zonder eenige kritiek alle mogelijke bizonderheden betreffende de beschreven personen mededeelt, en allerlei anekdoten opneemt, die dikwijls meer zedekundige strekking dan geschiedkundige waarde hebben. Bovendien zijn nog van hem bewaard gebleven een zeventigtal verhandelingen op het gebied van zedekunde, wijsbegeerte, letterkunde, antiquiteiten, enz., die in weerwil van hun verschillenden inhoud den gemeenschappelijken titel van Ἠθικά, Moralia, dragen. In al zijne werken toont hij zich een beschaafd en buitengewoon belezen man, die met recht een van de beste schrijvers van zijn tijd genoemd is.

Pluteus, houten scherm op raderen, bij belegeringen gebruikt om soldaten of werklieden tegen pijlen enz. te dekken.

Pluto, Πλούτων, z. Hades.

Pluvius, regengever, bijnaam, waaronder Jupiter bij langdurige droogte te Rome werd aangeroepen.

Pnyx, Πνύξ, heuvel binnen Athene, ten W. van de Acropolis, plaats der volksvergaderingen.

Podalirius, Ποδαλείριος, z. Machāon. Op de terugreis van Troje door een storm naar de kust van Carië gedreven, vestigde hij zich daar metterwoon.

Podarces, Ποδάρκης, 1) z. Priamus.—2) zoon van Iphicles, na den dood van zijn broeder Protesilāus voor Troje aanvoerder der troepen uit Phylace.

Podarge, Ποδάργη, eene van de Harpyieën.

Podium, balcon in den circus enz. Zie Amphitheatrum.

Poeantiades, Ποιαντιάδης, Philoctētes, zoon van Poeas.

Poeas, Ποίας, een van de Argonauten, vriend van Heracles en vader van Philoctētes. V. s. had hij met zijn zoon den brandstapel voor Heracles aangestoken en daarvoor diens boog en pijlen ten geschenke gekregen.

Poecile, Ποικίλη, zuilengalerij te Athene (z. a.).

Poeni, naam waarmede de Carthagers bij de Rom. genoemd werden.

Poenīnus mons, zie Alpes.

Poetelia (lex), de ambitu, van den volkstribuun C. Poetelius in 358, de eerste wet, die ambitus strafbaar stelde.

Poetelia Papiria (lex) van 326, van de consuls C. Poetelius Libo Visolus en L. Papirius Mugillānus, ut pecuniae creditae bona debitoris, non corpus obnoxium esset. Tengevolge hiervan kon wel het vermogen, maar niet langer de persoon des schuldenaars voor schulden aansprakelijk gesteld worden. Het nexum (z. a.) verviel nu, en de schuldeischer moest nu den schuldenaar voor den praetor brengen. Liet nu de praetor de addictio (z. a.) volgen, dan kwam de schuldenaar als addictus in de macht van den eischer. Ook dan wordt hij wel eens nexus of vinctus genoemd.

Poetelii, rom. geslacht, bijna alleen bekend door een paar wetten.

Poetovio, sterke vesting aan den Dravus, in Pannonia, dicht bij de grens van Noricum; in den vroegen keizertijd een der hoofdkwartieren van de pannonische legers.

Pogon, Πώγων, haven van Troezen in Argolis.

Ποικίλματα, Ποικιλίαι, beeld- of snijwerk ter versiering van muren en plafonds, v. a. stukadoorwerk.

Pola, Πόλα, thans nog zoo geheeten, oude, drukke handelsstad aan de Adriatische zee in Istria. Men vindt er nog aanzienlijke overblijfselen van rom. bouwwerken.

Πολέμαρχος, 1) te Athene de derde archont (z. ἄρχοντες).—2) te Sparta de hoogste officier na den koning, later de bevelhebber eener mora.—3) in de steden van Boeotië en van het aetolisch verbond de hoogste burgerlijke overheden.

Polemo, Πολέμων, 1) zoon van Andromenes, werd met zijne drie broeders van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philōtas tegen Alexander verdacht; hij vluchtte, doch nadat zijn broeder Amyntas (no. 2) vrijgesproken was, keerde hij terug. Na den dood van Alexander behoorde hij tot de partij van Perdiccas.—2) zoon van Megacles, onder Alexander bevelhebber der bezetting van Pelusium.—3) zoon van Theramenes, onder Alexander bevelhebber der vloot in Aegypte.—4) van Laodicēa, werd door Antonius tot belooning voor bewezen diensten met een deel van Pontus begiftigd (39), later veroverde hij op bevel van Agrippa geheel Pontus en werd hij met de regeering daarover beloond, ook had hij reeds Klein-Armenië gekregen en eindelijk werd hij door Augustus ook koning van Bosporus gemaakt (14).—5) zoon van den vorigen, werd na den dood van zijne moeder Pythodōris, die sedert den dood van Pol. I de regeering in handen gehad had, door Caligula als koning erkend (38 na C.), doch een deel van zijn rijk (Bosporus) werd hem door Claudius (41), het overige door Nero ontnomen (63).—6) Athener, wijdde zich, nadat hij een zeer losbandig leven geleid had, met grooten ijver aan de studie der wijsbegeerte en stond na den dood van zijn leermeester Xenocrates aan het hoofd der academie (314–270). Hij beval vooral een leven in overeenstemming met de natuur aan; de dialektiek stond bij hem op den achtergrond.—7) ὁ περιηγητής, geb. in Troas, maar atheensch burger, beschreef in zijne op grondig onderzoek berustende en door latere schrijvers dikwijls aangehaalde werken de plaatsen, gebouwen, kunstwerken en vooral inscripties (vandaar zijn bijnaam στηλοκόπας), die hij op zijne vele reizen te zien kreeg. Hij leefde ten tijde van Ptolemaeus V.—8) Antonius P., van Laodicēa, geb. omstreeks 86 n. C., sophist, gaf onder Traiānus en later met grooten bijval te Smyrna onderwijs, ook kwam hij verscheiden malen als gezant naar Rome. Om aan de kwellingen van de jicht te ontkomen, liet hij zich in een grafkelder opsluiten, waar hij den hongerdood stierf. Twee lijkredenen van hem zijn bewaard. Hij is waarschijnlijk ook de schrijver van een grieksch werkje over gelaatkunde, dat bewaard gebleven is.

Polemonium, Πολεμώνιον, stad op de kust van Pontus, op de plaats van het oude Side gesticht door koning Polemo I (zie Polemo no. 4). Naar de stad werd het middelste gedeelte van Pontus Pontus Polemoniacus genoemd.

Πωληταί, te Athene 10 beambten, die de verpachtingen en verkoopingen der eigendommen van den staat bezorgden.

Polias, Πολίας, bijnaam van Athēna als stedenbeschermster, in welke hoedanigheid zij vooral te Athene vereerd werd.

Polichne, Πολίχνη, 1) stad in het N. O. van Laconica.—2) stad in het N. van Messenia, ten W. van Andania.—3) stad op het eiland Chius.—4) stad op Creta bij Cydonia.—5) stad in aziatisch Ionia nabij Clazomenae.

Poliorcētes, Πολιορκητής, bijnaam van Demetrius no. 1.

Polis, Πόλις, sterkte der ozolische Locriërs op de aetolische grenzen, in het gebied van Hyaea.

Polītes, Πολίτης, 1) zoon van Priamus en Hecabe, uitmuntend door zijne snelheid in het loopen. Bij de verovering der stad werd hij voor de oogen van zijn vader door Neoptolemus gedood.—2) een van de tochtgenooten van Odysseus. Zie Lybas.

Politorium, oude latijnsche stad, door Ancus Marcius veroverd en verwoest.

Poliūchus, Πολιοῦχος = Polias.

Pollentia, 1) stad in het N. van Picēnum = Urbs Salvia.—2) stad der Bagienni (Bagenni) in Liguria.—3) rom. kolonie op het eil. Baleāris maior.

Pollex als rom. maat = 1/12 voet.

Pollicem premere, vertere. Wanneer een gladiator in een tweestrijd wel gevallen, maar niet doodelijk gewond was, en door het opsteken van den wijsvinger de toeschouwers om lijfsbehoud smeekte, en deze zich lieten vermurwen, dan staken zij de vuist omhoog met ingesloten duim, pollice presso; strekte daarentegen het publiek de vlakke hand uit met den duim naar omlaag gekeerd, pollice verso, dan moest de overwinnaar den overwonnene den doodsteek toebrengen.

Pollio, zie Asinii en Vedius.

Pollis, Πόλλις, Spartaan, werd als gezant naar Dionysius van Syracuse gezonden, en liet zich door dezen overreden om Plato op zijne terugreis mede te nemen en op Aegīna als slaaf te verkoopen (388). Als bevelhebber eener spartaansche vloot werd hij door Chabrias bij Naxus verslagen (376). Hij kwam om bij de verwoesting van Helice door een aardbeving (373).

Pollux, Πολυδεύκης, 1) z. Dioscuri.—2) Iulius P., van Naucratis, door Commodus tot leeraar der rhetorica te Athene aangesteld, schreef o. a. een woordenboek, Ὀνομαστικόν, dat voor de kennis van grieksche taal en oudheden van belang is.

Polus, Πῶλος, 1) van Agrigentum, sophist uit de school van Gorgias, door Plato gegispt om zijn al te gekunstelden stijl.—2) leerling van Empedocles, schrijver van een werk over de rechtvaardigheid.—3) tooneelspeler te Athene ten tijde van Demosthenes.

Polyaenus, Πολύαινος, 1) van Lampsacus, een wiskundige, die deze studie echter geheel opgaf, toen hij een leerling van Epicūrus geworden was.—2) Macedoniër, schrijver van een werk, getiteld Στρατηγήματα, dat echter niet alleen krijgslisten, maar ook een aantal daden van list en bedrog op ieder ander gebied beschrijft. Het werk is opgedragen aan M. Aurelius en L. Verus.

Polyanthes, Πολυάνθης, Corinthiër, in den peloponnesischen oorlog (413) bevelhebber eener vloot, later een van de leiders der anti-spartaansche partij te Corinthe.

Polybiades, Πολυβιάδης, opvolger van Agesipolis als bevelhebber van het spartaansche leger in den oorlog tegen Olynthus; door honger noodzaakte hij de Olynthiërs om vrede te vragen (380).

Polybius, Πολύβιος, 1) van Megalopolis, zoon van Lycortas, geb. omstreeks 201, reeds vroeg onder de leiding van zijn vader en diens vriend Philopoemen tot staatsman en veldheer gevormd. Met hart en ziel toegewijd aan de belangen van het achaeïsch verbond, voorzag hij wel de gevaren, die van den kant van Rome dreigden, in den oorlog tusschen Rome en Macedonië ried hij als hipparch strenge onzijdigheid aan, maar na den val van Perseus zag hij in dat men zich niet op dit standpunt konde houden, en daar de romeinschgezinde partij weldra de overhand kreeg, moest hij zich terugtrekken. Bij de Rom. om zijne vroegere houding verdacht, behoorde hij tot de 1000 Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome medegenomen werden. In het huis van Aemilius Paullus opgenomen, in vriendschappelijk verkeer met de voornaamste Romeinen, voelde hij langzamerhand zijne vroegere vijandschap plaats maken voor bewondering, en kwam hij tot de overtuiging, dat, bij de goed geordende staatsregeling en legerorganisatie der Romeinen, hunne macht, vooral voor zijn door partijstrijd verdeeld vaderland, onweerstaanbaar moest zijn. In 150 kreeg hij, evenals de andere gijzelaars, door bemiddeling van zijn vriend Scipio Aemiliānus vergunning om naar zijn vaderland terug te keeren, maar reeds een jaar later volgde hij hem naar Africa, waar hij hem bij de belegering van Carthago vele diensten bewees. Kort na de verovering van Corinthe keerde hij naar de Peloponnēsus terug, en door zijn invloed wist hij in vele gevallen het lot der overwonnenen te verzachten. Van de Romeinen kreeg hij de opdracht de verschillende steden te bezoeken, den nieuwen regeeringsvorm te helpen invoeren, en het volk voor de nieuwe toestanden te winnen, een opdracht, die hij tot groote tevredenheid van alle partijen vervulde. Misschien was het door deze bemoeiingen dat hij op de gedachte kwam een werk te schrijven, dat zijne landgenooten tot berusting zou aansporen door hen te wijzen op de natuurlijke en onvermijdelijke toeneming van de rom. macht, en hun de oorzaken daarvan aan te toonen. Dit plan bracht hij, terwijl hij te Rome woonde en meermalen ten dienste er van reizen deed, ten uitvoer door het beschrijven der rom. geschiedenis sedert het begin van den tweeden punischen oorlog tot de inneming van Corinthe. Nadat dit werk voltooid was, keerde hij naar Griekenland terug, waar hij in 120 aan de gevolgen van een val van zijn paard overleed.—Zijn werk, dat van veel politieke kennis en zorgvuldige bronnenstudie getuigt, is het eerste voorbeeld van eene pragmatische behandeling der geschiedenis—de uitdrukking πραγματικὴ ἱστορία is van hemzelf,—daar hij niet slechts de gebeurtenissen vermeldt, maar ook oorzaken en gevolgen er van nauwkeurig mededeelt. Zijn dikwijls ruwe stijl, niet gevormd door rhetorische studiën, is niet zonder grond door sommigen soldatenstijl genoemd. Van de 40 boeken, waaruit zijne geschiedenis oorspronkelijk bestond, zijn alleen de eerste 5 volledig bewaard gebleven.—2) geleerd en invloedrijk vrijgelatene van Claudius, wien hij bij zijne studiën behulpzaam was.

Polybus, Πόλυβος, 1) koning van Corinthe, bij wien Oedipus opgevoed werd.—2) koning van Thebe in Aegypte, die Menelāus gastvrij ontving.—3) koning van Sicyon, grootvader van Adrastus.

Polycaste, Πολυκάστη, dochter van Nestor, v. s. gemalin van Telemachus.

Polyclētus, Πολύκλειτος, van Sicyon, beroemd beeldhouwer, jongere tijdgenoot van Phidias, dien hij nog overtrof wat betreft nauwkeurigheid en getrouwheid aan de natuur, terwijl hij daarentegen in phantasie zijn mindere was en hem dus in het maken van godenbeelden niet konde evenaren. De Herakop, op blz. 305 afgebeeld, is misschien eene copie naar P.’s beroemd Herabeeld. Andere bekende beelden zijn de Diadumenus, de Doryphorus en zijn Amazone, waarvan copiën over zijn. Een geschrift van hem, Κανών, handelde over proporties, ter verklaring van zijn Doryphorus.

Polyclītus, Πολύκλειτος, een van de invloedrijkste vrijgelatenen van keizer Nero, die een zeer verderfelijken invloed op hem uitoefende. Hij werd in 61 n. C. met een buitengewone volmacht naar Britannia gezonden, om een onderzoek in te stellen naar het bestuur van den stadhouder Suetonius Paulīnus en naar den toestand van de provincie. Als gevolg hiervan werd Suetonius teruggeroepen.

Polycrates, Πολυκράτης, 1) van Samus, wierp zich, na omverwerping van de bestaande aristocratie, tot alleenheerscher op, waarbij hij eerst door zijne broeders Syloson en Pantagnōtus geholpen werd, die hij echter spoedig op den achtergrond drong. Hij was bekend door zijn rijkdom, macht en voortdurend geluk, hij omgaf zich met aziatische weelde, dichters, o. a. Anacreon, werden gastvrij door hem ontvangen, verder verschafte hij zich een groote vloot en maakte hij Samus tot de aanzienlijkste zeemogendheid in de Aegaeïsche zee. Doch toen zijne vloot, aan Cambyses te hulp gezonden, van hem afviel, was het met de heerschappij ter zee gedaan, hoewel hij de opstandelingen onderwierp. In 522 werd hij door den satraap Oroetes, wien hij bij zijne eerzuchtige plannen in den weg stond, verraderlijk naar Magnesia gelokt en daar gekruisigd.—2) atheensch sophist, die eenige jaren na den dood van Socrates diens veroordeeling in een geschrift trachtte te rechtvaardigen.

Polycritus, Πολύκριτος, van Mende, geneesheer aan het hof van Artaxerxes Mnemon. Of deze, of een naamgenoot van hem was de schrijver van een uitvoerige geschiedenis van Sicilië, die verloren gegaan is.

Polydamas, Πολυδάμας, 1) trojaansch held en waarzegger, uitmuntend door wijsheid en welsprekendheid, vriend en raadsman van Hector.—2) officier van Alexander d. G., die, hoewel een vertrouwd vriend van Parmenio, het bevel om hem te dooden naar Medië overbracht. Parmenio werd verraderlijk overvallen en afgemaakt.

Polydectes, Πολυδέκτης, 1) of Πολυδέγμων, die velen opneemt, bijnaam van Hades.—2) koning van Serīphus, z. Perseus.—3) koning van Sparta, broeder van den wetgever Lycurgus.

Polydeuces, Πολυδεύκης = Pollux.

Polydōra, Πολυδώρα, dochter van Meleager, door sommigen de gemalin van Protesilāus genoemd in plaats van Laodamīa no. 2.

Polydōrus, Πολύδωρος, 1) zoon van Cadmus en Harmonia, vader van Labdacus.—2) jongste zoon van Priamus bij Laothoë, door Achilles gedood. In andere verhalen is zijne moeder Hecabe, en wordt hij tegen het einde van den trojaanschen oorlog door zijn vader aan den thracischen koning Polymestor toevertrouwd. Begeerig naar de groote schatten, die Priamus zijn zoon had medegegeven, doodt Polymestor hem na den val van Troje en werpt zijn lijk in zee, het wordt echter op het strand geworpen en toevallig door Hecabe gevonden en herkend, die nu uit wraak Polymestor de oogen uitsteekt en zijne kinderen doodt.—V. a. was zijne zuster Ilione de gemalin van Polymestor en had zij P. buiten weten van haar echtgenoot verwisseld met haar eigen kind, Deïpylus of Deïphilus. Toen nu de Grieken van Polymestor eischten, dat hij P. zou dooden, en hem daarvoor een huwelijk met Agamemnon’s dochter Electra en groote geschenken beloofden, doodde hij zijn eigen zoon, later werd hij door P. met de hulp van Ilione gedood.—De pijlen waarmede P. gedood was, groeiden boven zijn graf tot een dicht myrtenbosch op.—3) zoon van Hippomedon, een van de epigonen.—4) koning van Sparta in den eersten messenischen oorlog.—5) broeder en opvolger van Iāson van Pherae, stierf kort na het aanvaarden der regeering plotseling, naar men meende door de hand van zijn broeder Polyphron.—6) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep, z. Laocoon.

Polyeuctus, Πολύευκτος, atheensch staatsman en redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes, was betrokken in het proces betreffende het geld van Harpalus.

Polygnōtus, Πολύγνωτος, van Thasus, zoon van Aglaophon, een der beroemdste schilders van Griekenland, vriend van Cimon, door de Atheners wegens zijn talent met het burgerrecht begiftigd. Zijne werken overtroffen die van zijne voorgangers in natuurlijkheid en ongedwongenheid. Onder zijne groote schilderijen zijn vooral beroemd de slag bij Marathon in de Ποικίλη Στοά te Athene en de verovering van Troje te Delphi.

Polyhymnia, Πολυμνία, Muze der hymnen-dichtkunst, wordt afgebeeld met ernstige gelaatstrekken en een nauwsluitend kleed, maar gewoonlijk zonder bepaalde attributen.

Polyīdus, Πολύιδος, -ειδος, 1) achterkleinzoon van Melampus, beroemd waarzegger, z. Glaucus no. 4.—2) beroemd dithyrambendichter in de eerste helft der 4de eeuw; ook als treurspeldichter wordt hij genoemd.

Polym(n)estor, Πολυμ(ν)ήστωρ, z. Polydōrus no. 2.

Polymnestus, Πολύμνηστος, 1) vader van Battus, den stichter van Cyrēne.—2) van Colophon, een van de oudste dichters van liederen, die bij de fluit gezongen werden en van de daarbij behoorende fluitmuziek (αὐλωδία, z. tibia). Hij leefde in het midden der 7de eeuw. Dat hij berucht zou zijn geweest om zijne onzedelijke gedichten, en derhalve zulke gedichten Πολυμνήστεια genoemd werden, berust op een verkeerde interpretatie van een antieken tekst.

Polymnia = Polyhymnia.

Polymnis, Πόλυμνις, Thebaan, vader van Epaminondas.

Polynīces, Πολυνείκης, zoon van Oedipus en Iocaste, broeder van Eteocles (z. a.), schoonzoon van Adrastus (z. a.).

Polyperchon = Polysperchon.

Polypēmon, Πολυπήμων, de eigenlijke naam van Procrustes.

Polyphēmus, Πολύφημος, 1) vriend van Heracles, met wiens zuster hij gehuwd was, nam aan den Argonautentocht deel, maar werd met Heracles in Mysië achtergelaten. Hij stichtte er de stad Cius en sneuvelde later tegen de Chalybiërs.—2) zoon van Poseidon en de nimf Thoōsa, Cycloop, met één oog in het midden van zijn voorhoofd. Toen Odysseus en diens makkers in zijn land aangekomen waren en bij ongeluk in zijne woning een schuilplaats gezocht hadden, hield hij hen opgesloten en verslond hij ’s morgens en ’s avonds twee van hen. Nadat dit reeds driemaal geschied was, gelukte het Odysseus hem dronken te maken en stak hij hem in den slaap zijn eenig oog uit met een gloeiend gemaakten puntigen paal. Daarop ontsnapten zij met het vee van den Cycloop, die echter bijna nog hun schip door het werpen van groote rotsblokken verbrijzelde.—Zie ook Acis.

Polyphontes, Πολυφόντης, een Heraclide, die koning Cresphontes van Messenië doodde, daarna diens weduwe Merope tot een huwelijk dwong en zich van de regeering meester maakte, maar later door Aepytus gedood werd.

Polypoetes, Πολυποίτης, z. Leonteus.

Poly(s)perchon, Πολυ(σ)πέρχων, veldheer onder Alexander d. G., dien hij op al zijne tochten vergezelde. Na den dood van Alexander nam hij eenigen tijd voor Antipater gedurende diens afwezigheid de regeering over Macedonië waar, en toen Antipater stierf, benoemde hij P. tot zijn opvolger (319). Hierover ontevreden, verbond zich Cassander met Antigonus en Ptolemaeus, en P. zocht nu voornamelijk steun bij de democratische partij in Griekenland en wist ook Olympias (z. a.) voor zijne belangen te winnen. Een tocht naar Griekenland liep ongelukkig voor hem af, terwijl Cassander (z. a.) zich in zijne afwezigheid in Macedonië vestigde. P. verbond zich nu na afwisselende gevechten met Antigonus, hield zich in de Peloponnēsus tegen Cassander staande, en kwam eindelijk naar Macedonië terug (317), maar het duurde niet lang, of hij moest weder voor Cassander vluchten. Na eenige pogingen om in de Peloponnesus eene onafhankelijke regeering te vestigen, stelde P. zich aan het hoofd der partij van Heracles, den zoon van Alexander en Barsine; door de Aetoliërs geholpen, rukte hij op Macedonië aan, maar toen hij zich door de beloften van Cassander liet overhalen om Heracles te vermoorden (309), vielen al zijne aanhangers van hem af. Toch wist hij een groot gedeelte van de Peloponnesus terug te veroveren; in 303 verloor hij echter alles behalve Messenië, waar hij waarschijnlijk spoedig gestorven is.

Polyxena, Πολυξένη, jongste dochter van Priamus en Hecabe, werd na de inneming van Troje op het graf van Achilles geofferd. Uit liefde voor haar zou Achilles beloofd hebben tot de Trojanen over te gaan of den vrede te bewerken, maar toen hij voor het huwelijk of voor de vredesonderhandelingen in de stad kwam, werd hij verraderlijk door Paris gedood. Bij de verdeeling van den buit verscheen nu zijn schim en eischte het offer van P.—V. a. was omgekeerd P. op Achilles verliefd geweest en doodde zij zichzelve na de inneming der stad op zijn graf.

Polyxenus, Πολύξενος, aanzienlijk Syracusaan, gehuwd met de zuster van den ouden Dionysius, met wien hij later in vijandschap geraakte, waarom hij Syracuse verliet. In 387 was hij bevelhebber geweest eener vloot, die Dionysius aan de Spartanen te hulp zond.

Polyxo, Πολυξώ, 1) beroemde waarzegster, vertrouwde van Hypsipyle.—2) gemalin van Tlepolemus no. 1. Daar haar echtgenoot voor Troje gesneuveld was, doodde zij Helena, toen deze na den dood van Menelāus naar Rhodus kwam.

Pomerium, de heilige grens van Rome, eigenlijk de onbebouwde, door steen en palen of cippi afgebakende singel binnen en buiten den stadsmuur. Hierbij valt evenwel op te merken, dat de mons Aventīnus en de mons Capitolīnus wel binnen den muur van Servius Tullius lagen, maar toch buiten het pomerium. Men spreekt daarom van urbs (de eigenlijke stad) et Capitolium. Ook toen in later tijd de muur verviel, bleef het pomerium als grens der eigenlijke urbs toch bestaan. Door Sulla werd het pomerium uitgelegd zonder dat er een nieuwe muur werd opgetrokken, en na hem geschiedde dit nog meermalen. Het pomerium was ook de grens der auspicia urbana.

Pometia, zie Suessa.

Pomoerium, minder goede schrijfwijze voor pomerium.

Pomōna, romeinsche godin der boomvruchten. Hare bevalligheid wekte de liefde van alle Satyrs en Faunen, van Silvānus, Picus, Priāpus en Vertumnus op, doch zij weigerde hen aan te hooren, totdat Vertumnus onder de gedaante van een oude vrouw zijn aanzoek zoo dringend bij haar aanbeval, dat zij besloot zijne gemalin te worden. Haar dienst werd te Rome waargenomen door een afzonderlijken priester, den flamen Pomonalis.

Pompa, πομπή, feestelijke optocht, gewoonlijk ter eere van de goden gehouden. De voornaamste optocht werd te Athene gehouden bij de Panathenaea, te Rome bij de ludi circenses.

Pomp(a)edius Silo (Q.), een van de dapperste veldheeren der bondgenooten in den marsischen oorlog. Toen hij in 88 sneuvelde (zie Caecilii no. 17), was ook de kracht van den strijd gebroken.

Pompeia (lex) van 89, van den consul Cn. Pompeius Strabo (zie Pompeii no. 9), dat aan de transpadaansche Galliërs, die in den bondgenootenoorlog aan Rome trouw gebleven waren, het ius Latii (z. a.) zou verleend worden.

Pompeiae (leges) van Cn. Pompeius Magnus. 1) lex tribunicia (70) tot herstel van de macht der volkstribunen.—2) lex iudiciaria, dat de rechters ex amplissimo censu zouden gekozen worden, d. w. z. allen riddercensus zouden hebben (een afzonderlijke census voor de senatoren bestond nog niet), met behoud echter van de drie ordines der lex Aurelia. Deze wet valt in Pompeius’ tweede consulaat (55).—3) de vi en de ambitu, uit zijn derde consulaat (sine collega) in 52, gedeeltelijk tot invoering van een korteren vorm van procedure, gedeeltelijk tot verzwaring der straffen.—4) de iure magistratuum (52), dat niemand afwezig naar een ambt mocht dingen (uitgezonderd Caesar).—5) de provinciis, dat niemand eene provincie zou mogen aanvaarden binnen vijf jaar na het nederleggen van zijn ambt.

Pampeiāni, een familienaam, die eerst onder de keizers voorkomt. 1) Sex. Vetulēnus Civica Pompeianus, oom van L. Verus.—2) Tib. Claudius Pompeianus, met de dochter van Marcus Aurelius gehuwd, had het bevel in den oorlog tegen Germanen en Marcomannen, doch trok zich onder de regeering van Commodus uit het staatkundig leven terug. Pertinax (193 na C.) bood hem tweemaal aan het bewind aan hem over te dragen, doch Pomp. weigerde.—3) Claudius Pompeianus Quintiānus, zoon van no. 2, onder Commodus wegens samenzwering ter dood veroordeeld (183).—4) Claudius Pompeianus, zoon van no. 2 en kleinzoon van keizer Marcus Aurelius, werd door Commodus vermoord.

Pompēii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) L. Pompeius, hield zich als krijgstribuun met een kleine legermacht staande tegen koning Perseus van Macedonia (171), tot de consul P. Crassus met zijn leger hem ontzette.—2) Q. Pompeius, consul in 141, voerde een weinig eervollen oorlog tegen de Numantijnen en ontkwam ternauwernood het gevaar, wegens het sluiten van een verdrag (140) aan hen te worden uitgeleverd. Zie Numantia. Hij was een gevierd redenaar. In 131 was hij censor (zie Censor). Pompeius was van een zeer geringen stand en auctor nobilitatis van zijn geslacht. Hij was een tegenstander van Tib. Gracchus.—3) Q. Pompeius Rufus ijverde als volkstribuun in 100 voor de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) uit de ballingschap. In 88 was hij te gelijk met Sulla consul, doch werd in diens afwezigheid op aansporing van Cn. Pompeius Strabo (consul in 89), wiens leger hij moest overnemen, door de soldaten vermoord (88).—4) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 3 en schoonzoon van Sulla, kwam in 88 om bij de troebelen van Sulpicius.—5) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 4 en van Sulla’s dochter, was een aanhanger van Cn. Pompeius Magnus, doch in 52 werd hij verwikkeld in de woelingen na den dood van P. Clodius en werd hij verbannen. Zie Caelii no. 4. In de ballingschap leed hij gebrek.—6) Pompeia, dochter van no. 4 en derde gemalin van Caesar (67), werd in 61 door hem verstooten wegens ongeoorloofde betrekkingen met Clodius.—7) Q. Pompeius Bithynicus richtte in 74 Bithynia (z. a.) tot provincie in, en ontleende hieraan zijn bijnaam. Hij was een vriend van Cicero. Hij kwam in 48 om, tegelijk met zijn bloedverwant Cn. Pompeius Magnus.—8) A. of Q. Pompeius Bithynicus, zoon van no. 7, leverde als stadhouder van Sicilia dit gewest in 43 aan Sex. Pompeius Magnus over, maar werd door hem omgebracht.—9) Cn. Pompeius Strabo, in 104 quaestor op Sardinia, in 90 rom. veldheer in den bondgenootenoorlog, was in 89 consul. Van hem is de lex Pompeia van 89. Toen in 88 de consul Q. Pompeius Rufus zijn leger wilde overnemen, liet hij hem door zijne soldaten ombrengen en bleef zelf aan het hoofd. In 87 leverde hij voor de poorten van Rome aan Marius en Cinna een slag, die onbeslist bleef. Kort daarop stierf hij, door den bliksem getroffen. Hij had groote veldheerstalenten, doch een laag en wreed karakter.—10) Sex. Pompeius, broeder van no. 9, leefde slechts voor de studie.—11) Cn. Pompeius, bijgenaamd Magnus, de bekende tijdgenoot en mededinger van Caesar, zoon van no. 9, werd, evenals Cicero, in 106 geboren. Beiden dienden in den marsischen oorlog onder Pompeius’ vader, wien de zoon in 87 het leven redde door de ontdekking van een complot onder de soldaten. In den burgeroorlog wierf Pompeius in Picēnum, waar zijne familie groote bezittingen had, op eigen kosten en die zijner vrienden drie legioenen, waarmede hij zich bij Sulla voegde (83). Hij versloeg in 82 bij Sena Gallica de legaten van Cn. Papirius Carbo, nam Praeneste in en bracht de partij van Marius en Cinna in Sicilia en Africa ten onder, waarbij hij den titel van imperator verwierf. Middelerwijl had Sulla hem de hand zijner stiefdochter Aemilia aangeboden (eene dochter van M. Aemilius Scaurus en Caecilia Metella) en hem den bijnaam Magnus gegeven. Wel was Pompeius gehuwd met Antistia, doch van deze scheidde hij. Aemilia stierf echter weldra, en P. huwde ten derde male met Mucia, derde dochter van Q. Mucius Scaevola, die hij echter later verstiet wegens overspel met C. Julius Caesar. Na den burgeroorlog wist P. aan Sulla de eer van een zegetocht af te dwingen, ofschoon hij nog ambteloos burger en alleen rom. ridder was. Na Sulla’s dood bedwong hij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus (77), doch weigerde vervolgens zijn leger af te danken en verlangde met proconsulaire macht naar Hispania te worden gezonden, waar Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii no. 17) vruchteloos de overblijfselen der mariaansche partij onder Q. Sertorius trachtte te vernietigen. Het geluk diende Pompeius; Sertorius viel door samenzwering (zie Perperna) en met zijn dood was de strijd beslist (72). Op zijn terugtocht (71) vernietigde P. eene bende van 5000 zwaardvechters, die aan Crassus ontkomen, een goed heenkomen uit Italia zochten. Met Crassus werd hij voor het jaar 70 tot consul verkozen. Daags voor het aanvaarden van zijn ambt hield hij den hem toegekenden triumftocht, om dit nog te kunnen doen als rom. ridder. Daar hij echter den senaat van zich vervreemd had, begreep hij elders een steun te moeten zoeken, om zijne eerzucht te bevredigen. Onder hevige twisten met zijn ambtgenoot herstelde hij door zijne lex Pompeia de vroegere macht der volkstribunen. De belooning bleef niet uit. Door de lex Gabinia (67) en de lex Manilia (66) werd hem achtereenvolgens het bevel in den zeerooveroorlog en in den oorlog tegen Mithradātes opgedragen. De zeeschuimerij werd voor het oogenblik uitgeroeid; Mithradātes en zijn schoonzoon Tigrānes van Armenia, reeds door Lucullus uitgeput, waren spoedig onschadelijk gemaakt, Syria en Palaestina werden onder rom. gezag gebracht. In 62 kwam P. in Italia terug en vierde een schitterenden zegetocht. De senaat evenwel weigerde de beschikkingen van P. in het Oosten te bekrachtigen (60). Hierdoor gekrenkt, sloot hij zich bij Caesar en Crassus aan, en het verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, werd bezegeld door een nieuw huwelijk van P. met Caesars dochter Julia (59). Pompeius zag nu zijne beschikkingen door den senaat goedgekeurd. Terwijl Caesar in Gallia was, werd P. in 55 andermaal met Crassus consul en kreeg Hispania tot provincie met verlof, het door legaten te laten besturen en zelf te Rome te blijven, in naam om het oog te houden op mogelijke woelingen van mededingers. Dit was zijn ongeluk: hij was krijgsman, geen staatsman. Julia wist, zoolang zij leefde, botsingen tusschen haar echtgenoot en haar vader te voorkomen, doch toen zij in 54 overleden was en Crassus in 53 was omgekomen, waren alle banden tusschen Pompeius en Caesar verbroken. Pompeius wist geene andere taktiek te volgen dan achter de schermen woelingen aan te stoken. Rome verkeerde in een staat van volkomen regeeringloosheid, en zoo werd na den dood van P. Clodius, op voorstel van den senaat, Pompeius tot consul zonder ambtgenoot gekozen (52), met opdracht de orde te herstellen en met de macht zich, als hij het geraden achtte, een ambtgenoot toe te voegen. Metellus Scipio, die ook naar het consulaat had gedongen, zag zich door deze wending teleurgesteld, doch sloot zich weldra bij Pompeius aan en werd diens schoonvader en medeconsul. Pompeius zocht nu zijn verderen steun bij de optimatenpartij. In het ijdel zelfvertrouwen, dat hij de macht in handen had, trad hij nu met allerlei willekeurige handelingen en eischen tegen Caesar op. Deze echter was op alles voorbereid en overrompelde Pompeius, die met het meerendeel der partij naar Griekenland week, waar hij 6 Juni 48 door Caesar bij Pharsālus eene beslissende nederlaag leed. Met zijne vrouw Cornelia en zijn zoon Sextus vluchtte hij naar Aegypte, doch werd in de koninklijke boot, waarmede Ptolemaeus XII hem eershalve van boord liet halen, door diens voogd Achillas verraderlijk van achteren vermoord, ten aanschouwen zijner betrekkingen en vrienden, die aan boord waren gebleven.—12) Cn. Pompeius Magnus, oudste zoon van no. 11 uit diens derde huwelijk, zette den oorlog tegen Caesar voort, doch werd in 46 bij Thapsus in Africa en in 45 bij Munda in Hispania verslagen en op de vlucht achterhaald en omgebracht.—13) Sex. Pompeius Magnus, jongere broeder van no. 12, van dezelfde moeder (Mucia), deelde zijns broeders lotgevallen tot aan diens dood. Uit Africa en Hispania verdreven, verzamelde hij de overblijfselen zijner partij ter zee. Na Caesars dood (44) verkeerde hij met den rom. staat half op voet van vrede, half op voet van oorlog. Bij de verdeeling van het rijk tusschen Octaviānus, Antonius en Lepidus eischte Sextus Pompeius ook zijn aandeel en bedreigde met zijne machtige vloot den rom. korenaanvoer. Daar met zulk een tegenstander rekening moest worden gehouden, werden hem Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus afgestaan (39). Doch de goede verstandhouding kon niet duurzaam zijn; van de eilanden uit kon P. met zijne machtige vloot Italië met hongersnood bedreigen, terwijl het den driemannen er om te doen moest zijn, elken mededinger onschadelijk te maken. Eindelijk barstte de bom voor goed; aan Agrippa, den admiraal van Augustus, gelukte het, de vloot van Pompeius bij Naulochus te vernietigen (36). Deze laatste vluchtte naar Azië. Toen hij daar echter plannen tegen Antonius op touw zette, werd hij te Milētus omgebracht.—14) Sex. Pompeius, consul in 14 na C. en later stadhouder van Asia, was een vriend van Ovidius, die verscheiden brieven aan hem gericht heeft.—15) Pompeius Varus was een oud krijgsmakker van Horatius in den slag bij Philippi.—16) Pompeius Grosphus, rijk grondbezitter op Sicilia, behoorde tot de vrienden van Horatius.—17) Pompeius Festus, zie Festus.—18) Pompeius Trogus, zie Trogus.

Pompēii, Πομπήιοι, Πομπήια, oude stad van Campania, bloeiend rom. municipium, aan den mond van den Sarnus. Evenals de overige plaatsen aan den sinus Cumānus, was ook Pompeii een geliefkoosd zomerverblijf voor rijke Rom. In 63 na C. had het veel te lijden door eene aardbeving, doch het verrees uit zijne puinhoopen schooner dan te voren. In 79 echter, bij de uitbarsting van den Vesuvius werd het bedolven onder een regen van asch, zand en puimsteen. In 1689 werd de stad toevallig ontdekt. In het begin der 18de eeuw is men met de uitgravingen begonnen, doch met weinig kracht en zonder geregeld plan. Eerst in de 19de eeuw is de opdelving van regeeringswege met nadruk ter hand genomen en de kleinste helft der stad bloot gelegd. Behalve houtwerk en daken zijn openbare en bijzondere gebouwen vrij goed bewaard gebleven. Ten gevolge van deze opgravingen kunnen we nu duidelijk de volgende perioden in de geschiedenis der stad onderscheiden. De stad is gesticht door Osci (zie Campania), die onder den invloed staan der Grieken van Cumae, Dicaearchia (Puteoli) en Parthenope (Napels); uit deze periode zijn de overblijfselen van den griekschen tempel (6de eeuw). Vervolgens is de stad verwoest en weer opnieuw opgebouwd door de Etrusci, die weer later wijken moeten voor de Samnieten, onder wie de stad een tijdperk van grooten bloei beleeft (200–80). In 80 wordt de stad romeinsch municipium, gaat eerst achteruit, en begint eerst weder tot bloei te komen sedert den tijd van Augustus. Bij de uitbarsting had ze ongeveer 25.000 inwoners.

Pompeiopolis, latere naam van Soli.

Pompelo, Πομπελών, hoofdstad der Vascones in Hispania Tarraconensis, thans Pampeluna.

Pompilii, een weinig bekend geslacht. Over koning Numa Pompilius zie Numa. Onder de Catilinarii komt ook een Pompilius voor.—M. Pompilius Andronīcus, een Syriër van geboorte, grammaticus uit den tijd van Sulla en Cicero, trok zich uit Rome terug naar Cumae, omdat hij bij anderen achtergesteld werd, en schreef daar een werk over de Annalen van Ennius (Annalium Enni Elenchi), dat door Orbilius werd uitgegeven.

Pomponii, een plebejisch gesl. 1) Q. Pomponius, volkstribuun in 395, verzette zich tegen de verhuizing der plebs naar Veji en beliep daarvoor eene geldboete.—2) M. Pomponius, een vriend van C. Gracchus, kwam met dezen om.—3) L. Pomponius Bononiensis, ± 90, beroemd atellanendichter.—4) Cn. Pomponius, beroemd als redenaar, kwam in den burgeroorlog van 82 om het leven.—5) T. Pomponius Atticus, Cicero’s vriend, een merkwaardige figuur in zijn tijd, omdat hij geheel vrij wist te blijven van partijschap en om zijn beminnelijk karakter, zijne ongemeene beschaving en zijne milddadigheid bij alle partijen gezien was, bij Sulla en bij den jongen Marius, bij Cicero en bij Antonius. Hij heeft nooit naar eenig ambt gedongen. Te Athene, waar hij een tijd lang verblijf hield, richtte men standbeelden voor hem op. Hij stierf in 33, 77 jaar oud. Van zijne werken is niets overgebleven. Hij schreef o. a. annalen in het Latijn en eene geschiedenis van Cicero’s consulaat in het Grieksch. Zijne levensbeschrijving vindt men bij Cornelius Nepos, terwijl er ook eene rijke verzameling brieven van Cicero aan hem bestaat.—6) Pomponius Graecīnus was een vriend van Ovidius.—7) L. Pomponius Flaccus, broeder van no. 6, bekleedde onder Tiberius verschillende hooge posten. Hij was consul in 17 n. C., daarna stadhouder van Moesia, en later van Syria, waar hij in 33 of 35 gestorven is.—8) P. Pomp. Secundus, handlanger van Seiānus, ontkwam in 31 n. C. den dood, doordat zijn broeder hem gevangen liet zetten. Gaius liet hem vrij (37); onder Claudius streed hij (in 50) als legatus p. p. Germaniae Superioris tegen de Chatten, en verkreeg de insignia triumphalia. Zijn vriend, Plinius de oude, heeft zijn leven beschreven. Onder de keizers worden nog genoemd: Q. Pomp. Secundus, onder Caligula, Pomponius Labeo, Pomp. Bassus, e. a.—9) Sex. Pomponius, beroemd jurist onder Hadriānus en Antonīnus Pius.—10) Pomponius Mela, geograaf, zie Mela.—11) Pomponius Porphyrio, zie Porphyrio.—12) Pomponia Graecīna, vrouw van A. Plautius (Plautii no. 11), werd in 57 n. C. aangeklaagd van het deelnemen aan vreemde eerediensten, waaronder v. s. het Christendom te verstaan is. De behandeling van de zaak werd aan haar man overgelaten, die haar vrijsprak.

Pomptīnae Palūdes, moerasstreek van Latium, die langs de Volscerbergen zich uitstrekt tot aan Anxur en Circeii. Het is oorspronkelijk zeebodem geweest. Duinen beletten de afwatering der riviertjes Amasēnus en Ufens, die de streek langzaam gevuld hebben. In de vroege oudheid waren de moerassen nog tamelijk beperkt van omvang; later zijn ze langzamerhand, niettegenstaande alle pogingen om het water te doen wegstroomen, grooter geworden, zoodat in de middeleeuwen de via Appia, die er in 312 in rechte lijn doorheen gevoerd is, onbegaanbaar was geworden.

Pomptīnus (C.) hielp als praetor in 63 Cicero bij het ontdekken der Catilinarische samenzwering, voerde later (62/61) als propraetor den oorlog tegen de Allobroges, verkreeg slechts met groote moeite de eer van een triumf (54), en ging in 51 met Cicero als legaat naar Cilicia.

Pontes, smalle bruggetjes met leuningen, waarover slechts één persoon tegelijk kon gaan, ten einde gedrang bij de stembus of bij het uitreiken der stemtafeltjes te voorkomen. Z. ovile, en Maria (lex) de suffragiis ferendis.

Pontia, Ποντία, bijnaam van Aphrodīte, Thetis, de Nereïden e. a. zeegodinnen.

Pontia, het grootste der insulae Pontiae op de kust van Latium tegenover Formiae; oorspronkelijk volscisch gebied, sedert 313 lat. kol., onder de rom. keizers een verbanningsoord.

Ponticus, rom. episch dichter en vriend van Ovidius.

Pontifices, rom. priestercollege, belast met het toezicht over den godsdienst. Aan hun hoofd stond de pontifex maximus, aan wien de geheele priesterschap ondergeschikt was, al stonden ook in rang de rex sacrorum en de drie flamines maiores boven hem. Hij was lid van den senaat en woonde in de Regia, het oude koningshuis. Als deskundigen werden de pontifices geraadpleegd in alle zaken, het ius divinum betreffende. Onder hunne gewone godsdienstige verplichtingen behoorden het opmaken en afkondigen van den kalender, het verrichten van zekere offers (zie Argei), het onderhoud van de paalbrug (pons sublicius) over den Tiber, de wijding der hooge priesters en der vestaalsche maagden. Als teekenen hunner waardigheid droegen zij den apex en de infula. Vóór de lex Ogulnia (300) waren er eerst drie, later 6 pontifices, allen patriciërs, doch deze wet bepaalde het aantal op 9, waarvan er 5 plebejers moesten zijn. De p. maximus werd reeds in de 3de eeuw uit den boezem van het college gekozen door eene gedeeltelijke volksvergadering, n.l. door 17 van de 35 tribus, hiertoe door het lot aangewezen. De verkiezing van nieuwe leden had plaats door cooptatio, totdat de lex Domitia (104) voorschreef, dat ook deze verkiezing door 17 tribus zou plaats hebben en dan voor den vorm de aldus voorgedragen persoon door het college zou worden gecoöpteerd. Sulla herstelde de cooptatio, en bracht het aantal pontifices op 15. De lex Attia (of Labiēna) van 63 voerde de lex Domitia weder in, zie Attia lex. Sedert Augustus behoorde de waardigheid van pontifex maximus tot de attributen des keizers; in den regel werd zij hem bij senaatsbesluit opgedragen.

Pontii. 1) Gavius C. Pontius, zoon van C. Pontius Herennius, veldheer der Samnieten, sloot in 321 het rom. leger in de bergengte van Caudium in, waar het de wapenen moest afleggen en onder het juk doorgaan. In 292 werd hij verslagen en gevangen genomen door den rom. consul Q. Fabius Maximus Gurges en, na diens triumftocht te hebben opgeluisterd, te Rome onthoofd.—2) Pontius Telesīnus, samnietisch veldheer in den bondgenootenoorlog, later met de partij van Marius verbonden, sneuvelde in 82 vóór de poorten van Rome. Een broeder, evenzoo geheeten, kwam in hetzelfde jaar bij de inneming van Praeneste om.—3) Pontius Cominius, een jong Romein, beklom om van den senaat het verlof te verwerven tot het terugroepen van Camillus, dien de soldaten te Veii tot dictator wenschten, in 390 met levensgevaar de rots van het Capitool, dat door de Galliërs belegerd werd. De Galliërs vonden zijn spoor en zouden den burg overrompeld hebben, zoo niet de ganzen onraad hadden bespeurd.—4) L. Pontius Aquila, hevig vijand van Caesar en deelgenoot der samenzwering tegen hem, sneuvelde als legaat van D. Brutus in den mutinensischen oorlog, in 43. Hij was een goed bekende van Cicero.—5) Pontius Pilatus, landvoogd van Judaea, onder wien Jezus Christus gekruisigd werd (6 April 30), werd na een tienjarig bestuur in 36 na C. afgezet. Omtrent zijn dood waren later vele verhalen in omloop. O. a. wordt verteld, dat hij zichzelf van kant gemaakt heeft.

Pontinius = Pomptīnus (C.)

Pontus, Πόντος, personificatie der zee, zoon van Aether en Gaea, en bij Gaea weder vader van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia.

Pontus, Πόντος. Het noordelijkste gedeelte van Cappadocië werd onder de perzische heerschappij als een afzonderlijke satrapie beheerd, en heette sedert dien tijd Cappadocia ad Pontum, of ook wel kortweg Pontus. Het was rijk aan zwaar timmerhout, dat voor den scheepsbouw zeer gezocht was, het leverde ook ijzer en staal (χάλυψ, in het land der Chalybes); in het W. bracht het veel graan voort. In 363, onder de regeering van den perzischen koning Artaxerxes II, gelukte het den satraap Ariobarzanes in Pontus een zelfstandig rijk te stichten, dat later het oppergezag van Alexander den Gr. en vervolgens van Seleucus erkende, maar tegen het einde der derde eeuw onder paphlagonische vorsten zich verhief en zijn hoogsten bloei bereikte onder Mithradātes VI Eupator, den grooten vijand der Rom. Toen deze in 63 door Pompeius verslagen was, werd Pontus, waartoe destijds ook Paphlagonia behoorde, versnipperd. Een deel van het paphlagonische binnenland, met de hoofdstad Gangra, werd aan de afstammelingen van vroegere vorsten afgestaan, doch in 7 met Bithynia vereenigd. Een ander gedeelte, ten Z. der stad Amasēa, werd aan Deiotarus, koning van Galatia, geschonken en Pontus Galaticus geheeten. Een ander gedeelte, in het midden, met de kuststreek tusschen Side (het latere Polemonium) en Trapezus werd door Antonius aan Polemo (z. a. no. 4), een kleinzoon van Mithradātes VI, gegeven en Pontus Polemoniacus genoemd. Het oostelijke deel kwam aan Cappadocia als Pontus Cappadocicus. Het westelijke kustland van Side tot aan den Parthenius werd in 63 bij Bithynia ingelijfd.

Pontas Euxīnus, de tegenwoordige Zwarte zee. Om de onherbergzaamheid harer kusten, voordat deze met grieksche volkplantingen bezet waren, werd deze zee oudtijds ἄξενος, ἄξεινος, maar vervolgens ominis causa euphemistisch Πόντος Εὔξεινος genoemd.

Popilia (via), 1) van Capua naar Regium, in 159 door den censor M. Popilius Laenas aangelegd.—2) van Ariminum over Ravenna naar Aquileia, in 132 door den consul P. Popilius aangelegd.

Popi(l)lii, plebejisch geslacht. 1) M. Popillius Laenas, consul in 359, onderdrukte door zijn krachtige taal een opstand der plebs tegen den senaat. Later bekleedde hij het consulaat nog driemaal, in 356, in 350, in welk jaar hij een inval der Galliërs afsloeg, (v. s. heeft deze inval plaats gehad in 348 of 349) en in 348.—2) M. Popillius Laenas, consul in 173, overwon de Liguriërs. Wegens zijne onbillijke hardheid tegen de overwonnenen ontging hij slechts ternauwernood eene veroordeeling. Zie Marcia (lex) de Liguribus deditis.—3) C. Popillius Laenas, broeder van no. 2, consul in 172, werd in 168 als gezant tot den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes gezonden, die bezig was Aegypte te veroveren. Hij gelastte den koning namens den romeinschen senaat, Aegypte onverwijld te verlaten. Toen Antiochus een tijd van beraad vroeg, trok Popillius met zijn staf, dien hij in de hand had, om den koning een kring en verbood hem op ruwen toon dezen te verlaten, alvorens antwoord te hebben gegeven. Hierdoor ontsteld, gaf de koning toe.—4) M. Popillius Laenas, consul in 139, streed in het volgende jaar ongelukkig tegen de Numantijnen.—5) P. Popillius Laenas, consul in 132, vervolgde de aanhangers van Tib. Gracchus met groote gestrengheid. C. Gracchus bewerkte uit weerwraak in 123 zijne verbanning, waaruit hij door de lex Calpurnia van 121 teruggeroepen werd. Hij heeft als consul de via Popilia aangelegd, die Aquileia met Ariminum verbond.—6) C. Popillius Laenas, zoon van no. 5, was in 107 legaat van den consul L. Cassius Longīnus (Cassii no. 3), die in den slag tegen de Tiguriners (een deel der Helvetiërs) sneuvelde. Popillius kocht voor het overschot van het leger vrijen aftocht en gaf gijzelaars. Hiervoor werd hij bij zijne terugkomst te Rome door den volkstribuun C. Caelius aangeklaagd. Hij begaf zich vrijwillig in ballingschap.—7) Popillia, moeder van Q. Lutatius Catulus, was de eerste rom. vrouw, op wie bij hare begrafenis eene lijkrede werd uitgesproken.—8) P. Popillius. zoon van een vrijgelatene, werd in 70 wegens ambitus veroordeeld.—9) C. Popillius Laenas, ook de zoon van een vrijgelatene, voerde als krijgstribuun de soldaten aan, die Cicero op zijne vlucht najoegen en vermoordden.

Popina, zie caupona.

Poplicola, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 1, 5, 6, 10–12) en de gens Gellia (Gellii no. 3 en 4).

Poppaei. 1), C. Poppaeus Sabīnus, consul in 9 na C., werd in 12 stadhouder van Moesia en kreeg later onder Tiberius nog Achaia en Macedonia als provinciën er bij, die hij tot aan zijn dood (35) bleef besturen. Wegens zijne overwinning op de Thraciërs werden hem in 26 de insignia triumphalia. toegekend.—2) Q. Poppaeus Secundus, broeder van no. 1, ook consul in 9 na C., hoewel niet te gelijk met zijn broeder, was een van de makers der lex Iulia et Papia Poppaea.—3) Poppaea Sabīna, dochter van no. 1, om hare schoonheid beroemd, door den haat der keizerin Messalīna tot zelfmoord gedreven (47).—4) Poppaea Sabina, dochter van no. 3 en van T. Ollius (z. a.), eene vrouw van buitengewone schoonheid, in tweede huwelijk de vrouw van M. Salvius Otho, die haar in ruil voor het stadhouderschap van Lusitania aan Nero afstond. Haar ter wille verstiet Nero zijne gemalin Octavia, doch drie jaar later gaf hij Poppaea in hare zwangerschap een trap, waaraan zij bezweek (65). Zij beschermde de Joden.

Populonia, -ium, Ποπυλώνιον, oude stad van Etruria, die reeds in de 6de eeuw munten sloeg, doch niet eene van de 12 bondssteden, aan zee gelegen. De stad was belangrijk door haar ijzerhandel (zie Aethalia). Zij werd door Sulla verwoest en niet herbouwd, haar haven echter werd door de Rom. opnieuw ingericht en verbeterd. Ten N. van de stad lag de badplaats Aquae Populoniae.

Porciae (leges) de provocatione, drie in getal, van drie verschillende Porcii, zonder dat men aangegeven vindt van welke Porcii zij afkomstig zijn. Zij vallen tusschen den tweeden punischen oorlog en den tijd der Gracchen. Eéne is waarschijnlijk van P. Porcius Laeca, tribunus plebis in 199, of van M. Porcius Laeca, praetor in 195. Al deze drie wetten bedreigden de overheid, die een rom. burger in strijd met de provocatio had laten kerkeren, geeselen of ter dood brengen, met zware straffen. Bovendien strekten zij de provocatio uit over de burgers in het geheele rijk.

Porcii, plebejisch geslacht. De familiën der Licini en der Laecae hebben geene geschiedkundig belangrijke personen opgeleverd, wel daarentegen die der Catōnes. 1) M. Porcius Cato, bijgenaamd maior of censorius, was in 234 te Tusculum geboren. Op zeventienjarigen leeftijd nam hij deel aan den oorlog tegen Hannibal, in 209 deed hij als miles dienst in het leger van Fabius Maximus (Fabii no. 16), die Tarentum heroverde. Zijne quaestuur valt in 205 en wel op Sicilia en in Africa, waarheen hij P. Scipio begeleidde. Over Sardinia terugkeerend bracht hij van daar Q. Ennius mede naar Rome. Als praetor in 198 bestuurde hij Sardinia. In 195 was hij consul. Als proconsul bedwong hij een opstand in Hispania, nam daarna deel aan den syrischen oorlog (o. a. droeg hij als krijgstribuun zeer bij tot de overwinning bij de Thermopylae 191), en werd in 184 censor. Hij stierf in 149, gezond van geest en lichaam. Cato was een ouderwetsch Romein, sterk gekant tegen alles wat niet nationaal was en dus ook tegen grieksche letteren en kunst, in welk opzicht hij lijnrecht tegenover de Scipio’s stond. Ook als democraat en verdediger van de rechten van den kleinen boeren- en burgerstand bestreed hij met groote heftigheid de Scipio’s en hun aanhang. Met groote gestrengheid ging hij als censor tegen alles te keer, wat in zijne oogen naar weelde zweemde of de eenvoudigheid van zeden kon ondermijnen. Hij was een man van strenge tucht en van stipte rechtvaardigheid, behalve waar het Carthago gold, getuige zijn onophoudelijk: censeo Carthaginem esse delendam. Geen tegenstand ontmoedigde hem; tot zijn dood toe bleef hij de kampioen voor het oude, hoewel hij op zijn ouden dag toch nog grieksch ging leeren. Hij is de eerste romeinsche prozaschrijver geweest. Van zijne talrijke werken en redevoeringen is, behalve fragmenten, slechts één werk overgebleven: de agri cultura of de re rustica. Hij heeft ook een geschiedkundig werk geschreven onder den titel van Origines, dat van Rome’s stichting tot op Cato’s tijd moet geloopen hebben. De disticha Catonis zijn niet van hem, maar uit de 3de eeuw n. C. Als censor bouwde hij de basilica Porcia.—2) M. Porcius Cato, zoon van no. 1, een bekwaam rechtsgeleerde en een veelbelovend jong man, stierf vóór zijn vader in 152.—3) M. Porcius Cato Licinianus, zoon van no. 2, was consul in 118.—4) C. Porcius Cato, zoon van no. 3, werd als consul in 114 door de Scordisci verslagen, werd later beschuldigd zich door Jugurtha te hebben laten omkoopen, en ging in ballingschap.—5) L. Porcius Cato, sneuvelde als consul in 89 in den bondgenootenoorlog.—6) M. Porcius Cato, vader van Cato Uticensis (no. 8), stierf terwijl hij candidaat was voor de praetuur.—7) C. Porcius Cato, een vrij woelziek persoon, behoorde onder de vrienden van P. Clodius en was eerst een tegenstander van Pompeius, doch verzoende zich met dezen.—8) M. Porcius Cato, bijgenaamd Uticensis, zoon van no. 6, was een der edelste karakters uit de laatste halve eeuw der republiek. Hij werd geboren in 95, was in 65 quaestor urbanus, en beheerde toen de finantiën van den staat op voortreffelijke wijze; hij werd voor het jaar 62 tot volkstribuun gekozen, en werkte in het laatst van 63 mede, om de vier aanhangers van Catilīna ter dood te doen veroordeelen. Als voorvechter der aristocratie kantte hij zich met kracht tegen het streven van Caesar, Pompeius en Crassus, doch bracht door zijn tegenstand juist een nauwere aansluiting tusschen de drie te weeg. In 58 werd hij tijdelijk uit Rome verwijderd, zie Clodiae leges no. 7. Hij kweet zich voortreffelijk van de hem opgedragen taak. In den burgeroorlog koos Cato de partij van Pompeius, die hem echter om zijne republikeinsche gezindheid met koelheid bejegende en zijne raadgevingen in den wind sloeg, zoodat Cato zich naar Rhodus begaf. Na Pompeius’ nederlaag en dood en na den slag bij Thapsus sloot Cato zich binnen Utica op, met het plan zich tegen Caesar te verdedigen. De aanwezige Rom. deelden echter zijn moed niet. Cato liet nu allen die weg wilden, aan boord zijner vloot gaan en toen deze uitgezeild was, stiet hij zich, na eerst in Plato’s Phaedo gelezen te hebben, het zwaard in de borst. De wond was niet terstond doodelijk; hij rukte echter het aangelegde verband af en liet zich doodbloeden, daar hij den ondergang der republiek niet overleven wilde (April 46).—9) M. Porcius Cato, zoon van no. 8, was bij zijns vaders dood aanwezig. Hij verzoende zich met Caesar, ging na diens dood tot Brutus over en sneuvelde bij Philippi.—10) Porcia, zuster van no. 9, de waardige dochter van een heldhaftigen en edelen vader, was eerst met M. Calpurnius Bibulus (Calpurnii no. 17) en na diens dood met M. Brutus (Junii no. 9) gehuwd.—11) M. Porcius Latro, beroemd rhetor onder Augustus, uit Hispania afkomstig, leermeester van Ovidius en vriend van Seneca (den vader).—12) M. Porcius Laeca, deelgenoot aan de samenzwering van Catilina. In zijn huis had de samenkomst plaats, waar besloten werd, den daarop volgenden morgen Cicero te vermoorden.—13) Porcius Festus, z. Festus no. 1.

Πορισταί, beambten bij het financiewezen te Athene, van wier werkkring en bevoegdheid niets naders vermeld wordt, dan dat zij voor de inkomsten van den staat te zorgen hadden. Misschien dienden zij alleen in buitengewone gevallen tot bijstand van den ταμίας.

Porphyreon, Πορφυρέων, stad in Phoenīce, ten N. van Sidon.

Porphyrio (Pomponius), uitlegger van Horatius uit de 3de eeuw na C. Zijn commentaar op Horatius is nog grootendeels bewaard gebleven.

Porphyrio, Πορφυρίων, een gigant, een van de aanvoerders bij de Gigantomachia, werd door Heracles verslagen.

Porphyrius, Πορφύριος, van Batanēa in Syrië, geb. 233 na C., ontving zijne eerste opleiding te Tyrus, en kwam later naar Athene, waar hij de leerling werd van Longīnus, die zijn oorspronkelijken naam Malchus in P. vertaalde. 30 jaar oud ging hij naar Rome, waar hij 6 jaar lang met den grootsten ijver de lessen van Plotīnus volgde. Tot herstel zijner gezondheid bracht hij vervolgens 5 jaar op Sicilië door, daarna keerde hij naar Rome terug en na den dood van Plotinus trad hij als leeraar der wijsbegeerte op. Hij stelt zich voornamelijk ten doel de leer van Plotinus te verdedigen en te verklaren, en te bewijzen dat deze in den grond der zaak hetzelfde geleerd heeft als Plato en Aristoteles. Zijn voornaamste leerling was Iamblichus. Op vrij hoogen leeftijd trouwde hij met Marcella, een arme weduwe met zeven kinderen; hij stierf in 304. Zijne veelomvattende geleerdheid, de duidelijkheid en nauwkeurigheid van zijne werken, en vooral zijne eerlijkheid werd algemeen, ook door zijne tegenstanders, erkend; ook hebben zijne werken tot laat in de middeleeuwen grooten invloed op de studie der wijsbegeerte gehad. De meeste er van, o.a. een in 15 boeken κατὰ Χριστιανῶν, zijn verloren gegaan; van die, welke bewaard gebleven zijn, zijn de voornaamste het leven van Plotinus en dat van Pythagoras en zijne verklaringen van Homerus.

Porrima, z. Carmenta.

Porsenna of Porsēna, Πορσήνας, koning of lars der etrurische stad Clusium, belegerde op verzoek van den verdreven Tarquinius Superbus de stad Rome. Hoewel hij Tarq. niet op den troon terugbracht, moesten de Rom. toch door afstand van grond den vrede verkrijgen. Het volksverhaal echter vermeldt, dat P., door den moed van Horatius Cocles en van Mucius met bewondering en ontzag vervuld, onverrichter zake aftrok. Dit is de gewone voorstelling. Volgens oudere berichten heeft P. de stad ingenomen, en is ze een tijdlang aan hem onderworpen geweest; de Romeinen mochten geen ander ijzer gebruiken dan wat ze voor den landbouw noodig hadden.

Portentum, zie auguria.

Porthāon, -theus, Πορθάων, -θεύς = Parthāon.

Porthmus, Πορθμός, haven in het gebied van Eretria op Euboea, aan de Z.-kust, ten O. van die stad.

Portuensis (via), van Rome naar Portus Augusti.

Portūnus, Portumnus, oorspronkelijk een god van de deuren en poorten, evenals Janus, later havengod bij de Rom., had te Rome een tempel bij de haven van den Tiber, waar jaarlijks den 17den Augustus de Portumnalia gevierd werden. Hij werd afgebeeld met een sleutel in de hand. Later werd hij geheel geïdentificeerd met Palaemon.

Portus Augusti, de nieuwe haven aan den mond van den Tiber, door keizer Claudius ten N. van Ostia aangelegd.

Portus Herculis, zie Cosa.

Porus, Πῶρος, vorst van een indisch rijk tusschen den Hydaspes en den Acesīnes, trachtte Alexander den overtocht van den Hydaspes te beletten, maar werd met zijn groot leger verslagen (326). Getroffen door zijn edel karakter, liet Alexander hem de regeering behouden en vergrootte hij zijn gebied nog door toevoeging van een naburig rijk, waarover een anderen P. regeerde. Hij werd later (318) door Eudēmus, den bevelhebber der grieksche troepen in Indië, verraderlijk gedood.

Porus, Πῶρος of Πώρινος λίθος, tufsteen, waarvan de tempel van Delphi, behalve de voorgevel, en ook die van Zeus te Olympia gebouwd was. De voorgevel van den Delphischen tempel was van marmer, Πάριος λίθος, z. Delphi en Alcmaeonidae.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings