← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

L.

Reading edition

Labarum.
Labarum.

Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.

Labda, Λάβδα, dochter van Amphīon, moeder van Cypselus.

Labdacidae, Λαβδακίδαι, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynīces.

Labdacus, Λάβδακος, zoon van Polydōrus en Nyctēis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.

Labeātes, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).

Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27).

Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid Dec. Laberius is (105–43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.

Labīcum, Labīci, Λαβικόν, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan de via Labicana.

Labiēna (lex), zie Attia (lex).

Labiēni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsālus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.—2) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orōdes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes’ zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.—3) Labiēnus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.—4) T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottend Rabiēnus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.

Labōtas, Λαβώτας, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995–958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.—2) spartaansch harmost in het thessalische Heraclēa, 409.

Labranda, τὰ Λάβρανδα, Λάβραυνδα, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.

Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.

Labynētus, Λαβύνητος, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.—2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.

Labyrinthus, λαβύρινθος, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid van λάβρυς, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsēna van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.

Lacedaemon, Λακεδαίμων = Sparta.

Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.

Lacetāni, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.

Lachares, Λαχάρης, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcētes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronēa vermoord.

Laches, Λάχης, Athener, zoon van Melanōpus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontīni gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinēa (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.

Lachesis, Λάχεσις, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij ’s menschen lot aanwijst.

Laciadae, Λακιάδαι, demus in Attica, ten W. van Athene.

Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.

Lacinium promunturium, Λακίνιον ἄκρον, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.

Lacmon of Lacmus, Λάκμων, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.

Laconica, Λακωνική, Z.O. gewest der Peloponnēsus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiātae of Spartāni, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,—de Lacedaemonii of Perioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,—de Helōtes, die servi publici waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden of συσσίτια, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor en Pollux.

Laconicum, z. balneum.

Lactantius Cae(ci)lius Firmiānus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar Nicomedēa. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.

Lacūnar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.

Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius op het forum te Rome (zie Curtii no. 2).

Lacȳdes, Λακύδης, van Cyrēne, opvolger van Arcesilāus als hoofd der platonische school (241–215).

Lade, Λάδη, eilandje bij Milētus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.

Ladon, Λάδων, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.

Ladon, Λάδων, naam van twee rivieren in de Peloponnēsus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alphēus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Penēus.

Laeëtāni, Λεητανοί, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).

Laelaps, Λαίλαψ, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo.

Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1) C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africānus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.—2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriāthus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.—3) Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.—4) D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).

Laena, χλαῖνα, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen werd.

Laenas, familienaam in de gens Popilia.

Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.

Laërtes, Λαέρτης, zoon van Arcisius en Chalcomedūsa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athēna verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.

Laërtiades, Λαερτιάδης, Odysseus, zoon van Laërtes.

Laespodias, Λαισποδίας, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.

Laestrygones, Λαιστρυγόνες, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontīni op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).

Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.

Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadāna, aan den Ticīnus, met de stad Ticīnum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.

Laevīnus, familienaam in de gens Valeria.

Lagus, Λάγος, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.

Laïades, Λαϊάδης, Oedipus, zoon van Laïus.

Lais, Λαΐς, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.—2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperīdes haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.

Laïus, Λάιος, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnēsus en kon eerst na den dood van Amphīon en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus.

Laletāni = Laeëtani.

Lamachus, Λάμαχος, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilāus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracūsae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.

Lamia, Λαμία, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.—De naam komt ook in het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.

Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6.

Lamia, Λαμία, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).

Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclēa en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.

Λαμπαδηδρομία, λαμπαδηφορία, λαμπάς, λαμπάδος ἀγών, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.

Lampetia, Λαμπετίη, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.

Lampon, Λάμπων, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).

Lamponium, Λαμπώνιον, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook Lamponia genoemd.

Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collīna.

Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C., een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumeniānus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Sevērus.

Lamprus, Λάμπρος, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.

Lampsacus, Λάμψακος, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priāpus, den god der tuinen, die door Aphrodīte te Lampsacus ter wereld was gebracht.

Lamptrae, Λαμπτραί, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.

Lamus, Λάμος, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).

Lamus, Λάμος, riv. en stad in Cilicia.

Lancia, Λαγκία, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.

Langobardi, zie Longobardi.

Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde.

Lanuvium, Λανούιον, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antonīnus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.

Laocoon, Λαοκόων, zoon van Antēnor of broeder van Anchīses, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athēna wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.—De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydōrus en Athenodōrus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden.

Beeld van Laocoon in het Vaticaan.
Beeld van Laocoon in het Vaticaan.

Laodamas, Λαοδάμας, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.—2) zoon van Antēnor, door Aiax no. 2 gedood.—3) zoon van Alcinous.

Laodamīa, Λαοδάμεια, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpēdon, door Artemis gedood.—2) dochter van Acastus, gehuwd met Protesilāus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.

Laodice, Λαοδίκη, 1) eene nimf, bij Phorōneus moeder van Niobe en Apis.—2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicāon, zoon van Antēnor.—V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.—3) = Electra no. 4.—4) moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).

Laodicēa, Λαοδίκεια, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, ἡ ἐπὶ τῇ θαλάττῃ, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochīa, onder de rom. keizers kolonie met het ius italicum.—2) L. ad Libanum, ἡ πρὸς Λιβάνῳ, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.—3) L. ad Lycum, ἡ πρὸς τῷ Λύκῳ, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.—4) L. combusta, ἡ κατακεκαυμένη, in Lycaonia.

Laomedon, Λαομέδων, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymēdes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.—2) van Mytilēne, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicānor verjaagd werd.

Laomedontiades, Λαομεδοντιάδης, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.

Lapathus, Λάπαθος, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.

Laphystius, Λαφύστιος, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z. Athamas.

Laphystius, Λαφύστιος, berg in Boeotia, tusschen Lebadēa en Coronēa, met een tempel van Zeus Laphystius.

Lapidei campi, zie campi lapidei.

Lapis quadratus = Opus quadratum.

Lapithae, Λαπίθαι, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.

Laquear = lacunar.

Lara = Larunda.

Laranda, τὰ Λάρανδα, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.

Lararium, zie Lares.

T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2.

Lārentia, zie Acca Larentia.

Lārentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca Larentia.

Lăres, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.—Maar niet alleen ieder huis en ieder compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales, militares, enz.

Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men annōna. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.

Larīnum, Λάρινον, stad der Frentāni in Samnium, rom. municipium. De inwoners heeten Frentani Larinātes.

Larī(s)sa, Λάρισσα, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiōtis, aan den Penēus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.—2) stad in het thessalische landschap Phthiōtis, tegen een berg gebouwd en vandaar κρεμαστή, het hangende, genoemd.—3) naam van den burg der stad Argos.—4) zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.—5) stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaam Phricōnis, Φρικωνίς of Αἰγυπτία.—6) stad in Lydia, aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.—7) stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z. Ninus.—Dichterlijk Larissaeus = thessalisch.

Larisus, Λάρισος, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.

Larius lacus, λίμνη ἡ Λάριος, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.

Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2.

Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.—2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was, volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden.

Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.—Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen.

Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z. Lemures.

Larymna, Λάρυμνα, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.

Las, Λᾶς, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam Λαπέρσαι, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Lās.

Lasaea, Λασαία, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.

Lasio, Λασίων, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.

Lasthenes, Λασθένης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).

Lasus, Λᾶσος, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.

Latericium (opus), z. Opus.

Latiāris, Latiālis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.

Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.

Latīna (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentīnum, Fregellae en Casīnum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.

Latīni, inwoners van Latium (z. a.).

Latīni, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2.

Latīni Iuniāni, zie lex Iunia Norbana.

Latīnum (nomen), zie Latium.

Latīnus, zoon van Faunus en Marīca of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aenēas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.

Latium, ἡ Λατίνη, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracīna, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabīnus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw (zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.

Latmus, Λάτμος, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selēne en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de sinus Latmicus, ὁ Λατμικὸς κόλπος, uit, aan welks ingang Milētus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen. Latmius venator = Endymion.

Latobrigi, (Latovīci), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.

Latoides, Λητοΐδης, Apollo, zoon van Leto.

Latōis, Λητωίς, Artemis, dochter van Leto.

Latōna = Leto.

Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.

Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.

Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latīnus plaatst, die tijdens Aenēas’ komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium.

Lauretānus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.

Lauriācum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.

Laurium, Λαύριον, -ρειον, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.

Lauron, Λαύρων, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.

Lāus, Λᾶος, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna.

Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpīna, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.

Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aenēas om.—Een andere Lausus wordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.

Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracīna en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.

Lautumiae, Λατομίαι, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.—2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium (macellum).—3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.

Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernālis.

Lavicāna (via). Deze liep van Rome langs Labīcum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.

Lavīcum = Labīcum.

Lavinia, dochter van Latīnus en Amāta. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aenēas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aenēas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.—V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.

Lavinium, zie Laurentum.

Lavinius, Λαβίνιος, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2.

Lazae, Lazi, Λᾶζαι, Λᾶζοι, roofzieke volksstam in Colchis.

Leaena, Λέαινα, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogīton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.

Leager, Λέαγρος, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).

Leander, Λέανδρος, een jongeling van Abȳdus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodīte te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.

Learchus, Λέαρχος, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.

Lebadēa, Λεβάδεια, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.

Lebaea, Λέβαια, oude stad ergens in het N. van Macedonia.

Lebecii, Λεβέκισι, volksstam in Gallia Transpadāna, met de hoofdstad Vercellae.

Lebedus, Λέβεδος, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.

Leben, Λεβήν, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.

Lebēthrum, -thra, Λείβηθρον, = Libethra.

Lebinthus, Λέβινθος, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.

Lechaeum, Λέχαιον, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.

Lectio senatus, zie Senatus.

Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium.

Lectum, Λεκτόν, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.

Lecythus, Λήκυθος, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.

Leda, Λήδα, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.

Ledon, Λέδων, plaats in Phocis, aan den Cephīsus.

Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.

Legātus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van legatus legionis. Dit was een praetorius.

Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen 10 manipels hastāti en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10 manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio).

Opstelling van een legioen.
Opstelling van een legioen.

De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:

de 10 manipels hastati | | | | | | | | | |

de 10 manipels principes | | | | | | | | |

de 10 manipels triarii | | | | | | | | | |

Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:

Opstelling van cohorten.
Opstelling van cohorten.

De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae; doch allengs verdween

de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ook castra.

Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man.

Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem, per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen; later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2.

Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onder formula.

Λειτουργία, λῃτουργία, z. Liturgia.

Leïtus, Λήιτος, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.

Lelantius campus, Λήλαντον πέδιον, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.—2) vlakte aan den mond van den Euēnus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.

Leleges, Λέλεγες, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).

Lelex, Λέλεξ, koning van Megara (Lelegēia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.

Lemannus (lacus), Λεμάνος λίμνη, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).

Lemnius, Λήμνιος, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.

Lemnus, Λῆμνος, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaar Λήμνια ἔργα); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers, Μινύαι, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctētes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darīus I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordt δίπολις geheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt.

Lemōnum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadāna, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.

Lemovīces, stam in Gallia Transpadāna in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).

Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.

Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia (z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook van Remuria.

Lenaea, Λήναια, eig. Διονύσια τἀπὶ Ληναίῳ, feest ter eere van Dionȳsus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het Attische jaar (Jan.–Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ἐξ ἁμαξῶν), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.

Lenaeus, Λήναιος, bijnaam van Dionȳsus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn.

Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45–51.

Leo, Λέων, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit het geslacht der Agiden.—2) Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclēa in Trachinië aanvoerde (426).—3) spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.—4) bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.—5) van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.—Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.

Leobōtes, Λεωβώτης = Labotas.

Leochares, Λεωχάρης, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.

Leocorium, Λεωκόριον, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.

Leocrates, Λεωκράτης, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegīna aan de Atheners (457).

Leodamas, Λεωδάμας, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.

Leon, Λέων, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.

Leonidas, Λεωνίδας, -δης, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.—2) L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).—3) twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.—4) leermeester van Cicero’s zoon te Athene.—5) van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphrānor.

Leonnātus, Λεόννατος, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.’s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).

Leonteus, Λεοντεύς, 1) zoon van Corōnus, vorst van Gyrtōne, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.—2) leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicūrus.

Leontiades, Λεοντιάδης, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.—2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmēa den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.

Leontīni, οἱ Λεοντῖνοι, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid van Syracūsae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.

Leontis, Λεοντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Leontium, Λεόντιον, stad in Achaia, in het binnenland.

Leoprepides, Λεωπρεπίδης, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.

Leosthenes, Λεωσθένης, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclēa en sneuvelde bij het beleg van Lamia.

Leotrophides, Λεωτροφίδης, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.

Leotychides, Λεωτυχίδης, Λευτ-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demarātus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.—2) zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).

Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1–5.

Lepontii, Ληπόντιοι, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.

Lepreum, Λέπρεον, oude stad in het elische gewest Triphylia.

Leptines, Λεπτίνης, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).—2) tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.—3) een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.

Leptis, Λέπτις, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Sevērus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.

Lerna, Λέρνη, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.

Lerus, Λέρος, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.

Lesbōnax, Λεσβώναξ, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.—2) grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje περὶ σχημάτων.

Lesbus, Λέσβος, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arīon (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanīcus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilēne en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.

Lesches, Λέσχης, van Mytilēne, een van de cyclici omstreeks het midden der 7de eeuw, dichter der Ἰλιὰς μικρά.

Lethe, Λήθη, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.

Leto, Λητώ, Latōna, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.—V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.—Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.

Letrīni, Λετρῖνοι, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z. Alphēus.

Leuāci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.

Leuca, τὰ Λευκά, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het promunturium Iapygium.

Leucadia = Leucas.

Leucae, Λευκαί, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Muciānus (Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonīcus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.

Leucas of Leucadia, Λευκάς, Λευκαδία, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.

Leucasia = Leucosia.

Leuce, Λευκὴ ἀκτή, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).—2) = Achillis insula.—3) voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.

Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).

Leucimma, Λευκίμμη, een der beide zuidkapen van het eiland Corcȳra (Corfu).

Leuci montes, Λευκὰ ὄρη, bergketen in het W. van Creta.

Leucippe, Λευκίππη, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.—2) eene van de Minyades (z. a.).—3) dochter van Thestor (z. a.).—4) v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.

Leucippides, Λευκιππίδες, Phoebe en Hilaīra, dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Leucippus, Λεύκιππος, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.—2) zoon van Periēres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaīra en Arsinoë.—3) van Abdēra, Milētus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.

Leuconium, Λευκώνιον, stad in het Z. van Chios.

Leucopetra, Λευκοπέτρα, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.

Leucophrys, Λευκόφρυς, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.

Leucosia, Λευκωσία, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.

Leucosyri, Λευκόσυροι, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolking Ἀσσύριοι, verkort Σύριοι of Σύροι, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.

Leucothea, Λευκοθέα = Ino.

Leucothoë, Λευκοθόη, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.

Leuctra, τὰ Λεῦκτρα, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.—2) stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.—3) stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.

Leuctrum = Leuctra no. 3.

Levāci = Leuaci.

Levāna, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.

Ληξιαρχικὸν γραμματεῖον, z. Δῆμος.

Ληξιαρχοι, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.

Lexovii, Ληξόβιοι, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.

Libanius, Λιβάνιος, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iuliānus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.

Libanus, Λίβανος, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus.

Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was van koper.

Libentīna, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.

Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionȳsus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zie Liberalia.

Libera, 1) z. Liber.—2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionȳsus of Liber.

Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.

Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventīnus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op de area van Cicero’s huis (58).

Libertīnus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelve manumissio.

Libēthra, τὰ Λ(ε)ίβηθρα, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: ἀμουσότερος τῶν Λιβηθρίων.

Libethrides, Λ(ε)ιβηθρίδες, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.

Libethrius mons, Λ(ε)ιβήθριον ὄρος, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronēa, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.

Libicii = Lebecii.

Libitīna, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.—Later verwarde men haar met Lubentia of Libentīna, een bijnaam van Venus, die in haar lucus een aedes had.

Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468–456).—2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia (z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia, de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9).

Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram de weegschaal hield.

Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.

Liburnia, Λιβουρνία, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.

Libya, Λιβύη, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agēnor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.

Libya, Λιβύη, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der Libyes woonde.

Libyci montes, τὸ Λιβυκὸν ὂρος, het westelijke grensgebergte van Aegypte.

Libycum mare, Λιβυκὸν πέλαγος, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.

Libyphoenīces, Λιβυφοίνικες, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.

Libyssa, Λίβυσσα, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.

Lichas, Λίχας, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanīra het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.—2) zoon van Arcesilāus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.

Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.

Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri epulōnes, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii no. 21); z. epulones.

Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.

Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.

Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longīnus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.

Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.

Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Laterānus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor het laatst in 343.—2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.—3) de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.—4) de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.

Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murēna, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.—2) P. Licinius Calvus Esquilīnus, de eerste plebejische tribunus militum consulari potestate (400).—3) C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.—4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377–367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie Agrariae leges.—5) C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales geschreven.—6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82–48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.—7) P. Licinius Crassus Dives werd reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in het ius pontificium.—8) P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.—9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.—10) C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.—11) P. Licinius Crassus Dives Muciānus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonīcus toegebracht. Hij was pontifex maximus.—12) L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpīna. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero’s werk de oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.—12a) L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.—13) Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.—14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.—15) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).—16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zie Caecilii no. 27).—17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.—18) C. Licinius Muciānus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasiānus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitiānus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.—19) L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.—20) Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.—21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).—22) L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.—23) L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.—24) L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla’s quaestor in diens veldtocht tegen Mithradātes en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigrānes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.—25) M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Liciniānus Varro, ook wel M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.—26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.—27) L. Licinius Murēna, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.—28) P. Licinius Murēna, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.—29) L. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelāus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradātes, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.—30) L. Licinius Murēna streed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradātes. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina’s saamgezworenen.—31) C. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 29, was in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpīna en liet de boden van Catilīna gevangen nemen.—32) A. Terentius Varro Murēna, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecēnas was, wegens samenzwering ter dood brengen.—33) Een andere tak der Licinii waren de Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.—34) C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africānus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.—35) C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.—36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.—37) A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochīa in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclēa (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.

Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308–324 n. C. Na den dood van Maximīnus II Daia waren hij en zijn zwager Constantīnus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonīce omgebracht (324).

Licinus, familienaam in de gens Porcia.

Lictōres. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.

Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.

Licymnius, Λικύμνιος, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimēde. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.

Lide, Λίδη, berg in Caria, bij Pedasa.

Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.

Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.

Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.

Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook als maat het ¼ deel van een cyathus.

Liguria, Λιγυστική, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures, Λίγυες, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apennīnus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14 werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.

Lilaea, Λίλαια, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephīsus.

Lilybaeum, Λιλύβαιον, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.

Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.

Limnae, Λίμναι, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnātis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.—Eene wijk in Athene en in Sparta heette ook Limnae.—Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonēsus.

Limnaea, Λίμναια, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.

Limōne = Elōne.

Limōnum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.

Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.

Limyra, τὰ Λίμυρα, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus.

Lindus, Λίνδος, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus.

Lingones, Λίγγονες, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematūnum (Langres).

Linternum = Liternum.

Linus, Λίνος, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (λίνοι) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep αἴλινος herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feest ἀρνηίς of κυνοφόντις, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.—V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).

Lipara, Λιπάρα, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.

Lipaxus, Λίπαξος, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.

Λιπομαρτυρίου δίκη, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.

Lipsydrium, Λειψύδριον, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelēa, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.

Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.

Liris, Λεῖρις, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolērus (Trerus) opneemt.

Lissus, Λίσσος, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontīni.—2) rivier in Thracia, die bij Maronēa in zee valt.—3) stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracūsae gesticht, met eene onneembare acropolis.

Litae, Λιταί, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.

Litāna silva, bergwoud op den Apennīnus in Gallia Cispadāna, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albīnus in 216 tegen de Galliërs.

Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.

Liternum, Λίτερνον, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africānus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.

Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.

Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook formula.

Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegere in ius vocatio.

Liturgia, λῃτουργία, λειτ., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (ἐγκύκλιοι) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie, προεισφορά en architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl. Ἀντίδοσις. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.

Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.

Lityerses, Λιτυέρσης, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges).

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.—2) leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).—3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.—4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor ⅛ met koper zou vermengd worden.—5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zie Caecilia Didia (lex).

Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een der eerste plebejische pontifices.—2) C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.—3) M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.—4) M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.—5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia z. Servilii no. 19.—6) M. Livius Macātus verdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.—7) M. Livius Salinātor overwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.—8) Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius M. Livius Drusus Claudiānus heette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octaviānus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus’ dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.—9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.—10) T. Livius Patavīnus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218–167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59–17 na C.—11) Livius Andronīcus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.

Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van Mauretanië.

Λόχος, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest zal zijn. In slagorde stond de λόχος gewoonlijk acht man diep, op marsch vormde men dikwijls λόχοι ὄρθιοι met smal front en groote diepte. De ἱερὸς λόχος der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in λόχοι daarbij overgenomen. Aan het hoofd van den λόχος stond een λοχαγός.

Locri Epizephyrii, Λοκροὶ Ἐπιζεφύριοι, eene oude stad op de kust van Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm bij kaap Caphēreus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte allengs in verval.

Locris, Λοκρίς. De Locri, Λοκροί, misschien van lelegischen stam, waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad, en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (ἠοῖοι) of οἱ πρὸς Εὔβοιαν Λοκροί genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri Ozolae, of westelijke (ἑσπέριοι) Locriërs, die meer dan de anderen een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus (Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnēsus waren overgestoken.

Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter dood gebracht.

Λογεῖον, het tooneel in engeren zin = προσκήνιον.

Λογισταί, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de εὔθυνοι de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen nazagen. Zie Εὔθυναι.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings