← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

E.

Reading edition

Ebora, rom. muncipium in Lusitania, ook Liberalitas Iulia genaamd, thans Evora.

Eborācum, Ἔβόρακον, thans York, hoofdstad der Brigantes in Britannia. De keizers Septimius Sevērus en Constantius Chlorus stierven te York, Constantijn de Gr. werd er tot keizer uitgeroepen.

Ebūdae insulae, Ἔβουδαι νῆσοι, ten N.W. van Caledonia (Schotland), thans de Hebriden.

Eburodunum, hoofdstad der Caturiges (z.a.).

Eburōnes, Ἐβούρωνες, germaansch volk in Belgica, dat langs de Maas woonde, van Namen tot Roermond, door Caesar zoo goed als uitgeroeid, omdat ze het romeinsche leger, dat in hun land overwinterde, bij den opstand van 54/53 hadden afgemaakt.

Eburovīces, keltisch volk in Normandië met de hoofdstad Mediolānum (Evreux aan de Eure), een van de vier stammen der Aulerci.

Ebusus, Ἔβυσος, thans Iviza, het grootste der Pityusen-eilanden bij Hispania. Ook de stad heette Ebusus. Zij werd in den tweeden punischen oorlog (217) door de Rom. tevergeefs bestormd.

Ecbatana, τὰ Ἐκβάτανα, ook Ἀγβάτανα, hoofdstad van Media, zomerverblijf der perzische en later der parthische koningen. Het was terrasgewijze gebouwd tegen de helling van den boschrijken Orontesberg, en door zeven verschillend gekleurde muren omgeven. Als stichter wordt Deioces genoemd.

Ecdēmus, Ἔκδημος, en Demophanes (v. a. Megalophanes), twee burgers van Megalopolis, leerlingen van Arcesilāus, verdreven den tyran Aristodēmus uit hunne vaderstad, en hielpen Arātus in het verdrijven van Nicocles uit Sicyon. Daarna gingen zij naar Cyrēne, waar zij zich door het geven van wijze wetten verdienstelijk maakten. Later keerden zij terug en wijdden zij zich aan de opvoeding van Philopoemen.

Ecdicus, ἔκδικος, iemand, die, wanneer eene civitas in eene provincie in rechten optrad, die civitas voor de rechtbank vertegenwoordigde. De latijnsche benaming is cognitor civitatis.

Ecetra, Ἐχέτρα, sterke volscische stad in Latium, vermoedelijk door de Rom. verwoest.

Echecrates, Ἐχεκράτης, van Phlius, leerling van Archȳtas, vriend en misschien leermeester van Plato.

Echedorus, Ἐχείδωρος, macedonische riv., die ten O. van den Axius in de golf van Thermae uitloopt.

Echemus, Ἔχεμος, koning van Arcadië, trok als bondgenoot van Atreus den Doriërs bij hun inval in de Peloponnesus tegemoet, en doodde Hyllus.

Echepolus, Ἐχέπωλος, 1) Sicyoniër, die aan Agamemnon eene schoone merrie gaf, om zich los te koopen van de verplichting om mede naar Troja te gaan.—2) Trojaan, door Antilochus gedood.

Echetlus, Ἔχετλος, een heros, op bevel van een orakel door de Atheners vereerd sedert den slag bij Marathon, waar hij als landman verschenen was, met een ploegschaar vele vijanden gedood had, en na de overwinning verdwenen was.

Echetus, Ἔχετος, wordt in de Odyssēa genoemd als een wreed koning van Epīrus, die alle vreemdelingen mishandelde en zijn eigen dochter de oogen uitstak.

Echidna, Ἔχιδνα, dochter van Tartarus en Gaea, of van Chrysāor en Callirhoë, een monster, half vrouw, half slang, woonde in Cilicië, was bij Typhon moeder van de Chimaera, den Cerberus (Echidneus canis), de lernaeische hydra e. a. monsters. Zij werd door den alzienden Argus in den slaap gedood.—V. s. woonde zij in het land der Scythen, en verwekte Heracles bij haar drie zonen, van welke een de stamvader der scythische koningen werd.

Echinades, Ἐχινάδες, zeeëgel-eilanden, aan den mond van den Achelōus vóór de kust van Acarnania gelegen, en gevormd door de sterke aanslibbing van den stroom. Volgens de mythe waren het nimfen geweest, die bij het offeren den riviergod hadden vergeten en toen met den grond, waarop zij stonden, waren losgescheurd en door den stroom een eind ver meegesleurd.

Ἐχῖνος, doos waarin te Athene bij een proces de bewijsstukken enz., bewaard werden.

Echīnus, Ἐχῖνος, 1) stad in Acarnania aan de Ambracische golf.—2) stad in het thessalische landschap Phthiōtis aan de Malische golf.

Echīnus, ἐχῖνος, de eierlijst aan het kapiteel eener zuil. Zie columna.

Echīon, Ἐχίων, 1) een der mannen, gesproten uit de door Cadmus gezaaide draketanden, huwde diens dochter Agāve, en hielp zijn schoonvader bij het bouwen van Thebae.—2) zoon van Hermes en Antianīra, beroemd om zijne snelheid in het loopen, nam deel aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten.—3) een van de Giganten, die den hemel bestormden; Athēna veranderde hem door het Medusahoofd in een steen.—4) verkeerde lezing voor Aetion, z. a.

Echionides, Pentheus, zoon van Echion no. 1.

Echo, Ἠχώ, boeotische Oreade, die Hera met haar gesnap bezig hield, wanneer Zeus de nimfen bezocht. Toen deze list ontdekt werd, ontnam Hera haar het gebruik harer tong, zoodat zij alleen de laatste woorden herhalen kan van vragen, die men tot haar richt. Zij werd verliefd op Narcissus, en daar deze haar niet beminde, kwijnde zij weg, en bleef alleen hare stem over. Bij Pan was zij moeder van Iynx.

Ecnomus mons, Ἔκνομος λόφος, kaap aan de Z. kust van Sicilia tusschen Agrigentum en Gela, waar L. Manlius Vulso in 256 de Carthagers verslagen heeft.

Ecphantides, Ἐκφαντίδης, een van de oudste dichters der oude attische comedie, door zijn jongeren tijdgenoot Cratīnus bespot.

Eculeus = equuleus.

Edessa, Ἔδεσσα, 1) stad in het macedonische landschap Emathia, vroeger Aegae, waarvan het eerst de vóórstad was.—2) stad in Osroēne, tusschen den Euphraat en den Chabōras, ook wel Osroë of Orrhoë geheeten, onder de Seleuciden Antiochīa Callirrhoë genoemd naar de talrijke nabijgelegen bronnen van den Scirtus, in den keizertijd en in de kruistochten weder bekend als Edessa.

Edetāni, Ἐδητανοί, volk in Tarraconensis aan de tegenw. golf van Valencia. In hun gebied lagen de steden Valentia en Saguntum.

Edictum. Elke overheid te Rome kon binnen den kring harer ambtsbevoegdheid verordeningen maken en afkondigen, zoowel voor enkele op zichzelf staande gevallen als in het algemeen geldig voor het geheele ambtsjaar. Zoo bevatten b.v. de edicta der aedilen voorschriften omtrent markt- en handelsverkeer, openbare veiligheid en dgl. Bepalingen, die nuttig bleken te werken, werden uit den aard der zaak door de opvolgers van hunne ambtsvoorgangers overgenomen. Het belangrijkste dezer edicten is het jaarlijksch edict van den praetor urbanus en in de tweede plaats van den praetor qui inter peregrinos ius dicebat. Zulk een edictum praetoris stond voor ’s praetors woning op een wit houten bord of album met zwarte letters te lezen. De strenge bepalingen van het oud-rom. ius privatum moesten mettertijd in milderen geest gewijzigd en uitgebreid worden. Wat nu de eene praetor van den anderen overnam, werd edictum perpetuum of tralaticium genoemd. Bijzondere bepalingen, in den loop van het ambtsjaar door den praetor uitgevaardigd, heetten edicta repentina. Zoo ontstond naast het oude ius civile (niet in strijd daarmede, doch daarop gegrond) het ius praetorium of honorarium, z. a. Hiernaast wordt ook vermeld het edictum aedilium curulium, aan wie de beslissing in handelsgeschillen, en dus ook het vaststellen van de bepalingen, daarop betrekking hebbende, was opgedragen.

Edōni, Ἤδωνες, Ἠδωνοί, thracisch volk, door Philippus van Macedonia onderworpen. Zij woonden ten O. van den Beneden-Strymon en waren berucht door hun woesten Bacchusdienst; zie Myrcinus. Dichterlijk is Edonus = thracisch, Edonis = Bacchante.

Eetion, Ἠετίων, 1) koning van Thebe in Mysië, vader van Andromache, met zijne zeven zonen door Achilles gedood.—2) koning van Imbrus, kocht een zoon van Priamus uit de krijgsgevangenschap vrij.—3) vader van Cypselus.

Effātum in het algemeen uitspraak, verkondiging, formulier in godsdienstzaken, o.a. het formulier, dat de augur uitsprak bij de wijding eener ruimte op aarde of aan den hemel tot templum. Vandaar de uitdrukking effari templum.

Egeria, Aeg., Ἠγερία, Αἰγ., orakelgevende bronnimf, die gehuwd was met Numa Pompilius, en volgens wier voorschriften Numa de godsdienstige aangelegenheden regelde; na zijn dood vluchtte zij naar Aricia, waar zij van droefheid in een bron veranderde. Zij was eene beschermgodin van Rome en werd vooral door zwangere vrouwen aangeroepen. Zij had een heiligdom voor de Porta Capēna en een te Aricia.

Egesta, Ἔγεστα, bij de Rom. gewoonlijk Segesta, bij Vergilius Acesta geheeten, een oude, niet-grieksche stad op de N.W.-kust van Sicilia, volgens de latere sage door Trojanen gesticht. In de nabijheid vond men twee riviertjes, die de namen Simoïs en Scamander droegen. De strijd tusschen deze stad en Selinus gaf aanleiding tot den tocht der Atheners naar Syracūsae. Egesta had de hulp der Atheners ingeroepen. Sedert 263 was het met Rome verbonden.

Egestes = Acestes.

Ἐγκαυστική, zie Encaustica.

Ἐγκοίμησις, incubatio, het slapen in den tempel van een droomorakel, waar men in den slaap door een droomgezicht antwoord meende te ontvangen op vragen aan het orakel gedaan.

Ἔγκτησις, het bij verdrag aan de burgers van twee staten toegestane recht, om in elkanders grondgebied vaste goederen te hebben; ook het goed dat men volgens dit recht in eigendom heeft.

Ἐγκύκλιος παιδεία, ἀγωγή, het onderwijs, dat men voor beschaafden noodig achtte. Het omvatte in latere tijden grammatica, rhetorica, philosophie, rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie.

Egnatia of Gnathia, drukke havenstad in Apulia aan de via Appia nova, ten N. van Brundisium, met slecht water.

Egnatia (via), de groote heerweg, die van Dyrrachium door Illyria, Macedonia en Thracia naar Byzantium liep. Van Rome reisde men langs den Appischen weg tot Capua, verder langs den nieuwen App. weg naar Brundisium, stak dan de Adriatische zee over naar Dyrrachium en zette den tocht langs den Egnatischen weg voort over Apollonia en Thessalonīca. De weg is aangelegd na de onderwerping van Macedonia (146).

Egnatii, uit Samnium. 1) Gellius Egnatius was een der aanvoerders van de Samnieten in de samnietische oorlogen. Hij sneuvelde in 295 in den slag bij Sentinum.—2) Marius Egnatius, aanvoerder der Samnieten in den bondgenooten-oorlog. In 90 lokte hij den rom. consul L. Julius Caesar in eene hinderlaag en vernietigde bijna diens geheele leger, bij den mons Massicus. In 89 sneuvelde hij. Na den oorlog vindt men Egnatii in den rom. senaat.—3) C. Egnatius Rufus, rom. ridder, door Cicero om zijne hulpvaardigheid geprezen.—4) M. Egnatius Rufus, zeer bemind bij het volk, werd op last van Octaviānus als samenzweerder ter dood gebracht (19).—5) P. Egnatius Celer, stoisch wijsgeer uit Berȳtus. In 69 n. C. werd hij door Musonius Rufus wegens zijne handelswijze jegens Barea Sorānus (z. a.) aangeklaagd, en door den senaat veroordeeld.

Egnatulēius (C.), op wiens aansporing in 44 het vierde legioen van Antonius tot Octaviānus was overgegaan, kreeg op Cicero’s voorstel verlof om beneden den wettigen leeftijd naar de hooge staatsambten te mogen dingen, maar wordt later niet meer genoemd.

Eion, Ἠϊών, havenstad van Amphipolis.—2) = Eiones.

Eiones, Ἠϊόνες, stadje der Dryopes in Argolis aan den Sinus Argolicus, vroeg verwoest.

Eira = Ira.

Εἰρένες, te Sparta jongelieden van 20 tot 30 jaar; bij spelen en gymnastische oefeningen hadden zij het opzicht over de ἀγέλαι.

Εἰρεσιώνη, een met wol omwonden krans van olijftakken, die, met bloemen en vruchten beladen, bij de Pyanepsia rondgedragen en aan den tempel van Apollo en ook aan particuliere huizen opgehangen werd. Ook het lied, dat daarbij gezongen werd en waarbij men giften verzocht, en in het algemeen een lied van dien inhoud.

Εἰσαγγελία, een bizondere vorm van proces te Athene, die aangewend werd bij zware misdaden en bij zulke, die voor den staat zelf gevaar schenen op te leveren. De aanklager diende een klachtbrief (εἰσαγγελία) bij den raad of de volksvergadering in, en wanneer deze aangenomen werd, werd de aangeklaagde in hechtenis genomen, hoewel hij zich in de meeste gevallen door het stellen van drie borgen daaraan onttrekken kon. Wanneer de raad den aangeklaagde schuldig bevonden had, en meende dat de hoogste boete, die hij kon opleggen (500 drachmen), als straf niet toereikend was voor de misdaad, verwees hij de zaak naar de thesmotheten of naar het volk. Aanklachten die bij de volksvergadering ingekomen waren, konde zij zelve behandelen of naar de thesmotheten verwijzen; bij misdaden, waarvoor geen straf bij de wet bepaald was, werd vóór het onderzoek vastgesteld, welke straf ingeval van veroordeeling zoude opgelegd worden. Sedert het begin der vierde eeuw bepaalde de wet, op welke misdaden de εἰσαγγ. kon worden toegepast; kort daarna werd op die misdaden de doodstraf gesteld met verbod van begrafenis in Attica.—De εἰσαγγελία had in sommige gevallen, ook indien de aangeklaagde vrijgesproken werd, geen geldelijk nadeel voor den aanklager ten gevolge, zooals andere processen.

Εἰσαγωγῆς, een collegie van vijf rechters, die uitspraak deden in de meeste ἔμμηνοι δίκαι; ook worden zoo alle overheden genoemd, wanneer zij eene bij hen ingediende aanklacht na voorloopige instructie voor de rechtbank brengen.

Εἰσιτήρια, offer door de leden van den raad bij het aanvaarden hunner betrekking gebracht. Z. ἐξιτήρια.

Εἰσφορά, buitengewone belasting op het vermogen, te Athene voor het eerst door Pisistratus geheven, later vervangen door de φόροι, der bondgenooten; in den Peloponnesischen oorlog voor het eerst in 428, later in oorlogstijd dikwijls geheven. Wie die belasting niet betaalde, werd gestraft met verbeurdverklaring zijner goederen, niet met atimie, zooals andere schuldenaars van den staat. Zie ook συμμορία.

Ἐκεχειρία, zie Olympia, τὰ Ὀλύμπια.

Ἐκκλησία, volksvergadering. Te Athene besliste de volksvergadering over alle aangelegenheden van den staat, wanneer de wet daarover niet anders beschikt had, bijv. bij wetgeving, verkiezingen, het verklaren van oorlog en sluiten van vrede, enz. In elke prytanie werden vier gewone (τεταγμέναι) vergaderingen gehouden, in dringende gevallen werden ook buitengewone (σύγκλητοι, πρόσκλητοι, κατάκλητοι) vergaderingen beroepen. De onderwerpen, in de vergadering te behandelen, moesten door den voorzitter vooraf bekend gemaakt worden (προγράφειν ἐκκλησίαν); voor een van de gewone vergaderingen (de κυρία ἐκκλ.) waren zij bij de wet vastgesteld. De vergaderplaats was in de oudste tijden de markt, later gewoonlijk de Pnyx, nog later de schouwburg. Toegang tot de vergaderingen, recht om aan de discussies deel te nemen en stemrecht hadden alle burgers boven de 20 jaar oud, voor zoover zij niet door atimie dat recht verloren hadden. De voorzitter, oudtijds de ἐπιστάτης der prytanen, later die van de πρόεδροι (z.a.), opende de vergadering met een offer en gebed en legde daarna de punten ter behandeling aan het volk voor (προτιθέναι), die gewoonlijk begeleid werden door een praeadvies van den raad (προβούλευμα), waarover dan eerst gestemd werd (προχειροτονία); vereenigde de vergadering zich niet daarmede, dan kon iedereen een voorstel doen, dat de voorzitter echter niet in stemming mocht brengen, wanneer het in strijd met de wet was, en waarvan iedereen de behandeling kon verhinderen door de verklaring, dat hij den voorsteller wegens de onwettigheid van het voorstel (παρανόμων) zoude aanklagen. De stemming geschiedde door het opsteken der handen (χειροτονεῖν), of wanneer zij personen betrof met steentjes (ψηφίζεσθαι, dikwijls ook algemeen voor stemmen gebruikt).—Tot de spartaansche volksvergadering (ἁλία), hadden toegang alle Spartanen boven de 30 jaar oud en in het volle bezit van hunne burgerlijke rechten; in latere tijden wordt nog eene afzonderlijke vergadering van ὅμοιοι vermeld, ofschoon het niet blijkt in welke verhouding zulk eene vergadering tot de algemeene volksvergadering stond. De meeste staatszaken worden door de γερουσία behandeld; wanneer het volk ter vergadering geroepen werd, had het alleen de bevoegdheid de voorstellen van de γερουσία of van den koning aan te nemen of te verwerpen; veranderingen daarin te brengen of nieuwe voorstellen te doen was niet geoorloofd, zelfs had men om het woord te voeren de bizondere vergunning van den voorzitter noodig. De stemming had plaats door geschreeuw, en, ingeval de uitslag twijfelachtig was, door afzondering van voor- en tegenstemmers.

Ἐκκλησιαστικόν, betaling voor het bijwonen der volksvergadering te Athene, eerst één, later drie obolen, waarschijnlijk eerst na den peloponnesischen oorlog ingevoerd. Ten tijde van Aristoteles was het ἐκκλ. tot een drachme verhoogd, en voor de κυρία ἐκκλησία tot 9 obolen.

Ἔκκλητος πόλις, een staat, waaraan twee strijdende staten met onderling goedvinden de beslechting van hun geschil opdragen.—Bij de verdragen tusschen verschillende staten was soms bepaald, dat wanneer een burger van den eenen staat in den anderen staat een proces verloor, hij bij zijn eigen staat van dit vonnis in appèl kon komen; de staat, waarbij men appelleert, wordt dan ook ἔκκλητος πόλις, het proces ἔκκλητος δίκη genoemd.

Ἐκκύκλημα, een machine, waardoor de achtergrond van een tooneel geopend wordt, om een huis of paleis van binnen te laten zien; v. s. een kleine houten stelling, die door de groote achterdeuren op het tooneel gerold werd, en waarop zich de personen bevonden, die voorondersteld werden in het huis te zijn.

Ἐκλογῆς, te Athene buitengewone beambten, belast met het invorderen van aan den staat verschuldigde gelden, vooral die van de schatplichtige bondgenooten.

Elaea, Ἐλαία, oude stad in aziatisch Aeolis, aan de Elaïtische golf, later haven van Pergamus.

Elaeus, g. -untis, Ἐλαιοῦς, olijvenstad, kolonie van Teos op de punt van de thracische Chersonēsus, met het grafteeken van Protesilāus, den eersten Griek, die op het trojaansch gebied aan wal sprong en tevens sneuvelde.

Elagabalus = Heliogabalus.

Elana = Aelana.

Elaphebolia, Ἐλαφηβόλια, feest ter eere van Artemis in de maand Elaphebolion gevierd, waarbij haar een koek in den vorm van een hert geofferd werd.

Elaphebolion, Ἐλαφηβολιών, 9de maand van het Attische jaar (Maart–April), zie annus.

Elatēa, Ἐλάτεια, stad en sterke burcht in Phocis, de sleutel van een bergpas naar Thessalia. Philippus van Macedonia bezette dit punt in 338, waarvan de slag bij Chaeronēa het gevolg was.

Elaver, ook Elaris, Elauris, thans Allier, zijtak van den Liger (Loire), ontspringt op den mons Cebenna.

Elbo, Ἐλβώ, eiland tusschen den phatnitischen en den tanitischen Nijlmond, waar de aegyptische koning Anysis zich schuil hield voor den aethiopischen overweldiger Sabaco en later Amyrtaeus tegen den perzischen koning Artaxerxes I.

Elea, later Velia, stad in Lucania aan de Tyrrheensche zee, door vluchtelingen uit Phocaea gesticht ± 550, toen Cyrus de perzische heerschappij over de Westkust van Klein-Azië uitbreidde. Hier woonden de wijsgeeren Xenophanes, Parmenides en Zeno, de stichters der eleatische school; zie Xenophanes.

Eleatische wijsbegeerte, z. Xenophanes.

Electra, Ἠλέκτρα, 1) dochter van Ocanus en Tethys, moeder van Iris en de Harpyieën.—2) Pleiade, bij Zeus moeder van Dardanus en Iason.—3) zuster van Cadmus, gaf haar naam aan een van de poorten van Thebe.—4) dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, zorgde bij den moord van haar vader, dat Orestes in veiligheid gebracht werd; toen hij terugkeerde, hielp zij hem op Clytaemnestra en Aegisthus wraak te nemen. Zij was door haar moeder aan een armen daglooner uitgehuwd, die haar echter met allen eerbied behandelde; later huwde zij met Pylades.—5) dochter van Latinus; v. s. was Remus de zoon van Italus en Electra.

Electrides insulae, Ἠλεκτρίδες νῆσοι, barnsteeneilanden, zie Glaesariae insulae.

Electryon, Ἠλεκτρύων, zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycēnae, gehuwd met Anaxo, vader van Alcmēne. Zie Amphitryo.

Elegia, ἐλεγεῖα (τὰ), ook ἐλεγεία, een soort lyrisch gedicht, de eerste overgang van epische tot lyrische poëzie. In inhoud, wijze van behandeling, dialect en versmaat (hexameters met pentameters afwisselend, disticha) verwijdert zich de elegie oorspronkelijk niet ver van het epos. De oudste (ionische) elegieën waren krijgsliederen of behandelden de politiek, later bij de Atheners werden het meer liederen uit het dagelijksch leven, tafel-, liefde- en klaagliederen, de Alexandrijnen eindelijk kozen dezen dichtvorm bij voorkeur voor geleerde onderwerpen. Bij de Romeinen werd sedert het einde der republiek tot zeer laat van de elegie veel werk gemaakt.

Eleleides = Bacchae.

Eleon, Ἐλεών, oude stad in Boeotia, ten O. van Tanagra.

Elephantīne, Ἐλεφαντίνη, eilandje met stad in den Nijl, op de aethiopische grenzen dicht bij Syēne, onder de Perzen en Rom. een sterk bezette grenspost.

Elephēnor, Ἐλεφήνωρ, zoon van Chalcodon, vorst der Abanten, werd voor Troje door Agēnor gedood.

Eleus = Elaeus.

Eleusinia, Ἐλευσίνια, eleusinische mysteriën, groote feesten en plechtigheden ter eere van Demēter en Persephone, die hier Cora heette, waarbij reeds vroeg Dionȳsus onder den naam Iacchus werd opgenomen. De mysteriën dienden ter herinnering aan den zwerftocht van Demeter na den roof harer dochter en zouden door die godin zelve ingesteld zijn, toen zij op dien tocht te Eleusis gastvrij ontvangen werd. Evenals men in het verdwijnen en herrijzen van Persephone eene mythische voorstelling zag van het schijnbaar sterven en herleven der natuur, zoo werden ook de eleusinische plechtigheden op twee tijden van het jaar gevierd, de groote ter herinnering aan Persephone’s afdalen naar de onderwereld in den herfst, de kleine ter viering van hare terugkomst op aarde in de lente. De groote mysteriën begonnen den 15den Boëdromion en duurden verscheiden dagen. De eerste vijf waren gewijd aan offers, reiniging, enz.; de voornaamste dag was echter de zesde, Ἵακχος genaamd, wanneer een optocht van Athene naar Eleusis gehouden werd, waaraan soms meer dan 30.000 menschen, allen bekranst, deel namen; daar men dikwijls halt maakte en de reis meermalen gestoord werd door allerlei scherts en plagerij, was het nacht, voordat men aan de plaats zijner bestemming gekomen was. Daar werden dan fakkeldansen uitgevoerd en heilige liederen gezongen, alles ter herinnering aan Demeter, haar smart bij het missen en haar vreugde bij het vinden harer dochter. De eigenlijke geheime feestviering had in een tempel (μυστικός σηκός) plaats. Wat daar gebeurde, is niet in bizonderheden bekend; slechts zooveel kan men uit de uitdrukkingen van oude schrijvers daaromtrent opmaken, dat het lot van Persephone op zeer indrukwekkende wijze dramatisch werd voorgesteld (deze voorstellingen heeten δρώμενα); zonder dat er eenig bepaald dogma verkondigd werd, moest bij de ingewijden, door wat zij zagen en mede ondervonden, de hoop opgewekt worden, dat ook zij eens, evenals de godin, uit het rijk van dood, duisternis en verschrikking verlost zouden worden. Na afloop van het sombere gedeelte der plechtigheid werd het daarmede verbonden vasten gebroken door het gebruik van een drank κυκεών, bereid uit water, meel en prij, terwijl het geheele feest besloten werd door de πλημοχόν, waarbij men uit bijzondere schalen naar oost en west water plengde. Om de vijf jaar werden de mysteriën met meer dan gewonen luister gevierd, en naar het schijnt waren er soms ook feestspelen mede verbonden.—De kleine mysteriën werden in de maand Anthesterion in de voorstad Agrae gevierd en stelden het mystisch huwelijk tusschen Persephone en Iacchus voor.—De mysteriën waren oorspronkelijk alleen voor Eleusiniërs, later ook voor Atheners, vervolgens voor alle Grieken toegankelijk, eindelijk werden ook barbaren ingewijd, mits een atheensch burger (μυσταγωγός) hen inleidde. Gewoonlijk ontving men de eerste wijding bij de kleine mysteriën; alsdan mocht men de groote nog in hetzelfde jaar als μύστης bijwonen, eerst het volgende jaar werd men echter ἐπόπτης, en mocht men als zoodanig ook bij de geheime plechtigheden tegenwoordig zijn.—De feesten stonden onder het toezicht van den ἄρχων βασιλεύς, en werden geleid door verschillende priesters, waarvan de voornaamste de ἱεροφάντης was; op hem volgden de δᾳδοῦχος, ἱεροκήρυξ en ἐπιβώμιος.—Lang stonden de eleusinische mysteriën bij de Grieken in hoog aanzien. Zij werden opgeheven bij besluit van Theodosius den Gr., nadat reeds kort te voren de tempels en andere heilige gebouwen door dweepzieke monniken in het gevolg van Alarik verwoest waren.

Eleusis, g. -īnis, Ἐλευσίς, 1) stad in Attica nabij de grenzen van Megaris. De stad was beroemd door hare mysteriën ter eere van Demēter en Persephone, zie Eleusinia. De weg van Athenae naar Eleusis heette ἱερὰ ὁδός. Eleusis had met Brauron den naam van πόλις.—2) oude stad in Boeotia, aan den zuidelijken oever van het meer Copaïs, vroeg te gronde gegaan door de overstroomingen van het meer.

Eleutherae, Ἐλευθεραί, demus van Attica op de boeotische grenzen.

Ἐλευθέρια, 1) feest ter eere van Zeus Eleutherius om de vijf jaar te Plataeae gevierd, ter herinnering aan den gelukkigen afloop van de perzische oorlogen.—2) feest op Samus.—3) huiselijk feest door vrijgelaten slaven gevierd.

Eleutherocilices, Ἐλευθεροκίλικες, rooversstam op den Amānus en den Taurus, die zich den naam van vrije Ciliciërs gaven. Hoofdstad: Pindenissus, bergvesting.

Eleutho, Ἐλευθώ = Ilithyia.

Elfmannen, zie Ἕνδεκα.

Elicius, bijnaam aan Jupiter gegeven als regengod; men trachtte in tijden van droogte door een processie (het aquaelicium) van blootvoets gaande matronae met loshangende haren, en van de ambtenaren zonder teekenen hunner waardigheid, van Jupiter Elicius regen af te smeeken; hierbij werd ook de regensteen, lapis manalis door de priesters onder gebeden medegevoerd. Later heeft men J. El. vereenzelvigd met den bliksemgod, en meende men, hem door zekere formules te kunnen dwingen den bliksem uit den hemel naar beneden te zenden; hij had een tempel op den Aventīnus, door Numa gebouwd.

Elimēa, Elimia, -iōtis, Ἐλίμεια, Ἐλιμία, -ιῶτις, landschap van Macedonia, in het zuiden, op de thessalisch-epirotische grenzen. Hoofdstad: Elima.

Elimberris (Climberris), hoofdstad der Ausci, in Aquitania, zie Ausci.

Elis, Ἦλις, Ἠλεία, het meest westelijke gewest der Peloponnesus, in vier deelen verdeeld: Elis propria in het N.W., Acrorēa in het N.O., Pisātis met de hoofdplaats Pisa, in het midden, en Triphylia, het land der drie stammen: Caucōnes, Paroreātae, en Minyae, in het Z.—De stad Pylus Triphyliacus was v. s. de woonplaats van den grijzen Nestor. In Pisatis lag Olympia, aan den Alphēus, de beroemde schouwplaats der olympische spelen. Uithoofde dezer spelen was Elis aan Zeus Olympius geheiligd en onschendbaar en mocht door geene vijandelijke legers betreden worden; tot op den peloponnesischen oorlog werd deze onschendbaarheid geëerbiedigd. Om dezelfde reden had ook de stad Elis, aan den Penēus gelegen, geene muren. Oudtijds was Elis door Epeërs bevolkt; bij de dorische verhuizing viel het ten deel aan den Aetoliër Oxylus en uit de samensmelting van Epeërs, Aetoliërs en Doriërs ontstonden de Eleërs. De dorische naam van het land is Ἆλις. In Elis behooren de mythen te huis van Pelops en de schoone koningsdochter Hippodamīa en van den Augīasstal en den stroom Alphēus.

Elisa, Elissa = Dido.

Elison, Ἐλισσών, Ἔλισα, beek, grens tusschen Elis propria en Pisātis.

Elische school, z. Phaedo.

Ellopia, Ἐλλοπία, 1) stad en kustland in het N. van Euboea, daarom ook = Euboea.—2) oude naam der omstreken van Dodōna in Epīrus.

Elmantica = Salmantica.

Elōne, Ἠλώνη, stad in het thessalische landschap Perrhaebia, later Limōne, Λειμώνη.

Elōrus, Ἔλωρος, Ἕλωρος, zie Helōrus.

Elpēnor, Ἐλπήνωρ, een van de tochtgenooten van Odysseus, viel in dronkenschap van het dak van Circe’s paleis en brak den nek. Odysseus ontmoette hem later in de onderwereld.

Elymāis, Ἐλυμαΐς (Elâm), landstreek in Susiāne, bewoond door de krijgshaftige Elymaeërs, die als boogschutters in het O. grooten naam hadden.

Elymi, Ἔλυμοι, sicilische volksstam, die rondom den berg Eryx woonde, verbonden met de Carthagers.

Elymia, Ἐλυμία, stad in Arcadia, ten Z. van Orchomenus.

Elymiotis = Elimea.

Elimus, Ἔλυμος, zoon van Priamus of Anchīses, vluchtte uit Troje naar Sicilië en werd de stamvader van de Elymi (z. a.).

Elysii of Elisii, germaansche volksstam tot de Lugii behoorend, in het N.O. van Germania, vermoedelijk aan den bovenloop van de Oder.

Elysium, Ἠλύσιον πεδίον, een veld aan het uiterste einde der aarde, waarheen lievelingen der goden zonder te sterven verplaatst worden om er een zalig leven te leiden. Volgens lateren is het een deel van de onderwereld, waar de braven na hun dood verblijf houden.

Emancipatio. Hoewel volgens het rom. recht een vader krachtens zijne patria potestas zijne kinderen kon verkoopen, zoo had dit recht toch zijne grenzen. Hij kon zijn zoon niet vaker verkoopen dan driemaal, overeenkomstig de wet der 12 tafelen. Hiervan maakten de Rom. gebruik om een zoon van de patria potestas te ontslaan. De vader verkocht zijn zoon per aes et libram ten overstaan van een libripens en vijf getuigen door een schijnkoop aan een pater fiduciarius (zie fiducia). Deze liet echter den zoon weder vrij, zoodat deze weder onder de vaderlijke macht terugkeerde. Wanneer deze handeling nu driemaal herhaald was, was de vaderlijke macht verbroken. De pater fiduciarius gaf den zoon ten derde male aan den pater naturalis terug, doch deze had hem nu niet meer in potestate, doch slechts in mancipio en kon hem hiervan vrij verklaren, manumittere, waardoor hij sui iuris werd.

Emathia, Ἠμαθία, landschap van Macedonia ten W. van den Axius (Vardar), de bakermat van het macedonisch koningshuis. Dichterlijk is Emathia zoowel = Macedonia als = Thessalia.

Emathides, Ἠμαθίδες, negen dochters van Pierus, koning van Emathia, die met de Muzen een wedstrijd durfden aangaan en in eksters veranderd werden.

Emathion, Ἠμαθίων, zoon van Tithōnus en Eos, koning van Arabië, werd door Heracles gedood.

Ἐμβάδες, schoenen, meestal door mannen uit de lagere standen gedragen.

Ἐμβατήριον, 1) bij de Spartanen de muziek, die bij het marcheeren geblazen werd, ook een anapaestisch lied, dat men op marsch zong.—2) offer, voordat men zich inscheepte.

Emblemata, 1) inlegwerk, (in tegenstelling met crustae z. a.) goud in zilver, of zilver in brons, waarvan de figuren “en relief” zijn.—2) mozaiek.

Emerita Augusta = Augusta Emerita.

Emesa, Ἔμεσα, stad in Syria, aan den Orontes, met een prachtigen zonnetempel, waar Heliogabalus opperpriester was, voordat hij romeinsch keizer werd. Alexander Sevērus was te Emesa geboren. In de nabijheid werd Zenobia van Palmȳra in 272 na C. door Aureliānus verslagen.

Ἐμμέλεια, dans in het grieksche treurspel, waarschijnlijk meer een gebarenspel, waardoor de inhoud der koorzangen aanschouwelijk voorgesteld werd.

Emmenidae, Ἐμμενίδαι, een adellijk geslacht te Gela en Agrigentum; na den dood van den tyran Phalaris hadden zij te Agrigentum de regeering in handen. De beroemdste van hen was Theron, wiens zoon Thrasydaeus om zijne wreedheid verdreven werd (470). Hun stamvader was, naar zij beweerden, Polynīces.

Ἔμμηνοι δίκαι, te Athene processen, waarin binnen dertig dagen na de aanklacht uitspraak gedaan moest worden.

Emōdi montes, Ἠμωδὸν ὄρος. De Emōdi montes en de Imāus, Ἲμαος, der ouden grensden aan elkander, zonder dat men echter een juist begrip van de ligging had. Vermoedelijk vormen de Emōdi montes het westelijk, de Imāus het oostelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte.

Emona, stad in Pannonië aan den Nauportus (zijtak van den Savus), tgw. Laibach. Bij latere schrijvers wordt de stad gerekend tot Italië te behooren.

Empedocles, Ἐμπεδοκλῆς, van Agrigentum (492–432), uit een aanzienlijk en rijk geslacht, wierp als een van de leiders der volkspartij de aristocratische regeering in zijne vaderstad omver (444), weigerde de hem aangeboden koninklijke waardigheid en voerde eene zuivere democratie in. Als staatsman, natuur- en geneeskundige, wijsgeer en redenaar uitmuntend, werd hij als een gunsteling der goden beschouwd en na zijn dood als heros vereerd. Op het einde van zijn leven ging hij naar de Peloponnēsus, en het schijnt dat hij buiten zijn vaderland gestorven is; ook verhaalde men dat hij, om door zijne plotselinge verdwijning indruk te maken, in den Aetna sprong, en dat dit later verraden werd, doordat de berg een van zijne sandalen uitbraakte.—In zijne leerdichten, περὶ φύσεως en καθαρμοί, waarvan nog verscheiden fragmenten bestaan, verkondigt hij de eeuwigheid en onvergankelijkheid der stof; hij neemt vier stoffelijke elementen (ῥιζώματα) aan: vuur, lucht, aarde en water, waarop twee ideale elementen, liefde en haat, inwerken; onder de heerschappij der liefde is alle stof vereenigd tot ééne massa of chaos (σφαῖρος), heeft de haat alle macht, dan bestaan alle stofdeeltjes afzonderlijk, tusschen deze beide uitersten ligt het leven van individuën. Ontstaan en vergaan zijn dus ijdele woorden, er is slechts vereeniging (μῖξις) en scheiding (διάλλαξις). De ziel is een mengsel van alle elementen en is daardoor in staat alle te kennen. Ook de leer van de zielsverhuizing schijnt Empedocles van Pythagoras of de Orphici te hebben overgenomen.

Emporia, τὰ Ἐμπόρια, landstreek in Africa aan de kleine Syrte, zeer vruchtbaar en reeds vroeg met phoenicische koloniën bezet.

Emporium, Emporiae, Ἐμπορίον, Ἐμπόριαι, kolonie van Massilia in het gebied der Indigetes, aan den O. uithoek der Pyrenaeën, tegenwoordig Ampurias.

Emptio venditio (zonder et), koop en verkoop. Emptio bonorum, zie bonorum emptio. Emptor familiae, de schijnkooper, zie fiducia.

Empulum, stadje in Latium, bij Tibur.

Ἐμπυρομαντεία, de kunst van waarzeggen uit het branden van het offervuur, het eerst, naar het heette, onderwezen door Amphiarāus.

Empūsa, Ἔμπουσα, een spook of menschenetend monster met ezelspooten, waarmede men kinderen bang maakte.

EN = Dies endotercisus, z. Festi (dies).

Ἐναγώνιος, bijnaam van verscheiden goden als beschermers van wedstrijden, vooral van Hermes.

Enarete, Ἐναρέτη, dochter van Deïmachus, gemalin van Aeolus no. 1.

Encaustica, n.l. ars, ἐγκαυστικὴ (τέχνη), de kunst om met kleuren te schilderen, welke met was waren aangemengd en vervolgens op het beschilderde voorwerp voorzichtig werden ingebrand. Op die wijze werden marmeren beeldwerken en ook architectuurstukken beschilderd. Men kreeg op deze wijze levendige, schitterende kleuren, doch men schijnt nog niet achter de bizonderheden der bewerking te zijn. Ook het inbranden van figuren in ivoor met eene heet gemaakte graveerstift wordt encaustiek genoemd. Voorbeelden van encaustiek op hout zijn de portretten, die men in late aegyptische graven gevonden heeft.

Enceladus, Ἐγκέλαδος, een der Giganten, die met de goden streden; hij werd overwonnen en ligt sedert onder den Aetna.

Encheleis, Ἐγχελεῖς, een volksstam in zuidelijk Illyrië.

Endēis, Ἐνδηίς, dochter van Chiron, gemalin van Aeacus, moeder van Peleus en Telamon.

Ἔνδειξις, in het attisch recht een vorm van aanklacht, ten gevolge waarvan de aangeklaagde terstond in hechtenis genomen werd, tenzij hij borgen stelde. Dit geschiedde bijv. wanneer een onbevoegde zich burgerlijke rechten aangematigd had en in sommige gevallen bij moord.

Endotercisi (intercisi) dies, zie Festi (dies).

Endromis, ἐνδρομίς. Bij de Rom. beteekent dit woord een grof wollen deken, die men na lichaamsoefeningen omsloeg, ten einde geen koude te vatten. De endromis Tyria was van fijnere stof. Bij de Grieken echter is endromis eene sterke, van voren dichtgeregen jachtlaars, waarmede Artemis dikwijls werd afgebeeld, en die kuit en voet omsloot, maar de teenen bloot liet.

Endymion, Ἐνδυμίων, zoon van Zeus of Aëthlius en Calyce, koning van Elis, had bij Selēne vijftig dochters; zijn graf was te Olympia.—V. a. was hij een Cariër of van Elis naar Carië gegaan en leefde hij daar op den berg Latmus. Selēne beminde hem en steeg elken nacht van haar wagen af om hem in zijn slaap te beschouwen en te kussen, waarom hij tot Zeus bad dat hij eeuwig slapen en eeuwig jong blijven mocht, wat hem werd toegestaan.—Andere verhalen noemen Artemis in plaats van Selēne en maken van End. een jager of herder.

Ἐνεχυρασία of ἐνεχυρασμός, het beslag leggen op goederen van iemand, die na veroordeeling verzuimde op den bepaalden termijn te betalen.

Engyum of Engyïum, Ἔγγυον, Ἐγγύιον, stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. van Apollonia, met een tempel der Magna Mater of, volgens andere schrijvers, van de θεαὶ μητέρες.

Enīpeus, Ἐνιπεύς, rivier in Thessalia, zijtak van den Apidanus. De riviergod werd bemind door Tyro, dochter van Salmōneus; Poseidon nu nam de gedaante aan van Enipeus en verwekte bij Tyro twee zoons, Pelias en Neleus. De mythe wordt ook verplaatst naar den Enipeus in Elis, een zijtak van den Alphēus. Een derde rivier van denzelfden naam in Macedonië ontspringt op den Olympus en stroomt bij Dium (no. 3) in zee.

Enispe, Ἐνίσπη, oude stad in Arcadia, vroeg verdwenen.

Enna of Henna, Ἔννα, oude stad der Siculi in het binnenland van Sicilia, ὁ ὀμφαλὸς Σικελίας geheeten, afhankelijk van Syracusae, op een steile hoogte in eene zeer vruchtbare landouw gelegen, waar veel tarwe verbouwd werd. Daarom was de stad met haren omtrek aan Demēter geheiligd. In den sicilischen slavenopstand onder Eunus, die in 132 onderdrukt werd, was Enna het brandpunt. Hier laat de mythe Proserpina door Pluto schaken. Tegenwoordig is de streek dor en woest.

Ennaëtēris, Ἐνναετηρίς, astronomische cyclus van acht jaar, met 96 maanden en 3 schrikkelmaanden = 2922 dagen, ingevoerd door Cleostratus van Tenedus.—Ook feesten, die om de acht jaar gevierd worden, heeten ἐννεατηρίδες.

Ἐννεάκρουνος, zie Callirrhoë no. 5.

Ἐννέα ὁδοί, naam der streek, waar later Amphipolis werd gesticht.

Ennius (Q.), rom. dichter, in 239 te Rudiae in Calabria geboren, Griek door opvoeding en reeds vroeg met de grieksche letterkunde bekend. M. Porcius Cato Maior vond hem in 204 als rom. soldaat op Sardinia, merkte zijn talent op en nam hem naar Rome mede. Dáár verwierf Ennius zich de vriendschap van verschillende aanzienlijke Rom., o.a. van de Scipiones en de Fulvii Nobiliores, door wier toedoen hij in 184 onder de rom. burgers werd opgenomen. Hij stierf in 169. De Rom. zagen in Ennius den schepper hunner nationale poëzie. Zijn voornaamste werk zijn zijne Annales, in 18 boeken, eene doorloopende rom. geschiedenis in verzen, en wel niet in de oude, harde saturnische, maar in epische versmaat. Hij was de eerste, die den dactylischen hexameter op het Latijn toepaste. Vooral Vergilius heeft voor zijne Aeneis aan Ennius zeer veel ontleend. Ook schreef E. naar grieksche voorbeelden een aantal treurspelen, benevens andere gedichten van gemengden inhoud, vooral Saturae (4 boeken), en in proza een vertaling van de ἱερὰ ἀναγραφή (sacra historia) van Euhemerus (z. a.). Ten onrechte hebben sommige schrijvers verteld, dat hij in het familiegraf der Scipio’s begraven is.

Ennomus, Ἔννομος, 1) Mysiër, bondgenoot der Trojanen, beroemd als vogelwichelaar.—2) Trojaan, door Odysseus gedood.

Ἐννοσίγαιος, aardschudder, bijnaam van Poseidon.

Ἐνόδιος, Ἐνοδία, op de wegen vertoevend, bijnaam van Hermes, Artemis, Hecate en Persephone.

Ἐνωμοτία, afdeeling van het spartaansche leger, het zestiende deel van eene μόρα, bestaande uit 25, 32 of 36 man.

Enope, Ἐνόπη, oude stad in Messenia, later Gerenia genoemd.

Ἐνοσίχθων = Ἐννοσίγαιος.

Ἔντασις is de zwelling of verdikking, die men in het midden van de dorische zuil opmerkt, en die het denkbeeld moet wekken, dat de zuil iets zwaars te dragen heeft, zie columna.

Entella, Ἔντελλα, stad aan den Crimīsus in het W. van Sicilia, in het gebied der Elymi.

Entīmus, Ἔντιμος, Cretenser, die eene kolonie naar Gela op Sicilië bracht.

Entoria, dochter van een rom. landman, werd bij Saturnus, die bij haar vader zijn intrek genomen had, moeder van vier zonen. Saturnus leerde haar vader wijn bereiden, en toen deze zijn buren van den nieuwen drank gegeven had, en zij daardoor bedwelmd werden, meende men dat hij hen vergiftigd had en steenigde men hem. Daarom hingen zijne kleinzonen zich op. Een latere hongersnood werd als een straf van den god beschouwd, en om hem en zijne zonen te verzoenen, bouwde Lutatius Catulus aan de tarpeïsche rots een tempel voor Saturnus met een altaar met vier aangezichten. Dit verhaal is een late nabootsing van de sage van Erigone, zie Icarius.

Enyalius, Ἐνυάλιος, bijnaam van Ares, v. a. een krijgsgod, zoon van Ares en Enȳo.

Enȳo, Ἐνυώ, 1) eene oorlogsgodin, die Ares in den oorlog vergezelde; te Athene stond haar beeld in den tempel van dien god. De Rom. hielden haar voor dezelfde als Bellōna.—2) een van de Graeae.—3) cappadocische godin, = Rhea Cybele of Artemis.

Ἔωρα, z. Erigone.

Eordaea, Ἐορδαία, stad en landschap in het hart van Macedonia, ten W. van den mons Bermius, bewoond door de Eordi, Ἐορδοί.

Eos, Ἠώς, dochter van Hyperīon en Thea, de rozenvingerige (ῥοδοδάκτυλος), in saffraankleurige kleederen gehulde (κροκόπεπλος) godin van het morgenrood, stijgt des morgens vroeg uit den Oceaan op en brengt aan goden en menschen het daglicht, terwijl zij voor haar broeder Helius uit rijdt; later wordt zij godin van den dag genoemd. Zij was gehuwd met Astraeus, bij wien zij moeder werd van de winden en sterren; nadat hij in den Tartarus geworpen was, schaakte zij achtereenvolgens Orīon, Tithōnus, Clitus en Cephalus. Een eeredienst had zij niet. Bij de Rom. is zij dezelfde als Aurōra, die echter eene dochter van den zonnegod genoemd wordt.

Epacria, Ἐπακρία = Diacria.

Ἐπαγγελία δοκιμασίας, de verklaring, in de atheensche volksvergadering, soms onder eede, afgelegd, dat men van plan was dengene, die zich gereed maakte tot het volk te gaan spreken, wegens eene crimineele handeling aan te klagen; zulk eene verklaring schokte natuurlijk het vertrouwen van het volk in den spreker, maar moest ook door de aangekondigde aanklacht gevolgd worden.

Epaminondas, Ἐπαμεινώνδας, Thebaan, zoon van Polymnis, uit een arm maar edel geslacht, geb. omstreeks 418. Met den grootsten ijver legde hij zich toe op alles, wat tot de ontwikkeling van lichaam en geest konde dienen; vooral schepte hij behagen in het onderwijs van den pythagoreïschen wijsgeer Lysis, die, uit Tarente gevlucht, in het huis van Ep. eene schuilplaats vond. Bescheiden en zelfverloochenend, in het staatkundige vervuld van een ideaal, dat hoog boven het streven der twistende partijen in zijne vaderstad stond, vervulde hij lang eene betrekkelijk onbeduidende rol; afkeerig van burgertwisten, nam hij ook geen deel aan de samenzwering van zijn vriend Pelopidas, die in 379 een einde maakte aan de spartaansche overheersching en de oligarchische regeering; toen echter de vrijheid heroverd was, trad Ep. op den voorgrond. Hij bewerkte, dat de omwenteling bij de burgerij krachtigen steun vond, dat de gevallen partij niet te veel van de wraak der overwinnaars te lijden had, en dat de meeste boeotische steden zich bij Thebe aansloten. Als gezant bij de vredesonderhandelingen te Sparta (371) weigerde hij toe te stemmen in de oplossing van den boeotischen bond; toen de oorlog hervat werd, behaalde hij als boeotarch de schitterende overwinning bij Leuctra (371), die men grootendeels te danken had aan de door Ep. uitgevonden scheeve slagorde (λοξὴ φάλαγξ), waarin de linker vleugel veel diepere opstelling had dan de rechter en het centrum en, tegen de in gr. legers heerschende gewoonte, met den eigenlijken aanval belast was (z. Τάξις). Een gevolg van deze overwinning was, dat de meeste peloponnesische staten van Sparta afvielen, en in het volgende jaar trok Ep. zelf met een groot leger naar de Peloponnēsus, ten einde eenheid tusschen die staten tot stand te brengen; hij dringt tot Sparta zelf voorwaarts en bewerkt het herstel van Messenië en de stichting van Megalopolis door de Arcadiërs. In 368 werd Pelopidas verraderlijk door Alexander van Pherae gevangen genomen en de Thebanen zonden een leger om hem te bevrijden; toen dit leger door onbekwaamheid van den aanvoerder in gevaar geraakt was, verlangde het dat Ep., die als gewoon soldaat aan den tocht deelnam, het opperbevel zou in handen nemen; hij leidde den terugtocht en bij een tweede expeditie dwong hij Alexander zich aan de eischen van Thebe te onderwerpen. Ook wendde Ep. pogingen aan om zijne vaderstad tot eene zeemogendheid te verheffen, die echter zonder gevolg bleven. Besluiteloosheid bij de peloponnesische bondgenooten en de moeielijkheid hen op den duur tot eendrachtige samenwerking te bewegen, noodzaakten Ep. nog herhaaldelijk tot tochten naar de Peloponnēsus, het laatst in 362, toen hij weder zeer nabij Sparta kwam; daar hij echter zag, dat men daar op zijne komst voorbereid was, trok hij terug tot Mantinēa, waar het tot een slag kwam. Ep. behaalde weder de overwinning en joeg het geheele vijandelijke leger op de vlucht, maar werd doodelijk gewond. Met hem eindigde de kortstondige grootheid van Thebe.

Epaphrodītus, Ἐπαφρόδιτος, 1) geleerd grammaticus, zeer bevriend met Flavius Josephus, kwam onder Nero naar Rome en leefde er tot de regeering van Nerva; hij schreef commentaren op oude grieksche dichters.—2) geheimschrijver van Nero, wien hij bij zijn zelfmoord behulpzaam was, daarom werd hij (in 95) door Domitiānus ter dood veroordeeld.

Epaphus, Ἔπαφος, zoon van Zeus en Io, werd koning van Aegypte en stichter van Memphis.

Ἐπάριτοι, heette het gemeenschappelijk leger der Arcadiërs, toen de arcadische steden na den slag bij Leuctra tot een bond vereenigd waren.

Epēi, Ἐπειοί, oude volksstam uit Thessalia, die lang vóór den trojaanschen oorlog naar Aetolia was getrokken en zich later in het N. van Elis had gevestigd. Zie Elis.

Eperatus, Ἐπήρατος, van Pharae, opvolger van Arātus als strateeg van het achaeisch verbond.

Epetium, stad in Dalmatia, ten Z. van Salona.

Epēus, Ἐπειός, 1) zoon van Endymion, was overwinnaar in den wedloop, dien hij op bevel van zijn vader te Olympia met zijne broeders hield, en kreeg daardoor de regeering over Elis.—2) zoon van Panopeus, van een van de Cycladen, een van de strijders tegen Troje, beteekende weinig als krijgsman, maar was beroemd als vuistvechter en als maker van het houten paard van Troje. In latere verhalen wordt hij als verachtelijk laf voorgesteld; v. s. zou hij naar Italië gekomen zijn en Pisa en Metapontum gesticht hebben.

Ἔφηβος, jong mensch die den huwbaren leeftijd bereikt heeft, tusschen knaap en man. Te Athene werden de knapen op hun 18de jaar ἔφηβοι, na twee jaar (ἐπὶ διετὲς ἡβήσαντες) dienstplicht als grenswacht (περίπολοι), werden zij op hun 20ste jaar meerderjarig, kregen zij toegang tot de volksvergadering en traden zij in den geregelden krijgsdienst. Het kenteeken der ἔφηβοι is kort geschoren haar, terwijl kinderen en mannen het haar lang dragen.

Ἔφεδρος, degene die, bij een wedstrijd waarvoor zich een oneven aantal mededingers hebben aangegeven, bij de loting geen tegenpartij gekregen heeft, en dus afwacht totdat hij, door het afvallen der overwonnenen, gelegenheid krijgt aan den strijd deel te nemen.

Ephesia, Ἐφέσια, feest ter eere van Artemis te Ephesus in de maand Artemision gevierd. Hieraan namen alle Ioniërs van Klein-Azië deel. Er werden ἀγῶνες ἱππικοί, γυμνικοί en μοοσικοί gehouden. In later tijd was hieraan een nachtelijk feest verbonden, dat berucht was wegens zijne onzedelijkheid en niet toegankelijk was voor getrouwde vrouwen.

Ephesiae literae, Ἐφέσια γράμματα, onverstaanbare woorden, ingegrift op het beeld der ephesische Artemis; deze woorden werden op metalen plaatjes of steenen gegraveerd, die dan als amuletten groote waarde hadden.

Ἔφεσις, hooger beroep, van een vonnis der heliastenrechtbank was alleen in geval van veroordeeling bij verstek geoorloofd; van een scheidsrechterlijk vonnis (zie διαιτητής) kon men bij de Helaea apelleeren tegen storting van zekere som als παράβολον.

Ἐφεστρίς, omslagdoek of mantel, bij koud weder door mannen en vrouwen gedragen.

Ephesus, Ἔφεσος, na de tuchtiging van Milētus de voornaamste der 12 ionische bondssteden op de aziatische kust, aan den mond van den Cayster. Volgens de mythe was de stad oorspronkelijk gesticht door Amazonen. Het was in elk geval een vóór-Grieksche stad (met de opgravingen zijn vele myceensche vondsten voor den dag gekomen), door de Cariërs gesticht. In ongeveer 1100 hebben de Ioniërs onder Androclus er bezit van genomen. De stad was beroemd door haren Artemis-tempel, die voor een van de zeven wonderen doorging. Omtrent den dienst van deze Artemis zie men Artemis aan het einde. In 356, juist in den nacht van Alexanders geboorte, stak Herostratus, om zijn naam te vereeuwigen, den tempel in brand; doch deze herrees nog prachtiger dan te voren. Lysimachus vergrootte de stad in 268 en legde een nieuwe haven aan, daar de oude dicht geslibd was door de aanslibbingen van den Cayster; maar haar toppunt van bloei bereikte zij onder de rom. keizers als hoofdstad der provincie. Ephesus dreef voortdurend een levendigen handel en was de voornaamste stapelplaats van Klein-Azië. De wijsgeer Heraclītus (± 510) was hier geboren.

Ἐφέται, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.

Ephialtes, Ἐφιάλτης, 1) een van de Aloaden, z. Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.—2) een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.—3) een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.—4) Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.—5) atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.

Ephori, ἔφοροι, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.—De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reeds door Lycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering een tegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.—2) een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.

Ephorus, Ἔφορος van Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.

Ephyra, Ἐφύρα, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epīrus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).

Epibomius, Ἐπιβώμιος, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.

Epialtes, z. Ephialtes no. 2.

Epicaste, Ἐπικάστη, 1) = Iocaste.—2) dochter van Calydon, echtgenoote van Augīas.—3) dochter van Augīas, moeder van Thessalus.

Epicharis, Ἐπίχαρις, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.

Epicharmus, Ἐπίχαρμος, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijn fort is de mythologische travestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooals Βούσειρις, Ἥβας γάμος, Κωμασταὶ ἢ Ἅφαιστος. Andere stukken zijn meer verwant met de Μῖμοι (z. Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.

Ἐπιχειροτονία, 1) ἐπ. τῶν νόμων, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantal νομοθέται gekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (συνήγοροι, σύνδικοι) der oude wet optraden.—2) ἐπ. τῶν ἀρχῶν, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.

Epicnemidii (Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.

Epicrates, Ἐπικράτης, hielp Thrasybūlus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.

Epictētus, Ἐπίκτητος, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.—2) geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphrodītus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitiānus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epīrus, waar hij tot den tijd van Hadriānus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arriānus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (διατριβαί) en in een meer beknopt (ἐγχειρίδιον) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.

Epicūrus, Ἐπίκουρος, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze als κληροῦχος eigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilēne, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.—Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (χαρά, εὐφροσύνη), maar ook in rust (ἀταραξία, ἀπονία) bestaat; geestelijk genot staat hooger dan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.—Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften—men spreekt van bijna 300—is slechts zeer weinig bewaard gebleven.

Epicȳdes, Ἐπικύδης, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.—2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.

Epidamnus = Dyrr(h)achium.

Epidaurus, Ἐπίδαυρος, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.

Epidaurus Limēra, Ἐπίδαυρος ἡ Λιμηρά, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.

Epidemia, Ἐπιδήμια, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.

Epidius Marullus (L.), z. Caesetius Flavus.

Ἐπίδοσις, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij de εἰσφορά meer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.

Ἐπιγαμία = Conubium.

Epigenes, Ἐπιγένης, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionȳsus. Hij behoort geheel tot de sage.—2) blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.—3) twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.—4) van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.—5) ten onrechte bijg. Γνωμωνικός, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.—6) vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.

Epigoni, Ἐπίγονοι, 1) z. Adrastus.—2) titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homērus toegeschreven.

Ἐπιγραφῆς, Ἐπιγνώμονες = Διαγραφῆς.

Ἐπίκληρος, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (θῆτται) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.

Ἐπιλαχών, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.

Ἐπιλήναια, z. Lenaea.

Epimenides, Ἐπιμενίδης, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.

Epimētheus, Ἐπιμηθεύς, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Promētheus (z.a.), bij Pandōra vader van Pyrrha.

Epimēthis, Pyrrha, dochter van Epimētheus.

Epiphanēa, Ἐπιφάνεια, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amānus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.—2) stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.

Epipolae, Ἐπίπολαι, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.

Epīrus, Ἤπειρος, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. Deze Illyriërs hadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4de eeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295–272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenīce de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirōtae, Ἠπειρῶται.

Epīrus nova = Illyris graeca.

Ἐπισημαίνεσθαι, z. Εὔθυναι en Λογισταί.

Ἐπιστάται, 1) z. Πρυτάνεις.—2) ἐπ. τῶν δημοσίων ἔργων, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.

Ἐπιστροφία, bijnaam van Aphrodite (z.a.).

Epitādeus, Ἐπιταδεύς, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.

Ἐπιτροπή, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.

Ἐπιτροπῆς δίκη, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van de ἐπιτροπῆς γραφή bij den archont aangeklaagd worden.

Ἐπωβελία, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.

Epōdus, Ἐπῳδός, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.—2) versus intercalaris of epiphthegmaticus, refrein.—3) in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naam Epodon liber aan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoud iambi genoemd zijn.

Ἔποικοι, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.

Epōna, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1ste eeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.

Eponymus, ἐπώνυμος, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.

Ἐπόπτης, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zie Eleusinia.

Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpīna, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onder Agrariae leges: Lex Appuleia agraria van 100. Later municipium.

Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.

Epos, ἔπη, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homērus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5de eeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.—Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.—Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aenēis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.

Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.

Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarna legatus pro praetore van Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasiānus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70–Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).

Epulōnes. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. De lex Licinia van den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen, triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naam septemviri, op tien.

Epyaxa, Ἐπύαξα, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.

Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op den campus Martius plaats had.

Equites (over de atheensche ἱππῆς z. a.). Eene lijfwacht van ruiterij, celeres genaamd naar het gr. woord κέλητες, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder een tribunus celerum, v. s. onder 3 tribuni celerum. Onder de koningen klom het getal equites tot 1800, in 18 centuriae verdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam van sex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus: Ramnes, Tities, Luceres priores en posteriores. De overige heeten XII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaalde census voor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2½ as = ƒ 40.000. Bij de lex Roscia theatralis van 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestre z. a.) voor het aankoopen van een paard, equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld, aes hordearium (z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook de equites gemonsterd, recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woorden traduc equum of vende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten der equites was geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwillige equites op eigen kosten te dienen. Zóó had men toen equites equo publico en equo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantal equites bedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren de equites bestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en de equites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die van tribuni militum en praefecti, worden uitsluitend door equites bekleed, terwijl de hoogste rang, die een pedes bereiken kan, die van primipilus is. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijne lex Sempronia iudiciaria vast, dat de indices niet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zie iudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand, ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zie lex Claudia), de bankiers, de belastingpachters of publicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunica angusticlavia, met smallen purperstreep (zie clavus), en in dienst of bij plechtige optochten de trabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zie Roscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in de com. centuriata zie men praerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aan equites opgedragen, met de titels praefecti en procuratores.

Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, de eq. equo publico of eq. illustres, ook wel eq. dignitate senatoria geheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.

Equites singulares, in de 2de en 3de eeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).

Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in de acta martyrum wordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.

Equus Tuticus of Aequum Tuticum, een stadje der Hirpīni in Samnium ten O. van Beneventum.

Er, Ἦρ, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.

Erae, Ἔραι, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.

Erana, Ἔρανα, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amānus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.

Ἔρανος, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter, ἀρχέρανος of ἐρανάρχης, handen, die deze geheele som den vrager van den ἔρανος ter hand stelt, onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. De ἔρ. wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v. ἔρ. πεντακοσιόδραχμος, òf naar de grootte van de heele som b.v. ἔρ. εἰκοσιμναῖος, τετταρακονταμναῖος. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andere ἔρ., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.

Erasinides, Ἐρασινίδης, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.—2) corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).

Erasīnus, Ἐρασῖνος, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.—2) beek in Attica, bij Brauron mondend.

Erasistratus, Ἐρασίστρατος, 1) van Iūlis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3de eeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.—2) Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.

Erato, Ἐρατώ, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.

Eratosthenes, Ἐρατοσθένης, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.—2) van Cyrēne, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk: Γεωγραφικά of Γεωγραφούμενα in drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.

Erchomenus, Ἐρχομενός, oude naam voor: Orchomenus, z. a.

Ercte, Εἰρκτή of Εἱρκτή, bergvesting in N.W. Sicilia. Αἱ Εἱρκταί, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.

Erechthēis, Ἐρέχθηίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Erechthēum, Ἐρέχθειον, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athēna Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. Zie Athenae.

Erechtheus, Ἐρεχθεύς, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athēna (z. Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athēna en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechthēum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.—2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandīon, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.—V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.

Erembi, Ἐρεμβοί, onbekende volksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.

Ἔρημος δίκη, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (ἀντιλαχεῖν τὴν ἔρημον), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.

Eresus, Ἔρεσος, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).

Eretria, Ἔρετρία, voorname havenstad op Euboea aan den Eurīpus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7de eeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Orōpus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zie Chalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darīus I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.—Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiōtis.

Eretri(a)ci, Ἐρετριακοί, wijsgeeren uit de school van Menedēmus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.

Erētum, Ἤρητον, oude sabijnsche stad aan den Tiber.

Ereuthalion, Ἐρευθαλίων, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.

Ἐργαδῆς = Ἀργαδῆς.

Ergane, Ἐργάνη, bijnaam van Athēna (z. a.).

Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.

Ergīnus, Ἐργῖνος, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.—V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamēdes en Trophonius.—2) zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.

Erianthus, -thes, Ἐρίανθος, -άνθης, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.

E(e)riboea, 1) Ἠερίβοια, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).—2) Ἐρίβοια, z. Periboea no. 5.

Erichthonius, Ἐριχθόνιος, 1) = Erechtheus.—2) zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.

Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.

Eridanus, Ἠριδανός, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.—2) beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.

Erigon, Ἐριγών, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.

Erigone, Ἠριγόνη, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionȳsus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feest Αἴωρα of Ἔωρα, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.—2) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.

Erineüs, Ἐρινεός, eene der vier steden van Doris.

Erinna, Ἤριννα, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4de eeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.

Erin(n)yes, Ἐριν(ν)ύες, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden, Εὐμενίδες, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.—Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.—De Rom. noemden deze godinnen Furiae of Dirae deae.

Eriphȳle, Ἐριφύλη, z. Amphiarāus en Alcmaeon.

Eris, Ἔρις, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.—Bij de Romeinen heet zij Discordia en behoort zij in het gevolg van Bellōna.

Eristici, Ἐριστικοί, wijsgeeren uit de school van Euclīdes no. 3 (z. a.).

Eros, Ἔρως, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodīte. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, de stompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.—Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erōtes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.—De Romeinen geven hem den naam Amor of Cupīdo.—Zie ook Psyche.

Erotia, Ἐρώτια, Ἐρωτίδια, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.

Erotiānus, Ἐρωτιανός, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.

Errhephoria = Arrhephoria.

Erucii, een plebejische familie.

Eruli = Heruli.

Erulus = Herilus.

Erycīna, Ἐρυκίνη, bijnaam van Aphrodīte naar den berg Eryx.

Erymanthus, Ἐρύμανθος, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alphēus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ook Erymanthis ursa wordt genoemd.

Erysichthon, Ἐρυσίχθων, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.—2) zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demēter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken honger gestraft werd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.

Erythēa, -īa, Ἐρύθεια, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.

Erythrae, Ἐρυθραί, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.—2) belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.—3) havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.

Erythraeum mare, Ἐρυθρὰ θάλαττα, mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.

Erȳtus, Ἔρυτος = Eurȳtus no. 1.

Eryx, Ἔρυξ, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodīte Erycīna. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.

Eryx, Ἔρυξ, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van Aphrodīte Ἐρυκίνη, Venus Erycīna. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244–241).

Eryximachus, Ἐρυξίμαχος, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.

Esquiliae, de 5de regio van Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilīnus, met het park van Maecēnas enz.

Esquilīna, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. De porta Esquilina voerde naar Tibur en Praeneste.

Esquilīnus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.

Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen, esseda of essedum, was tweewielig en van voren open.

Esubii of Sesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.

Eteobutadae, Ἐτεοβουτάδαι, familie te Athene, waaruit de priesters van Athēna gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.

Eteocles, Ἐτεοκλῆς, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynīces overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.—2) koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.

Eteoclus, Ἐτέοκλος, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.

Eteocrētes, Ἐτεόκρητες, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.

Ἐτησίαι, sc. ἄνεμοι, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.

Etovissa, Ἐτύβησα, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.

Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia, Τυρρηνία, Τυρσηνία genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Τυρσηνοί (Τυρρηνοί), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7–5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsīna, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortōna, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octaviānus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.

Euadne, Εὐάδνη, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.—2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.

Euagoras, Εὐαγόρας, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.—2) zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368–351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).

Euander, Εὔανδρος, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatīnus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aenēas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.—2) leerling van Lacȳdes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).

Euangelus, Εὐάγγελος, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.—2) dichter der nieuwe attische comedie.

Euarchus, Εὔαρχος, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).—2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.

Euboea, Εὔβοια, thans Negroponte, eiland, door den Eurīpus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronēa hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.

Eubulides, Εὐβουλίδης, 1) van Milētus, wijsgeer uit de school van Euclīdes no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.—2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2de eeuw.

Eubūlus, Εὔβουλος, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.—2) atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor het θεωρικόν besteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronēa werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.—3) van Alexandrīa, een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho.

Euclīdes, Εὐκλείδης, 1) van Zancle, stichter van Himera.—2) eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.—3) van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodōrus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls ἐριστικοί of διαλεκτικοί genoemd worden. Z. ook Stilpo.—4) beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Στοιχεῖα, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.

Eucrates, Εὐκράτης, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.

Euctēmon, Εὐκτήμων, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.—2) astronoom en geograaf uit de 2de helft der 5de eeuw.

Eudamidas, Εὐδαμίδας, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.

Eudēmus, Εὔδημος, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.—2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ἠθικὰ Εὐδήμεια, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.

Eudocia, Εὐδοκία, z. Athenais no. 2.

Eudōrus, Εὔδωρος, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.

Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.

Eudoxus, Εὔδοξος, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.—2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.

Euēnus, Εὐηνός, 1) z. Idas.—2) koning van Lyrnessus, vader van Brisēis.—3) naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.

Euēnus, Εὔηνος, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.

Eueteria, Εὐετηρία, bijnaam van Demēter te Corinthe.

Eugammon, Εὐγάμμων, van Cyrēne, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.

Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.

Euhemerus, Εὐήμερος, van Messāna, leefde aan het hof van Cassander (311–297), en was de schrijver van de ἱερὰ ἀναγραφή, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.

Euius, Εὔιος, bijnaam van Dionȳsus, naar den kreet der Bacchanten: εὐοῖ.

Εὔκλεια, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaam Εὐκλεία had.

Eulaeus, Εὐλαῖος, rivier in Susiāne, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.

Eumaeus, Εὔμαιος, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.

Eumēlus, Εὔμηλος, 1) z. Agron.—2) zoon van Admētus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.—3) van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw.

Eumenes, Εὐμένης, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ἐφημερίδες Ἀλεξάνδρου) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.—2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263–241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.—3) Eum. II, koning van Pergamus (197–159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings