M.
Reading edition
Macae, Μάκαι, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.
Macar, Macareus, Μάκαρ, Μακαρεύς, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.—2) broeder van Canace (z. a.).—3) een van de tochtgenooten van Odysseus.—4) een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.
Macarēis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.
Macaria, Μακαρία, dochter van Heracles en Deïanīra, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnēsus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.
Macaria, Μακαρία, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamīsus doorstroomd wordt.
Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167–40). De laatste der M. werd door Herōdes gedood.
Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae.
Macedonia, Μακεδονία. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200–197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179–168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonīca, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.
Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.
Macellum (van μάκελλον, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen, macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.

Macellum.
Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De ander, C. Licinius Macer Calvus (82–48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.
Macestus, Μάκεστος, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.
Machaerus, Μαχαιροῦς, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.
Machanidas, Μαχανίδας, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).
Machāon, Μαχάων, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.—Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.
Machlyes, Μάχλυες, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.—2) een scythische stam aan de palus Maeōtis (zee van Azow).
Macistus, Μάκιστος, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.
Macra, Μάκρης, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.
Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpīna.
Macrīnus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumeniānus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217–218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.
Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seiānus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).
Macrobii, Μακρόβιοι, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.
Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7 boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.
Macrōnes, Μάκρωνες, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.
Mactorium, Μακτώριον, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.
Madaura of -rus, Μάδουρος, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.
Madēna, distrikt van Armenia Minor.
Maduatēni, thracische stam aan den Haemus.
Madytus, Μάδυτος, havenstad van de thracische Chersonēsus, aan den Hellespontus.
Maeander, Μαίανδρος, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Milētus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten.
Maeandrius, Μαιάνδριος, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.
Maecēnas, zie Cilnii.
Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.
Maedi, Μαιδοί, thracische volksstam aan den Strymon.
Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahāla, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnātus, die tot dictator seditionis sedandae causa benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahāla als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.—2) Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.—3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.
Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26.
Maemacterion, Μαιμακτηριών, 5de maand van het Attische jaar (Nov.–Dec.), z. Annus.
Maemactes, Μαιμάκτης, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.
Maenades, Μαινάδες, = Bacchae.
Maenalia, Μαιναλία, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.
Maenalius, Μαινάλιος, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.
Maenalus, Μαίναλον ὄρος, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinēa, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa = Callisto, Maenalii versus = herderszangen.
Maenia (columna), zie columna Maenia.
Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2.
Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie agrariae leges), verzonnen.
Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus.
Maeniānum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.
Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.
Maeon, Μαίων, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.
Maeonia, Μαιονία, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk = Etruria.
Maeonides, Μαιονίδης, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).
Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.
Maeōtis palus, Μαιῶτις λίμνη, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid.
Maera, Μαῖρα, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.—2) dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.—3) dochter van Atlas, gehuwd met Tegeātes, den zoon van Lycāon.
Maesesses = Melesses.
Maevius, zie Bavius.
Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancȳra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.
Magas, Μάγας, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrēne aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ook Apama no. 2.
Magdolum, Μάγδολον, Μάγδωλον, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.
Mageddo = Megiddo.
Magetobrīga, stad der Sequani in Gallia Transalpīna.
Magi, Μάγοι, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.
Magii, plebejisch geslacht uit Campania.
Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.
Magister equitum, zie dictator.
Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.
Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.
Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium.
Magna Mater, z. Rhea Cybele.
Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdūnum (Lyon) het leven.
Magnes, Μάγνης, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.
Magnesia, Μαγνησία, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnētes, Μάγνητες.—2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14) in 190 verslagen.—3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.
Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.
Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.—2) haven in Mauretania, thans Oran.
Mago, Μάγων, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote, ± 550–500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago’s grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.—2) schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.—3) jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.
Magontiācum = Mogontiacum.
Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.
Maia, Μαῖα, Μαιάς, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.—2) italiaansche godin, soms ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcānus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.
Maiesta = Maia no. 2.
Maioriānus (Flavius Iuliānus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457–461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.
Μακάρων νῆσοι, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook Fortunatae insulae.
Μάκεδνοι, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiōtis, later aan den Pindus.
Malaca, Μάλακα, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.
Malchus, Μάλχος, 1) carthaagsch veldheer, ± 600–550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.—2) koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.—3) uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.—4) = Porphyrius (z. a.).
Malea, Μαλέα, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.—2) Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.
Maleventum, vroegere naam van Beneventum.
Maliades, Malides, Μαλιάδες, Μαλίδες, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.
Mālis, Μαλίς, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses, Μαλιῆς.
Malli, Μαλλοί, indisch volk aan den Hydraōtes, een der zijrivieren van den Indus.
Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15.
Malloea, Μαλλοία, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.
Mallus, Μαλλός, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.
Maluginensis, familien. in de gens Cornelia.
Mamercīnus, familien. in de gens Aemilia.
Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens Aemilia aantreffen.
Mamertīni, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messāna, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.
Mamertīnus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iuliānus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici et Italiae.
Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetānus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).
Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.—2) L. Mamilius Tusculānus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.—3) Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.—4) C. Mamilius Limetānus, zie Mamilia (lex).
Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Sevērus (Severi no. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.
Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile.
Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd.
Mancīnus, familienaam in de gens Hostilia.
Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio.
Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus, er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet, door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen, kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch het dominium verwerven.
Mancipium, 1) = mancipatio.—2) het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.—3) de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco, maar daarom nog geen servus.
Mandane, Μανδάνη, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.
Mandēla, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.
Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).
Mandrocles, Μανδροκλῆς, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darīus Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.
Mandropolis, Μανδρόπολις, stad in het Z. van Phrygia.
Mandubii, Μανδούβιοι, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.
Manduria, Μανδύριον, stad der Sallentīni in Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidāmus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucōsus (Fabii no. 16) veroverd.
Maneros, Μανέρως, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adōnis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.
Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.—Te hunner eer vierde men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.
Manetho, -thos, Μανέθων, -νεθώς, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Αἰγυπτιακά) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.
Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor de huisdeuren werden opgehangen.
Μανίαι heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.
Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.—2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.
Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M’. Manilius, consul in 149.
Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1) M’. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorīnus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.—2) C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest bekend door Cicero’s verdediging van het wetsontwerp de imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.—3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eener Astronomica, die nog over is.—4) L. Manilius, z. Manlii no. 15.
Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).
Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.
Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolīnus Imperiōsus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.
Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.
Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. Voor Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.—2) A. Manlius Vulso Capitolīnus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.—3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.—4) Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.—5) A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timāvus meester, maar werden daarna verslagen.—6) M. Manlius Capitolīnus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius’ veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Monēta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.—7) P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.—8) L. Manlius Capitolinus Imperiōsus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.—9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de vicesima manumissionum.—10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedert Torquātus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.—Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. Zie Postumii no. 4.—11) T. Manlius Torquātus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.—12) T. Manlius Torquatus verstiet zijn zoon D. Iunius Silānus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).—13) L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilīna in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.—14) L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).—15) Verder komt er nog eene familie van Manlii Acidīni voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilīna troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconīnus (Valerii no. 25a).
Μαντεία, Μαντική, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de eerste soort (σήματα, τέρατα) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (οἰωνός) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (μάντις, θεοπρόπος, οἰωνοπόλος) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (ἱερομαντεία), waartoe men zich van de tusschenkomst van een ἱεροσκόπος bediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (χειρομαντεία), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (ὑδρομαντεία), het gebruikmaken van loten (κληρομαντεία, sortilegium, z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie ook ἐγκοίμησις.
Mantinēa, Μαντίνεια, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en ’s winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464–459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Arātus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonēa herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.
Mantius, Μάντιος, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphīdes.
Manto, Μαντώ, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Κλάριος te stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.—V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.
Mantua, Μάντουα, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.
Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.
Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.—In het enkelvoud beteekent manubia in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2.
Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;—1) vindicta of festūca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor (z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.—2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.—3) testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,—per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,—per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring, zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia).
Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral, die in iemands mancipium zijn.
Manūs iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige te grijpen.
Maracanda, τὰ Μαράκανδα, groote hoofdstad van Sogdiāna. Thans Samarkand.
Maraces, Μαρακοί, volksstam in Aetolia.
Marathon, Μαραθών, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.
Marathus, Μάραθος, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenīce tegenover Aradus.
Marathūsa, Μαράθουσα, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.
Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30–38).
Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk, medicamentorum liber.
Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.
Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.
Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.
Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.
Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.
Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex).
Marciāna carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd.
Marciāna Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.
Marcianopolis, Μαρκιανόπολις, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traiānus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.
Marciānus, Μαρκιανός, 1) aardrijkskundige uit Heraclēa in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van een περίπλους der bekende wereld, met afstandswijzer.—2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).—3) Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of Satiricon.—4) Zie Theodosius no. 3.
Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus (later Censorīnus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.—2) Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.—3) Cn. Marcius, bijgenaamd Coriolānus naar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.—4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpīna gekoloniseerd als Narbo Martius.—5) Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.—6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.—7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorīnus verschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zie lex Marcia).—8) L. Marcius Censorinus, belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.’ Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.—9) C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).—10) L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.—11) Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamēa, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.—12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasīca Corculum (Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.—13) C. Marcius Figulus, consul in 64.—14) Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albīnus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuāni werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serrānus (Atilii no. 8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome’s hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.—15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.—16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia, de moeder van Octaviānus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.—17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africānus maior) en streed ook onder hem nog met roem.—18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.—19) Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.—20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadriānus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.—21) Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina.
Marcodūrum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippīna (Keulen), thans Duren.
Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitiānus en van Marcus Aurelius (166–172 en 178–181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.
Mardi = Amardi.
Mardonius, Μαρδόνιος, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darīus Hystaspis, werd in 493 door Darīus met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.
Marea, Μαρέα, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld, vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareōtis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.
Mareotis, Μαρεῶτις, zie Marea.
Marēsa, Μαρησά, Μαρισσά, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.
Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten Μαργανῆς.
Margiāna, Μαργιανή, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriāne, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).
Margītes, Μαργίτης, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.
Margus, Μάργος, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.—2) z. Margiana.
Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.
Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.
Mariaba, zie Saba.
Mariamme, Μαριάμμη, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.
Mariāna fossa, zie fossa.
Mariandȳni, Μαριανδυνοί, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclēa.
Marīca, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.
Marii, plebejisch geslacht. 1) C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpīnum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104–101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradātes van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90–89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla’s last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.—2) C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.—3) M. Marius Gratidiānus, zie Gratidii.—4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa’s te Pompeii lagen dicht bij elkander.—5) C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.—6) Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.—7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Sevērus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk der Scriptores historiae Augustae.
Marīnus, Μαρῖνος, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.—2) van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.
Maris, Marisus, Μάρις, Μάρισος, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.
Marium, Μάριον, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.
Marmarica, Μαρμαρική, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.
Marmessus, Marmyssus, Μερμησσός = Marpessus no. 1.
Maro, zie Vergilii.
Maroboduus, zie Marcomanni.
Marobūdum, Μαρόβουδον, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.
Maron, Μὰρων, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silēnus of Dionȳsus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.—2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.
Maronēa, Μαρώνεια, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorēa genoemd.
Marpessa, Μάρπησσα, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.
Marpessa, -sus, Μάρπησος, -σσος, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.—2) berg op Parus. Marpesia cautes = parisch marmer.
Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia gens = Marsi.
Marrucīni, Μαρρουκῖνοι, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teāte.
Marruvium = Marrubium.
Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als Mars Silvānus en Averruncus aanriep, te wiens eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres arvāles bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius) als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradīvus), zegent hunne wapenen (Quirīnus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos, Conservātor). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, den flamen Martiālis.—Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.
Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.
Marsi, Μάρσοι, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.—2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.
Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago’s val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesīnus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het ius Latii aan de Transpadāni gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.
Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte).
Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19.
Marsyas, Μαρσύας, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athēna had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.—V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionȳsus behoord.—2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcētes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Μακεδονικά).—3) van Philippi, zoon van Critophēmus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.
Marsyas, Μαρσύας naam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.
Martiālis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitiānus, die hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva’s dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie apophorēta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf, in de handschriften epigrammaton liber geheeten.
Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2.
Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3.
Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.
Maruvium = Marrubium.
Mascas, Μασκᾶς, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.
Masinissa, Μασ(σ)ανάσσης, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa’s verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetūlus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetūlus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M’s handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax’ rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago’s billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.

Masistius, Μασίστιος, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.
Masias mons, Μάσιον ὄρος, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.
Massaesylii, Μασσαισύλιοι, volk in W. Numidia.
Massagetae, Μασσαγέται, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.
Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.
Massilia, Μασσαλία, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en door handel bloeiende.
Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.—2) kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.
Massylii, Μασσύλιοι, volk in het O. van Numidia.
Mastanabal, Μαστανάβας, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.
Mastarna, z. Servius Tullius.
Mastiāni, zie Bastetani en Bastuli.
Mastusia, Μαστουσία ἄκρα, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.—2) de zuidelijkste punt van de thracische Chersonēsus.
Masurius Sabīnus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Atēius Capito de sabiniaansche.
Matiāna, Ματιανή, Ματιηνή, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatēne (z.a.).
Matiēni, plebejisch geslacht.
Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Gargānus in Apulia, nabij Horatius’ geboorteplaats Venusia.
Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpīna, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.
Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero’s voorspraak was.—2) Cn. Matius, dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over.
Matralia, z. Matūta.
Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang; van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen.
Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons, zie Alpes.
Matronalia, feest ter eere van Juno Lacīna den 1sten Maart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilīnus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.
Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.
Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.
Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).
Matūta, Mater Matūta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.
Matutīnus (Pater), z. Ianus.
Mauretania of Mauritania, Μαυριτανία, ἡ Μαυρουσίων γῆ, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werd M. Tingitāna genoemd, het vroegere West-Numidia heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarēa, vroeger Iol.
Mauri, Maurusii, Μαῦροι, Μαυρούσιοι, bewoners van Mauretania. De naam Mauri is afkomstig van de Romeinen.

Mausoleum van Hadrianus.
Mausolēum, Μαυσωλεῖον, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausōlus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.—De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.
Mausōlus, Μαύσωλος, -σολλος, vorst van Carië (377–353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausolēum (z.a.) genaamd.
Mavors = Mars.
Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306–312 na C., zoon van Maximiānus. Toen Diocletiānus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Sevērus en Maximīnus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantīnus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.
Maximiānus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletiānus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantīnus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.
Maximīnus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Sevērus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximīnus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.
Maximīnus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletiānus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.
Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia (Fabii no. 14–23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14 en 16).
Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratiānus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.
Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentiniānus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.
Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iuliānus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.
Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.
Maxyes, Μάξυες, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.
Mazaca, τὰ Μάζακα = Caesarēa ad Argaeum.
Mazaetullus, zie Mezetūlus.
Mazaeus, Μαζαῖος, perzisch veldheer onder Darīus Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbēla; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).
Mecōne, Μηκώνη, oude naam van Sicyon.
Mecyberna, Μηκύβερνα, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.
Medaura = Madaura.
Medēa, Μήδεια, dochter van Aeētes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iāson (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iāson Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iāson moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iāson haar echter verstiet om met Creūsa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iāson te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Arīa, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.
Medeon, Μεδεών, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.—2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.—3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.—4) in Dalmatia bij Scodra (Scutari).
Media, Μηδία, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariāna. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatēne. Bij dichters is dikwijls Μῆδοι, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat.
Mediae murus, τὸ Μηδίας τεῖχος. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.
Medimnus, μέδιμνος, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.
Mediolānum, Μεδιολάνιον (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadāna, thans Milaan, dat in opschriften steeds Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio Italiae.—2) in Gallia Transalpīna bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.—3) ook bij de Ordovices, in Britannia.
Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodūrum (Metz).
Medion = Medeon no. 1.
Medius Fidius, zie Dius Fidius.
Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.
Medoacus, Μεδόακος, rivier in Gallia Transpadāna, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.
Medobrīga, Mundobrīga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).
Medocus, Μήδοκος, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybūlus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.
Medon, Μέδων, 1) zoon van Oīleus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aenēas gedood.—2) zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.—3) lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.
Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.
Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.
Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.
Medullīnus, familienaam in de gens Furia.
Medus, Μῆδος, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.
Medūsa, Μέδουσα, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysāor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athēna op de aegis geplaatst.
Mefītis = Mephītis.
Megabates, Μεγαβάτης, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darīus Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.
Megabāzus, Μεγάβαζος, 1) veldheer van Darīus Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darīus Thracië onderwierp.—2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.—3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.
Megabȳzus, Μεγάβυζος, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.—2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.
Megacles, Μεγακλῆς, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.—2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon’s vertrek uit Athene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).—3) kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.—4) kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.—5) vriend van Pyrrhus van Epīrus, sneuvelde in den slag bij Heraclēa.
Megaera, Μέγαιρα, eene van de Erinyen.
Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi).
Megalopolis, Μεγάλη πόλις, Μεγαλόπολις, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.
Megalophanes, Μεγαλοφάνης, z. Ecdemus.
Megapenthes, Μεγαπένθης, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.—2) zoon van Menelāus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.
Megara, Μεγάρα, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolāus.
Megara (gen. Megarae en -orum), τὰ Μέγαρα, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclīdes, den leerling van Socrates.—Over Megara op Sicilia, zie Hybla.
Megareus, Μεγαρεύς, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn.
Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.
Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclīdes no. 3.
Megaris, Μεγαρίς, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.
Megasthenes, Μεγασθένης, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.—2) vriend en raadsman van Seleucus Nicātor, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Ἰνδικά), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.
Meges, Μέγης, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.
Megiddo, Μαγεδδώ, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio.
Megista, Μεγίστη, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.
Megistias, Μεγιστίας, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.
Megistus, Μέγιστος = Macestus.
Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.
Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium.
Melaena, Μέλαινα, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.
Melampus, Μελάμπους, zoon van Amythāon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messēne, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.—V. s. had Mel. den dienst van Dionȳsus in Griekenland ingevoerd.
Melanchlaeni, Μελάγχλαινοι, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.
Melanchrus, Μέλαγχρος, tyran van Mytilēne, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.
Melanippe, Μελανίππη, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.—2) moeder van Aeolus (z. a.) en Boeōtus.—3) eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.—4) eene van de Meleagrides.
Melanippides, Μελανιππίδης, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.
Melanippus, Μελάνιππος, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiarāus gedood.—2) een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomēdes gedood werd.—3) zoon van Theseus en Perigūna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.
Melanthius, Μελάνθιος, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.—2) aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Milētus te hulp gezonden werden.—3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.—4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.—5) schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw.
Melantho, Μελανθώ, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.—2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.
Melanthus, Μέλανθος, zoon van Andropompus, koning van Messēne, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionȳsus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.
Melas, Μέλας, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonēsus in den sinus Melas, Μέλας κόλπος, valt.—2) in het thessalische landschap Phthiōtis, zijtak van den Apidanus.—3) in Malis, stroomde langs Heraclēa in de malische golf uit.—4) in Boeotia, tusschen Orchomenus en Asplēdon, ontlast zich in het Copaïsche meer.—5) op Sicilia bij Mylae.—6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.
Melcarth, Μελίκαρθος, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie Melicertes.
Meldae of Meldi, Μελδαί, -δοί, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).
Meleager, Μελέαγρος, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.—V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.—2) veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.—3) zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.—4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.
Meleagrides, Μελεαγρίδες, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.
Meles, gen. -ētis, Μέλης, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar Μελησιγενής = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten van H.
Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetāni, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.
Melete, Μελέτη, eene van de boeotische Muzen.
Melētus, Μέλητος, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.—2) een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.—3) tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.
Melia, Μελία, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phorōneus en Aegialeus of Phegeus.—2) nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.—3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.
Meliades, Μελιάδες, Μελίαι, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.
Melibocus mons, het Harz-gebergte.
Meliboea, Μελίβοια, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycāon.—2) dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie Chloris no. 2.
Meliboea, Μελίβοια, zeestad van het thessalische landschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctētes, Meliboeus dux.
Melicertes, Μελικέρτης, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portūnus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.
Melinno, Μελιννώ, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.
Melische poëzie, z. Lyrische poëzie.
Melissa, Μέλισσα, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeen μέλισσαι genoemd, en ook de priesteressen van Demēter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.
Melisseus, Μελισσεύς, koning van Creta, vader van Adrastēa en Ida, de opvoedsters van Zeus.
Melissus, Μέλισσος, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.—2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.—3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecēnas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).—4) Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate, leefde in de 2de eeuw na C.
Melita, Μελίτη, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.—Ook een eilandje op de dalmatische kust.
Melitaea, Μελιταία, -ίτεια, oude stad in het thessalische gewest Phthiōtis; aan den Enīpeus.
Melitēne, Μελιτήνη, stad en landschap in het O. van Cappadocia.
Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditānum (straat van Gibraltar).
Μελλείρενες, aanstaande εἴρενες, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.
Μελλέφηβοι, aanstaande ἔφηβοι, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.
Mel(l)on, Μέλ(λ)ων, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmēa door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.
Melodūnum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.
Melpomene, Μελπομένη. Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.
Melus, Μῆλος, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van μῆλον, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk λιμὸς Μήλιος. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.