← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

T. (continued 3)

Reading edition

Trausi, Τραῦσοι, thracisch volk in het O. gedeelte van het Rhodopegebergte.

Treba, stadje in Latium in het oude gebied der Aequi nabij de grenzen der Marsi.

Trebatius Testa (C.), jurist en schrijver van rechtsgeleerde werken ten tijde van Augustus, bij wien hij in hooge achting stond. Als jongmensch reeds had hij zich mogen verheugen in de welwillendheid van Cicero en de gunst van Caesar. Later behoorde hij ook onder de vrienden van Horatius.

Trebellii. 1) L. Trebellius, volkstribuun, verzette zich in 67 vruchteloos tegen de lex Gabinia.—2) L. Trebellius, volkstribuun in 47, bestreed aanhoudend de voorstellen van zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella, en werd later tot aediel verkozen door de hulp der optimaten, die Caesar wegens zijne bescherming van Dolabella wilde ergeren. Na Caesars dood ging hij tot Antonius over.—3) M. Trebellius, streed in 36 na C. tamelijk voorspoedig in Azië.—4) L. Trebellius Maximus, onder Nero consul, later stadhouder van Britannia, maakte zich door zijne hebzucht zóó gehaat, dat hij de vlucht moest nemen.—5) Trebellius Pollio, een van de schrijvers der historiae Augustae, levensbeschrijver van de beide Valeriāni, de beide Galliēni, de 30 tyrannen, Claudius II. Hij leefde onder Diocletiānus en Constantius Chlorus.

Trebia, Τρεβίας, zuidelijke bijrivier van den Padus (Po), waarmede hij zich bij Placentia vereenigt. Aan deze rivier behaalde Hannibal in 218 de overwinning op den rom. consul Tib. Sempronius Longus.

Trebiānus, vriend van Cicero en aanhanger van Pompeius, in 45 door Caesar weder in genade aangenomen.

Trebonia (lex) van den volkstribuun L. Trebonius in 448, tot afschaffing der coöptatie, die er plaats had, wanneer de verkiezing van volkstribunen niet in één dag afliep. Bij de coöptatie n.l. kwamen wel eens misbruiken voor, daar de patriciërs gemakkelijker op de coöpteerende tribuni dan op de plebs konden inwerken.

Trebonia (lex) van den volkstribuun C. Trebonius in 55, om aan de beide consuls van dat jaar een stadhouderschap voor den tijd van vijf jaar op te dragen, en wel aan Pompeius over Hispania en aan Crassus over Syria. Tevens werd door diezelfde wet Caesars bewind in Gallia voor vijf jaar verlengd.

Trebonius (C.), in 55 volkstribuun, was de voorsteller der lex Trebonia (z. a.), in 54 was hij legaat van Caesar in Gallia, waar hij tot 49 bleef. In 48 was hij praetor en in 47 werd hij als propraetor naar Baetica gezonden, doch door de Pompejanen verdreven. In 45 werd hij consul suffectus, terwijl Asia hem als provincie werd toegewezen. In 44 was hij heimelijk tot de saamgezworenen tegen Caesar toegetreden. Naar Azië vertrokken, ondersteunde hij Cassius, doch werd in 43 door Dolabella te Smyrna in zijn bed vermoord. Hij was zeer met Cicero bevriend.

Trebula, naam van drie steden, 1) in Campania op de grens van Samnium, ten O. van Cales.—2) Mutusca (Mutuesca) bijgenaamd, in het sabijnsche land aan de via Salaria ten Z. van Reāte.—3) Suffēnas bijgenaamd, ook bij de Sabijnen, onzeker waar.

Tremellii. 1) Cn. Tremellius Flaccus bracht in 204 het beeld der Magna Mater uit Pessinus in Galatia naar Italië over.—2) Cn. Trem. Scrofa, vriend van Cicero, Atticus en Terentius Varro Reatīnus, schreef over landbouw.

Treres, Τρῆρες, thracisch volk aan den berg Scomius, later verdwenen.

Trerus, rivier in Latium in het land der Hernici, stroomt bij Fregellae in den Liris uit; tgw. Tolero of Sacco. Misschien is de naam Tolerus juister.

Tresviri of Triumviri, commissiën van drie leden, tot de magistratus minores behoorende (met uitzondering van no. 4 en no. 8). Meerendeels waren het commissiën van tijdelijken aard, wier werkkring genoegzaam blijkt uit hun titel.—1) Tr. agris dandis assignandis, wanneer er ager publicus te verdeelen viel.—2) Tr. capitāles of nocturni, sedert het jaar 289. Zij werden oorspronkelijk door den praetor urbanus benoemd, maar na 242, ingevolge eene lex Papiria van den volkstribuun L. Papirius in de comitia tributa gekozen. Zij waren belast met het toezicht op de kerkers en met het voltrekken der strafoefeningen binnen de muren daarvan; ook oefenden zij politietoezicht uit en konden aan slaven en vreemdelingen politiestraffen opleggen, zelfs laten geeselen, hetgeen dan plaats had bij de columna Maenia (z. a.).—3) Tr. coloniae deducendae, zie colonia op het einde.—4) Tr. epulōnes, niet tot de magistraten behoorende, doch een priestercollege, zie epulones.—5) Tr. locorum publicorum persequendorum, enkele malen benoemd om te onderzoeken, wie zich wederrechtelijk stukken van het staatsdomein hadden toegeëigend.—6) Tr. mensarii, commissarissen der tijdelijke staatsbank, die door de lex Minucia in 216 na den slag bij Cannae werd opgericht, om in de oogenblikkelijke geldcrisis te voorzien. Zie ook onder Quinqueviri.—7) Tr. monetāles of IIIviri A. A. A. F. F. (aere argento auro flando feriundo), de muntmeesters, zie Monēta.—8) Tr. rei publicae constituendae, het bekende driemanschap van Octaviānus, Antonius en Lepidus, in 43. Door eene lex Titia van den volkstribuun P. Titius kregen zij den bovengemelden titel voor den tijd van ongeveer vijf jaar (27 Nov. 43–31 Dec. 38), welke termijn in 38 met nog vijf jaar verlengd werd. Hunne macht was zoo goed als onbeperkt; o.a. ontleenden zij aan de lex Titia het recht om de magistraten te benoemen; het was eene driehoofdige dictatuur. Het driemanschap van Caesar, Pompeius en Crassus was nooit door eene wet bekrachtigd en was dus geen eigenlijk triumviraat.

Tretus, Τρητός, berg en pas, waardoor de wegen van Argos naar Cleōnae en van Mycēnae naar Nemea liepen, aldus genoemd naar de vele holen en spelonken. Hier zou de nemeïsche leeuw zich hebben opgehouden.

Treveri, -iri, machtig en dapper volk in Belgica, met de hoofdstad Augusta Trevirorum (Trier) aan de Mosella (Moezel). Zij hadden eene voortreffelijke ruiterij. Met de Rom. waren zij trouw verbonden, met de Germanen waren zij meest in oorlog. Het waren Kelten, maar zij beweerden van de Germanen af te stammen.

Τριακάς, 1) de dertigste dag na eene begrafenis, waarop de rouw ophield, werd met een offer en maaltijd gevierd.—2) oude naam voor een atheensch geslacht, hetzij omdat 30 geslachten eene φρατρία vormden, of v. s. omdat een geslacht gemiddeld 30 personen bevatte.—3) afdeeling der Spartaansche burgerij, waarschijnlijk gevormd uit twee tafelgezelschappen (z. συσσίτια).

Τριάκοντα. Toen Athene zich na afloop van den peloponnesischen oorlog aan Lysander had moeten overgeven, werd in eene volksvergadering door Theramenes het voorstel gedaan, 30 mannen te kiezen, die de wetten zouden herzien en in overeenstemming met de tijdsomstandigheden zouden wijzigen. Het volk, dat in den laatsten tijd de hevigste voorstanders der democratie, bijv. Cleophon, door allerlei kunstgrepen had zien uit den weg ruimen, durfde zich, nu Lysander nog met zijn leger en vloot aanwezig was, niet tegen dit voorstel verklaren, en verkoos 30 mannen van bekende oligarchische gezindheid. Hoewel met een bepaalde opdracht gekozen, schijnen de 30 nooit gepoogd te hebben zich daarvan te kwijten, maar maakten zij van de macht, die hun gegeven was, zulk een misbruik, dat de acht maanden van hunne regeering lang als de verschrikkelijkste tijd in de geschiedenis van Athene genoemd werd. In het eerst hielden zij, naar het heette, eene zuivering onder de burgerij, en lieten zij erkende sycophanten en andere dergelijke algemeen gehate personen door den raad, dien zij evenals de overheidsambten met hunne handlangers bezetten, ter dood veroordeelen, maar steunende op eene spartaansche bezetting, op spartaansch geld, en vooral op den invloed van Lysander, gingen zij weldra op dien weg verder en meenden zij zich alles te kunnen veroorloven. Slechts aan 3000 burgers (οἱ ἐν τῷ καταλόγῳ), en aan deze nog slechts in schijn, werd eenig aandeel aan de staatszaken gegund, de overige werden ontwapend, onderwijs in welsprekendheid en wijsbegeerte werd onder streng toezicht gesteld, de kostbare werven werden voor 3 talenten als afbraak verkocht, enz. Doodvonnissen, verbanningen, verbeurdverklaring van goederen waren aan de orde van den dag; in het geheel werden, naar verhaald wordt, 13–1500 personen ter dood gebracht en meer dan 5000 verbannen. En niet alleen politieke tegenstanders werden getroffen, maar om zich geld te verschaffen, ten einde de spartaansche bezetting te kunnen betalen, lieten zij velen ombrengen alleen om zich hunne bezittingen toe te eigenen; zoo besloten zij eens, onder voorwendsel dat er onder μέτοικοι een oproerige geest heerschte, 30 (v. a. 10) van hen te dooden en hunne goederen verbeurd te verklaren. Wel verzetten zich sommige meer gematigden onder hen, vooral Theramenes, tegen deze geweldadigheden, maar de tegenpartij, onder welke Critias de voornaamste was, behield de overhand; en toen de oppositie van Theramenes gevaarlijk begon te worden, werd hij op wederrechtelijke wijze als verrader ter dood veroordeeld. Doch wat hij voorspeld had gebeurde: de ballingen vereenigden zich en onder leiding van Thrasybūlus bezette een zeventigtal van hen eerst het fort Phyle, en nadat zij de troepen van de 30, die hen trachtten te verjagen, teruggeslagen hadden, nam hun aantal met den dag toe, en weldra konden zij zich van den Piraeus meester maken. Toen zij nu ook in een slag bij Munychia, waarin o. a. Critias sneuvelde, overwinnaars gebleven waren, trokken de 30 zich naar Eleusis terug, waarvan zij zich kort te voren verzekerd hadden door de geheele weerbare bevolking met list gevangen te nemen en ter dood te laten brengen. Daar wachtten zij vooreerst den loop der gebeurtenissen af, maar toen kort daarna, in weerwil van Lysanders tusschenkomst, door toedoen van Pausanias (no. 2) de democratie hersteld was, en men in de stad vernam dat zij te Eleusis een leger van huurlingen op de been trachtten te brengen, trok de geheele bevolking van Athene tegen hen te velde, en nog voor het tot een gevecht kwam, vielen de meesten van de 30 in handen hunner vijanden en werden gedood.

Triarii of pilani, zie de artikels centuria, cohors, hastati en legio.

Triarius (C.), legaat van L. Licinius Lucullus in den mithradatischen oorlog, behaalde eerst overwinningen op den koning, maar werd in 67 bij Zela door hem geheel verslagen.

Triballi, Τριβαλλοί, machtige thracische stam in Moesia inferior, naburen van de Treres. Zie Abdēra.

Triboc(c)i, -es, germaansch volk op den linker Rijnoever, omstreeks Argentorātum (Straatsburg).

Τρίβων, een korte mantel van grove stof, oorspronkelijk door de Spartanen gedragen, maar ook in andere staten door hen, die spartaansche zeden en kleederdracht wilden nabootsen; in latere tijden was τρ. als een uiterlijk kenmerk van armoede en eenvoud de gewone kleeding van stoicijnen en cynici en van hen, die daarvoor wilden gehouden worden.

Tribūnal, eene verhevenheid van hout of steen, desnoods van aarde of zoden, waarop de praetor zat, wanneer hij zitting hield om zijne ambtsbezigheden uit te oefenen. Tot het ius dicere was het niet bepaald noodig, dat hij op zijne sella curulis op het tribunal had plaats genomen: hij kon, als hij iemand wilde gerieven, dat evengoed onderweg of van den beganen grond (de plano) doen. Te Rome stonden vaste tribunalia op het forum, eerst één, later meer, toen er onder verschillende praetoren verschillende zaken tegelijk konden worden behandeld. Deze tribunalia stonden in de open lucht, de iudices zaten op subsellia op den vlakken grond. Toen men echter de rechtszaken naar de basilicae overbracht, maakte men eene ruimere verhevendheid aan het einde der zaal, waarop de rechters zaten; misschien echter zat de praetor dan toch nog iets hooger.

Tribūni aerarii of Curatores tribuum. Aan het hoofd van elke tribus stonden tien in Rome wonende bestuurders, die door de censoren voor een lustrum benoemd werden. Zij hadden elk eene lijst van de tot hunne tribus behoorende burgers, van welke lijst een tweede exemplaar in het aerarium berustte. Tot ± 250 inden zij het tributum (z. a.), en betaalden de soldij uit (vandaar hun naam, van aes afgeleid); na dien tijd kwam die functie aan de quaestoren. Ook indien zij het aes equestre en het aes hordearium, dat door de orbi et orbae (z. a.) werd opgebracht. Door de lex Aurelia iudiciaria van 70 kregen zij met senatoren en ridders aandeel aan de iudicia.

Tribūni militum. Aan het hoofd van elk legioen stonden zes krijgstribunen. A en B kommandeerden het legioen twee maanden lang afwisselend om den anderen dag; daarna ging het bevel voor twee maanden op C en D over, dan op E en F, waarna A en B weder aan de beurt kwamen. In den bloeitijd der republiek bestond een consulair leger uit twee legioenen rom. burgers, behalve de socii. Wanneer dus de consuls hunne legers wierven, waren er 24 krijgstribunen noodig. Tien hunner moesten tien dienstjaren tellen en werden seniores genoemd; de 14 andere moesten vijf dienstjaren hebben en werden iuniores geheeten. Het eerste en het derde legioen telden elk 2 seniores en 4 iuniores, het tweede en het vierde elk 3 seniores en 3 iuniores. Eerst kozen de veldheeren zelven hunne tribunen, doch in 366 vindt men voor het eerst 6 van de 24 door het volk gekozen, en in 311 bepaalde de lex Atilia Marcia (z. a.), dat er seni deni, dus 16 van de 24 door het volk moesten gekozen worden. Nog vóór den 2den Punischen oorlog werd dit getal op 24 gebracht. In 171, bij het uitbreken van den oorlog met Perseus, liet het volk de keus geheel aan de consuls over, en dit kan wel meer gebeurd zijn. De door de consuls gekozen heetten rufuli, de andere a populo. De tribunen waren belast met de werving, waartoe de dienstplichtigen tribusgewijze werden opgeroepen; het lot bepaalde, welke tribus het eerst aan de beurt kwam. De dienstplichtigen werden vier aan vier opgeroepen. Uit het eerste viertal hadden de tribunen van het eerste legioen de eerste keus, uit het tweede die van het tweede legioen, enz. De hervormingen van Marius gaven een geheel anderen loop aan de zaken, daar van dien tijd af uit de proletariërs vrijwilligers in massa toestroomden. De Grieken vertalen tribunus militum door χιλίαρχος.

Tribūni militum consulari potestate. Toen in 449 de eene lex Canulēia (z. a.) doorging, werd het andere wetsvoorstel, dat n.l. één der consuls uit de plebs zou mogen gekozen worden, terzijde geschoven door bij wijze van proefneming het consulaat te schorsen. Daar het krijgstribunaat zoowel voor plebejers als voor patriciërs toegankelijk was, besloot men zulke tribunen te kiezen, die dan met consulaire macht zouden worden bekleed. Voor het jaar 444 werden er nu 3 gekozen, allen patriciërs, die evenwel, als zijnde vitio creati, hun ambt moesten nederleggen. Toen liet de senaat weder consuls kiezen, evenals de volgende vijf jaren. Dit geheele verhaal is verzonnen; vast staat alleen, dat in 438 de eerste 3 consulairtribunen in de Fasti consulares (z. a.) voorkomen. De vele oorlogen en de uitbreiding van den staat maakten waarschijnlijk nu en dan een vergrooting van het aantal ambtenaren noodig. Van 437 tot 435 vindt men consuls, van 434 tot 432 tribunen en zoo gaat het afwisselend voort, totdat er van 391 tot 367 (het jaar der lex Licinia Sextia de consulatu, z. a.) geen consuls meer gekozen werden. Van 426 af vindt men 4 consulairtribunen, van 405 af 6, in 381–379 telkens 8, dan weder 6 en een enkele maal 5. Vóór 400 werd geen enkele plebejer gekozen, en uit enkel plebejers hebben de consulairtribunen nooit bestaan. Met de aanneming der licinisch-sextische wet verviel de reden van hun bestaan. De consulairtribunen hadden den werkkring der consuls, doch voor het houden van den census werd in 445 een afzonderlijk ambt, de censuur, ingesteld.

Tribūni plebis, δήμαρχοι, volgens de overlevering in 494 na de secessio plebis als auxilium voor de plebs ingesteld, sacrosancti en alleen uit de plebs verkiesbaar. Waarschijnlijk zijn voor het eerst 4 tribunen gekozen in het jaar 471 (v. a. 466) volgens de lex Publilia, door de 4 stedelijke tribus. In 457, toen waarschijnlijk de landelijke bevolking vrij gemaakt werd, en er 16 (17) landelijke tribus bij kwamen, werd het getal op 10 gebracht. Liep de verkiezing niet in één dag af, dan vulden de gekozenen hun getal door coöptatie verder aan, totdat de lex Trebonia (z. a.) dit verbood. In den beginne hadden zij geen toegang tot den senaat, totdat de lex Atinia, van ± 102, hen in den senaat opnam. Op hunne onschendbaarheid steunende, ontzagen de volkstribunen zich dikwijls niet, geweldige maatregelen te nemen wanneer de aristocratie van geen toegeven wilde weten. Er zijn voorbeelden, dat zij volksvergaderingen en verkiezingen beletten, dat zij de lichting van troepen verhinderden, enz., maar ook dat zij na afloop van hun ambtsjaar door de plebs zelve tot geldboete veroordeeld werden. De tribuni plebis vervolgden vergrijpen tegen hun persoon of tegen de plebs. Daar zij aan de provocatie onderworpen waren, werden, sedert de leges XII tabularum, bij een halszaak voor hen door tusschenkomst van een magistratus cum imperio de comitia centuriata bijeengeroepen. Vóór dien tijd brachten zij, volgens de overlevering, halszaken voor het concilium plebis. Sedert de lex Hortensia (287) werden de tribunen competent voor politieke misdrijven, waarvoor vroeger II viri perduellionis benoemd werden. Auspiciën hadden zij in den beginne niet, later echter kregen zij het ius de caelo servandi, maar werden daarmede ook onderworpen aan obnuntiatio (zie servare de caelo). De hulp van een volkstribuun inroepen, heette tribunum appellare; hunne woningen moesten daarvoor dag en nacht openstaan en zij zelven mochten geen etmaal buiten Rome doorbrengen, evenwel vindt men eene enkele keer volkstribunen in een rom. leger. Terwijl uit het ius auxilii zich de intercessio of ongeroepen tusschenkomst ontwikkeld had, ontnam Sulla door zijne lex Cornelia tribunicia (z. a.) hun de bevoegdheid tot intercessie alsmede het recht om wetten zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat voor te stellen, terwijl volgens die wet het bekleeden van het volkstribunaat iemand voor goed van alle verdere ambten uitsloot. Deze laatste bepaling werd reeds in 75 door de lex Aurelia tribunicia opgeheven, terwijl Pompeius, die de volkstribunen tot bereiking zijner oogmerken noodig had, hun in 70 door zijne lex Pompeia het ius legum ferendarum teruggaf. De tribuni plebis aanvaardden hun ambt op den 10den December.—Van de keizers gaf reeds Augustus het voorbeeld, dat hij zich met de tribunicia potestas liet bekleeden. Het volkstribunaat overleefde zich zelf en bestond nog na Constantijn den Gr., natuurlijk zonder macht tegenover den keizer. De volkstribunen hadden geene insignia; hunne boden heetten viatores.

Tribūni vigilum. Over elke der zeven door Augustus ingestelde cohortes vigilum (nachtwacht en brandweer) stond een tribunus, over alle zeven een praefectus.

Tribūnus celerum, bevelhebber van het rom. ruiterkorps (zie celeres), waarvan de instelling op naam van Romulus is geboekt.

Tribus. Evenals φυλή bij de Atheners, heeft ook tribus bij de Rom. eene dubbele beteekenis. Vooreerst wordt het woord gebezigd van de drie stamtribus, waaruit de rom. staat schijnt ontstaan te zijn: Tities of Titienses (deze worden altijd voorop genoemd), Ramnes of Ramnenses, Luceres of Lucerenses. Zie echter Tities. Na de indeeling van het rom. gebied door Servius Tullius in tribus en regiōnes krijgt het woord eene plaatselijke beteekenis. De namen der vier tribus urbānae (binnen Rome’s muren) waren: Suburāna, Esquilīna, Collīna, Palatīna. De namen der regiones, bij analogie tribus rusticae geheeten, die volgens de overlevering in 505 bestonden, zijn: Aemilia, Camilia, Cornelia, Fabia, Galeria, Horatia, Lemonia, Menenia, Papiria, Pollia, Pupinia, Romilia, Sergia, Veturia, Voltinia. Het aantal regiones, 26 onder Servius Tullius, was dus verminderd, men kan aannemen door afstand van grondgebied aan Porsēna. Uit de overeenkomst van verschillende namen met nomina gentilicia mag men ook tot samenhang besluiten; zoo zal b.v. in de tribus Aemilia het grondbezit der gens Aemilia hebben gelegen. Allengs kwamen er weder nieuwe tribus bij: in 504 als 20ste de tribus Claudia, sabijnsch, ten N. van den Anio,—in 495 als 21ste de tr. Crustumīna, de eerste die een plaatselijken naam droeg naar de oude latijnsche stad Crustumerium,—in 387 in Zuid-Etruria de vier tr. Stellatīna om Falerii, Tromentīna, Sabatīna om Sabate en Arnensis aan het riviertje Aro, dat uit het meer Sabate stroomt en bij Fregenae in zee uitmondt (dit zijn de eerste tribus, waarvan de stichting historisch vaststaat),—in 358 in het volscische land Pomptīna rondom Antium en Publilia (Poplilia),—in 332 in Noord-Latium Maecia en Scaptia,—in 318 Falerna (in den ager Falernus in Campania) en Ufentīna aan den Ufens in Latium,—in 299 Aniensis, rondom Tibur en Praeneste, en Terentīna, ook in het aequisch gebied, in 241 Velīna in het sabijnsche land om Reāte, en als 35ste Quirīna om Cures, v. s. echter zonder afgebakende grens, als algemeene tribus met het oog op latere inlijvingen. Bij deze 35 is het gebleven. Toen na den marsischen oorlog Italia het burgerrecht kreeg, werden de nieuwe burgers oorspronkelijk bij 8 der bestaande tribus ingedeeld. Zoo behoorden de steden Hadria, Neapolis en Brundisium tot de tribus Maecia, die haren naam droeg naar het vlek Maecium bij Lanuvium. Reeds in 87 (z. Corneliae leges van L. Cornelius Cinna) werden echter de nieuwe burgers over alle tribus verdeeld. De tribus rusticae stonden meer in eere dan de urbanae; vrijgelatenen werden dan ook gewoonlijk alleen in de laatste ingeschreven. Om stemrecht te hebben moest men in eene tribus ingeschreven zijn (zie aerarii), ook om eene tessera frumentaria te bekomen (zie annōna).

Tribūtum, 1) de belasting, volgens het belastbaar vermogen (ex censu) door rom. burgers te betalen, wanneer de staat geld noodig had, b.v. tot het voeren van een oorlog, en die teruggegeven werd, wanneer de middelen daartoe aanwezig waren, b.v. uit de oorlogsschatting van overwonnen vijanden. Deze belasting werd oorspronkelijk slechts geheven van res mancipi (z. a.), totdat Appius Claudius (Claudii no. 5) als censor het geheele vermogen tot grondslag voor de belasting aannam. Het tributum simplex was 1 per mille, duplex 2 p. m.; het hoogst bekende is triplex. Sedert de verovering van Macedonia in 167 werd het tributum tijdens de republiek niet meer uitgeschreven; slechts éénmaal komt het vóór, tijdens het consulaat van Hirtius en Pausa, in 43. Een paar malen wordt er, in tijden van grooten nood, van een tributum temerarium gesproken, waarbij ieder inbrengt, wat hij te missen heeft.—2) de directe belasting in de provinciën Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) en Sicilia, een soort grondbelasting, tributum soli of agri. Ook het stipendium der andere provincies wordt wel eens tributum genoemd.

Tricarānum, Τρικάρανον, drietoppige berg met kasteel op de grenzen van Argolis en Phliasia, een twistappel tusschen beide staten.

Tricasses, volk in Gallia Transalpīna aan de Sequana (Seine) en den Matrona (Marne) met de stad Augustobona (Troyes).

Tricastīni, volk in Gallia Narbonensis aan den Isara (Isère). Stad: Augusta Tricastinorum.

Tricca, Τρίκκα, stadje in het thessalische gewest Hestiaeōtis, met een zeer beroemden tempel van Asclepius, aan den voet van den Pindus. Thans Trikkala.

Trichonium, Τριχώνιον, vlek in Aetolia ten Z. van het meer Trichōnis, Τριχωνὶς λίμνη.

Tricesima, zie Castra.

Tricipitīnus, familien. in de gens Lucretia (Lucretii no. 1–3).

Triclinium.
Triclinium.

Triclinium, eene tafel om te eten, met drie aanligsofa’s, ook wel het eetvertrek zelf. Op elke sofa behoorden, althans wanneer men gasten had, niet meer dan drie personen aan te liggen. De dischgenooten lagen met den linkerarm op kussens gesteund. De drie sofa’s of lecti werden summus, medius en imus geheeten, terwijl men ook op iederen lectus een locus summus, medius en imus onderscheidde. Aan de linkerzijde (het boveneind) van elken lectus was somtijds eene leuning om dáár het afschuiven der kussens te voorkomen. De eereplaats was het benedeneinde (locus imus) van den lectus medius, deze plaats werd ook locus consularis geheeten. Op de beide andere lecti was de locus summus de eerste plaats. De plaats van den gastheer was de locus summus op den lectus imus, in de onmiddellijke nabijheid van den voornaamsten gast. De cijfers op nevenstaande teekening wijzen de volgorde der plaatsen aan; tevens is de plaatsing der gasten bij den maaltijd van Nasidiēnus aangegeven (Hor. Sat. II 8), waarbij Nomentānus op verzoek van den gastheer diens plaats heeft ingenomen. Of de lecti nu evenwel juist zoo geplaatst waren, is eene andere vraag, daar de dischgenooten in de schuinte aanlagen. Te Pompeii heeft men afbeeldingen en gemetselde onderstellen gevonden, waardoor de volgende plaatsing aangewezen wordt. Het in gebruik komen van ronde tafels voerde tot den doorloopenden lectus, in den vorm van een hoefijzer, sigma geheeten (z. a.).

Triclinium.
Triclinium.

Tricorii, volksstam in Gallia Narbonensis aan den voet der Alpen.

Tricostus, familienaam in de gens Verginia (Verginii no. 1–4).

Tridentum, tgw. Trente, aan den Athesis (Adige, Etsch), oorspronkelijk een raetische stad, kwam later aan de keltische Cenomāni. De bevolking is raetisch gebleven. In 24 werd het door de Romeinen bezet. De bewoners der omstreken heeten Tridentīni.

Triens, als munt en als gewicht = 4 unciae = ⅓ as.

Trierarchia, τριηραρχία, de kostbaarste van alle liturgieën, was de verplichting om een door den staat aangewezen oorlogsschip van tuig te voorzien, een jaar lang te onderhouden en de bemanning te werven. De triërarch voerde gewoonlijk het bevel over het door hem uitgeruste schip en moest ook zorgen voor de uitbetaling der soldij en de verdeeling der levensmiddelen, die door den staat verstrekt werden. De kosten beliepen soms een talent. Zie verder συμμορίαι.

Trietēris, τριετηρίς, de helft eener pentaëtēris, het vierde deel eener ennaëtēris.

Trifanum, vlek in de buurt van Sinuessa, waar in 340 de tegen Rome verbonden Latijnen door den consul T. Manlius Torquātus Imperiōsus (Manlii no. 10) verslagen werden.

Trifolīnus ager, vruchtbare landstreek in Campania, rijk aan wijn.

Triginta tyranni.—1) De 30 tyrannen te Athene, zie τριάκοντα.—2) Naar het voorbeeld van Trebellius Pollio worden de verschillende pretendenten naar de rom. keizerskroon, die onder en na het bewind van den zwakken Galliēnus allerwege opdoken, ook met den naam van 30 tyrannen bestempeld. Trebellius Pollio heeft er 32 opgenoemd, waaronder twee vrouwen, Zenobia en Victoria. Verschillende echter kunnen niet eens keizers genoemd worden.

Trilogia, τριλογία, z. tetralogia.

Trimerus, Trimetus, het grootste der Diomedēae insulae, z. a.

Trinacria, Trinacris, Τρινακρία, Τρινακρίς = Sicilia.

Trinobantes, volksstam in Britannia, ten N. van den Theemsmond, die zich vrijwillig aan Caesar onderwierp. Hoofdstad: Camalodūnum (Colchester).

Trinundinum of Trinum nundinum, een termijn van drie nundina of weken van 8 dagen, dus 24 dagen (v. a. een tijd, waarin drie nundinae (marktdagen) vallen, dus van 17–23 dagen), die voor het samenroepen der comitia moest in acht genomen worden. Werd de vergadering bijeengeroepen om te stemmen over een wetsvoorstel, dan werd dit wetsvoorstel tegelijkertijd bekend gemaakt (promulgatio rogationis). Zie Caecilia Didia (lex).

Τριώβολον, z. δικαστικόν.

Triocala, Τριόκαλα, sterke bergvesting in W. Sicilia aan de rivier de Triocala, die ten W. van Heraclēa Minōa in zee valt.

Triōnes (Septem), ook Septentrio, eig. de zeven ploegossen, z. Arctus.

Triopas, Τριόπας, Τρίοψ, koning van Thessalië, die naar Carië verhuisde en daar Cnidus stichtte. Hij liet een heilig woud van Demēter omhakken om op de plaats een paleis te bouwen. Tot straf werd hij door een slang gedood en met de slang als Ophiūchus (z. a.) onder de sterren geplaatst. Hij was de vader van Erysichthon no. 2.

Triopium, Τριόπιον, kaap in Caria op de Chersonēsus Cnidia; hier werden wedstrijden gehouden ter eere van Apollo Triopius. Zie Cnidus.

Triphylia, Τριφυλία, Z. gedeelte van Elis (z. a.).

Tripolis, Τρίπολις, 1) stadje in Asia aan den Maeander, op de grenzen van Phrygia, Lydia en Caria.—2) stad aan de kust van Pontus aan een gelijknamig riviertje, tusschen Polemonium en Trapezus.—3) stad op de phoenicische kust, gesticht door de drie steden Sidon, Tyrus en Aradus, en eigenlijk bestaande uit drie steden, wel zeer dicht bij, doch niet onmiddellijk aan elkander en elk met haar eigen muren.—4) thessalisch distrikt met de steden Azōrus, Pythium en Doliche, in het N. van Perrhaebia.—5) arcadisch distrikt met de steden Callia, Dipoena en Nonācris, in het midden van Arcadia.—6) laconisch distrikt aan de arcadische grenzen.—7) kust van Libya (Afrika) tusschen de beide Syrten, met de steden Leptis, Oea en Sabathra.

Triptolemus, Τριπτόλεμος, zoon van Celeüs en Metanīra, uitvinder van den ploeg. Uit dankbaarheid voor de goede ontvangst, die zij bij Celeüs genoten had, gaf Demēter, nadat hare plannen met Demophon (z. a. no. 1) mislukt waren, aan Tr. een met draken bespannen wagen en een aantal graankorrels, met opdracht de kennis van den landbouw over de geheele aarde te verbreiden. In de vele gevaren, die deze tocht opleverde (z. Carnabon, Lyncus), genoot hij de bescherming der godin, en toen hij na zijne terugkomst door zijn vader met den dood bedreigd werd, dwong zij dezen van de regeering afstand te doen. Tr. volgde hem op en stelde de Thesmophoria in. Hij had op verscheiden plaatsen altaren en te Eleusis een tempel.—Soms wordt van hem hetzelfde verhaald als van Demophon, of wordt hij een zoon van zekeren Eleusis genoemd.

Tripudium, 1) een godsdienstige wapendans, zooals o. a. de Salii uitvoerden, hetzij met herhaald driemaal stampen of door telkens drie passen voorwaarts en dan weder één of twee achteruit te doen.—2) zie auguria no. 3.

Triquetra (= driehoekig sc. insula) = Sicilia.

Tritaea, Τρίταια, eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de arcadische grenzen aan den voet van den Erymanthus.

Tritea, Τρίτεια, Τριτέαι, stad in Phocis aan de locrische grenzen, ten N. van den Cephīsus.

Trito, Τριτώ, Τριτογένεια, bijnaam van Athēna, naar hare geboorteplaats bij het meer Tritōnis in Libye of bij de rivier Triton in Boeotië.

Triton, Τρίτων, zoon van Poseidon en Amphitrīte of Salacia, die met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee woont. In latere verhalen wordt meestal gesproken van een groot aantal Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam dat in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote tanden, schubben en kieuwen, enz. Gewoonlijk hebben zij een groote schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken (T. canōrus); en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven tot bedaren brengen.

Tritonia = Trito.

Tritōnis, een van de zoutzeeën in Libye, in de nabijheid van de kleine Syrte.

Τριτοπάτορες, drie zeer oude daemonen, die in Attica vereerd werden. Zij worden zonen van Zeus en Persephone genoemd, hunne namen worden zeer verschillend opgegeven. Soms heeten zij de eerste schepselen, soms goden van den wind of goden van het huwelijk en den kinderzegen.

Τριττύς, het derde gedeelte eener attische phyle, vóór Clisthenes, naar het schijnt, hetzelfde als φρατρία. Clisthenes verdeelde het grondgebied van Athene in 30 τριττύες, 10 in en om de stad, 10 in Paralia en 10 op het land. Iedere φυλή bevatte drie τριττύες, eene van ieder tiental. Vier ναυκραρίαι vormden een τριττύς.

Groepen uit den zegetocht van Titus over de Joden (boog van Titus).
Groepen uit den zegetocht van Titus over de Joden (boog van Titus).

Groepen uit den zegetocht van Titus over de Joden (boog van Titus).

Triumphus, θρίαμβος. De hoogste eer voor een overwinnend veldheer was, een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Daar hij, op straffe van zijne aanspraken als imperātor (z. a.) te verliezen, niet binnen de stad mocht komen, verleende de senaat hem gehoor buiten het pomerium, meest in den tempel van Bellōna. Werd het verzoek toegestaan, zoo had de zegetocht ongeveer op deze wijze plaats. Voorop ging eene afdeeling cornicines, daarop volgden priesters en offerknechten met offerdieren met vergulde horens en omkranst, hierachter volgden wagens, lastdieren en dragers met behaalden buit, goud, zilver, kostbaarheden, standbeelden, met borden, waarop de namen der veroverde plaatsen, de gewonnen veldslagen, het getal der gedoode vijanden vermeld waren. Hierna kwamen de gevangenen geboeid, gevangen vorsten met hunne familie in hun volle praal met de kroon op het hoofd en met gouden ketenen gekluisterd, dan de lictoren met omlauwerde fasces, en achter hen de veldheer op zijn zegewagen. Een beeld der overwinning, dat achter op zijn zegewagen stond, hield een gouden krans boven ’s veldheer’s hoofd. Naast den wagen gingen zijne bloedverwanten en achter den wagen de staf- en hoofdofficieren, terwijl de troepen den trein sloten. Tot de bijzonderheden behoort nog, dat op den zegewagen ook een slaaf stond, die den triumphātor gedurig toesprak: Bedenk dat gij een mensch zijt. De stoet trok de stad door en langs de sacra via den weg op naar het Capitool. Op het forum splitste zich de stoet, de gevangenen werden weggevoerd, het leger ging uiteen, de veldheer bracht in den capitolijnschen tempel een plechtig offer aan Jupiter. Op het feestmaal, dat den dag besloot, waren ook de consuls genoodigd, doch dezen verschenen nooit, omdat de etikette dan zou gevorderd hebben, dat zij, daar hun imperium het hoogste was, als hoofdpersonen de eereplaats innamen.—Eene ovatio is eene kleine zegepraal, z. a.

Triumviri, zie tresviri.

Trivia, bijnaam van Hecate of Diāna, als godin der driesprongen.

Trivīcum, een vlek in Z.-Samnium in het land der Hirpīni, aan de via Appia nova.

Troas, Τρωάς, het land van Troje, het N.W. deel van Mysia, aan den Hellespont. Het land was golvend, doorsneden door de uitloopers van het Idagebergte en door de riviertjes Satnioïs, Rhodius, Simoïs, Scamander, Thymbrius. Vóór de kust lag het eiland Tenedos.

Trocmi, een der drie gallische stammen in Galatia en wel in het O., hoofdstad Tavia.

Troesmis, Τροισμίς, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, tgw. Iglitza.

Troezen, Τροιζήν, stad in het Z.O. van Argolis, met eene havenstad Pogon tegenover het eiland Calauria. Oorspronkelijk was de stad waarschijnlijk ionisch, later dorisch. Theseus was hier geboren en opgevoed.

Trogilium, Τρωγίλιον, uiterste punt van het voorgebergte Mycale tegenover Samus. Ook een eilandje, dat daarvoor ligt.

Trogilus, Τρώγιλος, baai en haven ten N. van Syracuse.

Troglodytae, Trogodytae, Τρωγλοδύται, “holbewoners”, zooals men in verschillende streken der aarde aantrof, in den Caucasus, in Lybia en elders. In het bijzonder komen onder dezen naam bewoners der aethiopisch-aegyptische kust aan de Arabische golf voor.

Trogus (Pompēius), uit een gallisch geslacht, dat door Cn. Pompeius Magnus het rom. burgerrecht had verkregen, leefde ten tijde van Augustus en schreef een uitgebreid geschiedkundig werk, waarvan later Justīnus (z. a.) onder den titel Historiae Philippicae een uittreksel vervaardigde. Ook moet Trogus over natuur- en dierkunde hebben geschreven.

Troia, Τροίη, -α, of Ilium, hoofdstad van Troas, door de Grieken tien jaar lang belegerd en eindelijk door list genomen en verwoest (1184). De stad lag in de vlakte tusschen de stroompjes Simoïs en Scamander. Op den burcht Pergamum (ook -mus en -ma) vond men tempels van Pallas Athēna en Apollo en andere heiligdommen. Slechts ééne poort is bij name bekend, de Scaeïsche, πύλαι Σκαιαί = linkerpoort. Later is door Aeoliërs een nieuw Troje, novum Ilium, νέον Ἴλιον, gebouwd. Schliemann en Dörpfeld hebben bij Hissarlik sporen van het oude Troje teruggevonden: van de vele nederzettingen, die opgegraven zijn, is de zesde van onderen, het homerische Troia, de belangrijkste. De muren, die nog gedeeltelijk over zijn, stemmen overeen met die van Tiryns en Mycēnae; men vindt er 3 torens, 3 poorten en een uitvalpoortje.—2) stad in het kustland van Epīrus tegenover Corcȳra, door Helenus gesticht.—3) stad in het land der Veneti, ten N. der Adriatische zee, gesticht door Antēnor.

Troiae (ludus of ludicrum), z. Ludus Troiae.

Troilus, Τρωίλος, zoon van Priamus of Apollo en Hecabe, uitmuntende door dapperheid, werd door Achilles gedood.

Trojaansche oorlog, de oorlog, door de Grieken tegen Troje gevoerd om de schaking van Helena door Paris (z. a.) te wreken. Hetzij uit zucht naar roem, hetzij gebonden door een eed (z. Helena), namen de meeste grieksche vorsten aan den krijgstocht deel en brachten zij een leger op de been van 100.000 man, dat in 1186 schepen naar Azië overgebracht werd. Als opperbevelhebber werd Agamemnon verkozen, nevens hem onderscheidden zich Menelāus, de beide Aiaxen, Diomēdes, Nestor, Odysseus, maar vooral Achilles, aan de zijde der Trojanen en hun bondgenooten boven allen Hector, verder Aenēas, Sarpēdon e. a. Daar telkens groote afdeelingen van het leger op plundertochten uitgezonden moesten worden, om in de behoefte aan levensmiddelen te voorzien, vorderde men met het beleg slechts weinig. In het 10de jaar scheen de overgave der stad nog even ver verwijderd als bij de aankomst der Grieken, zelfs scheen zich de krijgskans ten gunste van de Trojanen te wenden, toen Achilles, door Agamemnon beleedigd (z. Brisēis) zich een tijd lang aan den strijd onttrok. Maar toen hij, om den dood van Patroclus te wreken, zich weder onder de strijders mengde, viel Hector reeds denzelfden dag onder zijne handen, en hoewel hijzelf ook kort daarna sneuvelde, was nu het lot der belegerde stad beslist. Eerst werden ingevolge orakelspreuken Neoptolemus en Philoctētes naar het oorlogstooneel gehaald en het Palladium geroofd, en toen ook nu nog geweld niets vermocht, nam men list te baat. Het grieksche leger trok in schijn af, maar liet een groot houten paard, door Epēus vervaardigd, achter, waarin zich Odysseus met een aantal strijders verborgen hielden. Door zekeren Sinon (z. a.) lieten de Trojanen zich, hoewel tegen den raad van velen hunner, overreden het houten paard binnen de muren te halen, des nachts kwamen de Grieken uit het paard te voorschijn en openden de poorten voor het inmiddels teruggekeerde leger, waarop de stad verwoest en de meeste inwoners gedood werden.—De trojaansche oorlog en de lotgevallen der grieksche helden op hun terugtocht naar het vaderland hebben aan Homerus en de cyclici rijke stof voor hunne gedichten geleverd, en zijn daardoor de meest algemeen bekende gebeurtenissen uit het grieksche heldentijdperk geworden.

Tropaeum.
Tropaeum.

Tropaeum, τρόπαιον, een zegeteeken, door een leger op het slagveld opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven, erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar opgericht.

Trophonius, Τροφώνιος, broeder van Agamēdes (z. a.). Oorspronkelijk is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Ζεὺς Τροφώνιος geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadēa, dat vooral in latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten, reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde openbaringen.

Tros, Τρώς, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en Ganymēdes.—2) Trojaan, door Achilles gedood.

Trosmis, Τροσμίς, = Troesmis.

Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent trossulus een fat, een pronker.—Een plaatsje Trossulum komt in Etruria voor, ten Z. van Volsinii.

Trotilum, Τρώτιλον, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan de kust.

Truentum, stad in Picēnum aan den mond van den Truentus, de rivier die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum Truentīnum.

Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth.

Tryphon, Τρύφων, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen Demetrius Nicātor. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus Sidētes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.—2) bijnaam van Ptolemaeus IV.—3) aanvoerder in den slavenopstand op Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.—4) grammaticus in Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken over grieksche dialecten.—5) uitgever van de gedichten van Martiālis.

Trysa, Τρύσα, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Ἡρῷον, van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht.

Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de gebogen hoorn.

Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den bond der Franken.

Tubero, familienaam in de gens Aelia.

Tubertus, familienaam in de gens Postumia.

Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquātrus (z. a.), waarop de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld.

Tucca, familienaam in de gens Plotia.

Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber.

Tuditānus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18–21).

Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren.

Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii.

Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie over andere van dezen naam het art. Tullii.

Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu, tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was tienjarige ballingschap.—2) de liberis legationibus, waarbij de duur er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera.

Tulliānum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang had door eene opening in de zoldering. Zie carcer.

Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van geheimen.—2) M’. Tullius Longus, consul in 500.—3) M. Tullius Cicero, die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten, een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.—4) M. Tullius Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons veel liet gelegen liggen.—5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4, werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpīnum geboren. Hij genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed, toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen wijsgeer Philo van Larīsa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen Sulla’s vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een paar jaren (79–77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel, in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompēi (pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van Catilīna (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57 terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij van den laatste. Na den slag bij Pharsālus en Pompeius’ dood ontving hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae) tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu, wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octaviānus en Antonius de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero’s lot beslist, hij werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg nabij zijn Formiānum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak, door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen, van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter, die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk, hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat, maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculānum het meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a) redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven), Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55), en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120 in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b) staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c) zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44), Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.), ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige, levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten en grieksche geschriften, is verloren gegaan.—6) Tullia, de innig geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi (zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella (zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd lang verloofd geweest met Furius Crassipes.—7) M. Tullius Cicero, zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octaviānus en werd in 30 consul.—8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie van welsprekendheid en wetenschappen.—9) Q. Tullius Cicero, jongere broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61–58) propraetor in Asia, diende 54–52 onder Caesar in Gallia als legaat en in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsālus aan de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q., was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.—10) Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in 81, L. Tullius, een van Cicero’s legaten in Cilicia en een vriend van Atticus, e. a. Over Cicero’s vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro.

Tullius (v. a. Iulius) Valentīnus, aanvoerder der Treviri in den opstand tegen Domitiānus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood gebracht.

Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul.

Tullus, familienaam in de gens Volcatia.

Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679–640), breidde door gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa, na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den bliksem getroffen.

Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval, een niet vooraf aangekondigde oorlog, ἀκήρυκτος πόλεμος, ook een plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte soldaten, ongeregelde troepen.

Tunes, gen. -ētis, Tunis, Τύνης, versterkte stad ten W. van Carthago, aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt.

Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.).

Tunica, χιτών (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd, en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom (latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Turdetāni, Τουρδιτανοί, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum, die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden.

Turdūli, Τουρδοῦλοι, volk in Baetica, verwant met de Turdetāni en oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie Tartessus.

Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied der Edetāni liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar.

Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3 decuriën verdeeld en onder 3 decuriōnes, van wie de eerste de geheele turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de auxilia, zonder bepaalde getalsterkte.

Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latīnus, was met hem verloofd, en toen nu haar vader hare hand aan Aenēas schonk, trachtte T. zich met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen Aeneas.—2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren met lof vermeld wordt.

Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad Caesarodūnum (Tours).

Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van 15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.—2) T. Turpilius Silānus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van verraad beticht en ter dood gebracht.

Turpio, zie Ambivius.

Turrigera, Turrīta, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon, waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt.

Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden, met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus verplaatsbaar, vandaar de naam.—2) als eigennaam, b.v. Turris Stratōnis = Caesarēa Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust van het carthaagsche gebied.

Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci.

Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1.

Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380, v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculānum.

Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velābrum naar het forum Romānum (Zuidzijde) liep.

Tusdra = Thysdrus.

Tutānus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus.

Tutēla. Bij de rom. tutēla onderscheidt men de tutela impuberum en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas) vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn, b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament, het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela, evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander, een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen—want de coëmptio op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo fiduciae causa.—Eene tutela is datīva, wanneer bij testament een voogd is aangewezen, optīva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd (tutela Atiliāna, zie lex Atilia en lex Iulia Titia).

Tutūnus (Mutūnus), zie Mutinus Tutunus.

Tyana, τὰ Τύανα, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet.

Tyche, Τύχη, of Fortūna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus en Promethēa, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer of een bol in de handen of staat zij op een bol.—In latere tijden werd zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd.

Tyche, Τύχη, een der onderdeelen van de stad Syracūsae (z. a.).

Tydeus, Τυδεύς, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe, waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athēna om hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiarāus echter hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door Maeon begraven.

Tydīdes, Τυδείδης, Diomēdes, zoon van Tydeus.

Tyle, Τύλη, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus.

Tylus, Τύλος, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust, met parelvisscherij.

Tympaneae, Τυμπανέαι = Typaneae.

Tymphe, Τύμφη, gebergte in het N.O. van Epīrus, evenwijdig aan de macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Τυμφαία, de bewoners Τυμφαῖοι.

Tymphrestus, Τυμφρηστός, gebergte op de grenzen van Aetolia en het gebied der Dolopes, met de bronnen van den Sperchēus. Het verbindt den Oeta met den Pindus.

Tyndareüs, Τυνδάρεος, -ρεως, zoon van Periēres en Gorgophone of van Oebalus en Batēa, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena, Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelāus, of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles.

Tyndarides, Τυνδαρίδης, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs.

Tyndaris, Τυνδαρίς, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs.

Tyndaris of -rium, Τυνδαρίς, Τυνδάριον, stad op de Noordkust van Sicilia, ten W. van Messāna, omstreeks 400 door Grieken gesticht, later gedeeltelijk door de zee verzwolgen.

Typaneae, Τυπανέαι, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus, bij de grens van Arcadia.

Typhōeus, -phon, Τυφωεύς, -φώς, -φῶν, -φάων, jongste zoon van Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië; Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem (Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp.

Tyrannio, Τυραννίων, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus van Amīsus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was overgebracht.—2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero, en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden werken schreef.

Tyras, Τύρας, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans Dniëster.—2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyrītae.

Tyriaeum, Τυριαῖον, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen.

Tyrii, Τύριοι, 1) de inwoners van Tyrus.—2) bij rom. dichters de Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido.

Tyrītae, Τυρῖται, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras.

Tyro, Τυρώ, dochter van Salmōneus en Alcidice, bij Poseidon moeder van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres en Amythāon.

Tyrrheni, Tyrseni, Τυρρηνοί, Τυρσηνοί, z. Etruria. Op Lemnus en Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi.

Tyrrhenia, Τυρρηνία = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de Tyrrheensche of Toscaansche zee.

Tyrrhēnus, Τυρρηνός, Τυρσ., zoon van den lydischen koning Atys, bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera.

Tyrrh(e)us, herder van koning Latīnus. Ascanius doodde op de jacht een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog tusschen Aenēas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de zoon van Aeneas en Lavinia geboren.

Tyrtaeus, Τύρταιος, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven, zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden, wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels.

Tyrtamus, Τύρταμος, de oorspronkelijke naam van Theophrastus.

Tyrus, Τύρος, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd = rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door den Assyrischen koning Salmanezer IV (727–723), en toen is Oud-Tyrus, Παλαίτυρος, ingenomen. Door Sanherib (705–682) is ook Tyrus zelf ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige staten, en werd 13 jaar (586–573) te vergeefs belegerd. Later kwam het onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus 7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000 Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen is Carthago de beroemdste geworden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings