← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

A. (continued 2)

Reading edition

Aeschrion, Αἰσχρίων, van Samus, iambendichter omstreeks 322.

Aeschylus, Αἰσχύλος, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In 477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse, en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door; hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen, dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd, zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden, door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij (als χοροδιδάσκαλος) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne werken—meer dan 70 titels worden genoemd—zijn 7 bewaard gebleven; het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae (opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458 den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming, en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke heerschappij der goddelijke macht over den mensch.

Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.

Aesēpus, Αἴσηπος, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van het landschap Troas.

Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus, sedert 263 rom. kolonie.

Aesernīnus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideiānus. Vandaar spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote, met elkaar wedijverende mannen.

Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picēnum.

Aeson, Αἴσων, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iāson. Pelias beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten van Medēa verjongd.

Aesonides, Αἰσονίδης, Iāson, zoon van Aeson.

Aesōpus, Αἴσωπος, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon, een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn naam dragen (μῦθοι of λόγοι Αἰσώπειοι), en die wegens hunne lessen van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven, maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en Avianus (z. a.).

Aesōpus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero, die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij, bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig werd doorgebracht.

Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.

Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).

Aesymnētes, Αἰσυμνήτης, iemand, die met onbeperkte macht, maar op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de wetten te maken, enz.—In sommige staten werd daarna de naam voor een van de gewone overheden behouden.

Aethalia, Αἰθαλία, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke ijzermijnen van het eiland exploiteerde.

Aethalides, Αἰθαλίδης, zoon van Hermes en Eupolemēa, heraut der Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen, waarin zij gehuisd had.

Aether, Αἰθήρ, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus en Nyx of van Chaos en Calīgo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee, e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.

Aethiopes, Αἰθίοπες, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen, zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.

Aethiopia, Αἰθιοπία, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata, tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxūme (z.a.), waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.

Aethra, Αἴθρη, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje; na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.

Aëtion, Ἀετίων, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.; onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de bruiloft van Alexander en Roxane.

Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken, Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).

Aetna, Αἴτνη, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus of Vulcānus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).

Aetolia, Αἰτωλία, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste inwoners worden Cureten, Lelĕgers, Hyanten genoemd, waarbij zich Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld (zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en den riviergod Achelōus, de straf der Echinaden. Men onderscheidde Oud-Aetolia (τὴν ἀρχαίαν Αἰτ.), zijnde de grootste westelijke helft, en τὴν ἐπίκτητον Αἰτ., het later bijgevoegde.

Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer hij elkander aan en vormden zij een verbond (τὸ κοινὸν τῶν Αἰτωλῶν) onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door een raad van σύνεδροι, of ἀπόκλητοι, terwijl minstens eenmaal in het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was Thermum, Θερμόν (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden, verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197) streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld, riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren de aetolische steden een deel der provincie Achaia.

Aetōlus, Αἰτωλός, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epēus in de regeering over Elis op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte hij naar de omstreken van den Achelōus, die door de Cureten bewoond werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.—2) zoon van Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia jaarlijks een lijkoffer bracht.

Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.

Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter, omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.—2) L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul verkozen. Later was hij Pompeius’ legaat in Spanje, en streed aldaar in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsālus bij, waar Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa, nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius (z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.—3) Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen, en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.

Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Λιβύη, en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd, maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus, de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich, achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen, waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande, waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania, Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (οἰκουμένη), het door wilde dieren bewoonde (θηριώδης), en de woestijn (ἡ ψάμμος).

Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitāna, de noordelijke, en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.

Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.

Africānus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius Scipio Aemiliānus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.

Africus, Λίψ, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie Windstreken.

Agamēdes, Ἀγαμήδης, zoon van den orchomenischen koning Ergīnus. Hij en zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augīas, koning van Elis, een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadēa bij het graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen; op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.

Agamemnon, Ἀγαμέμνων, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycēnae meester gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelāus naar Sparta bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met Clytaemnestra, Menelāus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen Ag. haar zijne dochter Iphigenīa als offer had aangeboden. Voor Troje beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met Achilles (z. Brisēis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus, die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenīa), Chrysothemis, Laodice (Electra) en Orestes.

Agamemnonides, Ἀγαμεμνονίδης, Orestes, zoon van Agamemnon.

Ἀγαμίου γραφή, aanklacht wegens het niet aangaan van een huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen, voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij, die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren ἄτιμοι, waren uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel smaad te verduren.

Aganippe, Ἀγανίππη, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.—2) = Eurydice no. 2.

Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.

Agasias, Ἀγασίας, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der 2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter voorstellend, is nog bewaard gebleven.

Agatharchides, Ἀγαθαρχίδης, grieksch geschiedschrijver en geograaf uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het 1ste en 5de boek.

Agatharchus, Ἀγάθαρχος, van Samus, zoon van Eudēmus, leefde te Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (σκηνογραφία) zou hij een werkje geschreven hebben.

Agathemerus, Ἀγαθήμερος, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.

Agathocles, Ἀγαθοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse, en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas, en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was, wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij, en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk, maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand, sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in, en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij, door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten, werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306), waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben; hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook Corcȳra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen, stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken, voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer geliefd.—2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284).

Agathon, Ἀγάθων, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter, geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides; een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van Archelāus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts eenige fragmenten.

Agathyrna of Agathyrnum, Ἀγάθυρνα of -νον, stad op de noordkust van Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.

Agathyrsi, Ἀγάθυρσοι, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Δάκοι, Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).

Agāve, Ἀγαυή, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.

Agbatana, τὰ Ἀγβάτανα = Ecbatana.

Agdistis, Ἄγγδιστις, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden, en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom, die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft werd Cybele.

Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.

Agelādas, Ἀγελάδας, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden der 5de eeuw.

Ἀγέλη, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden (ἀγελαστοί of ἀγελᾶται) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht, in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen, oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ἀγ. legden zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen; zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ἀγ., gewoonlijk een aanzienlijk man.

Agēma, Ἄγημα, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als pages (παῖδες βασιλικοί) aan het hof opgevoed waren. Een ander ἄγημα (πεζικόν, βασιλικόν) z. ὑπασπιστής.

Agennum = Aginnum.

Agēnor, Ἀγήνωρ, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en Eurōpa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.—2) zoon van Antēnor en Theāno, een van de dapperste trojaansche helden, door Neoptolemus gedood.

Agenorides, Ἀγηνορίδης, zoon of afstammeling van Agēnor, bijv. Cadmus, Perseus, e.a.

Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de keizerlijke regeering en om hun afpersingen.

Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden, werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein, ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus, werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae vonden. Zie verder agrariae leges.

Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies bevolkt werd.

Agesander, Ἀγήσανδρος, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.

Agesilāus, Ἀγησίλαος, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd is: 1) de zoon van Archidāmus II, geb. 444, die na den dood van Agis I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan, en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend, vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte; zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven, wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op, en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij den Pactōlus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok, stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabāzus (z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich, en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won hij den slag bij Coronēa (394). Met roem streed hij in den hierop volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna door de bezetting van de Cadmēa meende Thebe aan Sparta te onderwerpen, in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen, uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag bij Mantinēa (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde, werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte, om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).—2) z. Agis no. 4.

Agesipolis, Ἀγησίπολις, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinēa te kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf hij (380).—2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta (371–370).—3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen, die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.

Agger, Χῶμα, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad, met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.

Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobrīges, aan de Garumna of Garonne.

Agis, Ἆγις, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche koningshuis der Agiden (Ἀγίδαι, Ἀγιάδαι).—2) Ag. I, zoon van Archidāmus II, koning van Sparta (427–401), deed in het begin van den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden; hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinēa. Gedurende het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413) hield hij Decelēa bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.—3) Ag. II, zoon van Archidāmus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit de Peloponnēsus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester, daarna viel hij in de Peloponnēsus en bemachtigde hij een groot deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië, met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).—4) Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op, en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom Agesilāus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.

Aglaïa, Ἀγλαΐα, 1) eene van de drie Chariten.—2) dochter van Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.

Aglaophon, Ἀγλαοφῶν, 1) beroemd schilder, vader van Polygnōtus.—2) kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.

Aglaurus, Ἄγλαυρος = Agraulus.

Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.

Agnāti en cognāti. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders, zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij echter vóór ’s vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.

Agnomen, zie nomen.

Ἀγῶνες, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad, dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles medegeeft, als ze ten oorlog trekken: αἰὲν ἀριστεύειν καὶ ὑπείροχον ἔμμεναι ἄλλων was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de overwinning zijn dan de ἆλθα, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters zijn de Goden (ἀγωνοθέται δ’ οἱ θεοί εἰσιν). Bij alle feestelijke aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat, vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.

Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij: ἀγ. γυμνικοί, ἱππικοί en μουσικοί. De vier groote nationale feesten zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia), en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia (z. a.) komen. Zie verder Ludi.

Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis van het woord is onbekend.

Ἀγορά, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten, die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.

Agoracritus, Ἀγοράκριτος, beeldhouwer van Parus, leerling van Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht, om een zegeteeken er van op te richten.

Ἀγορανόμοι, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten, ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers ἀγ. genoemd.

Ἀγραφίου γραφή, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.

Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae, aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord, dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.

Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellīnus, die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.

Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks ¼ hectare), of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.—Sommige geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.

Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond in Picēnum en Cisalpīna onder het volk te verdeelen, in 232 door den volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.

Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133, tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel, dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden (IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus, die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte), hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls, waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.

Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën (ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij 6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae), de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia no. 2). Na Gracchus’ dood werden Carthago en Capua weder opgeheven; het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.

Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122 v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:

1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati (zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden, en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren, werd opgeheven.

2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.

Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste eerst bij de

Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd verdere assignatio van ager publicus verboden werd.

Nu volgde eene

Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere possessores nu niets meer te vreezen hadden.

Lex Appuleia agraria van 103 en

Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat het land, dat in Gallia Cisalpīna door de Cimbern in bezit genomen, maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.

Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg; misschien werd ze niet eens aangenomen.

Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius’ dood werden zijn wetten door den senaat ongeldig verklaard.

Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden gewoonlijk militaire kolonies genoemd.

Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius, die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager Campānus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van 10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini, zooals Cicero zich uitdrukt.

Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde strekking als de volgende.

Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.

Lex Julia agraria van 59, ook lex Campāna geheeten, van den consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus) onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.

Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben, in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.

Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.

Agraulus, Aglaurus, Ἄγραυλος, Ἄγλαυρος, 1) dochter van Actaeus, gemalin van Cecrops.—2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had, dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij haar in een steen. V. a. had Athēna aan haar en hare zusters een kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.

Agri decumātes. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen.

Agriānes, Ἀγριᾶνες, thracisch volk aan den Strymon. In het leger van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters voortreffelijke diensten.

Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren, was de zoon van Julius Graecīnus, die op last van Caligula werd ter dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullīnus naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74–76) legaat in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs, en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitiānus uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in 93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus, in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.

Agrigentum, Ἀκράγας, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste steden van Sicilia, met Syracūsae de oogen des lands genoemd, werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks 500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht; in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.

Agrionia, Ἀγριώνια, feest ter eere van Dionȳsus Agrionius, dat ieder jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden; in lateren tijd vermeed men dit.

Agrippa (Herodes), zie Herodes.

Agrippa (Menenius), zie Menenii.

Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.

Agrippīna. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam voor (zie Iulii):

1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.

2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood (19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seiānus in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood gestorven is.

3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero, vervolgens met zekeren Crispus Passiēnus en voor de derde maal met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats van Claudius’ eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede, liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).

Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.

Agrius, Ἄγριος, 1) zoon van Portheus of Porthāon en Eryte, broeder van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door Diomēdes gedood.—2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus, heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.

Agron, Ἄγρων, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door Hermes, Athēna en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen beantwoord waren, in vogels veranderd.—2) koning van Illyrië, ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).

Agrotera, Ἀγροτέρα, bijnaam van Artemis als jachtgodin.

Ἀγύρτης, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den dienst van niet erkende godheden. Z. μητραγύρτης.

Agyieus, Ἀγυιεύς, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld, soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar vóór het huis: Ἀγυιεὺς βωμός.

Agylla, Ἄγυλλα, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).

Agyrium, Ἀγύριον, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodōrus Siculus, die ten tijde van Caesar leefde.

Agyrrhius, Ἀγύρριος, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na den dood van Thrasybūlus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van het ἐκκλησιαστικόν en de vermindering van de belooning der dramatische dichters.

Ahālae, zie Servilii.

Aharna = Arna.

Ahenobarbi, zie Domitii.

Aiax, Αἴας, 1) de kleine, zoon van Oīleus, koning van Locris, gedroeg zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden, was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den tempel van Athēna, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd, en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen voor hem open te laten.—2) de groote, zoon van Telamon, koning van Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athēna was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en met een feest Αἰάντια, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.

Aïdes, Aidōneas, Ἀίδης, Αἰδωνεύς, z. Hades.

Αἰγικορῆς, zij die tot de derde der vier oude attische phylae behoorden.

Αἰγοφάγος. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond, wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel van Hera Αἰγοφάγος.

Αἰκίας δίκη, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom, die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.

Αἴωρα, z. Erigone.

Αἶσα, z. Moera.

Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).

Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.—2) Alae zijn kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium, waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen gescheiden waren.

Alabanda, genit. -ae en -orum, τὰ Ἀλάβανδα, bloeiende stad in Caria, doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.

Alalcomenae, Ἀλαλκομεναί, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athēna, die, naar men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.

Alalia, zie Aleria.

Alamanni, zie Alemanni.

Alāni, Ἀλανοί, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen, gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).

Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte (395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).

Alarii, troepen, tot de alae behoorende.

Alastor, Ἀλάστωρ, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.

Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici, later municipium.

Alba, Ἄλβας, mythisch koning van Alba Longa.

Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd) en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen gebracht.—2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus, de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van Rome, volgens de overlevering door Aenēas’ zoon Ascanius gesticht en door Tullus Hostilius verwoest.—3) Alba Pompeia, in Liguria, geboorteplaats van keizer Pertinax.

Albāni, 1) inwoners van Alba Longa.—2) inwoners van het caucasische landschap Albania.

Albania, Ἀλβανία, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad heette Albana.

Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.

Albānum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albānus lacus op de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero, Domitiānus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium van dien naam.

Albānus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.

Albānus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter Latiāris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae gevierd.

Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de 30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben, en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend, maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.

Albici, Ἀλβίοικοι, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden Massilia (Marseille).

Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messāla Corvīnus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla, van een onbekenden dichter, 4, 2–6 hebben tot onderwerp de liefde van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23) voor Cerinthus, 4, 7–12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan verheven. Hij stierf in 19.

Albīni, zie Postumii.

Albinovānus, zie Celsus en Pedo.

Albīnus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens dood weigerde hij Didius Juliānus als keizer te erkennen, doch wees zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de hand. Septimius Sevērus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent, doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop trok deze tegen Severus op. Bij Lugdūnum (Lyon) kwam het tot een slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood (197.)

Albion, Ἀλουίων, Ἀλβίων, oude inheemsche naam voor Britannia = bergland.

Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).

Albogalērus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten draad omwonden.

Albula, oude naam van den Tiber.

Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste gewijd aan Albunea of Albūna (z. a.).

Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum, waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven (z. annales),—2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum schreef,—3) het album senatorum, de senatorenlijst,—4) het album iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.

Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust, beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten oosten van Ventimiglia.

Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur (Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).

Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.

Albus Notus, Λευκόνοτος Φοινικίας, de Zuid-Oostenwind, zie Windstreken.

Alcaeus, Ἀλκαῖος, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van Amphitryo.—2) = Alcides.—3) van Mytilēne, lyrisch dichter omstreeks het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om het bezit van Sigēum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij, als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij, oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie, en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen Pittacus tot αἰσυμνήτης (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen, gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter; zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes (στασιωτικά, συμποτικά, ἐρωτικά) en hymnen op de goden. Horatius volgt hem bij voorkeur na.

Alcamenes, Ἀλκαμένης, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.

Alcathoë, Ἀλκαθόη, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus, z. Minyades.—2) z. Alcathoüs.

Alcathoüs, Ἀλκάθοος, zoon van Pelops en Hippodamēa, doodde op den Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde, waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë, moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en werden te zijner eer spelen gevierd, Ἀλκαθοῖα genoemd.—2) Trojaan, die met een dochter van Anchīses getrouwd was en Aenēas opvoedde. Bij de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.

Alcestis, Ἄλκηστις, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette tegen het plan van Medēa om Pelias te verjongen. Later werd zij de vrouw van Admētus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor alle vrouwen genoemd.

Alcetas, Ἀλκέτας, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1) veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen te vallen doodde hij zich zelf.—2) koning van Epīrus (313–307). Hij werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid, waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten, verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef Pyrrhus tot koning uitriep.

Alcibiades, Ἀλκιβιάδης, Athener, zoon van Clinias en Dinomache, geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader verloren had (gesneuveld bij Coronēa, 447), werd hij door zijn voogd, den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete, de dochter van den rijken Hipponīcus, aan zijn losbandig leven een einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef, hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met Argos, Mantinēa en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer, en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken, werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en, te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad, later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was (415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren, begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelēa versterkt en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats (z. τετρακόσιοι), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep, en hem met Thrasyllus en Thrasybūlus tot aanvoerder verkoos. Alc., die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote slagen bij Abȳdus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen, en veroverde Byzantium, Chalcēdon e. a. steden. Tissaphernes koos nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis, tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug naar zijne bezittingen in de thracische Chersonēsus. Toch bleef hij den loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen; hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).

Alcidamas, Ἀλκιδάμας, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates, leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.

Alcīdes, Ἀλκείδης, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).

Alcimede, Ἀλκιμέδη, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iāson.

Alcinous, Ἀλκίνοος, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde Medēa uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren, bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.

Alciphron, Ἀλκίφρων, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige toestanden te Athene nagelaten.

Alcmaeon, Ἀλκμαίων, Ἀλκμέων, 1) zoon van Amphiarāus en Eriphȳle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs, waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond, die sedert den moord aan de monding van den Achelōus aangeslibd was, de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë, de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis, waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje, toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als halfgod vereerd werd.—2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den inval der Doriërs in de Peloponnēsus naar Athene uitweek; hij was de stamvader der Alcmaeoniden.—3) atheensch archont, de laatste die voor zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).—4) van Croton, schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.

Alcmaeonidae, Ἀλκμαιωνίδαι, Ἀλκμεωνίδαι, een rijke en aanzienlijke familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht, omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.

Alcman, Ἀλκμάν, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren, is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Παρθένια, liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.

Alcmēne, Ἀλκμήνη, Alcumena, dochter van Electryon, koning van Mycēnae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys, met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij goddelijke eer.

Alcyone, Ἀλκυόνη, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw, zij in een ijsvogel veranderd.—V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om, en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten, vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Ἀλκυονίδες ἡμέραι, welke naam overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.—2) eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.

Alcyoneus, Ἀλκυονεύς, 1) een van de Giganten, die Heracles op de landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok verpletterde hij 24 van Heracles’ makkers en 12 van zijne wagens, maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.—2) zoon van Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.

Alcyonium mare, Ἀλκυονὶς θάλαττα, ook Alcyonius sinus genoemd, noordoostelijke inham der Corinthische golf.

Alea, Ἀλέα, bijnaam der godin Athēna, onder welken naam zij vooral in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphālus gelegen, maar ook elders vereerd werd.

Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen; men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle éénen en werd canis genoemd.

Alecto, Ἀληκτώ, eene der drie Erinyen.

Alectryon, Ἀλεκτρύων, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in een haan veranderd.

Aleïus campus, Ἀλήιον πέδιον, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.

Alemanni, Ἀλαμανοί, groote volkerenbond, uit germaansche stammen van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suēvi (Zwaben) het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.

Aleria, Ἀλερία, vroeger Alalia, Ἀλαλίη geheeten, volksplanting der Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.

Alēsa, zie Halesa.

Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad; zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).

Alēsus, zie Halesus.

Alētes, Ἀλήτης, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de regeering over Mycēnae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd hij gedood.—2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.

Aletrium, zie Alatrium.

Aleuadae, Ἀλευάδαι, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het machtigste vorstengeslacht van Thessalië (ταγοί, z. ταγός), totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs, dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door vele onderscheidingen voor zich won.

Alexander, Ἀλέξανδρος, 1) = Paris.—2) neef van den tyran Polyphron van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later, toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin Thebe door hare broeders vermoord.—3) Al. I, koning van Epīrus. Met behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In 332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam hij in de rivier Acheron om.—4) Al. II, koning van Epīrus, zoon en opvolger van Pyrrhus 272–ong. 250; hij maakte zich voor korten tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epīrus verdreven, totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij stierf omstreeks 250.—5) Al. I, koning van Macedonië 498–454, zoon en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes’ inval in Griekenland werd Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij heimelijk de Grieken te helpen.—6) Al. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorītes gedood (369).—7) Al. III de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas, daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en bovenal van grooten persoonlijken moed; Homērus was zijn geliefkoosde dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den slag bij Chaeronēa onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg, besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten, behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden, verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht, in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd, ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man), aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen, terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting met de vijanden had plaats aan de rivier den Granīcus, waarvan de overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd; niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het Taurusgebergte; wel verdedigde Milētus zich eenigen tijd en vorderde de inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand, toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en Cappadocië naar Cilicië, en toen Darīus zelf hem daar trachtte tegen te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000 (?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen (332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters bestond; hoewel Al.’s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbēla en Gaugamēla (30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van Susiāna, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen, Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar Hyrcanië ondernomen en een opstand in Arīa bedwongen had, vervolgde hij Bessus, die eerst naar Sogdiāna, later over den Oxus gevlucht was, maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus, Hydaspes, Acesīnes en Hydraōtes, en ofschoon hij menigmaal hevig verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging, dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van 2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af, tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand, die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam, en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven, de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal, daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen, aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met groote plannen voor de toekomst bezig hield,—hij wilde Arabië en ook Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.—werd hij door een ziekte overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest Alexandrīa genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is, bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen kort voor Al.’s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324), waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter kenden, en zich bovendien door Al.’s streven meermalen in hun trots en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had, later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen, zijne pogingen tot invoering der προσκύνησις konden bij hen geen gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen, die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philōtas en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren, in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.’s hoofd opgeheven had; bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder, en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en Leonnātus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion, die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen, waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane, Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar zijn vader Alexander genoemd werd.—8) Al. Aegus, zoon van Alex. den G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in 320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epīrus tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.—9) Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok, werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later betrapt op onderhandelingen met Darīus en van 334 gevangen gehouden, totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger, gedood werd.—10) zoon van Cassander en Thessalonīca, vluchtte nadat zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van Epīrus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcētes verjoeg hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater’s dood Macedonië niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.—11) Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter, een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door diens zoon, Demetrius Nicātor, verdreven en kort daarna vermoord.—12) Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidētes uit en maakte zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den overwinnaar gedood.—13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra, met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van Antonius, opgevoed.—14) Al. Aetōlus, treurspeldichter uit Pleuron, de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën, waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.—15) Al. Polyhistor, geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus, v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen inhoud, is niets behouden.—16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae, leermeester van Nero.—17) van Abonitīchos (z. a.), de leugenprofeet door Lucianus gehekeld.—18) ὁ ἐξηγητής, zoo genoemd als verklaarder en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias in Carië en leefde onder Septimius Sevērus. Zijne werken zijn grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.—19) Alexander Sevērus, Romeinsch keizer, z. Sevēri no. 2.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings