D.
Reading edition
Daae of Dahae, Δάαι, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.
Dacia, Δακία, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitiānus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traiānus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101–102 en 105–107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aureliānus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).
Dactyli Idaei, Δάκτυλοι Ἰδαῖοι, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curētes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.
Dadicae, Δαδίκαι, volksstam op de grenzen van Sogdiāne.
Dadūchus, Δᾳδοῦχος, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponīcus, het geslacht der Κήρυκες.
Daedala, τὰ Δαίδαλα, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.
Daedala, Δαίδαλα, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.
Daedalion, Δαιδαλίων, zoon van Hesperus en Philōnis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.
Daedalus, Δαίδαλος, 1) zoon van Metion of Palamāon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodīte op den Eryx bouwde.—Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.—2) sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.
Daemon, Δαίμων, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (ἀγαθοδαίμονες) stonden ook kwelgeesten (ἀλάστορες), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.—De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.
Dahae = Daae.
Daia, romeinsch keizer 305–313 n. C., zie Maximinus (Galerius Valerius).
Dalmatae, zie Dalmatia.
Dalmatia, Δαλματία, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229–228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasīca (Cornelii no. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50–47, 16 en 11, en 6–9 na C. (opstand van Bato).
Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zie Constantius II.
Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.
Damalis, Δάμαλις of ἡ Βοῦς, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.
Damarete, Δαμαρέτη, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen, δαμαρέτειον.
Damaratus = Demaratus no. 1.
Damascus, Δαμασκός, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletiānus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).
Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.
Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20).
Damasithȳmus, Δαμασίθυμος, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.
Damastes, Δαμάστης, 1) = Procrustes.—2) van Sigēum, geschiedschrijver, omstreeks 400.
Damia, Δαμία, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.—2) bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.
Damocles, Δαμοκλῆς, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.
Damon, Δάμων, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.—2) van Syracūsae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.
Δαμοσία, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren; οἱ περὶ δαμοσίαν, οἱ ἀπὸ δαμοσίας, zij die met hen die tent bewoonden.
Dana, Δάνα, of Thoana, Θόανα, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).
Danaë, Δανάη, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.
Danai, Δαναοί, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.
Danaides, Δαναΐδης, Perseus, zoon van Danaë; Δαναΐδαι, Argiven, ook algemeen Grieken.
Danaides, Δαναΐδες, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).
Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes.
Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.
Danaus, Δαναός, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.
Dandaridae of Dandarii, Δανδάριοι, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeōtis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.
Danuvius, Δανούβιος, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.
Daorsi, Δαόριζοι, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.
Daphnae Pelusiae, Δάφναι αἱ Πελούσιαι, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.
Daphne, Δάφνη, 1) dochter van Penēus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.—2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.
Daphne, Δάφνη, voorstad der syrische stad Antiochīa, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores.
Daphnephoria, Δαφνηφόρια, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.
Daphnis, Δάφνις, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.—V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodīte verzet had.
Daradax, Δαράδαξ, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).
Darapsa = Drepsa.
Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot de delicta extraordinaria.
Dardania, Δαρδανία, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aenēas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.—2) het land der Dardani, Δάρδανοι, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.
Dardanides, Δαρδανίδης, Δαρδανίων, Priamus, Anchīses e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Δαρδανιδαι, Δαρδάνιοι, Δαρδανίωνες, Δάρδανοι, Trojanen.
Dardanis, Δαρδανίς, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creūsa (no. 3).
Dardanus, Δάρδανος, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athēna als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrāce instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrāce, Arcadië, Creta of Italië.
Dardanus, Δάρδανος, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abȳdus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.
Dares, Δάρης, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie Dictys.
Darīcus, δαρεικός, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.
Darīus, Δαρεῖος, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambȳses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabāzus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).—2) D. II Ochus (Ὦχος), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Νόθος) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.—3) D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagōas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagōas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamēla, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).
Dascon, Δάσκων, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracūsae.
Dascylium, Δασκύλιον, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ook ἡ Δασκυλῖτις σατραπεία of ὁ ἐν Δασκυλείῳ νομός heette.
Dassarētae, Δασσαρῆται, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnītis.
Datames, Δατάμης, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).
Dataphernes, Δαταφέρνης, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.
Datis, Δᾶτις, veldheer van Darīus Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.
Datum, Δᾶτον, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.
Daulis, Δαυλίς, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg van Chaeronēa naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomēla en Procne te huis.
Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader van Diomēdes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea Daunia = Iuturna, Turnus’ zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia.
Daunus, Δαῦνος, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycāon, koning van Daunia. Diomēdes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.
Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.
Decānus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.
Decebalus, Δεκέβαλος, koning van Dacia, van wien Domitiānus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traiānus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia.
Decelēa, Δεκέλεια, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413–404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.
Decemprīmi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, οἱ δέκα πρῶτοι, die echter een anderen werkkring hebben. De decaprōti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.—2) decemprimi heeten ook de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae (z. apparitores).
Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.—2) Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451–449, tengevolge der lex Terentilia in het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en Tabularum (leges XII).—3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae (leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van de vigintiviri.—4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.
Decentius, Caesar (onderkeizer) 350–353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.
Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpīna aan den Liger (Loire).
Deciānus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5).
Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.
Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht tot vicesimatio of centesimatio.
Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.—2) P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentīnum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.—3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.—4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.—5) P. Decius (Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.
Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.
Decius (C. Messius Quintus Traiānus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249–251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.
Decumāna porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie castra.
Decumānus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria.
Decumātes agri, zie agri decumates.
Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld.
Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.—Decuriones worden in de municipia de leden van den senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet.
Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.—2) een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.
Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.
Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.—Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii konden noch cives noch Latini worden.
Deïanīra, Δηιάνειρα, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z. Achelōus) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.
Deïdamēa, Δηιδάμεια, 1) dochter van Lycomēdes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.—2) vrouw van Pirithoüs.—3) zuster van Pyrrhus van Epīrus, gehuwd met Demetrius Poliorcētes.—4) dochter van Pyrrhus van Epīrus.
Δεῖγμα, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.
Δειμός, zoon of dienaar van Ares.
Deïoces, Δηιόκης, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.
Deïoneus, Δηιονεύς, 1) of Deïon, Δηίων, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.—2) schoonvader van Ixīon, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.—3) zoon van Eurytus.
Deïonides, Milētus, zoon van Apollo en Deïone.
Deiotarus, Δηιόταρος, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.
Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.
Deïphobus, Δηίφοβος, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelāus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.
Deïphontes, Δηιφόντης, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.
Δεῖπνον, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (ἀπὸ συμβολῶν) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (δεύτεραι τράπεζαι) of drinkgelag (συμπόσιον) met een drankoffer (σπονδαί) waarbij men de woorden ἀγαθοῦ δαίμονος uitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident (συμποσίαρχος, βασιλεύς, ἄρχων) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.
Deïpyle, Δηιπύλη, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.
Δέκαπρῶτοι, z. Decemprimi no. 1.
Δεκαρχίαι, δεκαδαρχίαι, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.
Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis.
Delatōres, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook quadruplatores genoemd.
Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.
Delium, Δήλιον, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.
Delius, -ia, Δήλιος, -ία, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.
Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.
Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia.
Delmatius = Dalmatius.
Delminium = Dalminium.
Delphi, Δελφοί, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamēdes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530–514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde, ὀμφαλὸς τῆς γῆς, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreuken γνῶθι σεαυτόν en μηδὲν ἄγαν. Achter de cella was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357–346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den τέμενος, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijk θησαυροί en geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts de λέσχη van de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea, Γῆ; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen of Πυθίαι, na zich gebaad en uit de bron Cassōtis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.
Δελφίνια, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd.
Delphinium, Δελφίνιον, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.—2) haven van Orōpus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.—3) gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over φόνος δίκαιος recht sprak (zie Ephetae).
Delphīnus, Delphin, Δελφίς, Δελφίν, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arīon of van Amphitrīte meende te zien.—2) een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.
Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.
Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.
Delus, Delos, Δῆλος, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latōna ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo’s geboortefeest (Ἀπολλώνια) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door de Δήλια, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenēa overgebracht. De oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelāus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie Asteria.
Demādes, Δημάδης, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.
Δημαγωγός, leider der volkspartij in eene republiek (ook προστάτης τοῦ δήμου); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.
Demarātus, Δημάρατος, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darīus met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.—2) corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.
Demarchus, δήμαρχος, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.
Demēter, Δημήτηρ, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Ἀνησιδώρα). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Θεσμία, Θεσμοφόρος) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen als Γῆ μήτηρ verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Πελασγίς), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arīon, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van ’s menschen ziel na den dood.—Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.

Demeter (muurschildering te Pompeji).
Demetrias, Δημητριάς, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcētes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.
Demetrius, Δημήτριος, 1) Poliorcētes, Πολιορκητής, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegīna en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epīrus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamēa gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.—2) D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonātas, regeerde 239–229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.—3) D. Soter, Σωτήρ, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).—4) D. Nicātor, Νικάτωρ, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philomētor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).—5) D. Εὔκαιρος, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).—6) D. Phalēreus, Φαληρεύς, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317–307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcētes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.—7) van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcȳra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).—8) D. Belliēnus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.—9) van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Τρωικὸς διάκοσμος) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.—10) D. Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.—11) van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.—12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.—13) gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.—14) van Sunium, leefde 40–90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.
Deminutio capitis = Capitis deminutio.
Δήμιοι, δημόσιοι, δημόκοινοι heetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.
Δημιουργοί, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.—2) in sommige staten van de Peloponnēsus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch verbond).—3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.
Democēdes, Δημοκήδης, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegīna (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darīus veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darīus van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.
Demochares, Δημοχάρης, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcētes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes.
Democritus, Δημόκριτος, van Abdēra, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (ἄτομα), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (μηδέν), dat evengoed bestaat als het iets (δέν). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (σκοτίη), de echte (γνησίη) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (εὐεστώ, εὐθυμία, ἀταραξία), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (γελασῖνος). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.
Demodocus, Δημόδοκος, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.
Δῆμοι, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (δημόται), brengen gemeenschappelijk zekere offers (ἱερὰ δημοτικά) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij een δήμαρχος, het beheer der financiën bij een ταμίας. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register (ληξιαρχικὸν γραμματεῖον), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.
Δημόκοινοι, z. δήμιοι.
Demōnax, Δημώναξ, van Cyprus, die ten tijde van Hadriānus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.
Demophanes, Δημοφάνης, z. Ecdemus.
Demophilus, Δημόφιλος, 1) dichter der nieuwe attische comedie.—2) geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).
Demophoon, -phon, Δημοφόων, -φῶν, 1) zoon van Celeüs. Toen Demēter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanīra haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.—2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomēdes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.
Δημοποίητοι, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.
Δημόσιοι, z. δήμιοι.
Demosthenes, Δημοσθένης, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnēsus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracūsae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.—2) Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijke zwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich als λογογράφος bezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoe weinig zijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronēa besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demādes zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus’ plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en “waterdrinker” genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z. Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegīna en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn: κατὰ Φιλίππου α´ (begin 351), de 3 Olynthische (351–349), περὶ τῆς εἰρήνης (346), κατὰ Φιλίππου β´ (344), περὶ τῆς παραπρεσβείας (343, zie Aeschines), περὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳ (341), κατὰ Φιλίππου γ´ (341), ὑπὲρ Κτησιφῶντος περὶ τοῦ στεφάνου (330, zie Aeschines).
Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zie as), later, toen de as in gewicht beperkt was = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend. Denarius aureus, bij verkorting alleen aureus geheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zie aureus.
Denselētae of Denthelēti, Δενθελῆται, Δανθηλῆται, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.
Dentātus, bijnaam in het geslacht der Curii.
Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordt denuntiatio vaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.
Deo, Δηώ, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.
Depontāni werden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen de pontes ingevoerd werden bij het stemmen, iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben: sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.
Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donūsa, Amorgos, Serīphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen. Relegatio was slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. worden deportatio en relegatio somtijds dooreen gebezigd.
Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.
Derbices, Δερβίκκαι, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.
Dercetis, -to, Δερκέτις, -κετώ, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.
Dercyl(l)idas, Δερκυλ(λ)ίδας, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilāus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abȳdus en Sestus.
Dertōna, Δέρθων, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.
Dertōsa, Δερτῶσα, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Ibērus (Ebro).
Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes, tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.—2) aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.—3) in de 3de eeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.
Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zie Strigilis en Balneum.
Dèsultores, 1) paardrijders, voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.—2) numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.
Detestatio sacrorum, plechtige afstand van de sacra zijner gens bij arrogatio in eene andere, of verzaking van de sacra der familie bij een testamentum comitiis calatis factum.
Deucalion, Δευκαλίων, 1) zoon van Promētheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenēa e. a.—2) zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.
Deunx = 11 unciae. Als muntstuk bestond de deunx niet. De as had 12 unciae.
Deva, Δηοῦα, thans Chester (afgeleid van Castrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romāna. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.
Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidōna aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvānus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.
Deversorium, zie Caupona.
Dexippus, Δέξιππος, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.—2) nieuw-platonisch wijsgeer in de 4de eeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.
Dextans = 10 unciae of ⅚ as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.
Di indigetes, enz., zie Dii indigetes, enz.
Dia, z. Dea Dia.
Dia, Δία, 1) oude naam van het eiland Naxus.—2) eilandje ten N. van Midden-Creta.—3) eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).
Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad: Noviodunum, tgw. Jublains.
Diacria, Διακρία, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.
Διαδικασία, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.
Διάδοχος, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.
Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulke diaetae meenen te herkennen.
Diaeus, Δίαιος, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).
Diagoras, Διαγόρας, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.—2) van Melus, zoon van Teleclīdes, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaam ἄθεος) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.
Διαγραφῆς, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. de εἰσφορά) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.
Διαιτητής, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.—Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.
Διάκτορος, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.
Διαμαρτυρία, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij de διαμαρτυρία geen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in de ἐπωβελία.
Diāna, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13den Augustus, en de ludi saeculares waren aan haar en Apollo gewijd.—Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventīnus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.
Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopīum geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.
Διαψήφισις. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluit bevolen, dat de δῇμος, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering der δημόται werd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heette διαψήφισις. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.—Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.
Diasia, Διάσια, een groot feest ter eere van Zeus Μειλίχιος den 23sten Anthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.
Δίαυλος δρόμος, of alleen δίαυλος, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.
Dicaea, thracische stad bij het meer Bistōnis.
Dicaearchia, Δικαιαρχία, havenstad van Cumae, later Puteoli.
Dicaearchus, Δικαίαρχος, van Messāna, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. Zijn Βίος Ἑλλάδος in 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.
Δίχαλκον, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.
Dictātor. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ook magister populi geheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijn magister equitum, die zijn collega minor en, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan de provocatio onderworpen, zie echter Valeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed, pro dictatore. Na afloop van den 2den Punischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met het senatus consultum ultimum (z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eene lex Valeria (z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooral rei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ook seditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool, quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is: dictatorem dicere. De grieksche vertaling is αὐτοκράτωρ, ook δικτάτωρ. Tot de insigniën van den dictator behoorden de sella curulis, de toga praetexta en 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.
Dictātor municipālis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel van duumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidēnae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.
Dicte, Δίκτη, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichters Dictaeus = cretensisch.
Dictynna, Δίκτυννα, z. Britomartis.
Dictys, Δίκτυς, 1) broeder van koning Polydectes van Serīphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.—2) D. Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4de eeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z. Dares.
Διδασκαλία, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog de διδασκαλία geheel of gedeeltelijk.—Δ. beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naam διδασκαλία.
Didia (lex) sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van de lex Fannia van 161.
Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.—2) C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.—3) M. Didius (Sevērus) Juliānus, zie Juliani no. 3.
Dido, Διδώ, ook Elissa, Ἔλισσα, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aenēis Aenēas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.
Didrachma, -mum, δίδραχμον, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.
Didyma, τὰ Δίδυμα, stad in het gebied van Milētus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darīus of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ook Branchidae.
Didymus, Δίδυμος, 1) bijgenaamd Χαλκέντερος, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.—2) Claudius Didymus, z. Claudii no. 40.
Dies Comitiāles, z. Comitiales dies.
Dies Endotercīsi, z. Festi dies.
Dies Fasti, z. Fasti.
Dies Festi, z. Festi dies.
Dies Nefasti, z. Nefasti dies.
Dies Profesti, z. Festi dies.
Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).
Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijk per confarreationem gesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.
Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.
Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr. Πανδέκται) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justiniānus.
Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.
Digitius (S.) werd door Scipio Africānus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.
Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrīni of novensides.
Dii manes, zie Manes.
Dii novensides (novensiles) of peregrīni, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met de di(i) indigetes.
Dii penātes, zie Penates.
Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.
Δι(ι)πόλια of Βουφόνια, feest te Athene den 14den Skirophorion ter eere van Zeus Πολιεύς gevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.
Δικασταὶ κατὰ δήμους, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclīdes (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijk οἱ τετταράκοντα genoemd worden.
Δικαστήριον, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.
Δικαστικόν, de belooning der rechters te Athene, μισθὸς δικαστικός. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (τριώβολον ἡλιαστικόν). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (σύμβολον), waarop zij na afloop der zitting bij de κώλακρέται betaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten als δικαστικόν door den staat uitgegeven werden.
Δίκη, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.
Δίκη, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling van γραφή, ook ἀγὼν ἴδιος, δίκη ἰδία genoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling der δίκαι is vooral daardoor van die der γραφαί verschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijn κύριος, en dat beide partijen tot dekking van de kosten zekere geldsom (πρυτανεῖα) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (προστίμημα) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl. γραφή.
Dimachaeri, διμάχαιροι, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.
Dimallum, Δίμαλος, ook -λη, stad der Parthīni in Illyris graeca, aan de kust gelegen.
Dimensuratio provinciarum is de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4e eeuw n. C., zie Divisio orbis terrarum.
Dinarchus, Δείναρχος, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalēreus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.
Dindymēne, Δινδυμήνη, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.
Dindymum, -mus, -ma (plur.), Δίνδυμον, -μος, -μα, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymēne heet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.
Dino, Δεινώ, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.
Dinochares, Δεινοχάρης, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.
Dinocrates, Δεινοκράτης, 1) z. Dinochares.—2) z. Philopoemen.
Dio, Δίων, van Syracuse, zoon van Hipparīnus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclīdes, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclīdes bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.
Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceiānus, Δίων ὁ Κάσσιος, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Sevērus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36–60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.
Dio Chrysostomus Cocceiānus, Δίων ὁ Χρυσόστομος, geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traiānus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitiānus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.
Διωβελία, z. θεωρικόν.
Diocaesarēa, Διοκαισάρεια, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.
Diocles, Διοκλῆς, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.—2) van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Διόκλεια.—3) een van de vorsten te Eleusis, die door Demēter in de mysteriën onderwezen werden.—4) van Phlius, dichter der oude attische comedie.—5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.—6) van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.—7) van Peparēthus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.—8) rhetor uit den tijd van Augustus.
Diocletiānus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximiānus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedēa. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zie Thermae.
Diodōrus, Διόδωρος, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.—2) van Tyrus, te Athene leerling van Critolāus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.—3) D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Βιβλιοθήκη ἱστορική) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1–5, 11–20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.
Diodotus, Διόδοτος, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z. Cleon).—2) van Erythrae, schrijver van Ἐφημερίδες Ἀλεξάνδρου, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodōrus gebruik gemaakt hebben.—3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.
Dioecesis, διοίκησις, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).
Diogenes, Διογένης, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werk περὶ φύσεως zijn enkele fragmenten bewaard.—2) de cynicus, ὁ Κύων, geb. 404 te Sinōpe. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hem Σωκράτης μαινόμενος. Op eene reis naar Aegīna werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.—3) van Seleucīa in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolāus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.—4) D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.
Διοικισμός, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.
Δίολκος, zie Isthmus.
Diomedēae insulae, νῆσοι Διομήδειαι, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van den mons Gargānus. Zij waren genoemd naar Diomēdes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.
Diomēdes, Διομήδης, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.—2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athēna altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodīte en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodīte, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialēa tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedēae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedēi Campi in Apulia naar hem genoemd.—3) latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.
Diomēdis Campi = Campi Diomēdis.
Diomedon, Διομέδων, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginūsae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo no. 4.
Διόμεια, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.
Διωμοσία, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z. ἀντωμοσία.
Dion = Dio.
Diōne, Διώνη, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodīte. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodōna als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet soms Διώνη of meer Διωναία.
Dionysia, Διονύσια, feesten ter eere van Dionȳsus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (Δ. τὰ κατ’ ἀγρούς, ἐν ἀγροῖς, τὰ μικρά), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren de ἀσκώλια, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.—2) de groote of stedelijke (Δ. τὰ μεγάλα, τὰ κατ’ ἄστυ, ἀστικά, ook alleen Δ.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.—Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.