N.
Reading edition
N. Zie Nefasti (dies).
Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen.
Nabalia = Navalia.
Nabataei, Ναβαταῖοι, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten, Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op, terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten (Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64 een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware bestraffing weder met Octaviānus verbonden voor. Traiānus vernietigde hun rijk (105 n. C.).
Nabis, Νάβις, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en werd hem door Flaminīnus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192).
Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd.
Nabonēdus = Labynetus no. 2.
Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625–604), viel van Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden.
Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje.
Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte, tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta) gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en de Scipio’s waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig: fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.—2) de andere bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen, zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio, wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.—3) Naevius Sertorius Macro, z. Macro.
Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua (Oder).
Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen.
Naiades, Ναϊάδες, Ναΐδες, nimfen van rivieren (Ποταμηίδες), bronnen (Κρηναῖαι, Πηγαῖαι) en beken (Λιμνάδες). Zij bezitten de gave der profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht van het water menschen, dieren en planten (Κουροτρόφοι, Νόμιαι, Καρποτρόφοι). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende goden genoemd.
Naï(s)sus, Ναϊσ(σ)ός, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa), geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch.
Namatiānus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis valt, historisch belang heeft.
Namausus = Nemausus.
Namnētae of -tes, Ναμνῆται, gallisch volk aan den mond van den Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes).
Nanno, Ναννώ, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar zijne liefde niet beantwoordde.
Nantuātae of -tes, Ναντουᾶται, ligurisch of raetisch volk aan den lacus Lemannus (meer van Genève).
Napaeae, Ναπαῖαι, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend.
Naparis, Νάπαρις, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Rumenië.
Napata, Νάπατα, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius, veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk, van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd, onder den naam Nubia Inferior.
Nar, Νάρ, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria, die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt.
Naragara, τὰ Ναράγαρα, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór den slag bij Zama een onderhoud hadden.
Narbo, Ναρβών, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners Atacīni werden genoemd.
Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpīna, naar de hoofdst. Narbo.
Narcissi fons, Ναρκίσσου πηγή, bron in Boeotia bij Thespiae, waar narcissen in menigte groeiden.
Narcissus, Νάρκισσος, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde, wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in een narcis.—2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalīna, maar werd later door Agrippīna uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.—3) gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iuliānus werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht.
Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het tegenw. Beieren.
Narnia, Ναρνία, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequīnum geheeten.
Narōna, rom. kolonie in Dalmatia.
Narthacium, Ναρθάκιον, berg en stad in Thessalia, in het N. van Phthiōtis, niet ver van Pharsālus, waar in 394 Agesilāus, uit Azië terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden.
Νάρθηξ, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren, die vandaar ἡ ἐκ τοῦ νάρθηκος ἔκδοσις genoemd wordt.
Narycus, -cium of Naryx, Νάρυκος, Νάρυξ, misschien het zelfde als het latere Pharygae, Φαρύγαι, stad der opuntische Locriërs, geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oīleus (Narycius heros). Zie ook Locri Epizephyrii.
Nasamōnes, Νασαμῶνες, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte (golf v. Sydra).
Nasīca, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22–25.
Nasidiēnus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende.
Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers der pompejaansche partij voorkomen.
Naso, familienaam der Ovidii.
Nasus, 1) Νῆσος, eilandje met kasteel in de rivier Achelōus in Acarnania.—2) Νᾶσος = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae.
Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een badhuis.
Nauclīdes, Ναυκλείδας, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2 naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven aangeklaagd.
Naucrates, Ναυκράτης, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten van Mausōlus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar van den overledene.
Naucratis, Ναύκρατις, milesische volkplanting uit de 2de helft van de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm.
Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium.
Naucȳdes, Ναυκύδης, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van Polyclētus (± 420).
Ναυκραρία. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 ναυκραρίαι, verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere ναυκραρία de verplichting een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen worden zij dikwijls met de latere δῆμοι vergeleken. De hoofden der naucrariën, ναύκραροι, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden voor de vloot.
Naulochus, Ναύλοχος, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag.
Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht, maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook naumachia genoemd.
Naumachius, Ναυμάχιος, grieksch dichter van later tijd; van zijn gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard.
Naupactus, Ναύπακτος, versterkte havenstad in Locris aan de Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar de Peloponnēsus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans Lepanto of Epacto.
Nauplia, Ναυπλία, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf.
Naupliades, Ναυπλιάδης, Proetus of Palamēdes, zonen van Nauplius.
Nauplius, Ναύπλιος, 1) zoon van Poseidon en Amymōne, stichter van Nauplia.—2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman en sterrenkundige, Argonaut.—3) koning van Euboea, bij Clymene no. 5 vader van Palamēdes en Oeax. Vertoornd over de behandeling, die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op kaap Caphāreus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de zijnen gedood.
Nauportus, Ναύπορτος, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus, en stad (Ober-Laybach) in Pannonia.
Nausicaa, Ναυσικάα, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader.
Nausicles, Ναυσικλῆς, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen, die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der macedonische partij.
Nausinous, Ναυσίνοος, zoon van Odysseus en Calypso.
Nausiphanes, Ναυσιφάνης, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van Epicūrus.
Nausithous, Ναυσίθοος, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd werd, van Hyperēa naar Scheria.—2) zoon van Odysseus en Calypso.—3) stuurman van Theseus.
Nautaca, Ναύτακα, stad in het perzische gewest Sogdiāna.
Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader gold Aenēas’ tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar Italië overbracht.
Ναυτοδίκαι, te Athene rechters in handelszaken (δικαι ἐμπόρων), tevens belast met de instructie bij de γραφὴ ξενίας. Kort na 403 werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen.
Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt.
Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus Martius.—2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land, misschien aan den mond van de Fossa Drusiana.
Navius, zie Attii.
Naxus, Νάξος, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer en zijn wijn en aan Dionȳsus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten, verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376 werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus verslagen.—2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracūsae verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina.
Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is van Eumenius.
Nazianzus, Ναζίανζος of Ναζιανζός, stad in Cappadocia. Z. Gregorius no. 2.
Neaera, Νέαιρα, nimf, bij Helius moeder van Phaëthūsa en Lampetia.
Neaethus, Νέαιθος, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken hebben.
Neandria, Νεανδρία, Νεάνδρεια, aeolische stad in Troas. Hier is in de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is voor de kunstgeschiedenis.
Neanthes, Νεάνθης, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I, schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken over geschiedenis.
Neapolis, Νεάπολις, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl bovendien een gedeelte van Syracūsae dezen naam droeg. Het beroemdst is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis, en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer van het westrom. rijk, overleed hier.
Nearchus, Νέαρχος, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië gezonden.—2) zoon van Androtīmus, door Philippus uit Macedonië verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord te nebben.—3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum vriend en leermeester van den ouden Cato.
Nebrōdes montes, Νευρώδη ὄρη, bergketen op Sicilia, die zich langs de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het eiland voortzet.
Nebucadrēzar, Ναβοκοδρόσορος, zoon en opvolger van Nabopolassar, koning van Babylonië (605–562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon.
Necho, Νεκώς, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte (610–595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië, Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde land in Azië weder verloor.
Nectanabis, Νεκτάναβις, -τανεβώς, 1) de vierde koning van Aegypte, nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabāzus en Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.—2) N. II, stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen, en maakte zich met behulp van Agesilāus van de regeering meester (360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië, maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië (344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte.
Nectar, νέκταρ, godendrank, z. Ambrosia.
Neda, Νέδα, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia.
Nedon, Νέδων, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de Messeensche golf uit.
Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies).
Neïon, Νήϊον, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca.
Neïth, Νηίθ, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de Grieken met Athēna geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden, v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld.
Νεκρομαντεῖον, Νεκυομ., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier de Acheron in Epirus, bij Heraclēa Pontica, te Cumae in Italië, bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia.
Νεκύσια, Νεμέσεια, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion, dus = Γενέσια.
Neleïades, Νηληιάδης, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van Neleus.
Neleus, Νηλεύς, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit; daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.—2) zoon van Codrus, door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Milētus e. a. ionische steden.
Nelīdes, Νηλείδης = Neleïades.
Nemausus, Νέμαυσος, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie.
Nemea, Νεμέα, 1) dal in Argolis tusschen Cleōnae en Phlius, waar Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.—2) rivier op de grens van Sicyon en Corinthia.
Nemea, Νέμεα, Νέμεια, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea, later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis.
Nemesiānus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C., geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht, Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is.
Nemesis, Νέμεσις, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt.
Nemetācum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras.
Nemētae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd als hulptroepen van Ariovistus.
Nemetocenna = Nemetacum.
Nemētum, Νεμωσσός, z. Augustonemētum.
Nemorensis lacus, zie Aricia.
Nemossus, Νεμωσσός, z. Augustonemētum.
Neniae = naeniae.
Neobūle, Νεοβούλη, z. Archilochus.
Neocaesarēa, Νεοκαισάρεια, groote en prachtige hoofdstad van Pontus Polemoniacus, aan den Lycus.
Neocles, Νεοκλῆς, vader van Epicūrus, ging met atheensche cleruchen naar Samus, waar hij eene school hield.
Νεοδαμώδεις, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral voor krijgstochten naar Azië gebruikt.
Νεωκόρος, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich νεωκόροι, van den tempel des keizers te mogen noemen.
Neon, Νέων, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd.
Neontīchus, Νέον τεῖχος, 1) aeolische stad op de kust van Mysia, aan den Hermus.—2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis, nabij de Chersonēsus.
Neophron, Νεόφρων, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne Medēa een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten, die onlangs van zijne Medēa teruggevonden zijn.
Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke (alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling Plotīnus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus, van de atheensche Proclus.
Neoptolemus, Νεοπτόλεμος, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon van Achilles en Deidamēa, werd bij zijn grootvader Lycomēdes opgevoed, en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was, dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten paard komt hij in de stad, doodt Polītes voor de oogen van diens vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus, hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache (z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epīrus en vestigde zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epīrus aan Helenus overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd; zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen waren om den tempel te plunderen.—2) een van de schuldigen aan den dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van Halicarnassus tegen Alexander.—3) werd koning van Epīrus, toen Pyrrhus door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was, wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296).
Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van Veii latijnsche kolonie, later municipium.
Nephele, Νεφέλη, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.), later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.—2) z. Ixīon.
Nephelēis, Helle, dochter van Nephele.
Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16).
Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58.
Neptunīne, Thetis, kleindochter van Neptūnus.
Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrōdes montes op Sicilia, bij Messāna.
Neptūnus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem, later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, σκιάδες. Zie ook Consus.
Nequīnum, oude naam van Narnia.
Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de regeering van Traiānus en Hadriānus als mannen van invloed voorkomen.
Nereides, Νηρηίδες, Νηρεΐδες, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris (vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee, op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd.
Nereīne, Νηρηίνη, Thetis, dochter van Nereus.
Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus.
Nēreus, Νηρεύς, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden, woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en gewoonlijk met zeewier in plaats van haar.
Nericus, Νήρικος, oude hoofdst. v. Leucadia.
Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk aan de Westkust van Schotland.
Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk.
Nerio, -ria, -riēne, gezellin van Mars, later als zijn gemalin beschouwd.
Neritum, -us, Νήριτον, -ος, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius dux = Ulysses.
Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22–27, 29).
Nero, rom. keizer 54–68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus en Agrippīna, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde), werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust, bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht, evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder (59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabīna, die hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven (65), ook Seneca en de dichter Lucānus werden er in betrokken. De prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak (domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland (66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood.
Neronia, zie Artaxata.
Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini, Eudoses, Suardones en Nuithones.
Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia.
Nerva, familienaam in de gentes Coccēia, Licinia (Licinii no. 33), Silia (Silii no. 2 en 4).
Nerva (M. Coccēius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96–98 na C., leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder Domitiānus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij den voortreffelijken M. Ulpius Traiānus, die toen legatus van Germania superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering van anderhalf jaar (Jan. 98).
Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden, misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen.
Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest, later herbouwd.
Nesiōtes, Νησιώτης, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw gedenkteeken voor Harmodius en Aristogīton, nadat het oude door Xerxes medegenomen was.
Nesis, Νῆσις, bekoorlijk eilandje bij Pausilȳpum (Posilippo), op de kust van Campania.
Nessōnis, Νεσσωνίς, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa.
Nessus, Νέσσος, z. Heracles.
Nessus, Νέσσος = Nestus.
Nestor, Νέστωρ, zoon van Neleus en Chlōris, koning van Pylus. Hij onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs, hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd, toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht.
Nestus, Νέστος, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte ontspringt en bij Abdēra in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus de grens tusschen Macedonië en Thracië.
Netum, Νέητον, stad in het gebied van Syracūsae en ten Z.W. daarvan gelegen.
Neuri, Νευροί, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen.
Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco; hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd.
Nicaea, Νικαία, dochter van Antipater no. 1, na Alexander’s dood eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus.
Nicaea, Νίκαια, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van het vroegere Ancore, en Antigonēa genoemd; Lysimachus vergrootte ze en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In 325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden, waarop de leer van Arīus veroordeeld werd.—2) stad op de indische grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner overwinning op Porus.—3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh) = Cabura.—4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae beheerschte.—5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust, thans Nizza.
Nicander, Νίκανδρος, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer, van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn voornaamste werk, de Ἑτεροιούμενα, is door Ovidius in zijne Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw.
Nicānor, Νικάνωρ, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander d. G., streed aan het hoofd der ὑπασπισταί bij den Granīcus, bij Issus en Gaugamēla; hij stierf in 330.—2) stadhouder van Alexander in Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van Antigonus.—3) van Stagīra, bevelhebber der vloot onder Alexander; na diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren, eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.—4) van Alexandrīa, grieksch grammaticus ten tijde van Hadriānus, die vooral over de leer der interpunctie (στιγμή) schreef, waarom men hem schertsend στιγματίας (gebrandmerkte) noemde.
Nicarchus, Νίκαρχος, naam van twee grieksche epigrammendichters.
Nicephorium, Νικηφόριον, sterke vesting in Mesopotamia aan den Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus I aangelegd.
Nicephorius, zijtak van den Chabōras, stroomde dicht langs Tigranocerta.
Nicephorus, Νικηφόρος, bijnaam van Zeus als god der overwinning.
Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar.
Niceratus, Νικήρατος, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk Athener, werd door de 30 gedood.—2) zoon van Euctēmon, van Athene, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral te Pergamum werkzaam was.
Nicias, Νικίας, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk, maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon’s dood werd vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide veldheeren werden ter dood gebracht.—2) rhetor te Thurii, leeraar van Lysias.—3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders, tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek (z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.—4) lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor geld te vergiftigen.—5) van Milētus, geneesheer en epigrammendichter, vriend van Theocritus.—6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend van Cicero, Dolabella en Pompeius.
Nicochares, Νικοχάρης, atheensch blijspeldichter uit het overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes.
Nicocles, Νικοκλῆς, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde over Salamis op Cyprus 374–360.—2) koning van Salamis ten tijde van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.—3) vorst van Paphus, die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310).
Nicocreon, Νικοκρέων, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus.
Nicolāus, Νικόλαος, van Damascus, grieksch geschiedschrijver, vriend van Herōdes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig bewaard gebleven is.
Nicomachus, Νικόμαχος, 1) zoon van Machāon en Anticlēa, regeerde met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar zij als heroën vereerd werden.—2) schrijver (γραμματεύς) te Athene, wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.—3) van Stagīra, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een zoon van Aristoteles heette N.—4) treurspeldichter, die eens in den tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.—5) van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en leerling van Aristodēmus. Sommige van zijne werken werden later naar Rome overgebracht.—6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C., van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der nieuw-pythagoreïsche school.
Nicomedēa, Νικομήδεια, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus, in 264 door Nicomēdes I gesticht op de plaats van het oude Astacus (z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletiānus en van Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om het leven; de geschiedschrijver Arriānus werd er ± 90 na C. geboren.
Nicomēdes, Νικομήδης, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte en stichtte Nicomedēa; hij regeerde 281–246.—2) Nic. II Epiphanes (149–128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was geheel van de Rom. afhankelijk.—3) Nic. III Euergetes, opvolger van den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates afstaan en stierf kort daarna.—4) Nic. IV Philopator, werd door zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91), maar door M.’ Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74).
Nicon, Νίκων, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper strijdend (209).
Niconia, Νικωνία, -νιον, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr).
Nicophēmus, Νικόφημος, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld.
Nicopolis, Νικόπολις, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad in het Z. van Epīrus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.—2) stad in Thracia aan den Nestus.—3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van den Haemus, door Traiānus gesticht ter herinnering aan een overwinning op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.—4) stad in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van zijne overwinning op Mithradātes (65).—5) stad in de Nijldelta nabij Alexandria, door Augustus aangelegd.
Nicosthenes, Νικοσθένης, fabrikant en schilder van vazen in zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de 6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek of van zijne hand bewaard gebleven.
Nicostratus, Νικόστρατος, 1) zoon van Menelāus en Piëris.—2) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcȳra en in Argolis.—3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen onder Artaxerxes Ochus.
Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.).
Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis, de diis e.a. Caesar verbande hem (46).
Nilus, Νεῖλος, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam Aegyptus (ὁ Αἴγυπτος). Hij had zeven mondingen of ostia (στόματα): Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum, Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen.
Niniveh, stad = Ninus.
Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun L. Ninnius Quadrātus voor als hevig tegenstander van P. Clodius Pulcher, den vijand van Cicero.
Ninus, Νῖνος, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van 52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot vrouw genomen had.
Ninus, Νίνος, hoofdst. van het oud-assyrische rijk, ook Niniveh geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie Μέσπιλα), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest, zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843 na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot ’47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel, Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het Mespila van Xenophon; 2º. Kalach—het Larissa door Xenophon genoemd, tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten.
Ninyas, Νινύας, zoon van Ninus, z. Semiramis.

Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.
Niobe, Νιόβη, 1) dochter van Phorōneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.—2) dochter van Tantalus en Taygete of Diōne, gemalin van Amphīon. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost—zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend—durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.—De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.
Niphātes, Νιφάτης = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospītis en Arsissa.
Nireus, Νιρεύς, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.
Nisaea, Νίσαια, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.
Nisaei campi, Νίσαιον πέδιον, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.
Nisibis, Νίσιβις, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochīa Mygdonia genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.
Nisus, Νῖσος, 1) zoon van Pandīon, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z. Scylla) onophoudelijk.—2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aenēas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.
Nisȳrus, Νίσυρος, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.
Nitiobriges, Νιτιόβριγες, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.
Nitōcris, Νίτωκρις, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.—2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.
Nitrariae of Nitriae, Νιτρίαι, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.
Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.
Nobiles of optimātes heetten bij de Rom. die familiën, die het ius imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.
Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10–13).
Nola, Νῶλα, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.
Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v. Δημοσθένης Δημοσθένους Παιανιεύς, Θεόφραστος Θεοδώρου. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africānus, Nasīca. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus Muciānus, P. Cornelius Scipio Aemiliānus Africānus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucānus. Vrijgelatenen van steden vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero’s dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextīna, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippīna, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullīna Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius van ἀστήρ. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen.
Nomenclātor, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.
Nomentānus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatīus. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.
Nomentum, Νώμεντον, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana.
Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.
Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.
Nomius, Νόμιος, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.
Νομοφύλακες, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalēreus weder in het leven geroepen.—Ook verscheiden dorische staten hadden νομ., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcȳra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.
Νομοθέται, z. ἐπιχειροτονία no. 1.
Nonācris, Νώνακρις, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo = Callisto, Nonacria = Atalanta.
Nonae, zie annus.
Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.
Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3de eeuw na C.
Nonnus, Νόννος, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionȳsus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.
Nora, 1) Νώρα, oude stad op de Z.kust van Sardinia.—2) τὰ Νῶρα, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.
Norba, Νώρβα, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla’s troepen verwoest.—2) Norba Caesarēa, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traiānus staat.
Norbāni, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.—2) C. Norbanus Flaccus was legaat van Antonius en Octaviānus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.—3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.—4) onder Domitiānus en Traiānus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor.
Noreia, Νωρήια, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.
Noricum, Νωρικόν, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobōna (Weenen). De inwoners, Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15–13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.
Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.
Nossis, Νοσσίς, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.
Νόστοι, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.
Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.
Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.
Νόθοι, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonder ἐπιγαμία behoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (νοθεῖα) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.
Notium, Νότιον, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.
Notus, Νότος, de Zuidenwind, zie Windstreken.
Novaesium = Novesium.
Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadāna. Sedert 89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium.
Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen.
Novempopulana (provincia), zie Aquitania.
Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides.
Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.
Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.
Noviodūnum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpīna. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en Avaricum (Bourges).—2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.—3) stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.—4) stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.
Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpīna. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.—2) bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).—3) bij de Nemētes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.—4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traiānus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.
Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft.
NP. Zie fasti (dies).
Nuceria, Νουκερία, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.—2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria, aan de via Flaminia.—3) stad in Apulia = Luceria.
Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
Numa Pompilius, Νουμᾶς, tweede koning van Rome (± 715–679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.
Numantia, Νουμαντία, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriāthus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancīnus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africānus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.
Numenius, Νουμήνιος, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.—2) van Apamēa in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotīnus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.
Numeriānus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carīnus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.
Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne oratio pro Sestio.
Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.
Numicius of Numīcus, Νουμίκιος, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.
Numidia, Νομαδία, Νουμιδία, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Νομάδες, zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago’s val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsāga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.
Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.
Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.
Numitor, Νομήτωρ, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.
Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.
Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100 sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld.
Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala.
Νυμφαγωγός, z. Παράνυμφος.
Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.
Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae.
Nuntiatio, zie augures.
Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.
Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.
Nurtia = Nortia.
Nyctēis, Νυκτηίς, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.
Nyctelius, Νυκτέλιος, bijnaam van Dionȳsus naar de nachtfeesten, Νυκτέλια, die te zijner eer gevierd werden.
Nycteus, Νυκτεύς, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus, Labdacus en Antiope.
Nyctimene, Νυκτιμένη, dochter van Epōpeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athēna veranderde haar in een nachtuil.
Nyctimus, Νύκτιμος, zoon en opvolger van Lycāon no. 1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.
Nymphae, Νύμφαι, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionȳsus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.—Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden: Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.—Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen, νυμφεῖα. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.—Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.
Nymphaeum, Νύμφαιον, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.—2) kaap in de taurische Chersonēsus (Krim).—3) kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.
Nymphēum, νυμφεῖον, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea, νύμφαια, geschreven). Zulk een nymphēum was ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).
Nymphidius Sabīnus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero’s dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.
Nymphis, Νύμφις, van Heraclēa in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.
Nymphodōrus, Νυμφόδωρος, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.
Nysa, Νύσ(σ)α, de plek waar Dionȳsus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen worden Nyseides, Νυσηίδες, genoemd en de god zelf Nyseus, Νυσεύς. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:—1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.—2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3.
Nyseides, Νυσηίδες, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionȳsus.
Nyseus, Nysius, Nysigena, Νυσεύς, Dionȳsus, naar zijne geboorteplaats Nysa.
Nysiades = Nyseides.