O.
Reading edition
Oanis, Ὤανις, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarīna.
Oaracta, τὰ Ὀάρακτα, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.
Oarus, Ὄαρος, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeōtis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is de Rha (Wolga).
Oaxus, Ὄαξος, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier Oaxes.
Ὠβή, z. Φυλή.
Obeliscus, ὀβελίσκος, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.
Obelus, ὀβελός, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.
Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.
Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo.
Ὀβολός, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de deel van een drachme. Ὀβ. νεκροῦ, z. Charon.
Obrima, Ὄβριμος, zijtak van den Maeander in Phrygia.
Ὀβριμοπάτρη, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athēna.
Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen, prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4de eeuw na C.
Obucola, Ὀβούκολα, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).
Ocalēa, Ὠκάλεια, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.
Ocalea, Ὠκαλέη, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copāis.
Oceanides, -nīnae, Ὠκεανίδες, -νῖναι, -νίτιδες, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.
Oceanus, Ὠκεανός, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.—In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.
Occelus of Ocellus Lucānus, Ὄκκελος of Ὄκελλος ὁ Λευκανός, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk περὶ τῆς τοῦ παντὸς φύσεως is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw voor C.
Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.
Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.
Ochus, Ὦχος, bijnaam van Artaxerxes III.
Ochus, Ὦχος, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.—2) rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.
Ocnus, Ὄκνος, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoon of broeder van Aulētes, den stichter van Perusia, en had hij Felsīna, het latere Bononia, gesticht.
Ocriculum, Ὀκρίκολα, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.
Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5.
Octaviānus, zie Iulii no. 14.
Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.—2) Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrāce aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicēa vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.—3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.—4) Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.—5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia (lex) frumentaria.—6) L. Octavius, consul in 75.—7) M. Octavius was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsālus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.—8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina’s benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.—9) C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.—10) Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octaviānus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus’ dochter Julia.—11) Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalīna, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero’s dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.
Octodūrus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.
Octogēsa, stad der Ilergetes aan den Ibērus in Hispania.
Ocypete, Ὠκυπέτη, een van de Harpyiën.
Ocyrhoe, Ὠκυρόη, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.
Odenāthus, Ὠδέναθος, aanzienlijk burger van Palmȳra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapōres uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Galliēnus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.
Odessus, Ὀδησσός, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), thans Varna.
Odēum, ᾠδεῖον, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herōdes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitiānus.
Odoācer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.
Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbēlus, tusschen den Strymon en den Nestus.
Odrysae, Ὀδρύσαι, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.
Odysseus, Ὀδυσσεύς, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlēa, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamēdes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssēa van Homērus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphēmus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athēna, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athēna een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.—Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.
Oea, Οἴα, 1) vlek op het eiland Thera.—2) stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.
Oeager, Οἴαγρος, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch.
Oeagrides, Οἰαγρίδες, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.
Oeanthe, -ēa, Οἰάνθη, Οἰάνθεια, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.
Oeax, Οἴαξ, zoon van Nauplius no. 2.
Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus.
Oebalides, Οἰβαλίδης, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.
Oebalus, Οἴβαλος, 1) zoon van Cynortas of Periēres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum Oebalia arx genoemd.—2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.
Oechalia, Οἰχαλία, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Penēus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurȳtus.—2) in het N. van Messenia.—3) in Trachis.—4) nabij Eretria op Euboea.—5) in Aetolia.
Oeclides, Οἰκλείδης, zoon van Oecleus, Amphiarāus.
Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z. domus) of als triclinium.
Oedipus, Οἰδίπους, Οἰδιπόδης, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynīces, Antigone en Ismēne. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismēne hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynīces hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colōnus bij Athene, zijn graf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.—Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganēa tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedūsa tot vrouw genomen hebben.
Oenēis, Οἰνηίς, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Oeneon, Οἰνεών, havenstad der Locri Ozolae.
Oeneus, Οἰνεύς, zoon van Portheus of Porthāon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionȳsus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomēdes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.—Op eene reis in de Peloponnēsus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomēdes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.
Oeniadae, Οἰνιάδαι, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelōus, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus, Νῆσος (z. a.), lag op een eilandje in een meertje.
Oenīdes, Οἰνείδης, Meleager en Diomēdes, zoon en kleinzoon van Oeneus.
Oenoanda, Οἰνόανδα, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.
Oenoë, Οἰνόη, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.—2) attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.—3) corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.—4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.—5) stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.
Oenomaüs, Οἰνόμαος, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamēa trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.—V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.
Oenōne, Οἰνώνη, 1) oude naam van Aegīna.—2) dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.
Oenophyta, τὰ Οἰνόφυτα, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.
Oenopia, Οἰνοπία, oude naam van het eil. Aegīna.
Oenopion, Οἰνοπίων, zoon van Dionȳsus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orīon.
Oenotria, Οἰνωτρία = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenōtrus.
Oenotropi, -pae, Οἰνότροποι, dochters van Anius, die van Dionȳsus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionȳsus veranderde ze in duiven.
Oenōtrus, Οἴνωτρος, jongste zoon van Lycāon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.
Oenus, Οἰνοῦς, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurōtas valt.
Oenussae, Οἰνοῦσσαι, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).—2) eilandengroep ten Z. van Messenia.
Oeōnus, Οἰωνός, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augīas, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.
Oëroë, Ὠερόα of Ὠερόη, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.
Oesȳme, Οἰσύμη, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.
Oeta, Οἴτη, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.
Oetaei, Οἰταῖοι, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.
Oetylus, Οἴτυλος, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serāpis.
Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4).
Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octaviānus tegen S. Pompeius.
Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.
Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zie Aesculapius.
Ogygia, Ὠγυγία, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.—2) oude naam van Thebe.
Ogyges, Ogygus, Ὠγύγης, Ὤγυγος, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.—Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.
Oīcles, -cleus, Ὀικλῆς, -κλεύς, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiarāus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.
Oiclīdes, Ὀικλείδης, Amphiarāus, zoon van Oicles.

Οἰκία, Οἶκος, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (πρόθυρον) op een open plaats (αὐλή), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (αἴθουσα αὐλῆς) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (αἴθουσα δώματος), waarachter het eigenlijke woonhuis (δῶμα, δόμος; de αὐλή met de galerijen, enz., heeten met elkander πρόδομος) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (μέγαρον), vanwaar een kleine gang (πρόθυρον) naar de overige vertrekken (θάλαμοι) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (ὑπερῷον) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.—Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is a de voordeur (αὔλειος θύρα), b een gang (θυρών, πυλών, θυρωρεῖον), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c de open plaats (αὐλή) der mannenafdeeling (ἀνδρωνῖτις), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook περιστύλιον), rondom welke de mannenvertrekken (ἀνδρῶνες, οἶκοι, 1–9) gelegen zijn. Uit deze αὐλή, leidt een gang d (μέσαυλος, μέταυλος z.a.) naar de αὐλή, e, van het vrouwenverblijf (γυναικεῖον, γυναικωνῖτις, deze αὐλή heeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrek f ligt, dat naar de αὐλή geheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (παραστάς, προστάς); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (θάλαμος en ἀμφιθάλαμος, g); aan de andere zijden van de αὐλή zijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeur i (κηπαία θύρα) komt men in den tuin of op straat.—Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,—al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijke αὐλή had. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen, terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.

Οἰκουμένη (γῆ), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekent οἰκ. het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde, orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.
Oīleus, Ὀιλεύς, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriōpis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.
Οἰωνοπόλοι, Οἰωνισται, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (τέρατα), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.
Olba, Ὂλβη, stad in het binnenland van Cilicia Trachēa, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Ζεὺς Ὄλβιος, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.
Olbia, Ὀλβία, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.—2) kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.—3) vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.—4) stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.—5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).
Olcades, Ὀλκάδες, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).
Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.
Olearas = Oliarus.
Olen, Ὠλήν, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.
Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilāni of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.
Olenus, Ὤλενος, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.
Olenus, Ὤλενος, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).—2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.—Dichterlijk Olenius = achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthēa.
Oliarus, Ὠλιαρός, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.
Oligyrtus, Ὀλίγυρτος, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphālus.
Olisīpo, Ὀλισίπων, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4.
Olīzon, Ὀλιζών, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.
Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero’s tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seiānus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.
Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebīnus (lago d’Isea) vormt.
Oloösson, Ὀλοοσσών, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.
Olophyxus, Ὀλόφυξος, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).
Olpae, Ὄλπαι, Ὄλπη, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.
Oltis, rechter zijtak van den Garumna.
Olūrus, Ὄλουρος, 1) vesting in Achaia bij Pallēne op de sicyonische grenzen.—2) ook Olūris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.
Olympia, ἡ Ὀλυμπία, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alphēus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (ἡ Ἄλτις), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (θησαυροί) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875–1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis.
Olympia, τὰ Ὀλύμπια, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: δίαυλος, δόλιχος, worstelen en πένταθλον, rijden met vierspan, paardrijden en παγκράτιον, wedloop in wapenrusting (ὁπλίτης δρόμος), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds—men zegt tot 472—liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs, σπονδοφόροι bekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ὲκεχειρία); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters, ἑλλανοδίκαι, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Ὀλυμπιονίκης) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (προεδρία) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.—Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Ὀλυμπιάς) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.—Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.
Olympiades, Ὀλυμπιάδες, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.
Olympias, Ὀλυμπιάς, 1) dochter van Neoptolemus van Epīrus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander’s dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnēsus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).—2) z. Olympia.
Olymp(i)ēni, Ὀλυμπ(ι)ηνοί, bewoners van het gewest Olympēne in Mysia.
Olympiēum, Ὀλυμπιεῖον, ook -πίειον, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.—2) stadje op Sicilia vlak bij Syracūsae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten.
Olympiodōrus, Ὀλυμπιόδωρος, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.—2) atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcētes (287).—3) van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.—4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.—5) van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.
Olympius, -pia, Ὀλύμπιος, -πία, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.
Olympus, Ὄλυμπος, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.—2) beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw.
Olympus, Ὄλυμπος, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6–7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.—2) in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).—3) in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manlii no. 4) de Galaten in 189.—4) vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.—5) op den staart van het eiland Cyprus.—6) in het Z. van hetzelfde eiland.—7) in Laconica bij Sellasia.—8) op Euboea, ten N. van Eretria.—9) in het Z. van het eiland Lesbus.
Olynthus, Ὄλυνθος, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.
Olysīpo = Olisīpo.
Ombrius, Ὄμβριος, bijnaam van Zeus als regengod.
Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses.
Omen, zie auguria.
Omphale, Ὀμφάλη, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelāus.
Onātas, Ὀνατᾱς, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5de eeuw.
Onca, Ὄγκα, bijnaam van Athēna, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.
Onchesmus, Ὀγχησμός, haven in Chaonia (Epīrus), tegenover het eil. Corcȳra (Corfu).
Onchestus, Ὀγχηστός, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.—2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebēis.
Onēus mons, Ὄνειον ὄρος, Ὂνεια ὄρη, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnēsus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.
Onesicritus, -crates, Ὀνησίκριτος, -κράτης, van Aegīna, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.
Onochonus, Ὀνόχωνος, rivier in het gewest Thessaliōtis in Thessalia, zijrivier van den Penēus, tusschen den Pamīsus en den Enipeus. V. a. = Onchestus no. 2.
Onomacles, Ὀνομακλῆς, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.
Onomacritus, Ὀνομάκριτος, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.
Onomarchus, Ὀνόμαρχος, na den dood van Philomēlus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.
Onosander, Ὀνόσανδρος, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.
Onūphis, Ὄνουφις, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphītis.
Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.
Opellius Macrīnus (M.), zie Macrinus (M. Opellius).
Ophelion, Ὠφελίων, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.—2) grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.—3) zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.
Ophel(l)as, Ὀφέλ(λ)ας, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrēne (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).
Opheltes, Ὀφέλτης, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).
Ophīon, Ὀφίων, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.—2) een van de Giganten.
Ophis, Ὄφις, riviertje in Arcadia bij Mantinēa.
Ophiūchus, Ὀφιοῦχος, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyīdus of nog anderen.
Ophiūsa, Ὀφιοῦσα = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).—2) een der Pityūsae, ook Colubraria genoemd.—3) oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius = cyprisch.—4) oude naam van Tenus.
Ophrynēum, Ὀφρύνειον, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoetēum, met een aan Hector gewijd bosch.
Opici, Ὀπικοί, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia.
Opiconsivia, -sīva, feest, ter eere van Ops Consīva den 25sten Augustus te Rome gevierd.
Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.
Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.—2) Q. Opimius werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.—3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvīnus (Domitii no. 15).
Opis, Ὦπις, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.
Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verōna en Aquileia.
Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.
Oppiānus, Ὀππιανός, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos, Ἁλιευτικά, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.—2) uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht, Κυνηγετικά.
Oppidum Batavorum, z. Batavodurum.
Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassīnus zelfmoord pleegde.—2) Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradātes Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.—3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octaviānus aansloot.—4) Oppius Sabīnus, legaat van Moesia onder keizer Domitiānus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).
Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma), gelegen in het Z. van de regio Esquilīna.
Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consīva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demēter.
Ὄψον, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.
Ὀπτήρια, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot, bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na het huwelijk zonder sluier vertoonde.
Optimātes, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares, de volkspartij. In engeren zin = nobiles.
Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later ging de keus op de krijgstribunen over.
Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen, waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken, op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco, gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze.
Opus, Ὀποῦς, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea, de geboorteplaats van Patroclus.
Orbēlus, Ὄρβηλος, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon.
Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen, waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen, die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes equestre en het aes hordearium (z. a.).
Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat, ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school, die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had.
Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld.
Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon niet welsprekend, jurist geprezen.
Orbōna, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij had een altaar bij den tempel der Lares.
Orcades insulae, Ὀρκάδες νῆσοι, de Orkney-eilanden ten N. van Schotland.
Orchamus, Ὄρχαμος, vader van Leucothoë.
Orchestra, ὀρχήστρα, in het algemeen een dansplaats, in het bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van Dionȳsus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen ingenomen; hier zaten de senatoren.
Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij beperkte het getal gasten bij maaltijden.
Orchomenus, Ὀρχομενός, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk Boeotia, bij Homerus Μινύειος geheeten naar de Minyers en hun koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen, werd zij van geene beteekenis meer.—2) oude stad in Arcadia, bij Homerus πολύμηλος genoemd.
Orcīni, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars aanteekeningen, in den senaat werden gebracht.
Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de onderwereld zelf.
Ordessus, Ὀρδησσός, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Walachije.
Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales.
Oreades, Ὀρειάδες, Ὀροδεμνιάδες, bergnimfen, komen vooral dikwijls als gezellinnen van Artemis voor.
Orestae, Ὀρέσται, volk in Epīrus, in het gewest Orestis, later bij Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam.
Orestēa, Ὀρεστεία, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris naar Griekenland had overgebracht.
Orestes, Ὀρέστης, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met hem kwam hij na acht jaren naar Mycēnae terug, nadat hij eerst zelf het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was, en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athēna in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides een heiligdom in Attica.—V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden, maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres, die het offer zou verrichten, Iphigenīa (z. a.), de zuster van O., was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.—V. a. had Orestes gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ἄκη) met een heiligdom der Eumeniden.—Naar Mycēnae teruggekeerd, doodde hij Alētes (z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.—2) zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450 verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsālus om hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren.
Oresthasium, Oresthēum of Orestēum, Ὀρεσθάσιον, Ὀρέσθειον, -στειον, stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis.
Orestheus, Ὀρεσθεύς, 1) zoon van Lyeāon, stichter van Oresthasium, het latere Orestēum.—2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld, dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit een wijnstok, naar welks ranken (ὄζοι) de Locriërs zich Ὀζόλαι noemden.
Oretāni, Ὠρητανοί, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis (Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo.
Oreüs, Ὠρεός, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea, door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol.
Ὀργεῶνες, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een θίασος (z.a.) (θιασῶται) of ἔρανος (z.a.) (ἐρανισταί).
Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan, een einde aan zijn leven maakte.
Orgia, Ὄργια, werden de mysteriën genoemd met het oog op enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionȳsus (z.a.).
Oribasius, Ὀρειβάσιος, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer, lijfarts en raadsman van keizer Iuliānus. Door Valens en Valentiniānus verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel gemaakt heeft. Ook heeft hij een Ὑπόμνημα, memoires, geschreven, waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later wederom Zosimus geput heeft.
Oricum, -us, Ὠρικόν, -ός, grieksche zeestad in het Noorden van Epīrus nabij de Ceraunische bergen.
Origenes, Ὠριγένης, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185 na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens Alexandrīnus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken (z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem den naam van ἀδαμάντινος.—2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van Ammonius Saccas, leermeester van Longīnus.
Orīon, Ὠρίων, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar, totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg; hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd, zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.—V. a. doodde Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde, of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het wild van de aarde zou uitroeien.—Hij werd in volle wapenrusting aan den sterrenhemel geplaatst.—2) van Thebe in Aegypte, schrijver van een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de eeuw na C.
Orītae, Ὠρεῖται, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig.
Orithyia, Ὠρείθυια, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van Calais, Zetes en Cleopatra.
Ormenis, Ὀρμενίς, Astydamēa, kleindochter van Ormenus.
Ormenium, Armenium, Orminium, Ὀρμένιον, Ἀρμένιον, Ὀρμίνιον, stadje in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus.
Ormenus, Ὄρμενος, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in Thessalië.
Orneae, Ὀρνεαί, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia.
Orneātae, Ὀρνεᾱται, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam als de lacedaemonische περίοικοι.
Oroanda, Ὀρόανδα, bergstad in Isauria.
Orobiae, Ὀροβίαι, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf.
Orobii, stam in Gallia Transpadāna; in hun gebied ligt Bergōmum.
Orōdes, naam van twee parthische koningen. Orōdes I of Arsaces XIV (57–37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een anderen zoon, Phraātes, werd hij vermoord.—Orodes II of Araces XVII (5–6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht.
Orontes, Ὀρόντης, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter dood gebracht.—2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af, en verbond zich toen met Athene.
Orontes, Ὀρόντης, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamēa en Antiochīa naar zee.
Orontobates, Ὀροντοβάτης, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven (333), z. Ada.
Orōpus, Ὠρωπός, havenstad aan den Eurīpus, op de grenzen van Attica en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiarāus (z. a.).
Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania, schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat: Historiarum libri VII adversus pagānos. Het werk kwam uit omstreeks 420 na C.
Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen van den Tader (Segura).
Orpheus, Ὀρφεύς, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope, broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen, maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen, hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libēthra begraven; de lier werd onder de sterren geplaatst.—Aan O. werd ook de instelling van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een ascetisch leven (βίος Ὀρφικός) daartoe kan terugkeeren; zoolang dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionȳsus-Zagreus, wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden dronken.—De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Ὀρφικά), zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles, betwijfelden of O. wel ooit bestaan had.
Orrhoēne = Osroēne.
Orsilochīa, z. Iphigenīa.
Orta = Horta.
Orthagoras, Ὀρθαγόρας, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd regeerde.
Orthagorēa = Maronēa.
Orthia, Ὀρθία, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta.
Orthrus, Ὄρθρος, de hond van Geryones (z. a.).
Ortōna, Ὄρτων, 1) havenstad der Frentāni in Samnium.—2) stad in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het Albaansch gebergte.
Ortygia, Ὀρτυγία = kwartelland, 1) deel van Syracūsae (z. a.).—2) oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diāna, Ortygiae boves, de runderen van Apollo.—3) heilig bosch bij Ephesus.
Orxīnes, Orsines, Ὀρξίνης, perzisch veldheer, die bij Gaugamēla streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was, regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en knevelarij opgehangen.
Osca, Ὄσκα, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca in Arragon.
Oschophoria, Ὠσχοφόρια, ὀσχοφόρια, feest ter eere van Athēna, Dionȳsus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien overwinnaars kregen een schaal met een drank, πενταπλόα, uit wijn, honing, kaas, meel en olie gemengd.
Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke kluchtspelen.
Oscines, zie Auguria.
Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten.
Osīris, Ὄσιρις, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in 14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abȳdus. O. verscheen daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan, waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd.
Osismii, Ὀσισμίοι, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne.
Osroēne, Ὀσροηνή, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chabōras, met de hoofdstad Osroë of Edessa.
Ossa, Ὄσσα, Φήμη, Fama, personificatie van het los gerucht, bode van Zeus.
Ossa, Ὄσσα, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia, 5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe.
Ostentum, zie auguria.
Osteodes, Ὀστεώδης = Ustica no. 2.
Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen, salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had, verplaatste zich Ostia’s handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen de genoemde riviermonden lag de insula sacra.
Ostippo, Astapa, Ἄσταπα, stad in Baetica, niet ver van Munda.
Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen, hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.—2) M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero’s bedreigingen, zichzelf het leven.
Ostracismus, Ὀστρακισμός, verbanning door stemming met scherven, door Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering, waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist, wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf, en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te zijn.—Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet meer toegepast.
Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263, dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16), den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.—2) T. Otacilius Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.—3) T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216, streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal te vergeefs consul te worden.—4) Otacilius Crassus, aanhanger van Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze gevangenen uit de tegenpartij (48).—5) L. Otacilius Pilitus, zie L. Voltacilius Pilutus.
Otanes, Ὀτάνης, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.—2) opvolger van Magabazus no. 1, als veldheer van Darīus, veroverde verscheidene Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus.
Otho, familienaam in de gens Salvia.
Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32, behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin Poppaea Sabīna overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10 jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero’s dood omhelsde hij de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho leed bij Bedriācum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen eindigen.
Othryades, Ὀθρυάδης, -δας, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.—2) de eenig overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht.
Othryoneus, Ὀθρυονεύς, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus gedood.
Othrys, Ὄθρυς, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het gewest Phthiōtis.
Otrēra, Ὀτρήρα, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilēa en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis te Ephesus.
Otus, Ὦτος, een van de Aloaden.
Otys, Ὄτυς, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilāus tegen den perzischen koning.
Ovatio, een kleine triumftocht, ἐλάττων θρίαμβος, die somtijds aan een veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-, maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta, hij offerde geen stier, maar slechts een schaap.
Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch waarvan de Medēa algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes, Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van den Pontus Euxīnus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig) verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus’ kleindochter Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia, Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst na Augustus’ dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi, waar hij ook begraven is.
Ovīle of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus, z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta liet bouwen.
Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen (z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde) de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere, legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch, daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde.
Oxathres, Ὀξάθρης, broeder van Darīus Codomannus, streed roemrijk bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs.
Oxines, Ὀξίνης, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus Euxīnus stort.
Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens andere lezing heeten ze Etiones.
Oxus, Ὄξος, beter Ὦξος, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in Midden-Azië, die op den Paropanīsus ontspringt en zich in het meer Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan, tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt, trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee), vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes.
Oxyartes, Ὀξυάρτης, 1) = Oxathres.—2) bactrisch edelman, die zich lang tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander hem satraap van de landen aan den Paropanīsus, waar hij zich ook na Alexander’s dood staande hield. Hij was de vader van Roxane.
Oxydracae, Ὀξυδράκαι, dapper indisch volk aan beide oevers van den Acesīnes.
Oxylus, Ὄξυλος, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in de Peloponnēsus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was, toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg hij Elis tot belooning.
Ozolae, Ὀζόλαι, zie Locris.