← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

H.

Reading edition

Hades, Ἅιδης, Ἀίδης, Ἀιδωνεύς, Πλούτων, Pluto, Dis, zoon van Cronus en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een onderaardsche Zeus (Ζεὺς καταχθόνιος) met Persephone heerscht. In de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde zwarte paarden (κλυτόπωλος) de schimmen der afgestorvenen van de aarde kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (ψυχοπομπός), terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto, dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen, ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd, men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde; als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond.

Hadrānum = Adranum.

Hadria = Adria.

Hadrianopolis, Ἀδριανοῦ πόλις, thans Adrianopel, bloeiende stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadriānus gesticht, en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca vond men steden van dezen naam.

Hadriānus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was na zijns vaders dood onder opzicht van Traiānus opgevoed. Tijdens de troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren, zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotīna te bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen, en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet, zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum (z. a.), het Mausolēum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg) over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad, had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden, en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolīna. Toen hij echter op de plaats, waar Salomo’s tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand los, die eerst na een driejarigen oorlog (132–134) door ’s keizers veldheer Julius Sevērus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus (die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antonīnus, die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138.

Hadrumētum = Adrumetum.

Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga), wier op- en ondergang storm en regen aankondigden.

Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius.

Haedui = Aedui.

Haemodes = Emodi montes.

Haemon, Αἵμων, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere Thessalië, heette.—2) zoon van Lycāon, stichter van Haemonia in Arcadië.—3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de sphinx gedood.

Haemonia, Αἱμονία, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia (zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo, het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iāson; Haemonius heros = Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten.

Haemonides, priester van Apollo en Dīana, die onder Turnus streed en door Aenēas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een zegeteeken ter eere van Mars opgericht.

Haemus, Αἷμος, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben.

Haemus, Αἷμος, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani.

Hageladas = Ageladas.

Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Ἁλαὶ Ἀραφηνίδες, met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Ἁλαί Αἰξωνίδες, lag in het Z.

Halcyone = Alcyone.

Halcyonium mare = Alcyonium mare.

Hales, Ἅλεις, gen. -εντος, riv. in Lucania, die bij Velia in zee stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Ἅλης, bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de Icarische zee uit.

Halēsa, Ἄλαισα, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de N. kust van Sicilia.

Halēsus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aenēas; hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii.

Halex, gen. -ēcis, Ἅληξ, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii.

Ἁλία, z. Ἐκκλησία.

Haliacmon, Ἁλιάκμων, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast.

Haliartus, Ἁλίαρτος, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het met haar bloei voor goed gedaan.

Halias, gen. -ados, Ἁλιάς, zuidelijke punt van Argolis, met eene visschersbevolking. Ἁλιῆς en een stadje Halice, Ἁλική, ten Z. van Hermione.

Halicarnassus, Ἁλικαρνασσός, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het praalgraf van Mausōlus (zie Mausolēum). De stad kreeg een gevoeligen knak door de verwoesting door Alexander den Gr.

Halicyae, Ἁλικύαι, Ἀλ., rom. municipium op Sicilia, ten O. van Lilybaeum, tusschen Selīnus en Segesta.

Halirrhothius, Ἁλιρρόθιος, zoon van Poseidon en Eurȳte, vervolgde Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den aangeklaagde vrij spraken.

Halitherses, Ἁλιθέρσης, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca, die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde.

Halizōnes, Ἁλιζῶνες, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen.

Halmydessus = Salmydessus.

Halmyris, Ἁλμυρὶς λιμνή, zoutmeer ten Z. der Donaumonden.

Halōa, Ἁλῷα, feest ter eere van Dionȳsus, Demēter en Persephone, op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd.

Halonēsus, Ἁλόνησος, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische zee tusschen Peparēthus en Scirus, om welks bezit een heete strijd ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia.

Haltēres, ἁλτῆρες, springstokken en springgewichten, halters, die men hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield.

Haluntium = Aluntium.

Halus, Ἅλος, stad in Phthiōtis, tot het gebied van Achilles behoorende.

Halycus, Ἅλυκος, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclēa Minōa in zee valt.

Halys, Ἅλυς, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus Euxīnus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor.

Hamadryades, Ἁμαδρυάδες = Dryades.

Hamaxitus, Ἁμαξιτός, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandrīa Troas te verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden.

Hamaxobii, Ἁμαξόβιοι, nomadisch volk nabij de Palus Maeōtis (zee van Azow).

Hamilcar, Ἀμίλκας, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers toebracht.—2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde, terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.—3) veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.—4) Hamilcar, bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in Africa (241–238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds (237–229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal en Mago.—5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta) door de Rom. gevangen werd genomen.—6) carth. veldheer, die in 200 in Gallia Cisalpīna het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede, op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde.

Ἅμιπποι, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging, en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd.

Hammon = Ammon.

Hannibal, Ἀννίβας, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.—2) veldheer in den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door den consul Duillius verslagen werd.—3) een zoon van Hamilcar no. 3, die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.—4) oudste zoon van Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten, trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticīnus den consul P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit, doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae, in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd, en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinātor bij den Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196), genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven, week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren, maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven.

Hanno, Ἂννων, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen 466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed, waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel περίπλους nog bestaat.—2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van Syracusae, sneuvelde in 310.—2a) veldheer op Sicilia in het begin van den eersten punischen oorlog, die te Messāna voor de Rom. moest wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger tot ontzet van die stad was opgedaagd.—3) Hanno de Groote, stadhouder van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken, en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcīni. Tegen Hamilcar en Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.—4) Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno’s voor, en ook een op Sicilia in 211.

Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, aan den bovenloop van de Viadua (Oder).

Harma, Ἅρμα, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra.

Harmatus, Ἁρματοῦς, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust van Troas, tegenover Methymna.

Harmodius, Ἁρμόδιος en Aristogīton, twee jonge Atheners, verbitterd door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen, terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten.

Harmonia, Ἁρμονία, dochter van Ares en Aphrodīte. Toen zij met Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij o.a. geschenken van Aphrodīte een kleed en een halssnoer, die later vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon.

Ἁρμοσταί, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht over de perioeci.—2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden, om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. δεκαρχίαι.

Harmozēa, Ἁρμόζεια, stad en omstreken in Carmania aan de invaart der perzische golf.

Harpagium, -gēa, Ἁρπάγιον, τὰ Ἁρπαγεῖα, stadje in Mysia aan den Propontis, vanwaar Ganymēdes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd.

Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel, aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea.

Harpagus, Ἅρπαγος, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van het kind voorzetten.—2) veldheer van Darīus Hystaspis.

Harpalus, Ἅρπαλος, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.’s tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000 huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af, later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta, waar hij vermoord werd.—2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen.

Harpalyce, Ἁρπαλύκη, dochter van den thracischen koning Harpalycus, die door haar vader van jongs af als man werd opgevoed; zij muntte uit in alle kunsten van den oorlog en was zoo vlug, dat zij de snelste paarden kon inhalen en zelfs over water loopen kon. Na den dood van haar vader leefde zij met eenige makkers in de wouden van roof, totdat zij door herders omsingeld, gevangen genomen en gedood werd. Bij het verdeelen van den buit, dien men bij haar vond, ontstond zulk een twist tusschen de herders, dat verscheidene van hen gedood werden; daarom meende men dat de goden vertoornd waren over den dood van Harp., men beschouwde haar als een goddelijk wezen en trachtte door offers en feesten haar schim te verzoenen.

Harpasus, Ἅρπασος, riv. in Caria, die langs de stad Harpasa stroomde en zich in den Maeander stortte. Eene andere rivier van denzelfden naam, ook Acampsis geheeten, liep op de oostelijke grens van Armenia in den Pontus Euxīnus uit.

Harpocrates, Ἁρποκράτης, een aegyptisch god, die met den vinger op den mond wordt afgebeeld en daarom voor den god der stilzwijgendheid gehouden wordt. Hij schijnt dezelfde te zijn als Horos.

Harpocration (Valerius), Ἁρποκρατίων, grieksch taalkundige van Mendes, wiens leeftijd onbekend is, schrijver van een Λεξικὸν τῶν δέκα ῥητόρων, een taal-, oudheid- en geschiedkundig woordenboek op de werken der attische redenaars.

Harpyiae, Ἅρπυιαι, godinnen van den stormwind, Aëllo en Ocypete, dochters van Thaumas en Electra; men stelde zich voor dat menschen, die spoorloos verdwenen waren, door haar waren weggeroofd. Later komen zij in grooter aantal voor (Celaeno, Thyella, e. a.) als kwelgeesten, die bijv. den blinden Phineus zijne spijzen ontrooven of ze door hare aanraking verontreinigen, totdat Zetes en Calaïs haar verjagen en vervolgen tot de Strophadische eilanden, waar zij beloven Phineus niet meer lastig te zullen vallen. V. a. werden zij bij die gelegenheid gedood. Zij worden afgebeeld half als vrouw, half als roofvogel, soms met uitgehongerd gelaat en met klauwen aan handen en voeten.

Harūdes of Charudes, Χαροῦδες, germ. volk in het leger van Ariovistus (58). Hun eigenlijke woonplaats is op de Chersonēsus Cimbrica (Jutland), waar ze naast de Cimbren wonen.

Haruspices. In kritieke gevallen werden door den rom. senaat haruspices uit Etruria ontboden, waar de leer der divinatio het meest tot een volledig stelsel ontwikkeld was. Hunne taak was het dan, uit de ingewanden der offerdieren uit te vorschen, of de goden al dan niet gunstig gezind waren. Zie extispicium. In gewone gevallen deden de rom. priesters zelf hunne waarnemingen. Deze haruspices behoorden tot den Etruscischen adel. Van hen te onderscheiden zijn de particuliere haruspices, die zich sinds de 2de eeuw te Rome vestigden en voor geld waren te raadplegen of als mercennarii in dienst traden van ambtenaren. Hun gezag werd door den senaat niet erkend.

Hasdrubal, Ἀσδρούβας, carthaagsche naam. 1) zoon van Hanno, in den eersten punischen oorlog met ruim 30000 man en 130 olifanten naar Sicilia overgestoken (251), doch in 250 bij Panormus (Palermo) door L. Caecilius Metellus (Caecilii no. 2) verslagen.—2) schoonzoon van Hamilcar Barcas, dien hij in 228 als carthaagsch opperbevelhebber in Hispania opvolgde. Hij stichtte Carthago nova (thans Carthagena), en sloot met de Rom. een verdrag, waarbij de Ibērus als grensrivier tusschen beide staten werd aangewezen en tevens de onzijdigheid van Saguntum werd erkend. In 221 werd hij uit persoonlijke wraakzucht door een Hispaniër vermoord.—3) zoon van Hamilcar Barcas en broeder van Hannibal. Toen Hannibal naar Italië trok, nam Hasdrubal het bevel in Hispania op zich (218) en handhaafde zich met roem tegen de gebroeders P. en Cn. Cornelius Scipio, die in 211 sneuvelden. In 211 echter verscheen een jongere Scipio, de latere Africānus maior, in Hispania; Carthago nova ging voor Hasdrubal verloren; zie verder Cornelii no. 13. Op de roepstem zijns broeders trok hij in 208 naar Italia, waar hij echter door de beide consuls M. Livius Salinātor (Livii no. 7) en Claudius Nero (Claudii no. 22), die zich ongemerkt vereenigd hadden, werd aangevallen bij Sena Gallica aan den Metaurus. Hasdrubal sneuvelde (207). Het afgehouwen hoofd werd over den wal van Hannibals legerplaats geworpen, om hem aldus bericht te geven van zijns broeders dood.—4) zoon van Gisco, onderbevelhebber van no. 3, die tot 206 in Hispania streed, vervolgens in Africa oorlog voerde, eerst tegen Masinissa, daarna tegen de Rom. Hij was niet gelukkig in den oorlog; men weet aan hem de nederlaag van Hannibal bij Zama en hij moest door vergif een einde aan zijn leven maken. Door zijne dochter Sophonisbe aan koning Syphax ten huwelijk te geven, haalde hij dezen tot een bondgenootschap met Carthago over.—5) behalve de reeds genoemde komen er in den tweeden punischen oorlog nog meer Hasdrubals voor, o. a. in 215 op Sardinia.—6) veldheer in 151 tegen Masinissa en in den derden punischen oorlog tegen de Rom. Hij zegevierde over den rom. consul M’. Manilius, doch moest later voor Scipio de wijk nemen naar den burg. Hijzelf gaf zich ten laatste over en werd als gevangene naar Italia gevoerd, waar hij stierf. Zijne vrouw en kinderen stortten zich in de vlammen.—7) Zie Clitomachus no. 2.

Hasta, lans. Hasta pura, lansschacht zonder punt (cuspis), een eereteeken voor soldaten wegens betoonden moed. Bij verkooping van buit werd eene hasta in den grond gestoken; evenzoo had de praetor eene hasta naast zich staan bij gerechtelijke verkoopingen; vanhier de uitdrukkingen sub hasta venire, bona hastae subicere en dgl. Ook het gerechtshof der centumviri had eene hasta in den grond geplant.

Hasta = Asta.

Hastāti, oorspronkelijk soldaten, die met eene lans gewapend waren. Toen echter het rom. voetvolk voor het grootste gedeelte gewapend werd met de kortere, doch zwaardere werpspeer, die den naam van pilum droeg, (sedert den tijd van Camillus, zie acies) ging de naam hastati over op de jongere manschap; uit de soldaten van rijperen leeftijd werden de principes gevormd en uit de oudgedienden de pilani of triarii. De hastati en principes droegen, behalve zwaard en schild, ook het pilum, terwijl de pilani in plaats daarvan de hasta kregen. Zie centuria.

Hatra, zie Atrae.

Hatria, zie Adria.

Hattuarii (Attuarii), zie Chasuarii.

Hebe, Ἥβη, dochter van Zeus en Hera, godin der jeugd. Toen Heracles onder de goden was opgenomen, kreeg hij haar tot gemalin en werd zij in hare betrekking als schenkster der goden door Ganymēdes vervangen. Zij werd op vele plaatsen vereerd, meestal in vereeniging met Hera of Heracles; soms wordt zij Ganymēda of Dia genoemd.

Hebraei = Iudaei.

Hebron, Ἑβρών, oude stad in Palaestina, ongeveer ten Z. van Jerusalem.

Hebrus, Ἕβρος, thans Maritza, voorname rivier van Thracia, met breede zijstroomen en een uitgebreid stroomgebied. Hij ontspringt op den mons Rhodope (Despoto-dagh) en den Scomius en valt met twee armen bij Aenus in zee. Aan den Hebrus werd Orpheus door de thracische Bacchanten vermoord.

Hebudae = Ebudae.

Hecabe, Ἑκάβη, dochter van Dymas of Cisseus of Sangarius, tweede vrouw van Priamus, moeder van Hector, Paris (z. Aesacus), Cassandra en vele andere kinderen, die zij allen tengevolge van den trojaanschen oorlog zag omkomen of in slavernij wegvoeren. Zij zelve werd als slavin aan Odysseus gegeven. Den dood van haar zoon Polydōrus wreekte zij door de zonen van Polymnestor te dooden en hemzelf de oogen uit te krabben. Het voorgebergte Cynossēma werd als haar graf beschouwd, en ter verklaring van dien naam verhaalde men, dat zij na hare wraakneming op Polymnestor in een hond veranderd en in zee gesprongen was, of dat de Grieken, daar zij hen met scheldwoorden placht te overladen, haar den naam van teef gegeven hadden, of dat zij haar om diezelfde reden gesteenigd, maar onder den steenhoop inplaats van haar lijk dat van een hond gevonden hadden.

Hecaërgus, -ge, Ἑκάεργος, -έργη, vèrtreffende, bijnaam van Apollo en Artemis.

Hecamēde, Ἑκαμήδη, van Tenedus, dochter van Arsinoüs; toen Achilles het eiland veroverde, werd zij aan Nestor tot slavin gegeven.

Hecataeus, Ἑκαταῖος, 1) van Milētus, zoon van Hegesander, de eerste geschiedschrijver genoemd, daar hij de eerste was, die verder ging dan eene omschrijving in proza van mythen en legenden, en in zijne werken, Περίοδος γῆς en Γενεηλογίαι, de resultaten van zijne onderzoekingsreizen in verre landen neerlegde. Herodotus heeft geregeld van zijn werk gebruik gemaakt, maar hem ook dikwijls bestreden. Bij den opstand van de Ioniërs tegen de Perzen trad hij als een der leiders op, maar zijn wijze raadgevingen werden niet opgevolgd.—2) van Abdēra, geschiedschrijver, die geruimen tijd bij Ptolemaeus in Alexandrië gewoond heeft. Hij was een leerling van Pyrrho; hij heeft geschreven over de poëzie van Homerus en Hesiodus, en verder een romantische geschiedenis van Aegypte, en een werk over de Hyperboraei. Hij schrijft in denzelfden geest als zijn jongere tijdgenoot Euhemerus. Excepten uit zijne werken vinden we bij Diodorus Siculus. Op zijn naam is ook nog een joodsch werk over de Joden overgeleverd dat van veel later tijd is.—3) tyran van Cardia ten tijde van Alexander d. G.

Hecate, Ἑκάτη, dochter van Zeus en Hera of Demēter of Pheraea, de dochter van Aeolus, of van Perses en Asteria. Zij was de eenige van het geslacht der Titanen, die aan Zeus trouw bleef, daarom schonk hij haar na zijne overwinning macht in den hemel, op aarde en op zee. In haar drievoudig gebied werkt zij heilrijk, en geeft zij haren vereerders wijsheid en geluk. Maar tevens is zij ook godin der onderwereld en als zoodanig wordt zij het meest vereerd en heeft zij ook aandeel aan de mysteriën; zij was het die de schaking van Persephone had gezien, aan Demēter bericht er van gegeven had en haar bij het zoeken naar hare dochter had geholpen. Zij is vooral de godin der spoken, die zij des nachts uit de onderwereld doet opstijgen om de menschen te kwellen en angstig te maken; zij zelve zwerft ’s nachts, door de schimmen der afgestorvenen en door zwarte honden begeleid, over de graven en beschermt de tooverheksen bij hare bezweringen en bij het bereiden van hare toovermiddelen.—Hec. was waarschijnlijk oorspronkelijk de godin der nieuwe maan, daarom wordt zij soms geïdentificeerd met Artemis, die zelve ook Hecate genoemd wordt.—Zij had slechts weinige tempels, maar talrijke beelden (ἑκαταῖα, ἑκατήσια) en altaren op marktpleinen, voor de poorten en de deuren der huizen; vooral op driesprongen plaatste men beelden van haar met drie hoofden of drie lichamen (Ἐνοδία, Τριοδῖτις, Trivia, Τρικέφαλος, Τρίμορφος, Triceps, Triformis). Men offerde haar honden, zwarte lammeren en honig en op den laatsten dag der maand plaatste men bij hare beelden allerlei spijzen, die door arme lieden werden weggehaald. Zij wordt beschreven als eene vreeselijke gestalte met slangen inplaats van haren en voeten, een paarde-, een honde- en een leeuwekop, enz.; afgebeeld wordt zij echter soms onder eene eenvoudige menschelijke gedaante, meestal met drie hoofden of drie lichamen; hare attributen zijn honden, slangen, touwen, sleutels, fakkels, dolken, appels, enz.—Bij de Romeinen werd zij vooral in den keizertijd vereerd. Diocletiānus stichtte te Antiochië een heiligdom voor haar, waarin men met 365 trappen afdaalde.

Hecato, Ἑκάτων, van Rhodus, stoicijnsch wijsgeer in de 2de eeuw, leerling van Panaetius, stond bij zijne tijdgenooten en bij lateren in hoog aanzien. Van zijne talrijke werken is weinig bewaard gebleven.

Hecatombaeon, Ἑκατομβαιών, 1ste maand van het Attische jaar (midden Juli–midden Augustus), z. Annus.

Hecatompylus, Ἑκατόμπυλος, hoofdstad van Parthyaea of Parthyēne, later residentiestad der parthische koningen, totdat zij hun residentie naar Ctesiphon overbrachten.

Hecatonnēsi, Ἑκατόννησοι, de 100 eil., eene eilandengroep aan de Adramyttische golf, tusschen Lesbus en de aziatische kust.

Hector, Ἕκτωρ, oudste zoon van Priamus en Hecabe, echtgenoot van Andromache, vader van Astyanax, een man die aan teedere liefde voor vrouw en kind, voor ouders en medeburgers, buitengewonen heldenmoed paarde, waarvan hij, als leider der verdediging van Troje tegen de Grieken, onder bescherming van Apollo schitterende bewijzen gaf. Gedurende den tijd dat Achilles uit wrok tegen Agamemnon zich van den strijd onthoudt, brengt H. de Grieken geducht in het nauw, zelfs dringt hij tot hunne schepen door en begint hij die in brand te steken. Wel gelukte het Patroclus in de wapenrusting van Achilles de Trojanen op de vlucht te jagen, maar hijzelf werd door H. gedood. Toen H. kort daarna door Achilles (z. a.) verslagen was, beschermden Apollo en Aphrodīte zijn lijk tegen de smadelijke behandeling van zijn vijand, totdat het op bevel van Zeus zelf aan Priamus teruggegeven en plechtig begraven werd.

Hecuba = Hecabe.

Hegelochus, Ἡγέλοχος, 1) een tooneelspeler, die eens bij de opvoering van een treurspel de woorden γαλήν’ ὁρῶ uitsprak als γαλῆν ὁρῶ, wat groot gelach verwekte en niet spoedig vergeten werd.—2) bevelhebber der vloot van Alexander d. G. gedurende de eerste jaren van zijne veldtochten, onderwierp Tenedus, Chius e. a. eilanden.

Hegēmon, Ἡγήμων, 1) van Thasus, dichter van de oude attische comedie, ook bekend door zijne parodieën op de gedichten van Homerus.—2) atheensch staatsman ten tijde van Demosthenes, behoorde tot de macedonische partij.

Hegemone, Ἡγεμόνη, 1) bijnaam te Sparta en in Arcadië aan Artemis gegeven.—2) eene van de Charites.

Ἡγεμονία, in het algemeen leiding, voorzitterschap, in het bizonder de eerste rang onder staten, die gemeenschappelijke belangen te verdedigen hebben. De staat, die de hegemonie had, leidde de beraadslagingen over die belangen, voerde in den oorlog de verbonden troepen aan, bepaalde hoeveel iedere staat aan geld en manschappen moest bijdragen, enz.

Hegesias, Ἡγησίας, 1) cyrenaeisch wijsgeer, leefde in de 3de eeuw te Alexandrië. In zijn werk, Ἀποκαρτερῶν, leert hij dat genot het doel van het leven is, dat de mensch echter niet hopen kan dit doel ooit te bereiken, en dat het dus beter is te sterven dan het leven te verdragen. Vele van zijne leerlingen (Ἡγησιακοί) pleegden inderdaad zelfmoord, vandaar dat hij den bijnaam Πεισιθάνατος kreeg.—2) redenaar en sophist van Magnesia, omstreeks 300, wordt, hoewel hij tal van navolgers had, wegens zijn gezwollen en gemaakten stijl door de ouden streng gelaakt. Hij is de schepper van den Aziatischen stijl (Asianismus). Als geschiedschrijver wordt hem gebrek aan waarheidsliefde verweten.

Hegesilochus, Ἡγησίλοχος, 1) leider eener oligarchische partij op Rhodus, die in 356 met de hulp van Mausōlus van Carië de democratie omverwierp en de regeering in handen nam; hij maakte zich berucht door zijne losbandigheid. Na den dood van Mausōlus werd de democratie hersteld.—2) rhodisch staatsman, in 171 voorstander van een bondgenootschap met de Rom. tegen Macedonië.

Hegesinus, Ἡγησίνους, van Pergamus, leerling van Euander en zijn opvolger als hoofd der academische school, leeraar van Carneades.

Hegesippus, Ἡγήσιππος, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes; van hem is waarschijnlijk de redevoering περὶ Ἁλοννήσου, die onder de werken van Demosthenes tot ons gekomen is.—2) oudste schrijver over kerkgeschiedenis, tijdens Marcus Aurelius. Zijn werk, 5 boeken Ὑπομνήματα, is verloren, maar wordt vaak geciteerd door Eusebius.—3) of Egesippus, naam, waaronder in de ME. de latijnsche vertaling van Flavius Josephus (z.a.) geciteerd wordt, die uit de 4de eeuw n. C. dateert, en aan Ambrosius wordt toegeschreven.

Hegesistratus, Ἡγησίστρατος, 1) zoon van Pisistratus, regeerde na het verdrijven der Mytilenaeërs over Sigēum.—2) Samiër, zoon van Aristagoras, kwam uit naam der Samiërs de hulp der grieksche vloot inroepen en bewoog Leotychides naar Samus te zeilen, wat aanleiding gaf tot den beroemden slag bij Mycale (479).

Ἑκατόγχειρες = Centimani.

Ἑκτήμοροι, waren oudtijds in Attica boeren, die gepachten grond bebouwden, en vijf zesden van de opbrengst aan den grondeigenaar moesten afstaan. Bij niet-vervulling van deze verplichting werden zij met hun zoons diens lijfeigenen.

Helena, Ἑλένη, 1) dochter van Zeus of Tyndareos en Leda, beroemd door hare weergalooze schoonheid. Reeds op zeer jongen leeftijd werd zij door Theseus geschaakt en naar Aphidnae gebracht, maar spoedig door hare broeders, de Dioscuren, bevrijd. Later dongen zooveel jongelingen naar hare hand, dat Tyndareos haar aan niemand durfde geven, uit vrees dat onder de mededingers een geweldige strijd zoude ontstaan; op raad van Odysseus nam hij eindelijk allen den eed af, dat zij den uitverkorene niet zouden bestrijden, maar integendeel tegen aanvallen en beleedigingen zouden verdedigen. Helena koos nu Menelāus tot echtgenoot en kreeg bij hem eene dochter, Hermione. In zijne afwezigheid liet zij zich schaken door Paris, den zoon van Priamus, en nam zij vele schatten naar Troje mede. Dit was de aanleiding tot den trojaanschen oorlog, waaraan de meeste grieksche vorsten, gedeeltelijk door hun eed gebonden, deel namen. Wegens hare schoonheid wordt zij ook te Troje, in weerwil van de rampen van den oorlog, algemeen geëerd en bewonderd; niettemin had zij berouw over haar misstap en verlangde zij naar haar vaderland terug. Na den dood van Paris huwde zij met Deïphobus, een anderen zoon van Priamus, dien zij v. s. bij de inneming van de stad aan de Grieken in handen leverde. Toen Menelaus haar terugvond, wilde hij haar eerst dooden, maar hare schoonheid redde haar, hij nam haar mede naar Sparta, waar zij nog lang met hem in vrede en geluk leefde, en na haar dood in hetzelfde graf met hem bijgezet werd.—V. a. was zij met Paris in Aegypte gekomen, waar Proteus haar en de geroofde schatten terughield en na den oorlog aan Menelaus teruggaf. Een schijngestalte vergezelde Paris naar Troje, daar de oorlog volgens beschikking van het noodlot gevoerd moest worden.—V. a. was zij na den dood van Menelaus door hare stiefzonen verjaagd en naar Rhodus gevlucht, waar zij, als oorzaak van den grooten oorlog, aan een boom werd opgehangen; na haar dood werd zij daar vereerd als Helena Dendrītis.—Nog werd verhaald dat zij in het leven teruggeroepen werd en naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij met Achilles huwde en hem een zoon Euphorion baarde.—2) dochter van Paris en Helena.—3) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra.—4) (Flavia Iulia), moeder van Constantijn d. G., Christin.—5) dochter van Constantijn d. G., gemalin van keizer Juliānus.

Helena, Ἑλένη, vroeger Cranaë, rotseilandje bij de Zuidspits van Attica. Zie ook Illiberis.

Helenus, Ἕλενος, zoon van Priamus en Hecabe, beroemd waarzegger. Hij werd door de Grieken gevangen genomen of liep tot hen over, en openbaarde hun op welke wijze Troje genomen kon worden. Na het eindigen van den oorlog ging hij met Neoptolemus naar Epīrus; toen deze gestorven was, huwde hij Andromache en kreeg hij een deel van het rijk, waarin hij een vesting bouwde, geheel naar het model van Troje. Hij liet de regeering aan Molossus, den zoon van Neoptolemus en Andromache, na.—V. a. vluchtte hij, toen Neoptolemus Hermione tot vrouw nam, met Andromache en Molossus naar Molossië.

Helepolis, ἑλέπολις, een door Demetrius Poliorcētes uitgevonden belegeringswerktuig; het was een verplaatsbare toren met negen of minder verdiepingen, beneden van een stormram voorzien en op de hoogere verdiepingen ingericht tot het werpen van lichtere projectielen. Iedere verdieping had van buiten een galerij met borstweringen voorzien en het geheel was met ijzer beslagen.

Helia = Velia.

Heliadae, Ἡλιάδαι, zeven zonen van Helius en Rhode. Zij hadden van hun vader vernomen dat de godin Athēna de plaats, waar men haar het eerst zou offeren, tot haar woonplaats zou kiezen, daarom haastten zij zich haar een offer te brengen, doch vergaten het te verbranden, zoodat zij hun doel niet bereikten. Zij waren zeer bekwaam in sterrenkunde en scheepvaart en boven allen muntte Tenages uit, waarom zijne broeders hem uit afgunst doodden en, toen hun misdaad ontdekt werd, naar verschillende landen vluchtten. Zij werden als heroën vereerd door de Rhodiërs, die ook Heliaden genoemd worden, en tot aandenken aan hen de gewoonte behielden het offer niet te verbranden.

Heliades, Ἡλιάδες, zusters van Phaëton, die zijn dood onophoudelijk beweenden. Hare tranen veranderden in barnsteen, en zijzelve werden in boomen veranderd, waaruit een vocht vloeit, dat, wanneer het gestold is, tot barnsteen wordt.

Ἡλιαία, de rechtbank der gezworenen (ἡλιασταί) te Athene. Jaarlijks werden door het lot 6000 burgers boven de 30 jaar, die in het bezit hunner burgerrechten waren, 600 uit elke phyle, als heliasten aangewezen, die in 10 sectiën van 500 verdeeld werden, terwijl 1000 als plaatsvervangers overbleven. Voor ieder proces wordt een zeker aantal rechters bepaald, men vindt rechtbanken vermeld van 200, 300, 400, soms van 1000 of 1500 leden, zeer zelden kwamen alle 6000 bij elkander. Voor het bijwonen der zittingen werden de rechters sedert Pericles betaald, z. Δικαστικόν.

Helice, Ἑλίκη, oude hoofdstad van Achaia, met een beroemden Poseidon-tempel. Bij eene vreeselijke aardbeving in 373 werd de stad door de zee verzwolgen. In hare plaats werd Aegium hoofdstad van den achaeischen bond.

Helicon, Ἑλικών, berg in het Z. van Boeotia, aan de Muzen geheiligd, rijk aan bosch, dat door grasrijke weiden wordt afgewisseld, met vruchtbaren bodem en vele bronnen. Onder de bronnen zijn beroemd: Aganippe en Hippocrēnē, de paardebron, door den hoefslag van Pegasus te voorschijn geroepen. Heliconiades = de Muzen.

Heliodōrus, Ἡλιόδωρος, 1) ὁ περιηγητής, omstreeks 150, Athener, die de acropolis in 15 boeken beschreef, een werk, dat bijna geheel verloren gegaan is.—2) rhetor te Rome, vriend van Horatius.—3) Syriër, rhetor te Rome en secretaris van Hadriānus, later praefect van Aegypte.—4) schrijver van een werk over metriek.—5) van Emesa, v. s. bisschop van Tricca, schreef omstreeks 400 na C. een griekschen roman Αἰθιοπικά, bevattende de liefdesavonturen van een Thessaliër Theagenes en eene aethiopische prinses Chariclēa.

Heliogabalus of Elagabalus, Ἡλιογάβαλος. De eigenlijke naam was Varius Avitus Bassianus. Hij was verwant met de Sevēri op de volgende wijze:

Verwantschap van Heliogabalus met de Sevēri.
Verwantschap van Heliogabalus met de Sevēri.

Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antonīnus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218–222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.

Heliopolis, Ἡλίου πόλις, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antonīnus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.—2) stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambȳses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.

Helius, Ἥλιος, Sol, zoon van Hyperīon en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selēne en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om ’s avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (πανδερκής) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethūsa en Lampetia, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeētes, Circe en Phaëthon.—Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl. Apollo.

Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.

Hellanīcus, Ἑλλάνικος, van Mytilēne, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.

Ἑλλανοδίκαι, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.

Hellas, Ἑλλάς. In Homerus’ tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiōtis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,—2) de Peloponnesus,—3) de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epīrus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukking ἡ πᾶσα Ἑλλάς niet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.

Helle, Ἕλλη, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.

Hellen, Ἕλλην, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.

Hellēnes, Ἕλληνες. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor: Abantes, Curētes, Caucōnes, Leleges, Epēi, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen, Pelasgi en Hellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.—Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naam Achaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen: Aeoles, Achaei, Iōnes, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.

Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.

Ἑλληνοταμίαι een college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. Zie Pericles.

Hellespontus, Ἑλλήσποντος, zee van Helle, die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.—Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.

Helli, Ἑλλοί = Selli.

Hellomenum, Ἑλλόμενον, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.

Hellopia, Ἑλλοπία = Ellopia.

Hellotia, Ἑλλώτια, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellōtis had.—2) feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellōtis goddelijke eer genoot.

Helmantica = Salmantica.

Helōrus of -um, Ἕλωρος, -ον, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.

Helos, Ἕλος, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alphēus droeg dezen naam.

Helōtes, Εἵλωτες, Εἱλῶται, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z. Νεοδαμώδεις. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echter Μόθακες. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithōme terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z. κρυπτεία.

Helvaeones of Helvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).

Helvetii, Ἑλουήτιοι, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vier pagi of kantons, waarvan twee, de pagus Tigurīnus en de p. Verbigenus nader bekend zijn. Z. ook Toygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longīnus (Cassii no. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men den ager Helvetiorum met rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. De ager Helvetiorum behoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletiānus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.

Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.—2) Helvidius Priscus dempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.—3) C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man van republikeinsche gezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasiānus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.—4) Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitiānus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.

Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht, C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedicht Smyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eene Helvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).

Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.

Hemeroscopīum, Ἡμεροσκοπεῖον, zie Dianium.

Hemesa = Emesa.

Ἕνδεκα, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.

Heneti, Ἐνετοί, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in de Veneti, in Gallia Cisalpīna. Zie Veneti.

Heniochi, Ἡνιόχοι, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxīnus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.

Ἡνίοχος, z. Auriga.

Henna = Enna.

Hephaestia, Ἡφαιστία, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.

Hephaestion, Ἡφαιστίων, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.—2) grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.

Hephaestus, Ἥφαιστος, Vulcānus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodīte tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Κλυτοτέχνης, Κλυτόεργος), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athēna, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, de Χαλκεῖα. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabīri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.

Heptanomis, Ἑπτανομίς, het land der zeven νομοί of distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.

Hera, Ἥρα, Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athēna eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Γαμηλία, Ζυγία, Τελεία) en der geboorten (Εἰλείθυια). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Ἀργεία), Mycēnae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (βοῶπις) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.

Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.
Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.

Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.

Heraclēa, Ἡράκλεια, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1) Heraclea in Acarnania, aan de Ambracische golf.—2) H. in het elische gewest Pisātis.—3) H. in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.—4) H. in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicēa no. 1.—5) H. in Thracia, aan de Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.—6) Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.—7) Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxīnus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclīdes (no. 5) was hier geboren.—8) Heraclea Chersonēsi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).—9) Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Milētus.—10) Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.—11) Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.—12) Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zie Trachis.—13) Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.—14) Her. Minōa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selīnus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.

Heracleopolis, Ἡρακλέους πόλις, naam van twee aegyptische steden. Her. maior lag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl; Her. minor lag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.

Heracleoticum ostium of Canobicum ostium, Ἡρακλεωτικόν, Κανωβικὸν στόμα, meest westelijke Nijlmonding.

Farnesische Hercules, Museum te Napels.
Farnesische Hercules, Museum te Napels.

Farnesische Hercules, Museum te Napels.

Heracles, Ἡρακλῆς, Hercules, zoon van Zeus en Alcmēne, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmēne reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Ergīnus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcīdes of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycēnae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.—Vervolgens moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.—Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycēnae.—Daarna eischte Eurystheus dat hij de hinde van Cerynēa, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.—Vervolgens werd hij uitgezonden tegen de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphālus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.—Ten zesde haalde hij voor Admēte, de dochter van Eurystheus, den gordel van Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z. Laomedon).—Zijn zevende werk was het reinigen van de stallen van Augīas (z. a.).—Daarna haalde hij den stier van Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycēnae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.—Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomēdes (z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdēra gesticht hebben.—Het rooven van de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythēa over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycēnae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolāus (z. a.), en Augīas had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z. Antaeus, Busīris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Promētheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.—Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.—Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolāus, en gaat daarop naar Eurȳtus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.—Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augīas (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanīra, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelōus (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanīra en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euēnus, die hij doorwaadde, maar om Deïanīra er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurȳtus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athēna onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.—Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Καλλίνικος, Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Ἀλεξίκακος, Σωτήρ, Pacifer), als waarzeggend god (Μάντις), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Ἐναγώνιος), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Ἡράκλεια) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.

Heraclēum, Ἡράκλειον, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis promunturium geheeten, thans Spartivento.—2) kaap in Pontus, ten O. van Amīsus.—3) stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.—4) stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.—5) stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.—6) = Herculaneum.—7) haven van Cnosus.

Heraclīdae, Ἡρακλεῖδαι, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodēmus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodēmus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.—Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.—In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.

Heraclīdes, Ἡρακλείδης, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.—2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.—3) van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.—4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.—5) Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclēa Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.—6) van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.—7) z. Heraclitus no. 3.

Heraclītus, Ἡράκλειτος, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darīus Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (περὶ φύσεως), dat hem bij de ouden den naam σκοτεινός bezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (ὁδὸς κάτω) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (ὁδὸς ἄνω) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (ὁδὸς ἄνω κάτω μίη), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (πάντα ῥεῖ). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld is τὸ ἓν διαφερόμενον αὐτὸν αὑτῷ, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.—2) van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.—3) ook Heraclides genoemd, schrijver van Ἀλληγορίαι Ὁμηρικαί, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.

Heraea, Ἡραῖα, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycēnae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.

Heraea, Ἡραία, 1) stad in Arcadia aan den Alphēus.—2) zie Hybla.

Heraei montes, Ἡραῖα ὄρη, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.

Heraeum, Ἡραῖον, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.—2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.—3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium.

Herbessus, Ἑρβησσός, ook Ἐρβ. 1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.—2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.

Herbita, Ἕρβιτα, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.

Herculaneum of -num, Ἡράκλειον, oude oscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.

Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus.

Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis.

Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Μόνοικος.

Herculis portus, zie Cosa.

Herculis promunturium = Heraclēum no. 1, thans kaap Spartivento.

Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.

Hercynia silva, Ἑρκυνία ὕλη, Ἑρκύνιος δρυμός, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.

Herdonia, Ἑρδονία, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.

Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.—Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.

Hereditas, herēdes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.—Hereditatis cretio heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.—Pro herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.—Heres ex asse is de universeele erfgenaam; ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een derde, enz.—De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.—Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex Voconia.—Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.

Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer ½ hectare.

Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.

Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpiānus.—Zekere Herennius Senecio, ten tijde van keizer Domitiānus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.—Herennius Philo, zie Philo no. 8.

Herillus, Ἥριλλος, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (τέλος) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hij ὑποτελίς noemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.

Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.

Hermeskop van Praxiteles (Olympia).
Hermeskop van Praxiteles (Olympia).

Hermeskop van Praxiteles (Olympia).

Hermae, Ἑρμαῖ, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop van Athēna, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz.

Hermaeum promunturium, Ἑρμαία ἄκρα, naam van eenige kapen. 1) N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii prom. geheeten, thans kaap Bon.—2) N.O. punt van het eiland Lemnus.—3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel), waar Darīus een brug sloeg.—4) Ἑρμαῖος λόφος, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses.

Hermagoras, Ἑρμαγόρας, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorēi.—2) grieksch rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodōrus van Gadara.

Hermaphroditus, Ἑρμαφρόδιτος, zoon van Hermes en Aphrodīte. Als knaap baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw.

Hermarchus, Ἕρμαρχος, van Mytilēne, leerling van Epicūrus en diens opvolger als hoofd der school.

Hermēas, Ἑρμείας, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd.

Hermes, Ἑρμῆς, Ἑρμείας, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op den berg Cyllēne (Κυλλήνιος), een god van alles, waarbij behendigheid, gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij 50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Διάκτορος); in deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de onderwereld (Ψυχοπομπός, Ψυχαγωγός). Voor de menschen is hij een welwillend en zegenend god (Ἐριούνιος, Ἀκάκητα), gids bij moeielijke en gevaarlijke ondernemingen (Ἡγεμόνιος), vooral voor herauten en gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog; ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een geschenk van hem (ἕρμαιον). Vele dingen, die het leven veraangenamen, hebben de menschen hem te danken (Χαριδότης), hij geeft rijkdom (Πλουτοδότης), vooral van vee (Νόμιος), en welbespraaktheid (Λόγιος, Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters, getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Ἐναγώνιος), enz. Eindelijk zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen (Ἐνόδιος); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren weg als van hem (z. Hermae).—Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook, enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed (πέτασος), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte (Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz.

Hermesianax, Ἑρμησιάναξ, van Colophon, elegisch dichter ten tijde van Alexander d. G. Van een zijner werken is een moeilijk verstaanbaar fragment bewaard gebleven.

Herminii, een geslacht, waarschijnlijk van etruscische afkomst. 1) T. Herminius Aquilinus, was met Horatius Cocles een der verdedigers van de Tiberbrug tegen de benden van Porsēna (508). In 506 was hij consul. Hij sneuvelde in 496 bij het meer Regillus.—2) Lar Herminius, consul in 448.

Herminius mons, Ἑρμίνιον ὄρος, gebergte in Lusitania (Portugal), thans Sierra de la Estrella, tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag).

Hermi(n)ones, algemeene naam voor de volksstammen van Midden-Germania, als: Cheruscers, Chatten, Hermunduren, Marcomannen, Quaden.

Hermione, Ἑρμιόνη, dochter van Menelāus en Helena, was vóór den trojaanschen oorlog door haar vader, of gedurende dien oorlog door haar grootvader, aan Orestes verloofd; toen Menelaus echter terugkwam, huwde hij haar aan Neoptolemus uit, volgens eene belofte, die hij dezen voor Troje gedaan had. Daardoor ontstond een twist tusschen Orestes en Neoptolemus, waarbij deze door Orestes, of op diens aandrijven door de Delphiërs, gedood werd. Bij Orestes werd zij daarna moeder van Tisamenus.

Hermione, Ἑρμιόνη, stad der Dryopes aan de Z. O. kust van Argolis.

Hermippus, Ἕρμιππος, 1) dichter der oude comedie, die in zijne stukken vooral Pericles, Aspasia en Hyperbolus aanviel. Ook parodieën en iamben van hem worden vermeld.—2) van Smyrna, leerling van Callimachus no. 3, beschreef de levens van de zeven wijzen en latere wijsgeeren.—3) van Berȳtus, grammaticus ten tijde van Traiānus en Hadriānus.

Hermocopidae, Ἑρμοκοπίδαι, personen, beschuldigd van het verminken der Hermen te Athene. Z. Alcibiades.

Bronzen Hermesbeeld van Herculaneum.
Bronzen Hermesbeeld van Herculaneum.

Bronzen Hermesbeeld van Herculaneum.

Hermocrates, Ἑρμοκράτης, staatsman en veldheer te Syracuse, leidde onder groote tegenwerking van de democratische partij de verdediging van de stad tegen de Atheners (414). Later onderscheidde hij zich als aanvoerder van de sicilische vloot, die de Spartanen in den peloponnesischen oorlog ondersteunde. In 410 werd hij als aristocraat verbannen; daarop wist hij door ondernemingen tegen de Carthagers de gunst van het volk te winnen en eene omwenteling te bewerken. Hij werd echter niet teruggeroepen, en toen hij nu beproefde met geweld terug te keeren, werd hij in een gevecht gedood (407). Hij was de schoonvader van den ouden Dionysius, wiens vader eveneens Herm. heette.

Hermodōrus, Ἑρμόδωρος, 1) van Ephesus, door zijne medeburgers verbannen, hielp te Rome, naar men verhaalde, de tienmannen bij het samenstellen der twaalf tafelen.—2) van Salamis, bouwmeester te Rome omstreeks 140.

Hermogenes, Ἑρμογένης, 1) Tigellius Herm., toonkunstenaar ten tijde van Augustus, naar het schijnt een vijand van Horatius.—2) van Tarsus, trad reeds op zijn 15de jaar (omstreeks 170 na C.) als rhetor te Rome op en werd algemeen bewonderd, na 10 jaar verloor hij zijne geestvermogens; hij stierf op hoogen leeftijd. Van zijne geschriften over de redekunst, die bij lateren veel gezag hadden, zijn eenige bewaard gebleven.

Hermolāus, Ἑρμόλαος, page van Alexander d. G., aanhanger van Callisthenes no. 1. Door Alex. beleedigd, smeedde hij een aanslag tegen diens leven, die echter ontdekt werd, waarna hij met zijne medeplichtigen gesteenigd werd.

Hermon, Ἕρμων, gebergte aan de N.-grens van Palaestina, een zuidwestelijke uitlooper van den Antilibanon.

Hermopolis, Ἑρμοῦ πόλις, naam van twee aegyptische steden: 1) H. maior, in Midden-Aegypte, aan den Nijl, waar de tol geheven werd van de uit Thebaïs afkomende schepen.—2) H. minor, in de Delta aan den Canobischen Nijlarm.

Hermotīmus, Ἑρμότιμος, van Clazomenae, had het vermogen met zijn geest in verre landen rond te zwerven, terwijl zijn lichaam in diepen slaap achterbleef. Bij zulk eene gelegenheid werd zijn lichaam door zijne vijanden verbrand, zoodat de ziel niet er in terug kon keeren. Zijne stadgenooten richtten hem een tempel op.

Hermundūri, Ἑρμουνδοῦροι, suevische volksstam in Midden-Germania, waarvan de naam nog voortleeft in den naam Thuringen. In den tijd van Tacitus waren ze met de Romeinen bevriend. Tot aan den raetischen limes wonende (ten Westen van de Marcomannen), mochten ze vrij de grens passeeren, en in Augusta Vindelicorum (Augsburg) handeldrijven. Sedert den Marcomannenoorlog worden ze niet meer genoemd, en verdwijnen zij onder den algemeenen naam Suēvi.

Hermus, Ἕρμος, rivier, die op den mons Dindymus in Phrygia ontspringt, in allerlei bochten door de phrygische vlakte en vervolgens door Lydia loopt en zich ten laatste ten N. van Smyrna in de Hermaeische golf stort. Een zijriviertje hiervan is de Pactōlus.

Hernici, Ἑρνικοί, klein sabijnsch volk met de hoofdstad Anagnia, dat zich in 486 bij de Latijnen aansloot en sedert dezen tijd tot Latium werd gerekend. V. a. dateert dit verbond eerst uit de 4de eeuw. Zij traden toen tevens tot het rom.-latijnsche verbond toe. Toen dit verbond uiteenspatte, werden de Hernici na herhaalde oorlogen eindelijk in 306 geheel tot onderwerping gebracht. Zie Anagnia.

Hero, Ἡρώ, z. Leander.

Hero, Ἥρων, van Alexandrië, uit de 2de helft der 2de eeuw, beroemd wiskundige, de grootste natuurkundige der oudheid, leerling van Ctesibius; van zijne werken zijn sommige bewaard gebleven, andere alleen in een arabische vertaling.

Herōdes, Ἡρώδης, bijgenaamd de Groote, een Idumaeër van geboorte, werd in 37 door M. Antonius tot koning van Judaea aangesteld. Om zijne macht te bevestigen, huwde hij eene afstammeling der Makkabaeën, Mariamne, die om hare schoonheid bekend was. Met rom. hulp weerde hij de Syriërs af, nam Jerusalem in, dat hij verfraaide, en waar hij den tempel liet afbreken en veel schooner en grooter herbouwen, maar bleef toch bij de Joden als Edomiet en overweldiger gehaat. Hij beging ongehoorde wreedheden, zooals den bethlehemschen kindermoord, de uitroeiing der Makkabaeën; ook zijne vrouw en twee zijner zonen liet hij ombrengen. Hij stierf in het jaar na Christus’ geboorte (v. a. echter 4 v. C.) en liet drie zoons na, die ieder van Augustus een stuk van huns vaders gebied kregen. De oudste, Archelāus, werd ethnarch van Judaea, Samaria en Idumaea; doch reeds 6 na C. werd hij door den keizer afgezet en verbannen, en zijn land onder een procurator bij de provincie Syria ingedeeld. De tweede zoon, Herodes Antipas, kreeg Galilaea en Peraea als tetrarch, en werd in 39 na C. door Caligula verbannen. Hij was het, die Johannes den Dooper aan de wraak zijner gemalin opofferde. Om zijn slimheid wordt hij door Jezus de vos genoemd (Lucas 13, 32). De derde, Philippus, werd tetrarch van de overjordaansche gewesten Trachonītis, Auranītis, Batanaea, Graulonītis en Ituraea, en bleef dit tot aan zijn dood, 34 na C.

Herōdes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Gr., was te Rome opgevoed en behoorde tot de vrienden van Caligula. In 38 n. C. werd hij door dezen over een gedeelte van Palaestina aangesteld. Keizer Claudius voegde er in 41 het overige bij. Agrippa stierf in 44 te Caesarēa, door zijne onderdanen zeer betreurd.—Zijn zoon, Herodes Agrippa II, werd later tetrarch van een gedeelte van Palaestina. De Joden verdreven hem; hij nam deel aan het beleg van Jerusalem door Titus, en hield zich vervolgens te Rome op, waar hij in 100 stierf.

Herodes Atticus (Tib. Claudius). Zie Atticus Herodes.

Herodiānus, Ἡρωδιανός, 1) Aelius Her., van Alexandrië, zoon van Apollonius Dyscolus, kwam onder M. Aurelius naar Rome en werd rom. burger. Van zijne talrijke werken over grieksche taalstudie, die langen tijd zeer groot gezag hadden, is slechts een enkel weinig belangrijk fragment over; bizonder uitvoerig behandelde hij de prosodie, de accentenleer, enz.—2) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw na C., die een niet onbelangrijke geschiedenis van zijn tijd, van den dood van M. Aurelius tot het begin der regeering van Gordianus III, heeft nagelaten. Hij leefde meestal te Rome in ondergeschikte betrekkingen.

Herodicus, Ἡρόδικος, 1) van Selymbria, leerling van Hippocrates, omstreeks 420, schreef als geneeskundige over gezondheidsleer en heilgymnastiek.—2) van Leontīni, broeder van Gorgias.—3) Babyloniër, grammaticus van de pergameensche school, leerling van Crates.

Herodōrus, Ἡρόδωρος, van Heraclēa, logograaf omstreeks 400, verzamelde de mythen betreffende Heracles, de Argonauten, e.a.

Herodotus, Ἡρόδοτος, 1) geb. omstreeks 484 te Halicarnassus, zoon van Lyxes, werd reeds vroeg door den tyran Lygdamis genoodzaakt zijn vaderstad te verlaten; hij begaf zich naar Samus, van waar hij eerst terugkeerde om bij het verdrijven van den tyran behulpzaam te zijn; hij was echter bij zijne medeburgers niet bemind, en ging na eenigen tijd te Athene verblijf gehouden te hebben, waar hij veel met Pericles en Sophocles omging, zich in 444 te Thurii vestigen, dat toen juist door de Atheners op de plaats van het oude Sybaris gesticht was; hier stierf hij omstreeks 424. De door Her. nagelaten geschiedenis in 9 boeken, waaraan de alexandrijnsche geleerden de namen der Muzen gegeven hebben, munt zoozeer uit boven de werken zijner voorgangers op dit gebied, dat men hem niet zonder reden den vader der geschiedenis genoemd heeft. Hij is de eerste, die zich niet tevreden stelt met het bijeenzoeken en te boek stellen der overlevering, maar ook de geloofwaardigheid er van onderzoekt en kritiek uitoefent, wanneer hem dit althans niet onmogelijk wordt gemaakt door zijne onbekendheid met de talen van de volken, die hij bezocht, of door zijn blind geloof aan de mededeelingen van priesters, door wie hij zich bij voorkeur laat inlichten. Hij onderscheidt zich vooral daardoor van de logografen, dat hij zich van het begin af schijnt voorgesteld te hebben een omvangrijk werk te schrijven, waarin wel bij gelegenheid het wetenswaardige uit de geschiedenis van vele landen en volken wordt ingevlochten, maar dat ten slotte toch één hoofdonderwerp heeft: den eeuwenouden strijd tusschen Grieken en barbaren, die in de perzische oorlogen tot eene beslissing komt. Naar dit plan loopt zijn verhaal geregeld voort van de troonsbestijging van Gyges tot de inneming van Sestus na den slag bij Mycale, en, hoe talrijke en soms omvangrijke episoden en uitweidingen ook den draad er van schijnen af te breken, altijd keert hij weder tot zijn onderwerp terug en overal blijft hij belangrijk en onderhoudend. Als bronnen voor zijn werk heeft hij ongetwijfeld oudere epische dichters en logografen geraadpleegd, voornamelijk echter bevat zijn werk dat, wat hij op zijne verre reizen zelf gezien en vernomen heeft, want Her. heeft bijna alle in zijn tijd voor Grieken toegankelijke landen bezocht: Klein-Azië, het O. tot Babylon, de kusten der Zwarte zee, Aegypte, Griekenland, Beneden-Italië en vele eilanden, overal nasporingen gedaan, gedenkteekenen van oude tijden onderzocht, enz. Aan zijn werk arbeidde hij met lange tusschenpoozen gedurende zijn geheele leven, waarschijnlijk heeft hij er niet de laatste hand aan gelegd en is het niet bij zijn leven uitgegeven; wel hield hij nu en dan, bij feestelijke vergaderingen, te Olympia, Athene, Thebe en Corinthe, onder grooten bijval voorlezingen van enkele gedeelten. Hoewel in eene dorische stad geboren, schreef Her., in navolging van epici en logografen, in het ionisch dialect, dat trouwens te Halicarnassus ook gesproken werd; zijn eenvoudige, verhalende stijl weerspiegelt als het ware zijn waarheidsliefde en onpartijdigheid, die soms in twijfel getrokken zijn, maar bij ieder nieuw onderzoek meer boven bedenking verheven blijken.—2) van Thebe, overwinnaar in de isthmische spelen.—3) beeldhouwer, tijdgenoot van Praxiteles.—4) van Tarsus, leermeester van Sextus Empiricus.—5) beroemd geneesheer, die ten tijde van Hadriānus te Rome leefde.

Heroöpolis, Ἡρώων πόλις, stad in Aegypte aan het kanaal van Traiānus (zie Augustamnica), eene voorname stapelplaats voor den karavaanhandel en de zetel van den Typhondienst. Naar deze stad droeg de N.W. inham der Arabische golf den naam van sinus Heroöpoliticus.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings