← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

A. (continued 5)

Reading edition

Archilochus, Ἀρχίλοχος, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne dochter Neobūle aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige fragmenten bewaard gebleven.

Archimēdes, Ἀρχιμήδης in 287 te Syracūsae geboren, een van de meest beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden alexandrijnschen wiskundige Euclīdes. Op wiskundig gebied vond hij de verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken, die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen, had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen, een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero’s tijd lag het vergeten in een wildernis van struiken.

Archimīmus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of kluchtspelers.

Archīnus, Ἀρχῖνος, een Athener, die Thrasybūlus hielp bij het bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef daarover ook een brochure.

Archippus, Ἄρχιππος, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij is een navolger van Aristophanes.

Architheoria, Ἀρχιθεωρία, een liturgie, bestaande in het dragen van een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia, Delus e. e. gezonden werden.

Ἄρχοντες eigl. de naam van alle overheden en officieren, in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de ἄρχων een ambtenaar, die evenals de πολέμαρχος onder den koning stond, langzamerhand gingen rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over, zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten door toevoeging van zes θεσμοθέται op negen gebracht, zooals het sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten (ἐκ προκρίτων), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487 werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de 4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was, wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was γραμματεύς.—De macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat zij de gewone δοκιμασία mochten ondergaan, aan een onderzoek door den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen ἄρχων, ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, ἄρχων ἐπώνυμος genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden, enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning was overgegaan, en die daarom den naam βασιλεύσ behouden had, had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde, πολέμαρχος genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken, wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen gezamenlijk den naam van θεσμοθέται; zij zijn voorzitters bij alle rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.—Nog in den rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.

Archȳtas, Ἀρχύτας, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk leerling van Philolāus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd, zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde, zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matīnus het leven verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400–365.

Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diāna.

Arconnēsus, Ἀρκόννησος, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts van Colophon.—2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.

Arctīnus, Ἀρκτῖνος, van Milētus, cyclisch dichter omstreeks 776, behandelde in een episch gedicht, Αἰθιοπίς, de heldendaden van Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.

Arctūrus, Arctophylax, Ἀρκτοῦρος, Ἀρκτοφύλαξ. Zie Bootes.

Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Ἂρκτος, Ἅμαξα, naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor, μεγάλη en μικρά onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de sterren verplaatst waren.

Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd, ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans, waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden, soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.

Arcus.
Arcus.

Arcus, 1) het bekende schietwapen, τόξον, waarvan hier geene verdere verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen; de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.—2) in de bouwkunde elke uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.

Boog van Titus.
Boog van Titus.

Boog van Titus.

Ardea, Ἀρδέα, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442 romeinsche kolonie, later vervallen.

Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië; v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.

Ardericca, Ἀρδέρικκα, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.

Ardescus, Ἄρδησκος, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.

Ardettus, Ἀρδηττός, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion, waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.

Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.

Ardys, Ἄρδυς, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië, 654–617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii (z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij Priēne en voerde hij met kracht oorlog tegen Milētus, zonder dat het hem gelukte die stad in te nemen.

Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.—Vooral werd de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, ἁλως, ἀλωή, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht, eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.

Arēa, Ἀρεία, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodīte Arēa was te Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had, en werd later naar Corinthe, Cythēra en Cyprus overgebracht.—2) bijnaam van Athēne. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst een altaar voor haar hebben opgericht.

Areïthous, Ἀρηίθοος, koning van Arne, geducht strijder, om zijn ijzeren knots κορυνήτης bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.

Arelas, Arelāte of -tum, Ἀρελάτη, thans Arles, stad in Narbonensis, ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was eene bloeiende koopstad.

Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).

Arēna, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd en van oefenplaats.

Arenācum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren, aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen), misschien het dorp Rindern bij Kleef.

Areopagus, Ἄρειος πάγος, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste rechtbank (ἡ ἐν Ἀρείῳ πάγῳ of ἐξ Ἀρ. π. βουλή) zitting hield. Deze rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athēna ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord, brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen; hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten, volgde vrijspraak, daar Athēna dan verondersteld werd, evenals bij het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus Minervae).—Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen, dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks 462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles, van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.

Ares van de villa Ludovisi.
Ares van de villa Ludovisi.

Ares van de villa Ludovisi.

Ares, Ἄρης, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enȳo, begeeft hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athēna, de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god te wonden.—De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen, wijd geopende neusgaten en kort haar.

Arestorides, Ἀρεστορίδης, Argos, de zoon van Arestor.

Aretaeus, Ἀρεταῖος, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit de 2de helft van de 2de eeuw na C.

Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand, die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.

Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37 n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder (ἐθνάρχης) van Aretas.

Arēte, Ἀρήτη, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medēa werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.—2) dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon daarin.—3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio, en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.

Aretho, Ἄραιθος, Ἄρατθος = Arachthus, rivier in Epīrus.

Arethūsa, Ἀρέθουσα, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).—2) bron in Elis.—3) bron op Ithaca.—4) bron op Euboea.—5) bron bij Thebae.—6) stad in Syrië aan den Orontes.

Areus, Ἀρεύς, koning van Sparta (310–265). Met Ptolemaeus II verbonden, voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af, ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.

Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius (Douro) behoorde.

Ἀργαδεῖς, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar Argades, een zoon van Ion.

Argaeus, Ἀργαῖος, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.—2) koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam en deze twee jaar behield.—3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.

Argaeus mons, Ἀργαῖον ὄρος, sneeuwgebergte in het midden van Cappadocia.

Arganthonius, Ἀργανθώνιος, koning van Tartessus in Hispania, die 120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea, die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen, zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn rijk te komen wonen.

Arganthonius mons, Ἀργανθώνιον ὄρος, berg in Bithynia, op eene landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara) vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.

Argēa, Ἀργεία, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynīces.—2) zuster van Theras, gehuwd met Aristodēmus no. 1.

Argēi, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius) in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd elk menschenoffer verboden.

Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.

Argentorātum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci, met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van deze stad versloeg Juliānus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte van Gallië plunderden.

Arges, Ἄργης, een cycloop.

Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.

Ἀργίας γραφή, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus, later bij den ἄρχων ἐπώνυμος kon indienen tegen iemand, die geen beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.

Argilētum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinālis en het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander, die hier zou vermoord zijn.

Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon, kolonie van Andrus.

Arginūsae, Ἀργινοῦσσαι, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406); doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.

Argiphontes, Ἀργειφόντης, Argusdooder, bijnaam van Hermes.

Argippaei, Ἀργιππαῖοι, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus liep door hun land.

Argissa, Ἄργισσα, stad in Pelasgiōtis in Thessalia, later Argūra genaamd.

Argīva, Ἀργεία, bijnaam van Hera.

Argīvi, Ἀργεῖοι, zie Argos.

Argo, Ἀργώ, het schip, waarmede Iāson en zijne metgezellen (de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging gebracht. Athēna zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van den sprekenden eik van Dodōna in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het onder de sterren geplaatst.

Argolis, Ἀργολίς, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte naam van het landschap Argos in de Peloponnēsus (zie Argos).

Argonautae, Ἀργοναῦται, Iāson en zijne metgezellen, die met het schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen, dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden, o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager, Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van Hera en Athēna; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe, voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.—Men gelooft dat de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk, ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.

Argos, τὸ Ἄργος. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische πελασγικὸν Ἄργος is de vlakte bij Larissa aan den Penēus in Thessalia, en in ruimeren zin ook wel het geheele thessalische vlakland. Τὸ Ἀχαιικὸν Ἄργος bij Homērus is òf de stad Argos in de Peloponnēsus, de woonplaats van Diomēdes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook wel de geheele Peloponnēsus, evenals de naam Argīvi bij de dichters nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg, Agamemnon, koning te Mycēnae in Argos was. Het landschap Argos was het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt voor paardenfokkerij, ἱππόβοτον Ἄργος bij Homerus. Ook Argos werd, evenals Messēne en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos, dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer Polyclētus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door hem gemaakte beeld der godin.—Ook in het landschap Amphilochia tusschen Aetolia en Epīrus lag eene stad Argos, ter onderscheiding Amphilochicum geheeten.—Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd, zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Ἄργος ἵππιον zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.

Argūra, Ἄργουρα = Argissa.

Argus, Ἄργος, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader Phorōneus als koning van Argos op.—2) zoon van Agēnor, Arestor of Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (πανόπτης). Toen Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den pauw.—3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar Orchomenus terug en bouwde voor Iāson de Argo. V. a. leed hij met zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten hen later vonden en medenamen naar Aea.

Argyraspides, Ἀργυράσπιδες, eene keurbende van zware infanterie in het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen ontbond.—Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit Argyraspides.

Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.

Arīa, Ἄρεια, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, een vruchtbaar bergland, waardoor de Arīus, die bij Herodotus Aces, Ἄκης, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Ἄρειοι, welke naam niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Ἀρείων bijgenaamd, thans Herât.

Ariadne, Ἀριάδνη, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op dat oogenblik landde Dionȳsus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend, op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg zij zelve een plaats op den Olympus.—V. a. was zij op Naxus door Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.

Ariadne van het Vaticaan.
Ariadne van het Vaticaan.

Ariadne van het Vaticaan.

Ariaeus, Ἀριαῖος, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den linkervleugel van Cyrus’ leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen, die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.

Ariāna. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden, strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia, Drangiāne, Arīa, het Paropanisadenland, Bactrīane, Sogdiāne, Parthyaea, Hyrcania.

Ariarāthes, Ἀριαράθης, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten, verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen, Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij de Romeinen in den oorlog tegen Aristonīcus van Pergamus, waarbij hij sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradātes van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III, werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).

Ariaspae, Ἀριάσπαι, ruitervolk in Drangiāne. Zij zijn ook bekend om hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke bevloeiïngen.

Aricia, Ἀρικία, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg, ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio, vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diāna-tempel stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende omstandigheden haars levens steunt.

Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot 100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de muren had aangeraakt.

Arima, τὰ Ἄριμα, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden εἰν Ἀρίμοις als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels was bedoeld.

Arimaspi, Ἀριμασποί, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen, die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten aangaande den mijnbouw in den Oeral.

Ariminum, Ἀρίμινον, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpīna verbonden. Een tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in 268 rom. kolonie. Thans Rimini.

Ariobarzanes, Ἀριοβαρζάνης, veldheer van den perzischen koning Darīus III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had overgegeven, door Alexander eervol behandeld.—Ook werd deze naam gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95 door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradātes van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II, en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius werd omgebracht.

Arīon, 1) Ἀρίων, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler, die het eerst bij de Dionȳsusfeesten den dithyrambus door koren liet voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen, begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen; hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen, bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.—2) Ἀρείων, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus, door Poseidon bij Demēter verwekt.

Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees, bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe, dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.

Ariphron, Ἀρίφρων, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.

Arisbe, Ἀρίσβη, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder van Aesacus.—2) trojaansche stad nabij Abȳdus, waarbij Alexander na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.—3) stad op Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.

Aristaenetus, Ἀρισταίνετος, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedēa (358 na C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen, die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.

Aristaeus, Ἀρισταῖος, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrēne, een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de kudden (Νόμιος), de jacht (Ἀγρεύς), de bijen (Μελισσεύς), enz. Hij werd vooral in Thessalië, in Cyrēne en op het eiland Ceos vereerd.

Aristagoras, Ἀρισταγόρας, volgde zijn schoonvader Histiaeus als tyran van Milētus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darīus geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen; de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden, die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Milētus om te Myrcīnus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edōni.

Aristarchus, Ἀρίσταρχος, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd, vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.—2) van Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.—3) van Samus, alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard gebleven.—4) van Samothrāce, de beroemdste taalkundige der oudheid, onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philomētor (Ptolemaeus no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd, ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homērus, wiens werken hij met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.

Aristeas, Ἀριστέας, 1) van Proconnēsus, schreef een gedicht over de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.—2) een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste eeuw v. C. dateert.

Aristīdes, Ἀριστείδης, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks 540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten, enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467 zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.—2) van Thebae, beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen voorstelden.—3) van Milētus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C., schrijver van Μιλησιακά, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna (Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts weinige fragmenten zijn overgebleven.—3) grieksch redenaar, zie Aelius Aristides (Aelii no. 10).

Aristion, Ἀριστίων, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp van Archelāus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).

Aristippus, Ἀρίστιππος, 1) van Cyrēne, geb. omstreeks 435, werd in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen (τὸ κρατεῖν καὶ μὴ ἡττᾶσθαι ἡδονῆς). Verstand en geestbeschaving stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging, die men met bewustheid ondergaat.—Aristippus was de eenige onder de leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen, vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.—2) kleinzoon van den vorigen, door zijne moeder Arēte in de wijsbegeerte van zijn grootvader onderwezen (μητροδίδακτος).

Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den dichter Horatius.

Aristobūlus, Ἀριστόβουλος, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr., stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste bronnen waaruit Arriānus geput heeft.—2) joodsch peripatetisch wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen, dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen ontleend was.—3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met zijn broeder Hyrcānus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren (49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Ἀριστοκράτης, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid afschaften (668).—2) Athener, een van de admiraals die den slag bij de Arginūsen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger had hij tot de 400 behoord.—3) Spartaan, schrijver van Λακωνικά, phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodēmus, Ἀριστόδημος, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnēsus te Naupactus door den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon geboren waren.—2) de held van den eersten messenischen oorlog, die ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was, beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).—3) tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.—4) de eenige Spartaan die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogīton, Ἀριστογείτων, 1) z. Harmodius.—2) atheensch redenaar, bijgenaamd κύων, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus en Hyperīdes.

Ἄριστοι, een van de namen, waarmede de edele geslachten in aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst, enz.

Aristomachus, Ἀριστόμαχος, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om de Peloponnēsus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de hand van Tisamenus.

Aristomenes, Ἀριστομένης, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar, driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij na zijn dood als heros vereerd werd.—2) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.—3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202–192); aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ἄριστον, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen, later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men ’s morgens vroeg nuttigde, heette ἀκράτισμα of ἄριστον πρωινόν of ook wel alleen ἄριστον.

Ariston, Ἀρίστων, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks 275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te onderscheiden wordt hij soms Σειρήν of Φάλανθος bijgenaamd.—2) van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der peripatetische school op.

Aristonīcus, Ἀριστόνικος, 1) atheensch redenaar, aanhanger van Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.—2) tyran van Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden ondergaan.—3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.—4) alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral met de studie van Homērus bezig hield.

Aristophanes, Ἀριστοφάνης, 1) de grootste der atheensche blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam was. Hij werkte voor het tooneel van 427–388, in dien tijd schreef hij 40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Ἀχαρνῆς, opgevoerd bij de Λήναια (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Ἱππῆς (Lenaea 424), Νεφέλαι, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Διονύσια van het jaar 423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Σφῆκες (opgevoerd Lenaea 422), Εἰρήνη (Dionysia 421), Ὄρνιθες (Dionysia 414), Λυσιστράτη (Lenaea 411), Θεσμοφοριάζουσαι (Dionysia 411), Βάτραχοι (Lenaea 405), Ἐκκλησιάζουσαι (389, v. s. 392), Πλοῦτος (388). Zij munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts ons dikwijls wat ruw toeschijnen.—2) van Byzantium, geb. omstreeks 260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homērus en andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf, 77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Ἀριστοφῶν, 1) atheensch redenaar en staatsman na de verdrijving van de dertig.—2) ὁ Ἀζηνιεύς, invloedrijk redenaar en staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Ἀριστοτέλης van Stagīrus, zoon van den arts Nicomachus, geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich naar zijn vriend Hermēas, vorst van Atarneus, en na diens val (345) naar Mytilēne, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In 335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).—Zijne voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven (περίπατοι, vandaar de peripatetische school) van het Lycēum voor eene talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (ἀκροαματικά of ἐσωτερικα), des avonds voor een groot publiek over populaire onderwerpen (ἐξωτερικά). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde, botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt, methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, δύναμις), van de individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel bestaan, ἐνέργεια, ἐντελέχεια), daarom staat vorm hooger dan stof, en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid, volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den aard der zaak door genot bekroond wordt.—Ar. heeft bij zijn leven slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der 17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen, totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Ἀριστόξενος, van Tarente, een van de beste leerlingen van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren, dichters enz.

Aristus, Ἄριστος, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.—2) van Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arīus, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan, en was dus niet gelijk aan (ὁμοιος), maar eenswezend (ὁμοιούσιος) met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië, en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336 n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ἀριουσία χώρα, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Ἀρμένη, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinōpe.

Armenia, Ἀρμενία, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris, terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden, lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren, afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als Chorzianēne, Sophēne, Arzanēne, Moxoēne, Gordyēne, enz., die ten deele slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische, het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias, een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal, Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigrānes (97–56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traiānus maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadriānus liet het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze zoowel om den pols en den benedenarm (ψέλλιον, περικάρπιον), als om den bovenarm, en ook wel om de enkels (περισφύριον).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventīnus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Ἄρνα, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Ἄρναι, stad op Chalcidice.

Arne, Ἄρνη, z. Aeolus.

Arne, Ἄρνη, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.—2) stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Ἄρνισσα, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd, was een geacht rhetor ten tijde van Diocletiānus. Hij omhelsde het christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken, adversus gentes (ἒθνη = heidenen).

Arnon, Ἄρνων, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, τὰ Ἀρώματα, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf, de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomēdes, toen deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust was geworpen. De plaats zou toen eerst Ἄργος ἵππιον hebben geheeten, welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216), doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpīnum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303 met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd, geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrēnus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, ἀρράβων, ook arra en arrabo geschreven, handgift, godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Ἀρρηφόρια, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion (Juni-Juli) te Athene ter eere van Athēna gevierd werd. Twee meisjes van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (ἀρρηφόροι), brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Ἀρριδαῖος, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres Philīne. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecīna Paetus. Toen deze onder de regeering van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld (42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot toe met de woorden: “Paetus, het doet geen pijn.” Hare dochter Arria was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven, omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arriānus (Flavius), Ἀρριανός, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer en geschiedschrijver, leerling van Epictētus. Door de gunst van keizer Hadriānus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121 en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131–137 n. C.) stadhouder van Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na 147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander, Ἀνάβασις Ἀλεξάνδρου, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon, dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio (z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt, die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen, die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Ἀρσάκης. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces, volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten, dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I, Arsaces II Tiridātes (248–211), die na eene schitterende overwinning op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Arīa, Drangiāna en Sogdiāna uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabānus IV, kwam in 227 na C. om, toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees, onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Ἀρσακία, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene aardbeving verwoeste stad Rhagae of Eurōpus had gestaan, hetzij op weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophēne.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te zamen den Euphraat vormen.

Arses, Ἄρσης, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagōas na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden Bagōas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus, die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Arsinoe, Ἀρσινόη, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen van Clytaemnestra redde.—2) z. Anaxarete.—3) z. Alphesiboea.—4) z. Asclepius.—5) z. Barsine.—6) moeder van Ptolemaeus I.—7) dochter van Ptolemaeus I en Berenīce, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrēa in Macedonië, van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.—8) dochter van Lysimachus, gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte verbannen.—9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd, dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205) liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.—10) dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.—11) echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).

Arsinoe, Ἀρσινόη, naam van verschillende steden, waaronder ééne op Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene, te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.

Artabānus, Ἀρτάβανος, broeder van den perzischen koning Darīus Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten den tocht tegen Griekenland.—Een andere Artabanus, een Hyrcaniër, bevelhebber van Xerxes’ lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu zelf ter dood werd gebracht.—Onder de parthische Arsaciden vindt men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.

Artabazanes, Ἀρταβαζάνης, oudste zoon van Darīus Hystaspis, die voor zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.

Artabāzes, Ἀρταβάζης = Artavasdes.

Artabāzus, Ἀρτάβαζος, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen tusschen Xerxes en Pausanias.—2) veldheer onder Artaxerxes II en satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd, schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij Darīus Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts kort behield.

Artace, Ἀρτάκη, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje daar vlak bij.

Artaphernes of Artaphrenes, Ἀρταφέρνης, -φρένης, 1) broeder van Darīus Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.—2) zoon van den vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon, en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.

Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt, vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.

Artavasdes of Artabāzes, Ἀρταβάζης, Ἀρταβάσδης, 1) koning van Armenia, zoon van Tigrānes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen, doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht (30).—2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).—3) koning van Media Atropatēne, was een bondgenoot van Antonius tegen zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.

Artaxata, τὰ Ἀρτάξατα, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189) volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridātes onder den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter gewoonlijk Artaxata.

Artaxerxes, Ἀρταξέρξης, naam van perzische koningen: 1) Art. I Μακρόχειρ (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus), reg. 465–425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.—2) Art. II Μνήμων, zoon en opvolger van Darīus II, reg. 404–358. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten, hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren, een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilāus, aanmerkelijke voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus, zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges, die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag zijner zonen, waarvan de oudste, Darīus, tot troonopvolger bestemd, een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom op diens bevel ter dood gebracht werd.—3) Art. III Ὦχος, zoon van Art. II, reg. 358–338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar Bagōas, die hem eindelijk vergiftigde.—4) Artaxerxes I, stichter van het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den laatsten koning der Parthen, Artabānus, in 227, en noemde zich sedert dien tijd “koning der koningen van Iran.” Hij stierf in 241 of 242 en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog met den romeinschen keizer Sevērus Alexander. Zie verder Sassanidae.

Artaxes = Artavasdes no. 2.

Artaxias, Ἀρταξίας, generaal van den syrischen koning Antiochus III, en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.

Artemidōrus, Ἀρτεμίδωρος, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch dialect en gaf de bucolici uit.—2) van Ephesus, beschreef omstreeks 100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.—3) van Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek (Ὀνειροκριτικά), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.

Artemis, Ἄρτεμις, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij, brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden, maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende godin (Σώτειρα). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming, geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen bij in barensnood (Εἰλείθυια); ook doet zij jonge kinderen opgroeien (Κουροτρόφος), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den voorgrond als godin der jacht (Ἀγροτέρα), zij begunstigt de jagers en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij is en blijft de maagdelijke godin (Ηαρθένος), die alle aanslagen op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar van Artemis Ὀρθία knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige offers eischte, de taurische was (Ταυρόπολος), in wier dienst Iphigenīa in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.

Artemis van het Louvre-Museum.
Artemis van het Louvre-Museum.

Artemis van het Louvre-Museum.

Artemisia, Ἀρτεμίσια, feesten van Artemis.

Artemisia, Ἀρτεμισία, 1) dochter van Lygdamis, koningin van Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en beleid.—2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausōlus, wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument, het Mausolēum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.

Artemisium, Ἀρτεμίσιον, kaap en kuststreek in het Noorden van het eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken in 480.

Artolaganum, ἀρτολάγανον, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.

Aruns, Ἀρροῦνς, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius Superbus, een zoon van Porsenna.

Arvāles fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters, wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii, die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus), een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant arva. Volgens de sage zou Romulus’ pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner, diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen, werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia, 5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in 1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun feest kransen van korenaren.

Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was Nemossus, later in Augustonemētum herdoopt (z. a.). Het sterke Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij Aquitania (z. a.) gevoegd.

Arx, ἀκρόπολισ. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over de meeste dezer ἀκροπόλεις valt niets bizonders te zeggen. Waar iets bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome, zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.

Arybas of Arybbas, Ἀρύβας, vorst der Molossiërs, oom van Olympias, werd in 342 door zijn neef Alexander van Epīrus met de hulp van Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in ballingschap. V. a. is hij later naar Epīrus teruggekeerd.

Arzanēne, Ἀρζανήνη, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den Tigris begrensd.

As, afgeleid van εἷς, rom. munt, de waarde van een rom. pond (= ongeveer ⅓ kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as (één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria (z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as (d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen; vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt, bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid (Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis) tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae, de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den quinarius (5 as), den sestertius (2½ as) z. a.; tot voorbeeld diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde (triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en ¼ van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave), zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as) berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de waarde bleef dezelfde = ¼ sestertius. Hij diende voortaan als pasmunt.—Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius, derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2½ as, doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.

Asander, Ἄσανδρος, zoon van Philōtas, veldheer van Alexander d. G. Hij werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan Orontobates de nederlaag toebracht.—2) zoon van Agathon. Na den dood van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over (321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan, maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.—3) veldheer van Pharnaces II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten, doch Augustus gaf hem later de regeering terug.

Asarōtum, ἀσάρωτον, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (σαίρω). Wanneer dan een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.

Asbestus, ἄσβεστος (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof, waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze weelde veroorloven.

Asbolus, Ἄσβολος, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.

Ascalaphus, Ἀσκάλαφος, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het eiland Aretias in de Zwarte zee.—2) zoon van Acheron en Gorgyra of Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden, indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demēter hem onder een zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde zij hem in een nachtuil.

Ascalon, Ἀσκάλων, voorname vesting der Philistijnen, later een belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.

Ascania, Ἀσκανία, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad Nicaea.—2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en Celaenae.

Ascanius, Ἀσκάνιος, zoon van Aenēas en Creūsa, door Vergilius en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan, waar hij Alba Longa stichtte.

Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.

Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.

Asclepiadae, Ἀσκληπιάδαι, priesters en, naar men meende, afstammelingen van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de algemeene naam voor geneeskundigen.

Asclepiades, Ἀσκληπιάδης, 1) naam van verscheiden geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië, die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.—2) van Myrlēa, beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150–50). Hij heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.

Asclepiodōrus, Ἀσκληπιόδωρος, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.

Asclepius, Ἀσκληπιός, Aesculapius, zoon van Apollo en Corōnis, dochter van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië, te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd, door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde, waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas, maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus, die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot feest, Ἀσκληπίεια, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd, maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.

Asconius Pediānus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C., overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke aanteekeningen op Cicero’s redevoeringen. In 1416 heeft men te St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.

Ascra, Ἄσκρα, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon, geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.

Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum) Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in 279 door Pyrrhus, koning van Epīrus, werden verslagen. (Zie Decii no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum quod versu dicere non est.—2) Asculum Picēnum, hoofdstad van Picēnum en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch weder opgebouwd.

Ἀσεβείας γραφή, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden door den ἄρχων βασιλεύς voor den Areopagus, soms voor de Heliaea gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.

Asia, Ἀσία, Oceanide, moeder van Promētheus.

Asia, Ἀσία. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs (Don), de Palus Maeōtis (zee van Azow) en verder door zeeën was gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (τὰ κάτω en τὰ ἄνω Ἀσίας, Ἀσία ἡ ἐντὸς en ἐκτὸς τοῦ Ἅλυος of τοῦ Ταύρου). Het oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus Euxīnus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag, was Asia maior.

De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd, dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradātes V van Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasiānus werden ook Rhodus en Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.

Tijdens keizer Traiānus omvatte het romeinsche gebied in Azië de volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3 Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia, 9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor, 14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagēne, 17 Syria met inbegrip van Phoenīce en Judaea, 18 Arabia Petraea, die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.

Asia prata, Ἄσιος λειμών, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden van den berg Tmolus.

Asinārus, Ἀσίναρος, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracūsae, bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.

Asine, Ἀσίνη, 1) stad aan de Argolische golf.—2) stad aan de Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1, die uit hunne woonplaats waren verdreven.—3) kustplaats in Laconia, bij Gythēum.

Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig, geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver, als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd, en bij Pharsālus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octaviānus aan, maar poogde door zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpīna belast met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39 behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria, doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en evenals Maecēnas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van zijne vele werken is niets tot ons gekomen.—2) C. Asinius Gallus, zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor de beoefening der wetenschappen.

Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia, geboorteplaats van Propertius.

Asius, Ἄσιος, van Samus, een van de oudste grieksche elegische dichters.

Ἀσκώλια, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (ἀσκωλίζειν, ἀσκωλιάζειν), die van het vel van een aan Dionȳsus geofferden bok gemaakt was.

Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.

Asōpis, Ἀσωπίς, Aegma, de dochter van Asopus.

Asōpus, Ἀσωπός, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.—2) rivier die bij Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en van Thebae.—3) riviertje bij de Thermopylae.—4) stad in Laconica, aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel van Asclepius.—5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metōpe de vader van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegīna door Zeus. Toen Asōpus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd teruggedreven.

Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,

Aspasia, Ἀσπασία, 1) van Milētus, dochter van Axiochus, kwam naar Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van Pericles klaagden haar aan van ἀσέβεια, maar zijne welsprekendheid, die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.—2) van Phocaea, dochter van Hermotīmus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes, en toen zijn zoon Darīus haar aan hem betwistte, maakte hij haar priesteres van Anaītis. V. s. was dit de reden waarom Darīus tegen zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.

Aspasii, Ἀσπάσιοι, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de Choaspes er in uitstroomt.

Aspendus, Ἄσπενδος, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon, oorspronkelijk eene argivische volksplanting.

Asphaltītes lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin zich de Jordaan stort.

Asphodelus, ἀσφόδελος, een plant met kleine knollen aan den wortel, die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.

Ἀσπίς, z. Clipeus.

Aspis, Ἀσπίς, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In 46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.

Asplēdon, Ἀσπληδών, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden van het meer Copaïs.

Asprēnas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.

Assa, Assēra, Ἄσσα, Ἄσσηρα, stad op Chalcidice, aan de Singitische golf.

Assacēni, Ἀσσακηνοί, indische stam in het Indus-gebied, aan de Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astacēni.

Assaracus, Ἀσσάρακος, zoon van Tros, overgrootvader van Aenēas.

Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein, een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.

Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag, of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit komt voor bij de manumissio vindictā; voor assertor fungeerde vaak een lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.

Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten, gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en het vonnis opstelde.

Assēsus, Ἀσσησός, stad in Ionia, bij Milētus, met een Athēna-tempel.

Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten, die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling der proletarii.

Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.

Assōrus, Ἄσσωρός, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.

Assus, Ἄσσος, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de voorwerpen deed versteenen en daarom σαρκοφάγος genoemd werd. Men maakte er o. a. lijkkisten van.

Assyria, Ἀσσυρία. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media, Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenīce en Palaestīna uitstrekte en 672–656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.—Het landschap Assyria in engeren zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus- of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische, syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.

Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.—2) rom. kolonie in Baetica, nabij Gades (Cadix).

Astaboras, Ἀσταβόρας, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.

Astacēni, Ἀστακηνοί, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen, verwant met de Assacēni.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings