P. (continued 4)
Reading edition

Poseidon v. h. Museum Chiaramonte.
Poseidon, Ποσειδῶν, -δάων, Neptūnus, zoon van Cronus en Rhea, kreeg bij de verdeeling der heerschappij over het heelal de regeering over de zee, op welker bodem hij met Amphitrīte en hunne kinderen zijn gouden paleis bewoont. Hij omvat en steunt de geheele aarde (Γαιήοχος), heerscht over alle godheden en veroorzaakt alle verschijnselen der zee, met zijn drietand doet hij naar verkiezing stormen opsteken en bedaren, rotsen splijten, de aarde schudden (Ἐννοσίγαιος, Ἐνοσίχθων), eilanden uit zee oprijzen; als hij op zijn wagen, bespannen met paarden met koperen hoeven, over de zee rijdt, dan leggen de golven zich neder en vormen voor hem een effen vlakte, terwijl zeemonsters opduiken en om hem heen dartelen. Voor allen, die met de zee in betrekking staan, is hij een beschermend god, daarentegen vervolgt hij met alle macht hen, die zijn toorn opgewekt hebben. Zoo moet bijv. Odysseus jaren lang op zee rondzwerven, omdat hij P.’s zoon Polyphēmus blind gemaakt heeft, zoo was hij een onverzoenlijk vijand van de Trojanen, wegens de trouweloosheid van Laomedon (z. a.); zelfs tegen Zeus durft hij zich soms verzetten en eens spande hij zelfs met Hera en Athēna samen om hem te boeien (z. Aegaeon).—De dienst van P. was over geheel Griekenland verbreid en van vele steden beweerde men dat zij door een van zijne talrijke zonen gesticht waren, het meest werd hij echter natuurlijk vereerd in kuststreken en op eilanden, in de Peloponnēsus vooral op de landengte van Corinthe, waar te zijner eer de isthmische spelen gevierd werden, en op de Noordkust, verder in de ionische steden van Klein-Azië (z. Panionia), enz. Toch was zijne vereering vroeger nog meer algemeen geweest, toen hij als god van het water in het algemeen, dus ook van bronnen, rivieren, enz., ook in het binnenland als bevruchtend en voedselgevend god beschouwd werd. Vandaar verscheiden verhalen van zijne twisten met andere goden over het bezit van een of ander land, bijv. met Athēna (z. a.) over Attica en Troezen, niet Hera over Argolis (z. Inachus). Onder de dieren zijn hem de dolfijn en de stier, maar vooral het paard, gewijd. In vele verhalen wordt hij met paarden in betrekking gebracht (z. Balius en Oenomaüs), hij zou het paard geschapen en den menschen geleerd hebben zich er van te bedienen (Ἵππιος), hij wordt de vader genoemd van de paarden Arīon en Pegasus. Daarom schept hij ook behagen in wedrennen met paarden en wagens, zooals op verscheiden plaatsen, vooral te Onchestus en op de landengte van Corinthe, te zijner eere gehouden werden. Men offerde hem stieren, liefst zwarte, evers, rammen, soms ook paarden. De denneboom, die hout voor den scheepsbouw levert, was hem heilig. Zijne beelden gelijken veel op die van Zeus, hoewel zijne trekken scherper en zijne haren gewoonlijk verward zijn; hij is kenbaar aan zijn drietand of aan den dolfijn, die hem vergezelt, ook is hij dikwijls in het gezelschap van Amphitrīte e. a. zeegodheden. Dichters noemen hem donker van haar (Κυανοχαίτης).
Posideon, Ποσειδέων, 6de maand van het Attische jaar (Dec.–Jan.), z. Annus.
Posidēum, Ποσείδειον, -δήιον, 1) stad op de grens van Cilicia en Syria, tegenover Cyprus.—2) stad in Cassiōtis (Syria).
Posidippus, Ποσείδιππος, 1) van Cassandrēa, een van de beste dichters der nieuwe attische comedie. Hij schreef ongeveer 40 stukken, waarvan een, Δίδυμοι genaamd, waarschijnlijk door Plautus in zijn Menaechmi is nagevolgd. Hij trad voor het eerst op omstreeks 287.—2) grieksch epigrammendichter, ongeveer gelijktijdig met den vorigen, waarschijnlijk van Sicilië.
Posidium = Posidonium.
Posidonia, Ποσειδωνία, oude naam van Paestum.
Posidonium, Ποσειδώνιον, Z.W. kaap van het chalcidische schiereiland Pallēne.
Posidonius, Ποσειδώνιος, 1) van Olbiopolis, geschiedschrijver uit de eerste helft van de 2de eeuw.—2) van Apamēa, gewoonlijk naar zijn verblijf op Rhodus de Rhodiër genoemd, geb. omstreeks 135, was een leerling van Panaetius. Na diens dood reisde hij naar Italië, Hispanië, enz., en trad daarna als hoofd der stoicijnsche school op Rhodus op. Hij wordt de geleerdste onder de stoicijnen genoemd en trachtte de leer van Plato en Aristoteles met de stoicijnsche te vereenigen. Cicero en Pompeius woonden zijne voordrachten bij. Ook aan de staatszaken nam hij deel en in 86 kwam hij als gezant naar Rome. Van zijne talrijke werken over geschiedenis en natuurwetenschappen, waaronder een vervolg op Polybius in 52 boeken was, zijn slechts fragmenten bewaard. Hij heeft een ontzaglijken invloed gehad op de denkrichting van zijn tijd en van latere geslachten.
Possessio, het feitelijk bezit eener zaak, in tegenstelling van dominium of eigendom volgens streng rom. recht. Zie bonorum possessio.
Postliminium, zie ius postliminii.
Postumia (via), in Gallia Cisalpīna, van Genua over Cremōna en Mantua naar Aquileia. Deze weg is in het jaar 148 door den consul Sp. Postumius aangelegd.
Postumii, patricisch geslacht, misschien van etruscischen oorsprong. 1) P. Postumius Tubertus, consul in 505 en 503, bracht den Sabijnen zware nederlagen toe, hoewel hij eenmaal zelf verslagen werd.—2) A. Postumius Albus Regillensis, consul in 496, legde zijn consulaat neder om tot dictator benoemd te kunnen worden (v. a. was hij dictator in 498) en behaalde toen op de Latijnen de schitterende overwinning bij het meer Regillus. Zijn zoon Sp. was een der drie mannen, die in 454 naar Griekenland gezonden werden om aldaar de wetten te bestudeeren.—3) A. Post. Albus Reg., zoon van no. 2, consul in 464, overwon de Aequers.—4) A. Postumius Tubertus, dictator in 431, bracht aan de Aequers en Volscers eene schrikkelijke nederlaag toe bij den berg Algidus. Het verhaal, dat T. Manlius Capitolīnus Imperiōsus (zie Manlii no. 10) zijn zoon zou hebben ter dood gebracht wegens ongehoorzaamheid, wordt door oudere schrijvers op naam van dezen Postumius gesteld.—5) M. Post. Albus Regill. werd als consulairtribuun in 426 door de Vejenten verslagen en hiervoor met een geldboete gestraft.—6) P. Post. Albinus Regill., consulairtribuun in 414, werd door zijn troepen gesteenigd.—7) Sp. Postumius Albīnus, consul in 334 en 321 met T. Veturius Calvīnus, zie Veturii no. 6.—8) L. Postumius Megellus, consul in 305, 294 en 291, versloeg bij herhaling Samnieten en Etruscers en hield tweemaal een triumftocht tegen den wil van den senaat onder de bescherming van eenige volkstribunen.—9) L. Post. Megellus, zoon van no. 8, consul in 262, veroverde de stad Agrigentum op Sicilia.—10) L. Post. Albinus, consul in 234 en 229, overwon de Liguriërs en de Illyriërs, doch sneuvelde in 216 toen hij consul designatus was, in de Litāna Silva tegen de Bojers.—11) Sp. Post. Albinus, zoon van no. 10, consul in 186, werd door den senaat belast met een onderzoek naar de Bacchanalia (z. a.). Zie ook Marcii no. 14.—12) A. Post. Albinus, consul in 180, voerde in 174 met strengheid de censuur, terwijl Sp. Post. Albinus Paullulus (misschien zijn broeder) consul was. Een L. Post. Albinus (wellicht een derde broeder) was in 173 consul en gaf den eersten stoot aan de oprichting van tabernae voor rom. ambtenaren op reis.—13) A. Post. Albinus, een der 10 gezanten, die in 146 de provincie Achaia moesten organiseeren, schreef eene geschiedenis van Rome in het Grieksch.—14) Sp. Post. Albinus, consul in 110, voerde in den oorlog tegen Jugurtha niets uit. Zijn broeder A. Post. Albinus, die als legaat onder hem diende, nam het legerbevel op zich, toen Sp. naar Rome vertrok om de comitia te houden, doch werd door Jugurtha verslagen, waarna het rom. leger onder het juk moest doorgaan.—15) Behalve deze Romeinsche Postumii, wordt er ook nog melding gemaakt van een Etruscisch zeeroover, Postumius genaamd, die in het jaar 342 (339) met twaalf kaperschepen als vriend de haven van Syracūsae binnenliep, maar door Timoleon terechtgesteld werd.
Postumus (M. Cassianius Latinius), één van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta tyranni II). Toen keizer Galliēnus uit Gallië tegen Ingenuus (z. a.) optrok, vielen de Franken in Gallië en Spanje, en plunderden o.a. Tarraco, maar werden daarop door Postumus verslagen, die vervolgens (winter van 258/59 n. C.) zich tot keizer liet uitroepen, en den jongen Valeriānus, den zoon van Gallienus, te Keulen liet vermoorden. Vijf jaar lang (259–264) heeft hij Gallië tegen de Franken verdedigd, maar het rechtsrijnsche gebied is waarschijnlijk in dien tijd aan de Alamannen verloren gegaan. Toen Postumus door de generaals van Gallienus in het nauw werd gebracht, nam hij tot mede-keizer Victorīnus aan (waarschijnlijk begin van 268). Hij heerschte als keizer, evenals zijne opvolgers Victorinus (268–269) en Tetricus (270–273), over Gallië, Britannië en Spanje, en wilde een afzonderlijk westersch rijk stichten. Zijne regeering was voor Gallië een tijdperk van vrede en bloei. Postumus werd, nadat hij een anderen pretendent, Lollianus, had overwonnen, door zijn soldaten te Mainz vermoord (268/9).
Postvorta, z. Carmenta.
Potamides, Ποταμίδες, rivier- en stroomnimfen.
Potentia, 1) stad in Picēnum, sedert 184 rom. kolonie.—2) stad in het Noorden van Lucania, aan de grens van Apulia.
Potidaea, Ποτίδαια, Ποτείδαια, corinthische volkplanting op de landengte, die Pallēne met Chalcidice verbindt, sterke vesting. In den perzischen oorlog sloeg P. de aanvallen der Perzen af en trad tot het atheensch verbond toe. In den peloponnesischen oorlog viel het af, doch moest zich weder aan de Atheners overgeven, die tot straf de inwoners dwongen de stad te verlaten (430/29) en van Potidaea eene cleruchie maakten. In 356 werd Pot. door Philippus van Macedonia veroverd en verwoest, doch om de gunstige ligging liet Cassander het onder den naam Cassandrēa herbouwen.
Potidania, Ποτιδανία, vesting in Aetolia op de locrische grenzen.
Potitii, zie Pinarii.
Potniades, Ποτνιάδες, bijnaam van de Eumeniden en de Bacchanten; ook de paarden van Glaucus no. 2 worden zoo genoemd.
Potniae, Ποτνίαι, eerwaardigen, bijnaam van Demēter, Persephone en de Erinyes.
Potniae, Πότνιαι, stadje in Boeotia aan den weg van Thebae naar Plataeae, aan den Asōpus. Men vertelde, dat het gras van de weiden in den omtrek de paarden razend maakte. Z. Glaucus no. 2.
Practius, Πράκτιος, riviertje in Troas, dat langs Percōte in den Hellespont uitstroomt.
Praecōnes bij de Rom. moeten niet op ééne lijn gesteld worden met de κήρυκες bij de Grieken. Een praeco was niets meer dan een openbaar omroeper, die ook gebruikt werd om iets af te kondigen of in de volksvergadering met luider stem voor te lezen. Zij riepen de comitia en soms ook den senaat te zamen. Zie apparitores.
Praefecti zijn in het algemeen allen, die ergens over gesteld zijn; zoo heet b.v. de scheepskapitein praefectus navis, de admiraal praefectus classis, het hoofd der roeiers, pr. remigum enz. Eenige praefecti echter zijn er, die hieronder eene afzonderlijke vermelding behoeven.
Praefecti aerario, twee ambtenaren, die door sommige keizers, als Augustus, Tiberius, Caligula, Nero, met het administratief beheer van het aerarium belast waren, in plaats der quaestores urbani, totdat het aerarium met de keizerlijke schatkist (fiscus) samensmolt.
Praefecti Capuam Cumas, ook IV viri in Campaniam of IV viri iuri dicundo geheeten, werden sedert 318 naar de campaansche steden Capua, Cumae, Casilīnum, Volturnum, Liternum, Puteoli, Acerrae, Suessula, Atella en Calatia gezonden om recht te spreken. Ook voor andere deelen van het romeinsch gebied werden door den praetor, niet door het volk, praefecti iuri dicundo benoemd, die in zijn naam recht spraken. Zie Praefectura.
Praefecti iuri dicundo, zie Praefectura.
Praefecti sociorum. Evenals over een rom. legioen zes tribuni militum stonden, stonden over elk legioen italische socii, ala geheeten, zes praefecten, die door de rom. legeraanvoerders werden aangesteld.
Praefectūra. Het geheele Romeinsche burgergebied, met uitzondering van de coloniae Romanae, wier overheden zelf mochten rechtspreken, en van Latium, was in districten (praefecturae) verdeeld, en de rechtspraak was daar opgedragen aan een voor elke praefectura jaarlijks door den praetor urbanus te benoemen praefectus iuri dicundo. Alleen de praefecti voor N.W. Campania, de Praefecti Capuam Cumas (z. a.) werden in de comitia tributa gekozen.—Onder Constantijn den Gr. kregen de 4 groote deelen, waarin het rom. keizerrijk gesplitst werd, ook den naam praefecturae.
Praefectus Augustālis of praef. Aegypti, de keizerlijke stadhouder van Aegypte.
Praefectus praetorio, bevelhebber der door Augustus ingestelde cohortes praetorianae of keizerlijke garde. Onder Augustus waren er twee, later afwisselend één, twee of eene enkele maal drie.
Praefectus Urbi(s). Toen de consuls nog de eenige hooge overheden te Rome waren, stelden zij, wanneer beiden de stad moesten verlaten, onder den titel praef. Urbis of Urbi een stadhouder aan. Met de instelling der praetuur in 366 werd deze maatregel overbodig, daar de praetor urbanus nu in zoodanig geval als plaatsvervanger der consuls optrad. Eénmaal ’s jaars echter, tijdens de feriae Latinae, die op den albaanschen berg gevierd en door alle overheden bijgewoond werden, werd in de alsdan bijna verlaten stad een jongeling van aanzienlijken huize met het politietoezicht belast onder den titel praef. Urbi feriarum Latinarum causa.—Augustus stelde onder den naam van praef. Urbi een vasten gouverneur van Rome aan, wiens politietoezicht en rechtsmacht zich later tot op 100 mijlen buiten Rome uitstrekte.
Praefectus vigilum, kommandant der nacht- en brandwacht te Rome.
Praeficae, gehuurde vrouwen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke lieden jammerden en klaagzangen aanhieven.
Praeneste, Πραίνεστος, thans Palestrina, oude stad van Latium, op eene rots gelegen en door zijne hooge ligging koel en een aangenaam zomerverblijf (frigidum Praeneste). Er was een beroemde Fortuna-tempel met een orakel. De weg, die van Pr. over Gabii naar Rome liep, heette via Praenestina. Praeneste was na 338 een civitas foederata, en bekleedde onder het nomen Latinum een bevoorrechte plaats. In 216 weigerde de stad het romeinsche burgerrecht, dat de senaat haar aanbod wegens de dappere verdediging van Casilīnum. In 82 werd de stad door Sulla belegerd, en door den jongen Marius verdedigd. Kort na den slag bij de Porta Collina (1 Nov. 82) gaf het zich over, en werd toen uitgeplunderd en zwaar gestraft. Later bracht Sulla er eene kolonie heen.
Praerogatīva, een woord, dat bij de comitia centuriata te huis behoort. In het eerst stemden de 18 riddercenturiën het eerst en werden hierom praerogativae genoemd; na de hervorming dezer comitia werd door het lot eene centurie der eerste klasse aangewezen om voor te stemmen, die dan centuria praerogativa was. Z. ook principium.
Praes, zie vas.
Praesentēius (P.), onderbevelhebber van Q. Pompaedius Silo in den marsischen oorlog.
Praesus, Πραῖσος, Πρᾶσος, stad in oostelijk Creta, in het gebied der Eteocrētes, in 140 door de Grieken van het eiland vernietigd.
Praetexta, toga met purperen rand omweven, zooals te Rome de curulische overheden en kinderen droegen.
Praetexta, n.l. fabula, eene tragoedia, die op rom. bodem speelt en waarin de spelers, die de hoofdrollen vervullen en beroemde of hooggeplaatste Rom. voorstellen, de toga praetexta dragen. In het algemeen zag men te Rome niet gaarne Rom. ten tooneele gevoerd.
Praetor, ἡγεμών, στρατηγός. In 367, toen de lex Licinia Sextia den toegang tot het consulaat voor de plebejers had opengesteld, werd voor de civiele rechtspraak het praetorsambt in het leven geroepen. In 337 werd ook de praetuur voor plebejers opengesteld; de eerste plebejische praetor was Q. Publilius Philo. In 241 werd het getal praetoren op twee gebracht; de een, die nu praetor urbānus genoemd werd, was belast met de rechtspraak tusschen rom. burgers, de andere, praetor inter peregrīnos, met die tusschen burgers en peregrini. Over den aard dezer rechtspraak zie iudex. Praetor iudicem dat, ius dicit, rem iudicatam addicit. De pr. urb. trad tevens bij afwezigheid van beide consuls als hun plaatsvervanger op. Hij is de collega minor der consuls, en wordt evenals deze in de comitia centuriata gekozen onder voorzitting van een consul of dictator; hij heeft het ius cum patribus agendi en het ius agendi cum populo. Na den eersten punischen oorlog kwamen er (in 227) 2 praetoren bij als stadhouders van Sicilia en Sardinia en na de verovering van Hispania (in 197) nog 2. Welk praetorschap aan ieder ten deel zou vallen, werd door het lot beslist. Door Sulla en Caesar werd het aantal praetoren achtereenvolgens tot 8, 10, 14 en 16 vermeerderd. Sedert de invoering der quaestiones perpetuae (zie iudicium publicum en iudex) in 149 werd het gewoonte, dat de praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome bleven en eerst daarna een stadhouderschap kregen (zie provincia). Krachtens hun imperium konden de praetoren ook een leger aanvoeren. Hunne insignia waren de sella curulis, de toga praetexta en 2 lictoren binnen Rome (zie lex Plaetoria), daarbuiten 6. Wanneer een praetor op het forum zijn ambt uitoefende stond zijn zetel op eene verhevenheid, tribūnal. Praetor is ook de oudste en algemeene naam voor stadhouder, zie propraetor.
Praetoriāni, zie cohortes praetoriae.
Praetorium, de ruimte in de legerplaats, 200 voet lang en 200 voet breed, waar de tent van den veldheer was opgeslagen, ook de veldheerstent zelf.
Praetorium Agrippīnae, rom. vesting in het land der Bataven, gesticht ten tijde van keizer Claudius, tgw. Arentsburg bij Voorburg. Hier was tevens een station van de romeinsche Rijnvloot. De Fossa Corbulonis, gegraven in 47 n. C. (de tegenwoordige Vliet) loopt hierlangs.
Praetutii of Praetutiāni, een stam in het Z. van Picēnum.
Praevaricatio (van varus, krom) is het heulen van een aanklager met den beschuldigde. Daar bij de Rom. in rechten het non bis in idem gold, zocht een schuldige, die eene ernstige aanklacht vreesde, wel eens een zijner vrienden te bewegen hem aan te klagen, natuurlijk met het doel om door scheeve of verdraaide behandeling der zaak de aanklacht te verliezen en den schuldige te hooren vrijspreken. Het bewijs van praevaricatio was moeielijk te leveren; werd zij echter bewezen, dan was eerloosheid er het gevolg van en kon de aanklacht door een ander worden opgevat.
Πράκτορες, beambten bij het financiewezen te Athene, die boeten e. dgl., voor zoover zij ten bate van den staat kwamen, moesten innen.
Prandium, ontbijt, doch niet zooals wij in den ochtend gebruiken, dat ientaculum heet en niet algemeen in zwang was, maar een soort van lunch omstreeks den middag (12 uur).
Prasiae, Πρασιαί, 1) stad op de Oostkust van Laconica.—2) demus aan de Z.O. kust van Attica.
Prasias lacus, Πρασιὰς λίμνη, meer in Thracië, door den Strymon. gevormd, even ten N. van Amphipolis.
Prasii, Πράσιοι, machtig indisch volk aan den Ganges, met de hoofdstad Palibothra. Omstreeks 300 bracht hun koning Sandracottus een leger van ± 500000 man met 3000 olifanten op de been.
Pratinas, Πρατίνας, van Phlius, een van de oudste treurspeldichters te Athene, tijdgenoot van Aeschylus. Hij wordt de eerste dichter genoemd, die te Athene een satyrdrama liet opvoeren.
Praxagoras, Πραξαγόρας, Athener, schrijver eener geschiedenis van Constantijn den Groote, van Alexander en van de koningen van Attica, die bijna geheel verloren zijn. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.
Praxilla, Πράξιλλα, van Sicyon, lyrische dichteres omstreeks het midden der 5de eeuw.
Praxiphanes, Πραξιφάνης, van Mytilēne of van Rhodus, leerling van Theophrastus, later zelf leeraar der peripatetische wijsbegeerte, hield zich voornamelijk met grammatische studiën bezig.—Een ander van denzelfden naam wordt onder de leermeesters van Epicūrus genoemd.
Praxiteles, Πραξιτέλης, Athener, een van de grootste beeldhouwers, wiens beelden uitmuntten door schoonheid van vormen en bevalligheid van stand (± 350). Een van zijne meesterstukken was de Aphrodīte, die hij voor de Cnidiërs maakte. Een Hermeskop van Pr. is op blz. 311 afgebeeld.
Prelius lacus, moeras op de etruscische kust, ten Z.W. van Rusellae.
Prexaspes, Πρηξάσπης, een gunsteling van Cambȳses, op wiens bevel hij Smerdis doodde. Na den dood van Cambyses (522) maakte hij, om den valschen Smerdis te ontmaskeren, zijne daad aan het volk bekend, terwijl hij op een toren stond, daarop wierp hij zich naar beneden.
Priamides, Πριαμίδης, Hector, Paris e. a. zonen van Priamus.
Priamus, Πρίαμος, 1), zoon van Laomedon en Strymo. Toen Heracles Troje had ingenomen, werd hij gevangen genomen, maar door zijne zuster Hesione vrijgekocht, vandaar werd zijn oorspronkelijke naam Podarces in Pr. (van πρίασθαι) veranderd. Na het vertrek van Heracles volgde hij zijn vader op, hij ondernam als bondgenoot der Phrygiërs een krijgstocht tegen de Amazonen, huwde met Arisbe, later met Hecabe, en leefde met het talrijk kroost (50 zoons en 50 dochters), dat hij bij deze en andere vrouwen had, gelukkig en tevreden, totdat de trojaansche oorlog uitbrak, die hem eerst van bijna al zijne zonen beroofde en hem eindelijk regeering en leven kostte. Aan den oorlog neemt hij wegens zijn hoogen leeftijd persoonlijk geen deel, slechts tweemaal komt hij buiten de stad, eerst om een verdrag te sluiten, waarbij de oorlog door een tweegevecht tusschen Paris en Menelāus beslist zou worden, later onder geleide van Hermes, om van Achilles de uitlevering van het lijk van Hector af te smeeken. Toen de Grieken de stad binnendrongen, zocht de grijze koning met zijn vrouw en dochters een schuilplaats bij het altaar van Zeus, maar toen hij zijn zoon Polītes door Neoptolemus zag dooden, slingerde hij zijne lans naar den vijand, die daarop in woede op hem toeliep en hem met zijn zwaard doorstak.—2) zoon van Polītes no. 1, tochtgenoot van Aenēas.
Priāpus, Πρίαπος, zoon van Dionȳsus, Hermes, Pan of Adōnis en Aphrodīte of Chione, een god van wijn- en tuinbouw, van vee- en bijenteelt, ook van visscherij, vooral te Lampsacus vereerd, van waar zijn dienst zich over het overige Griekenland schijnt te hebben uitgebreid. De Rom. identificeerden hem met Mutīnus. Zijne beelden werden veelal in tuinen en wijnbergen geplaatst om als vogelverschrikker te dienen. Men offerde hem de eerstelingen der vruchten, melk, honig, bokken en ezels. Hij wordt soms afgebeeld als een knaap, soms als een grijsaard, gewoonlijk met vruchten, een snoeimes of een horen van overvloed in de hand.
Priēne, Πριήνη, aziatisch-ionische stad op de zuidelijke helling van den berg Mycale en aan de Latmische golf. In de 4de eeuw is de stad zeer regelmatig herbouwd, en, nu ze door de Duitschers opgegraven is, geeft ze een goed denkbeeld van een hellenistische stad. De wijsgeer Bias was hier geboren.
Primigenia, bijnaam van Fortuna, waaronder zij vooral te Praeneste vereerd werd. Zij werd daar als de oudste dochter van Jupiter, maar later als de moeder van Jupiter en Juno beschouwd en had een beroemd orakel, dat geraadpleegd werd door het werpen met eikenhouten staafjes, waarin ouderwetsche letters gesneden waren.
Primipilus, Primus Pilus, zie centurio.
Primus, zie Antonii no. 15.
Princeps, de oorspronkelijke keizerstitel, door Augustus aangenomen als natuurlijke princeps senatus.
Princeps inventūtis. Degenen, die bij het opmaken der ridderlijsten door de censoren bovenaan geplaatst waren, werden principes inventutis genoemd. Onder Augustus werden zijne beide kleinzoons C. en L. Caesar door de ridderschap tot principes inventutis uitgeroepen, en vervolgens werd het gebruikelijk dat de vermoedelijke troonopvolger dezen titel voerde.
Princeps senātus. Hij, die bij het opmaken van de lijst der senatoren door de censoren als de meest waardige bovenaan werd geplaatst, werd princeps senatus genoemd. Het was een groot eerbewijs, en zoolang het gebruikelijk bleef, in senaatszittingen den princeps het eerst naar zijn gevoelen te vragen, was deze waardigheid niet van belang ontbloot.
Principes, zie centuria.
Principium. Bij de comitia curiata en tributa stemden alle afdeelingen tegelijk. Als nu de stemmen geteld waren, kwamen de rogatores (stemopnemers) op het templum (de spreekplaats), waar de voorzitter der vergadering zich bevond, bijeen. Nu werd bij loting vastgesteld, in welke volgorde elke afdeeling den uitslag zou mededeelen. De naam van de eerstgevraagde afdeeling, zoowel bij de curiae als bij de tribus, heette principium, en werd, als het een wet gold, met den naam van den burger, die daarin het eerst gestemd had (qui primus scivit) aan het hoofd van de wet vermeld. Z. ook praerogativa.
Prisciānus, van Caesarēa, rom. taalgeleerde te Constantinopel (± 500 na C.), wiens institutiones grammaticae in de middeleeuwen nog lang als latijnsche spraakleer werden gebezigd.
Priscus, 1) zie Helvidius Priscus.—2) een Thraciër, die door Theodosius II als keizerlijk gezant tot Attila werd gezonden en eene geschiedenis van het rom. rijk en van de oorlogen met Attila schreef. Er zijn nog fragmenten van over.—3) Attius Priscus, schilder onder de regeering van Vespasiānus.
Privernum, oude volscische stad in Latium, reeds vroeg door de Rom. tot kolonie gemaakt. Het lag aan den Amasēnus en had belangrijken wijnbouw.
Privilegium (van privus en lex), 1) eene wet, die tegen één enkelen persoon gericht is, zooals de lex Clodia tegen Cicero.—2) een wet of besluit ten gunste van één persoon of van enkele personen, vandaar voorrecht.
Προβολή, te Athene een aanklacht bij de volksvergadering, waarop echter alleen eene voorloopige veroordeeling konde volgen; daarna werd de zaak voor een van de gewone rechtbanken gebracht. De πρ. werd alleen in bizonder ernstige gevallen toegepast, de uitwerking er van bestond, naar het schijnt, alleen in den invloed, dien zulk een uitspraak van het volk op de rechters uitoefende.
Προβούλευμα, praeadvies van den raad, eene voorloopige voordracht, waarop de goedkeuring der volksvergadering gevraagd werd.
Πρόβουλοι, 1) in oligarchisch geregeerde staten eene commissie uit den raad om de aangelegenheden die voor den raad kwamen, vooraf te onderzoeken en praeadvies erover uit te brengen.—2) een college van 10 mannen, te Athene na de nederlaag op Sicilië (413) ingesteld, om in den daardoor veroorzaakten nood te voorzien. Zij werkten in het belang der oligarchie en waren twee jaar later met alle macht behulpzaam bij het invoeren van de regeering der 400.—3) de afgevaardigden bij de bondsvergadering der 12 ionische staten.
Probus. 1) M. Aurelius Probus, rom. keizer (276–282 na C.), geb. te Sirmium (232), een man van geringe afkomst. Van zijn militaire loopbaan vóór zijn verheffing tot keizer is niets zekers bekend. Hij was een uitstekend keizer, die de Alemannen en de met hen verbonden Longiones, Franken en Burgundiërs terugdrong en aan het van alle zijden bedreigde rom. rijk aldus verademing schonk. Hij herstelde de Rijngrens, en beschermde de steden aan den Rijn, door aan de overzijde castella, observatieposten, op te richten. Hij overwon de tegenkeizers Proculus en Bonosus, verplaatste 100000 Bastarners naar het bijna ontvolkte Thracia en had eindelijk rondom vrede. Daar hij echter ook in vredestijd de soldaten arbeid liet verrichten en hen gebruikte om langs den Donau moerassen droog te leggen en wijngaarden aan te leggen, en omdat hij zich had uitgelaten, dat hij eenmaal geen soldaten meer hoopte noodig te hebben, brak er een oproer uit, waarin hij werd doodgeslagen.—2) M. Valerius Probus, uit Berȳtus, beroemd rom. taalgeleerde tijdens Nero.
Procas (Silvius), koning van Alba Longa, vader van Numitor en Amulius.
Prochyta, eiland op de kust van Campania, bij kaap Misēnum, thans Procida.
Procilii. Cicero vermeldt twee mannen van dezen naam, een volkstribuun, die in slechten roep stond en veroordeeld werd, en een geschiedschrijver. Overigens zijn beiden onbekend.
Proclēa, Πρόκλεια, dochter van Laomedon, gehuwd met Cycnus no. 2, moeder van Tenes en Hemithea.
Procles, Προκλῆς, zoon van Aristodēmus no. 1, regeerde na den dood van zijn vader met zijn broeder Eurysthenes over Lacedaemon; hij is de stamvader van het koninklijk geslacht der Procliden.
Proclus, Πρόκλος, van Constantinopel, geb. 410 na C., beroemd neo-platonisch wijsgeer uit de atheensche school, aan welker hoofd hij geruimen tijd stond. Hij wordt beschreven als een edel en waardig man, die zeer streng en matig leefde, zijn aanzienlijk vermogen aan liefdadige werken besteedde, en zijn best deed aan het heidendom door de wijsbegeerte nieuwen steun te verschaffen. Hij stierf in 485.—Pr. was een zeer vruchtbaar schrijver, behalve commentaren op Plato bezitten wij van hem taal-, wis- en sterrenkundige werken en gedichten.
Procne, Πρόκνη, dochter van Pandīon, gehuwd met Tereus, bij wien zij moeder was van Itys. Eens ging Tereus naar Athene om zijn schoonvader te bezoeken, en Pr. verzocht hem, als hij terugkwam, hare zuster Philomēla mede te brengen. Tereus deed dit, maar onderweg onteerde hij zijne schoonzuster, en opdat zij deze daad niet aan Procne konde verraden, hield hij de zusters van elkander gescheiden en sneed hij ten overvloede aan Philomēla de tong uit. Toch vond deze middel, door een kunstig weefsel hare zuster op de hoogte van het gebeurde te brengen; om zich te wreken doodden zij gezamenlijk den kleinen Itys, en zetten zij zijn vleesch aan Tereus als spijs voor. Toen deze bemerkte wat zij gedaan hadden, vervolgde hij beide zusters met een bijl om ze te dooden, maar op het oogenblik dat hij haar zoude inhalen, werd hij in een hoppe of een havik veranderd, Procne werd een nachtegaal en Philomēla een zwaluw of omgekeerd.
Proconnēsus, Προκόννησος (reeëneiland), eiland en stad in de Propontis, door de Milesiërs gesticht, met beroemde marmergroeven, thans Marmara. Zie Cyzicus.
Proconsul of pro consule. Wanneer de consuls hun ambtsjaar volbracht hadden en naar hunne provinciën gingen als stadhouders, waren zij eigenlijk privati, maar de senaat verlengde hun imperium en bekleedde hen voor het bestuur hunner provincie met consulaire macht. Zie prorogatio. Er waren enkele belangrijke provincies, die bij voorkeur aan consuls werden opgedragen en waarvan de stadhouder, ook al was hij geen consul geweest, toch pro consule werd uitgezonden. Toen Pompeius den senaat dwong, hem naar Hispania te zenden, om in den oorlog tegen Sertorius den proconsul Metellus ter zijde te staan, moest de senaat hem wel met een consulair imperium bekleeden en pro consule laten uittrekken. Zie ook propraetor.
Procopius, vriend en bloedverwant van keizer Iuliānus, bevelhebber van het leger in Mesopotamia, liet zich onder keizer Valens tot keizer uitroepen (365 na C.), maar werd reeds spoedig (366) door zijn leger in den steek gelaten, en door de zijnen aan Valens uitgeleverd.
Procris, Πρόκρις, dochter van Erechtheus, gehuwd met Cephalus.
Procrustes, Προκρούστης, uitrekker, bijnaam van Damastes of Polypēmon, een wreed roover, die bij Eleusis woonde. Hij had twee bedden, een zeer lang en een zeer kort, wanneer nu een vreemdeling in zijne handen viel, dan legde hij hem op een van die bedden, lange personen bracht hij op de maat van het korte bed door een stuk van hen af te snijden, korte rekte hij in het lange zoo lang uit, totdat zij stierven. Theseus doodde hem.
Proculēius Varro Murēna (C.), rom. ridder, wien door Augustus was opgedragen, Cleopatra als gevangene naar Rome over te brengen. Horatius prijst hem, omdat hij zijn vermogen gedeeld had met zijne broeders, die in den burgeroorlog alles verloren hadden. Hij bracht zichzelf, toen hij ziek werd, door vergif om het leven.
Proculi. 1) Julius Proculus verhaalde aan het rom. volk, dat Romulus in een onweder ten hemel was gevaren.—2) Sempronius Proculus, beroemd rom. jurist uit de school van Q. Antistius Labeo, naar wien diens volgelingen Proculiani worden geheeten. In de Pandecten vindt men nog uittreksels uit zijne werken. Hij leefde ten tijde van Nero.—3) Proculus beproefde in 280 na C. een opstand tegen keizer Probus, hij moest echter de wijk nemen naar de Franken, die hem uitleverden, waarna Probus hem ter dood liet brengen.
Proculiāni, zie Proculi no. 2.
Procuratio, 1) de werkzaamheid van een procurator.—2) het nemen van maatregelen om ongelukken en rampen af te weren, die door prodigia en portenta werden aangekondigd.
Procurātor, degene die voor een ander eene zaak bezorgt, de zaakwaarnemer, in het huiselijk leven de huishouder, de slaaf die de geheele huishouding bestuurde. Onder de keizers werd in de keizerlijke provinciën het geldelijk beheer opgedragen aan procuratores Caesaris, die dus de vroegere quaestoren vervingen en ook wel belast werden met het stadhouderschap over kleine provinciën, die als onderdeelen eener grootere werden beschouwd. Zoo was b.v. Pontius Pilātus procurator van Judaea, dat als een aanhangsel van Syria werd gerekend. Ook de bestuurders van verschillende takken van het financiewezen droegen wel dezen naam, b.v. procurator rei privatae, bestuurder van ’s keizers vermogen, procurator metallorum, enz. Voor deze betrekkingen werden gewoonlijk equites genomen.
Procyon, Προκύων, z. Canis minor.
Prodictātor of pro dictatore. Het eenige bekende geval van iemand, die, zonder eigenlijk den titel van dictator te hebben, toch met deze waardigheid werd bekleed, is dat van Q. Fabius Maximus in 217. Zie dictator.
Prodicus, Πρόδικος, 1) uit Phocaea, episch dichter uit zeer ouden tijd, aan wien eene Μινυάς werd toegeschreven.—2) van Iūlis op het eiland Ceos, beroemd sophist, kwam als gezant naar Athene, en vond er zooveel bijval, dat hij er zich vestigde. Hij stond in vriendschappelijke betrekking met Socrates, Xenophon, Plato, Euripides, Isocrates en vele andere mannen van naam, waaronder sommige zijne leerlingen genoemd worden. Hij besteedde vooral veel studie aan de verschillende beteekenissen van synonieme woorden, met een spitsvondigheid, waarmede Plato dikwijls den spot drijft; overigens spreekt deze van hem altijd met groote achting, σοφώτερος Προδίκου was een soort van spreekwoordelijke uitdrukking. Bekend is zijne allegorie van Heracles op den tweesprong (z. Xenophon’s Memorabilia II 1. 21 sq.); overigens is niets van hem bewaard gebleven.
Prodigium, zie auguria.
Πρόδικος, de voogd van een minderjarig koning te Sparta, die in naam van zijn pupil de regeering uitoefende.
Prodomus, πρόδομος, zie templum.
Προεδρία, 1) het recht vooraan te zitten, in het bizonder in den schouwburg, een recht dat te Athene als eerbewijs verleend werd aan aanzienlijke of verdienstelijke personen, ook vreemdelingen.—2) voorzitterschap, in het bizonder het voorzitterschap van den raad en de volksvergadering te Athene. Dit werd vroeger bekleed door den ἐπιστάτης (z. Πρυτάνεις), maar sedert omstreeks 378 door een van de πρόεδροι, waarvan bij het begin van iedere prytanie 9 door het lot werden aangewezen, nl. een uit iedere phyle behalve die, welke de prytanie had.
Προεισφορά, het voorschieten van de εἰσφορά. In iedere symmorie waren 15 van de rijkste leden verplicht om, wanneer eene εἰσφορά uitgeschreven werd, in spoedeischende gevallen het geheele aandeel der symmorie voor te schieten, waarbij zij natuurlijk het recht hadden het voorgeschotene van hunne medeleden terug te vorderen.
Proërna, Proherna, Πρόερνα, stad in het W. van het thessalische landschap Phthiōtis.
Proërosia, Προηρόσια, feest bij het begin van den bloeitijd, den 13en Boëdromion te Eleusis uit naam van alle grieksche staten ter eere van Demēter gevierd.
Proetides, Προιτίδες, de drie dochters van Proetus: Lysippe, Iphianassa en Iphinoë; zij werden met waanzin gestraft, omdat zij zich schooner genoemd hadden dan Hera of omdat zij den dienst van Dionȳsus veracht hadden. Terwijl zij, in den waan dat zij koeien waren, door bosschen en weiden ronddwaalden, sloeg de kwaal ook op andere vrouwen van Argos over. Zij werden door Melampus (z. a.) genezen.
Proetus, Προῖτος, z. Acrisius en Bellerophon. V. s. verjoeg hij Acrisius uit Argos en werd hij door Perseus met het Medūsahoofd versteend.
Profesti (dies), werkdagen, zie Festi (dies).
Προγάμ(ε)ια, ook προτέλεια γάμων, een plechtig offer, dat men, alvorens zich in den echt te begeven, aan de beschermgoden van het huwelijk bracht.
Προίξ, bruidschat, werd aan den man in vruchtgebruik, niet in eigendom gegeven. Daar een huwelijk zonder bruidschat tot de zeldzaamheden behoorde, vereenigden rijke lieden zich soms om arme meisjes aan een bruidschat te helpen.
Πρόκλησις, de eisch om zekere documenten over te leggen, die als bewijsstukken in een proces moesten dienen. Werd die eisch door een van de partijen aan zijn tegenpartij gedaan, dan behoefde deze daaraan niet te voldoen, ofschoon hij natuurlijk door eene weigering zijne zaak in een ongunstig licht stelde; waren echter de bedoelde stukken in handen van een ander, dan konde deze, naar het schijnt, gedwongen worden er een afschrift van te laten nemen.
Proletarii, van proles afgeleid. Het zijn de arme burgers, die geen belasting betalen en dus den staat niet dienden met hun geld, maar alleen door het verwekken van kinderen. Hun vermogen bedroeg minder dan 4000 as. Zij, die een hoogeren census hadden, heetten adsidui of locupletes. De prol. werden slechts bij uitzondering opgeroepen om te dienen. Eerst Marius nam hen en de capite censi in het leger op, dat zoodoende een huurleger werd.
Prologus, πρόλογος, in een tooneelstuk het gedeelte, dat bij wijze van inleiding de toestanden uiteenzet en aan de eigenlijke handeling voorafgaat; in stukken, waarin koren optreden, het gedeelte, dat aan de πάροδος voorafgaat.
Promachus, Πρόμαχος, 1) zoon van Parthenopaeus, een van de Epigonen.—2) zoon van Aeson, werd met zijn vader door Pelias gedood, terwijl Iāson afwezig was.—3) bijnaam van Athēna, van Heracles te Thebae, van Hermes te Tanagra.
Promētheus, Προμηθεύς, zoon van Iapetus en Clymene, waagde het de wijsheid van Zeus op de proef te stellen. Na de overwinning der Titanen, tegen wie Pr., ofschoon hij tot hen behoorde, Zeus had geholpen, zoude vastgesteld worden, welke offers den goden toekwamen. Pr. doodde nu, als vertegenwoordiger der menschen, een stier, en wikkelde het vleesch en de ingewanden in de huid, terwijl hij de beenderen met vet bedekte, daarop verzocht hij Zeus zelf te kiezen, en hoewel deze zijn list doorzag, koos hij het slechtste deel. Tot straf voor de bedriegelijke bedoeling van Pr. ontnam hij echter den menschen het vuur, maar Pr. stal het weder van den Olympus en bracht het op aarde terug. Nog meer vertoornd, strafte Zeus de menschen nu door hun Pandōra (z. a.) te zenden. Pr. echter werd aan een rots geklonken, waar een arend hem iederen dag aan de lever knaagt, die echter ’s nachts weder aangroeit.—In andere verhalen heeft Pr. ook nog door andere weldaden, aan de menschen bewezen, den toorn van Zeus opgewekt, die juist het plan had opgevat het menschengeslacht te verdelgen. Niet alleen had hij hun het vuur gebracht, maar ook door hun vele kunsten te leeren (bouwkunst, sterrenkunde, letters, cijfers, geneeskunde, waarzeggen) trachtte hij hen tot hoogere beschaving te leiden. Daarvoor aan een rots vastgeklonken, verklaarde hij, dat hij alleen door de mededeeling van een geheim Zeus konde redden van een gevaar, dat eens zijne regeering zoude bedreigen, en daar hij hardnekkig weigerde dit geheim te openbaren voordat Zeus hem van zijne boeien bevrijd zou hebben, werd hij met de rots in den Tartarus geworpen. Daar hij ook nu niet toegaf, werd hij na lange jaren weder op aarde teruggebracht en nu werd de arend gezonden, die aan zijn lever knaagde, wat niet zou ophouden voordat een onsterfelijke in zijn plaats wilde sterven. Na 30 jaar was Chiron (z. a.) hiertoe bereid, en nu doodde Heracles met toestemming van Zeus den arend en bevrijdde Pr. Deze openbaarde nu van zijn kant het bedoelde geheim, nl. dat Zeus, wanneer hij met Thetis huwde, bij haar een zoon zou krijgen, die hem van de heerschappij zoude berooven.—V. s. had Pr. bij het ontstaan van de wereld of na den watervloed van Deucalion den mensch uit aarde en water geschapen. Aan zijn zoon Deucalion had hij den raad gegeven een schip te bouwen, waarmede hij zich bij de komende overstrooming zou kunnen redden.—Op vele plaatsen genoot Pr. goddelijke eer, dikwijls in vereeniging met Athēna en Hephaestus; te Athene had hij een heiligdom in de Academie, waar jaarlijks een feest (Προμήθεια) te zijner eer gevierd werd; het voornaamste van dit feest was een wedloop met fakkels.
Promulgatio (rogationis), het openlijk bekendmaken van een wetsvoorstel, zie Trinundinum.
Promulsis, zie coena.
Προναία, bijnaam van Athēna te Delphi, waar haar tempel vóór het groote heiligdom van Apollo stond.
Pronaos, πρόναος, zie templum.
Pro(n)ni, Πρόννοι, stad aan de O.-zijde van het eiland Cephallenia.
Pronuba, 1) bijnaam van Juno, als huwelijkstichteres.—2) bruidsdame, wier taak het was, van de zijde der bruid het noodige in orde te brengen en haar in het huwelijksleven in te leiden. Voor pronubae koos men liefst jonggehuwde vrouwen van onbesproken gedrag.
Propertius (Sex.), vermoedelijk in of omstreeks 50 te Asisium (Assisi) in Umbria geboren, was reeds vroeg vaderloos en werd door eene der landverdeelingen van Octaviānus van zijn vaderlijk erfgoed beroofd. Naar Rome gekomen, ontbrandde hij in liefde voor de schoone Hostia, die hij in zijne minnedichten onder den naam van Cynthia bezong. Hoewel zij hem door hare wispelturigheid en ontrouw meermalen grievend leed aandeed, bleef de liefde voor haar in het hart van Pr. geworteld. Zijne elegieën, fijn gepenseeld, dragen de sporen van gloeiende bezieling en vereenigen natuur en kunst in zich. Door veelvuldige zinspelingen op oude mythen is hij echter dikwerf moeilijk te begrijpen. Hij stierf jong, waarschijnlijk in of omstreeks het jaar 15.
Propoetides, meisjes van Amathus, die de godheid van Aphrodīte loochenden en tot straf daarvoor in steenen veranderd werden.
Propontis, Προποντίς, de Voorzee (vóór den Pontus Euxīnus), thans zee van Marmara.
Propraetor of pro praetore. Wat van de consuls is gezegd, die als stadhouders door den senaat met consulair imperium werden bekleed (zie proconsul), geldt ook voor de praetoren, die na het verstrijken van hun ambtsjaar pro praetore naar hunne provinciën gingen. Daar echter de algemeene naam voor stadhouder praetor is, geldt de titel pro praetore ook van hem, die een stadhouderschap tijdelijk waarneemt. Kwam b. v. een stadhouder te overlijden en viel dan zijn quaestor in zijne plaats in, dan was deze quaestor pro praetore, d. w. z. quaestor met stadhouderlijke macht. Zoo vindt men ook wel eens een legatus pro praetore. In den keizertijd is dit de titel van de stadhouders der groote keizerlijke provincies, die voor den keizer het bewind voerden, zie legatus.
Propylaea, Προπύλαια, zie Athēnae.
Proquaestor of pro quaestore, hij, die tijdelijk het ambt waarneemt van een overleden of tusschentijds afgetreden quaestor. Daar hiervoor door den stadhouder meestal een legatus wordt aangewezen, draagt deze den titel: legatus pro quaestore. Enkele malen vindt men ook, dat het ambt van een quaestor door prorogatio verlengd wordt (zie hierover proconsul), denkelijk wanneer er quaestoren te kort kwamen. In zoodanig geval was de titularis proquaestor.
Prorogatio, is het verlengen van iemands ambt. Voor de eerste maal is dit voorgekomen in 326, toen het volk op verzoek van den senaat besloot, dat de consul Q. Publilius Philo ook na afloop van zijn ambtstijd het imperium zou behouden met den titel pro consule. Sedert dien tijd werd door de prorogatio imperii dikwijls in een tekort aan beschikbare ambtenaren voorzien. In den beginne werd het imperium verlengd door een volksbesluit, sedert den tweeden Punischen oorlog, v. a. sedert 250, meest door den senaat. Door Sulla werd de prorogatio van het consulaat en de praetuur tot regel gemaakt. Zie Proconsul en Propraetor.
Prorsa, z. Carmenta.
Proscenium, προσκήνιον, het tooneel in engeren zin, d. i. de door achter- en zijwanden begrensde ruimte.
Proschium, Πρόσχιον, vroeger Pylene, Πυλήνη, stad in Aetolia aan den Zuidkant van den berg Aracynthus.
Proselēni, Προσέληνοι, z. Arcadia.
Προσήλυτοι, proselyten, Jodengenooten. Van af de 3de eeuw maken de Joden, evenals de aanhangers van andere Oostersche godsdiensten, veel propaganda voor hun geloof, en telkens vindt men er melding van gemaakt, dat velen, ook in Rome, zooals blijkt uit de Romeinsche dichters, zooal niet geheel tot het Jodendom over gingen, toch zich nauw daarbij aansloten, en enkele gebruiken, zooals de Sabbathviering, overnamen. Zij worden in het N. T. προσήλυτοι, die zich aangesloten hebben, of ook wel σεβόμενοι, -αι (τὸν Θεόν), Godsdienstigen, genoemd. Zij blijken zeer toegankelijk voor het Christendom, en hebben de verspreiding daarvan in de Heidenwereld bevorderd.
Proserpina = Persephone. De dienst van Proserpina en Dis werd in Rome ingevoerd tengevolge van een uitspraak der Sibyllijnsche boeken, zie Ceres, Terentini ludi en Terentum.
Προσκεφάλαιον kussen, ook om te zitten en om op de rustbanken, waarop men bij den maaltijd aanlag, den linkerarm tot steun te dienen.
Πρόσκλησις, z. κλητήρ.
Προσκύνησις, z. Adoratio en Adulatio, door de Grieken als een teeken van uiterste slaafschheid beschouwd. De wensch van Alexander d. Gr., om de πρ. ook bij Grieken en Macedoniërs in te voeren, vond veel tegenstand.
Prosodia, προσόδια, hymnen, onder begeleiding van fluitspel door een koor gezongen, wanneer het zich op feestdagen in optocht naar een tempel begaf.
Prosopītis, Προσωπῖτις, eiland en provincie (νομός) in de Zuidspits der Nijldelta.
Προστάτης, z. μέτοικος.
Πρόςταξις, z. ἀτιμία.
Προστίμημα, z. δίκη.
Πρόστοα, de vier overdekte zuilengangen, die de αὐλή van een woonh)is omgeven, v. a. alleen de galerij, die aan de zijde van den ingang gelegen is, of deze met de tegenoverliggende.
Prostylus, πρόστυλος, z. templum en vergelijk de teekening bij Amphiprostylus.
Protagoras, Πρωταγόρας, van Abdēra, een der beroemdste grieksche sophisten (485–416). Nadat hij zich met taalstudie en rhetorica beziggehouden had en de stelsels der oudere wijsgeeren grondig bestudeerd had, trad hij als leeraar op. Hijzelf was de eerste, die zich sophist noemde en liet zich voor zijn onderwijs 100 minae betalen. Hij loochende het bestaan van absolute, objectieve waarheid en leerde, dat voor den mensch alles was zooals het hem toescheen. Te Athene, waar hij zich sedert 450 meestal ophield, vond hij grooten bijval, v. s. werd hij door Pericles naar Thurii gezonden om er de wetten te herzien. Daar hij in een van zijne werken gezegd had, dat hij niet wist of er goden waren en dat een menschenleven te kort was om zulk een duistere zaak te onderzoeken, werd hij als atheïst aangeklaagd en veroordeeld. Zijn werk werd op de markt verbrand, en v. s. werd hij verbannen. Hij begaf zich naar Sicilië, maar verdronk op reis.
Prote, Πρώτη, eiland en reede op de W. kust van Messenia.
Protesilāus, Πρωτεσίλαος, zoon van Iphiclus, koning van Phylace, nam deel aan den tocht tegen Troje. Hij was de eerste, die bij de aankomst van de vloot aan land sprong, maar hij werd terstond door Hector gedood. Te Elaeus was zijn graf met een rijken tempel, ook te Phylace had hij een heiligdom, z. ook Laodamīa.
Proteus, Πρωτεύς, een oude zeegod, die op het eiland Pharus de robben van Amphitrīte weidt. Hij bezit de gave der voorspelling, maar hij geeft zijne voorspellingen niet dan gedwongen, en tracht door allerlei gedaanteverwisselingen te ontsnappen aan hen, die hem ondervragen. Zie ook Helena.—V. a. was hij koning van Pharus, zoon van Poseidon, echtgenoot van Psamathe, of hij was naar Thracië gegaan om daar met Torōne in het huwelijk te treden, maar wegens het slecht gedrag zijner zonen, Tmolus en Telegonus, had hij Poseidon verzocht naar Aegypte te mogen terugkeeren.
Πρόθεσις νεκροῦ, tentoonstelling van een lijk. Op den dag vóór de begrafenis werd het lijk, nadat het gewasschen, gekleed en bekranst was, in het voorste gedeelte van het huis op een bed gelegd, met de voeten naar de huisdeur gericht. Bloedverwanten en vrienden kwamen den afgestorvene dan het laatste bezoek brengen, en zongen te zijner eere plechtige klaagliederen.
Protis, Πρῶτις, van Phocaea, stichter van Massilia en stamvader van het geslacht der Protiaden aldaar.
Protogenēa, Πρωτογένεια, dochter van Deucalion en Pyrrha, gehuwd met Locrus, bij Zeus moeder van Opus.
Protogenes, Πρωτογένης, van Caunus, uit de 2de helft van de 4de eeuw, een van de beroemdste grieksche schilders. Tot zijn 50ste jaar moest hij door handwerk in zijn onderhoud voorzien, eerst toen gelukte het Apelles de aandacht op hem te doen vestigen. Hij kocht namelijk eenige schilderijen van Pr., en deed alles om het vermoeden op te wekken, dat hij ze voor zijn eigen werk wilde laten doorgaan. Zijn voornaamste werk was de Ialysus als jager voorgesteld, dat later in den Vredetempel te Rome was en bij den brand van dien tempel verloren ging. Toen Demetrius Poliorcētes Rhodus belegerde, waar Pr. woonde en werkte, liet hij de werkplaats van den kunstenaar, die buiten de stad gelegen was, door eene wacht beschermen, en dikwijls bracht hij er zelf een bezoek. Zelfs liet hij zich de overwinning ontsnappen, doordat hij niet er toe konde besluiten de stad van die zijde aan te vallen, waar de Ialysus van Pr. zich bevond.
Protomachus, Πρωτόμαχος, 1) atheensch veldheer in den slag bij de Arginusen, ging vrijwillig in ballingschap, om aan het proces tegen hem en zijne ambtgenooten te ontkomen.—2) aanvoerder der ruiterij onder Alexander den Grooten.
Provincia, de door wet, senaatsbesluit of sortitio aan een ambtenaar cum imperio toebedeelde werkkring of het terrein van werkzaamheid. De senaat bepaalde gewoonlijk den ambtskring (provincia) der consuls; de praetoren lootten na hun benoeming, wie van hen als praetor urbanus de provincia urbana, wie de provincia peregrina (de rechtspraak onder vreemdelingen) zou hebben, wie als voorzitter van één of meer quaestiones zou optreden. Later beteekent provincia voornamelijk ambtskring buiten Italië, en gaat dan in de beteekenis van wingewest over.
Provocatio, beroep op de volksvergadering als rechter en wel op de centuriaatcomitiën in lijfstraffelijke zaken en op de tribuutcomitiën of het concilium plebis bij boeten boven een zeker bedrag. Zie leges Valeriae, leges Porciae, lex Aternia Tarpeia, lex Iulia Papiria. Het recht van provocatio was ingesteld als waarborg tegen willekeur en mishandeling van de zijde der magistraten. De provocatie geldt niet voor vrouwen en vreemdelingen, en is beperkt tot de banmijl, de grens van het imperium domi. Na de instelling der quaestiones perpetuae werden de iudicia populi uitzondering, doch zij bleven toch bestaan, evenwel niet zóó, dat men van een eenmaal gewezen vonnis op het volk kon appelleeren. Zie echter Antoniae (leges) no. 6. De rom. republiek kende geen appèl van gevelde vonnissen; het komen in hooger beroep dagteekent uit den tijd der keizers.
Πρόξενος, de gastvriend van een staat, niet zonder grond met onze tegenwoordige consuls vergeleken, daar hij in zijn staat de belangen waarnam van den staat, welks πρ. hij was. In den staat, dien hij vertegenwoordigde, genoot hij daarvoor ook zekere voorrechten boven andere vreemdelingen.—De προξενία van een bepaalden staat wordt soms door vele geslachten heen in dezelfde familie gevonden.
Proxenus, Πρόξενος, 1) Boeotiër, leerling van Gorgias, vriend van Xenophon, een van de aanvoerders der grieksche troepen onder den jongen Cyrus. Na den slag bij Cunaxa werd hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en ter dood gebracht.—2) van Tegea, vijand van Sparta en ijveraar voor den bouw van Megalopolis. Bij de partijtwisten in zijne vaderstad verloor hij het leven.—3) van Aphidna, atheensch veldheer tegen het einde van den heiligen oorlog (347).
Prudentius Clemens (Aurelius), uit Hispania geboortig, de beste rom. christendichter, leefde in de tweede helft der vierde eeuw na C.
Prusa, Προῦσα, ook Prusias, Προυσιάς, geheeten, 1) ad Olympum, aanzienlijke stad van Bithynia, door Prusias I aan den voet van den mysischen Olympus naar een plan van Hannibal gesticht, thans Brussa.—2) ad Hyppium, kuststadje in het W. van Bithynia aan de rivier Hyppius, zie Cius.
Prusias, Προυσίας, 1) koning van Bithynië, regeerde, nadat hij zich door gelukkige oorlogen van de Galliërs en andere vijanden bevrijd had (213), met kracht en beleid en vergrootte zijn rijk door de verovering van Heraclēa en andere steden. In den oorlog tusschen de Rom. en Antiochus koos hij de partij van eerstgenoemden, doch later verleende hij een schuilplaats aan Hannibal. Hij werd echter gedwongen hem aan de Romeinen uit te leveren, zie Hannibal no. 4. Hij stierf kort daarna.—2) zoon en opvolger van den vorigen, was geheel en al afhankelijk van de Rom. en sloot op hun bevel vrede met Attalus II, dien hij met geluk beoorloogd had. In 143 werd hij door zijn zoon Nicomēdes gedood.
Prusias, Προυσιάς = Cius.
Πρυτανεία, z. Πρύτανις.
Πρυτανεῖα, zekere som, die beide partijen in eene δίκη voor den aanvang van het proces moesten storten tot vergoeding van de proceskosten, vandaar πρ. τιθέναι τινί, iemand aanklagen. Voor zaken, beneden 100 drachmen geschat, werden geene πρ. betaald, bij hoogere schatting stonden de πρ. in zekere verhouding tot de som in kwestie. De verliezende partij moest den winner ook zijne πρ. vergoeden.
Πρύτανις, de eerste, voorste, in verscheiden staten naam van de opperste magistraten. Te Athene noemde men πρυτάνεις de 50 raadsleden, die tijdelijk met het dagelijksch bestuur belast waren (z. βουλή). Iedere phyle had de prytanie op haar beurt, zooals dit bij het begin van het jaar door loting was aangewezen. Deze betrekking zelve en de tijd, gedurende welken dezelfde prytanen aan het bestuur zijn (35 of 36, in schrikkeljaren 38 of 39 dagen), heet πρυτανεία, de phyle, waartoe zij behoorden, φυλὴ πρυτανεύουσα. De prytanen zijn den geheelen dag met elkander in den Θόλος, in oudere tijden in het Prytanēum, waar zij ook gemeenschappelijk hunne maaltijden gebruiken. Voor iederen dag wordt uit hun midden door het lot een ἐπιστάτης aangewezen, die voorzitter is van de raads- en volksvergadering (z. echter προεδρία) en de sleutels van den burcht en van het archief en het staatszegel in bewaring heeft.—Zie ook ναυκραρία.
Prytanēum, Πρυτανεῖον, een gebouw te Athene, waar aanzienlijke vreemdelingen en verdienstelijke burgers hunne, van staatswege verstrekte, maaltijden hielden.—Oorspronkelijk hielden ook de prytanen hier hunne zittingen en maaltijden.
Psamathe, Ψαμάθη, 1) Nereïde, bij Aeacus moeder van Phocus.—2) z. Linus.—3) z. Proteus.
Psammenītus, Ψαμμήνιτος, zoon van Amāsis, laatste koning van Aegypte, werd na eene regeering van 7 maanden door de Perzen bij Pelusium verslagen en moest zich aan Cambȳses overgeven (525). Cambyses maakte hem stadhouder van Aegypte, maar toen kort daarna een opstand uitbrak, waaraan Ps. schuldig geacht werd, werd hij ter dood veroordeeld.
Psammetichus, Ψαμμήτιχος, 1) een van de vorsten, die onder assyrische opperheerschappij over Aegypte regeerden, wist zich door middel van ionische en carische troepen, hem uit Lydië te hulp gezonden, van Assyrië onafhankelijk te maken (663) en bemachtigde daarna het geheele rijk. Een inval der Scythen kocht hij door groote geschenken af, overigens breidde hij zijne macht ook buiten Aegypte uit en ondernam hij zelfs veldtochten naar Azië, waar hij Azōtus na een oorlog van 29 jaar (640–611) innam. Gelijk hij zijne verheffing aan vreemde hulp verschuldigd was, zoo bleef hij gedurende zijne geheele regeering een beslist voorstander van het vrije verkeer van vreemdelingen in zijn rijk, vooral begunstigde hij den handel en bevorderde hij de vestiging van Grieken en Phoeniciërs in Aegypte, ook bleef hij steeds grieksche en carische troepen in dienst houden. Deze nieuwigheden, waarmede samenhangt de verplaatsing der residentie van Memphis naar Sais, veroorzaakten groote verbittering, en velen uit de soldatenkaste, men spreekt van 240,000, verhuisden naar Aethiopië, maar Ps. liet zich niet van den eenmaal ingeslagen weg afbrengen en had de voldoening, gedurende zijne lange regeering den bloei en de welvaart van zijn rijk steeds te zien toenemen. Hij stierf in 609.—2) Ps. II of Psammis, kleinzoon van den vorigen, koning van Aegypte 594–588.—3) Ps. III = Psammenitus.
Psammis, Ψάμμις = Psammetichus II.
Psarus, Ψάρος, rivier in Cilicië, ten O. van Tarsus.
Ψηφίζεσθαι, stemmen door middel van steentjes (ψῆφοι), die in een urn (ὑδρία) geworpen werden, doch dikwijls in het algemeen voor besluiten, ook wanneer dit door het opsteken der handen (χειροτονία) geschiedt. Ieder volksbesluit heet ψήφισμα.
Ψευδομαρτυριῶν δίκη, aanklacht tegen iemand, door wiens valsch getuigenis men een proces verloren heeft. De veroordeeling van den aangeklaagde had niet noodzakelijk de vernietiging van het oorspronkelijk vonnis ten gevolge, maar konde aanleiding geven tot een παλινδικία.
Ψιλοί, algemeene naam voor lichtgewapende troepen: boogschutters, slingeraars, enz., te onderscheiden van de πελτασταί of lichtgewapende infanterie. Verder verstaat men onder ψίλοι de oppassers of bedienden der ὁπλῖται. Ieder hopliet had een oppasser, om wanneer hij door zijn zware wapenrusting vermoeid was, op marsch zijn schild en speer te dragen, verder voor het dragen, requireeren en koken van de levensmiddelen. In Sparta gebruikte men daarvoor heloten, in Attica moest ieder hopliet zelf voor zijn oppasser zorgen, dien hij dus meestal uit zijn familie of buren koos. Daar ze ook nu en dan krijgsdiensten moeten verrichten en tot hun taak ook behoort het wegvoeren van gewonden en van gevangenen, plundering en verwoesting van het vijandelijk land, zijn ze licht gewapend, met een dolk of bijl of korte speer.
Psophis, Ψωφίς, sterke stad in het N.W. van Arcadia. Het had eene acropolis met cyclopische muren. Vroeger heette het Phegēa, Φήγεια.
Ψυχαγωγός, Ψυχοπομπός, bijnaam van Hermes, die de zielen der afgestorvenen naar de onderwereld geleidt.
Ψυχομαντεῖον, Ψυχοπομπεῖον, plaats, waar men de geesten van afgestorvenen door een ψυχόμαντις kon laten oproepen om hen over de toekomst te ondervragen, de antwoorden ontving men gewoonlijk in den droom.
Psyche, Ψυχή, personificatie van de ziel des menschen; zij was de jongste van drie koningsdochters, en zoo schoon, dat de menschen haar de hulde brachten, die zij aan Aphrodīte verschuldigd waren. Hierover vertoornd, liet de godin door een orakel aan hare ouders het bevel geven, haar op eene eenzame rots te brengen, daarna zond zij Eros om haar met een van zijne pijlen liefde voor den leelijksten en gemeensten man te doen opvatten. Maar op het oogenblik dat Eros zijn pijl zou afschieten, wondde hij zichzelven er mede, en bekoord door hare schoonheid, verplaatste hij haar naar een lusthof, waar hij haar iederen nacht bezocht. Echter verbood hij haar ooit pogingen te doen om hem te zien of te leeren kennen, en aanvankelijk bedwong Ps. haar nieuwsgierigheid, maar na eenigen tijd wisten hare afgunstige zusters twijfel bij haar op te wekken, en zij besloot zich zekerheid omtrent den persoon van haar minnaar te verschaffen. Zoodra hij in slaap gevallen was, ontstak zij een lamp, maar door zijne schoonheid getroffen, liet zij, terwijl zij zich te ver over hem heen boog om hem goed te beschouwen, een druppel heete olie daaruit op zijn schouder vallen, de god ontwaakte, verweet haar haar gebrek aan vertrouwen en verliet haar. Ontroostbaar over dit verlies, dwaalde Ps. over de geheele aarde rond om haar minnaar te zoeken, ten slotte wendde zij zich tot Aphrodite zelve, die haar wel vergiffenis beloofde, maar haar eerst een aantal zware beproevingen oplegde, waaronder zij bezweken zoude zijn, indien niet Eros zelf, bij wien de oude liefde herleefd was, haar geholpen en gesterkt had. Ten slotte werd Aphrodite verzoend, de beide minnenden hereenigd, Ps. werd op den Olympus opgenomen en door Zeus met de onsterfelijkheid beloond.—Ps. wordt dikwijls in vereeniging met Eros afgebeeld als een vlinder of als een jonkvrouw met vlindervleugels.
Psylli, Ψύλλοι, oud-libysch volk in het binnenland van Cyrenaica; ze stonden bekend als slangenbezweerders.
Psyra, Psyria, Ψύρα (τὰ), Ψυρία (ἡ), eilandje ten W. van Chios. Daar het eilandje geen wijn voortbracht, zei men van geheelonthouders: Ψύρα τὸν Διόνυσον ἄγοντες.
Psyttalīa, Ψυττάλεια, rotseilandje in de zeeëngte tusschen Salamis en de kust van Attica, v.s. Hagios Georgios, v.a. Lipsokutali.
Pteleum, Πτελεόν, naam van onderscheiden steden; in het thessalische gewest Phthiōtis tegenover de invaart van de Pagasaeische golf, in Elis Triphyliaca, in aziatisch Ionia bij Erythrae, en ook elders.
Pterelāus, Πτερέλαος, koning der Taphiërs, z. Comaetho.
Pteria, Πτερία, district en stad in Cappadocia, vroeger hoofdstad van het rijk der Hethiten.
Πτερόν, πτέρωμα, noemt men de zuilen van de voor- en achterzijde van grieksche tempels.
Ptolemaeus, Ptolom., Πτολεμαῖος, 1) Alorītes, zie Alexander no. 6 en Perdiccas no. 3.—2) neef van Antigonus, wiens plannen hij eenigen tijd krachtig ondersteunde (315–312), later knoopte hij echter betrekkingen aan met Pt. van Aegypte, die hem vergiftigde (309).—3) van Epīrus, zoon van Pyrrhus, nam gedurende den tocht van zijn vader naar Italië de regeering waar. Na eene schitterende overwinning ter zee nam hij Corcȳra, hij versloeg Antigonus Gonātas en sneuvelde bij den tocht van zijn vader naar de Peloponnēsus (272).—4) Pt. Lagi (Λαγίδης), onder Philippus van het macedonische hof verbannen, werd door Alexander bij zijne lijfwacht geplaatst. Hij had een eervol deel aan alle ondernemingen van Alexander, streed bij Issus, nam Bessus gevangen, onderwierp Sogdiāna, en behaalde roem in de indische oorlogen. Hij had ook bij den koning en bij het geheele leger grooten invloed en na Alexanders dood was hij het vooral, die de verdeeling van het rijk doorzette. Voor zijn aandeel kreeg hij Aegypte, door de verovering van Cyrēne breidde hij zijn gebied uit, terwijl hij den aanval van Perdiccas op zijn rijk met beleid afweerde (321). In de nu volgende oorlogen tusschen de vroegere veldheeren van Alexander stond Pt. aanvankelijk met Antigonus, Seleucus e.a. tegenover Eumenes, nadat deze echter gevallen was, behoorde hij steeds tot de vijanden van Antigonus. Gedurende deze oorlogen kwam Pt. nu eens in het bezit van Phoenicië, Palaestina, Coele-Syrië en sommige eilanden, dan weder verloor hij deze veroveringen geheel of gedeeltelijk; in 312 behaalde hij een groote overwinning op Demetrius Poliorcētes bij Gaza, in 306 werd hij door Demetrius bij Salamis op Cyprus verslagen. Eindelijk sneuvelde Antigonus in den slag bij Ipsus (301), en toen Demetrius, na korten tijd met zijne tegenstanders verzoend te zijn geweest, den oorlog hernieuwde, werd hij door Seleucus gevangen gemaakt (287). Op het voorbeeld van Antigonus en Demetrius had ook Pt. den koningstitel aangenomen (306), en toen hij in het volgende jaar Demetrius gedwongen had het beleg van Rhodus op te breken, gaven de dankbare Rhodiërs hem den bijnaam van Soter (Σωτήρ), dien hij sedert bleef voeren. Zijne onderdanen behandelde Pt. met wijze gematigdheid en tegenover hun godsdienst en eigenaardige gebruiken toonde hij groote toegevendheid, toch bevorderde hij grieksche taal en beschaving op alle wijzen, alle voorname betrekkingen waren in handen van Grieken, in het leger en op de vloot waren slechts weinige Aegyptenaren, en de hoofdstad Alexandrië was meer een grieksche dan eene aegyptische stad, en wel eene van de voornaamste steden der grieksche wereld, waarheen de koning niet alleen door begunstiging van handel en scheepvaart talrijke kooplieden lokte, maar waar ook reeds toen de voornaamste grieksche kunstenaars en geleerden werkten. Pt. zelf schreef eene geschiedenis van Alexander, een werk, dat door Arriānus als voornaamste bron gebruikt werd. Hij gaf in 285 de regeering aan zijn zoon over en stierf twee jaar later, 84 jaar oud.—5) Pt. Ceraunus (Κεραυνός), oudste zoon van den vorigen, geraakte met zijn vader in oneenigheid en vluchtte naar Thracië bij Lysimachus. Na den dood van Agathocles (no. 2) moest hij vluchten; hij ging naar Syrië, spoorde Seleucus tot een veldtocht tegen Lysimachus aan, en wist van hem de belofte te verkrijgen, dat hij hem op den aegyptischen troon zoude herstellen. Maar toen Seleucus, nadat hij Lysimachus verslagen had, op weg was naar Macedonië, werd ook hij door Pt. vermoord. Door zijn krachtig optreden wist Pt. het leger van Seleucus voor zich te winnen en maakte hij zich van de regeering over Macedonië meester (280), maar reeds het volgende jaar sneuvelde hij in een oorlog tegen de Galliërs.—6) Pt. II Philadelphus (Φιλάδελφος, zusterlievend), zoon en opvolger van Pt. Lagi, was evenals zijn vader een groot begunstiger van kunst en wetenschap; aan het Museum en de groote boekerij, beide reeds door zijn vader begonnen, legde hij groote sommen ten koste. Hij verstiet zijne gemalin Arsinoë, de dochter van Lysimachus, en trouwde met zijne zuster Arsinoë. Cyrēne moest hij aan zijn afvalligen halfbroeder Magas laten, daarentegen voerde hij tegen Syrië een langdurigen, maar over het geheel gelukkigen oorlog, die eindigde met het huwelijk van zijne dochter Berenīce met Antiochus II. Het gelukte hem echter niet in Griekenland en Macedonië vasten voet te krijgen, zijne pogingen daartoe leidden tot een oorlog, waarin hij ter zee door Antigonus Gonātas verslagen werd. Ook met Rome knoopte hij betrekkingen aan. In het belang van handel en wetenschap bevorderde hij tochten naar Indië en het Zuiden en trachtte hij vooral met Aethiopië betrekkingen aan te knoopen. Zijne laatste levensjaren werden verbitterd door den dood van Arsinoë en Berenīce (z. Antiochus no. 3) en door ziekte, hij stierf in 247 op den leeftijd van 63 jaar.—7) Pt. III Euergetes (Εὐεργέτης), zoo genoemd omdat hij de godenbeelden, vroeger door de Perzen geroofd, naar Aegypte terugbracht, zoon en opvolger van den vorigen, en evenals hij steeds werkzaam in het belang van kunst en wetenschap en niet minder van den handel, dien hij trachtte te bevorderen door het stichten van koloniën in Aethiopië en Arabië. Kort na het aanvaarden der regeering begon hij een oorlog tegen Syrië, waarbij hij het geheele land tot den Euphraat veroverde en zelfs tot den Indus voortrukte; wel werd hij door een opstand in Aegypte gedwongen terug te keeren, maar toch bedong hij bij den vrede (242) de overgave van de kusten van Klein-Azië en Syrië. Hij heroverde Cyrēne en ondersteunde het streven van het achaeïsch verbond en later van Cleomenes III tegen Macedonië, waardoor hij in vijandschap met Antigonus Doson kwam, die echter spoedig door eene verzoening gevolgd werd. Cleomenes vond bij hem een zeer gunstig onthaal en zelfs maakte hij toebereidselen om hem met een leger naar Europa terug te zenden, maar zijn dood (221) maakte daaraan een einde.—8) Pt. IV Philopator (Φιλοπάτωρ) of Tryphon (Τρύφων), zoon en opvolger van den vorigen, een gewetenloos dwingeland, die zijne regeering inwijdde met het vermoorden van verscheiden zijner naaste bloedverwanten en van Cleomenes III, en haar overigens aan zijne gunstelingen Agathocles en Sosibius overliet, terwijl hij zich soms bezig hield met de studie van Homerus en zelf een treurspel dichtte, maar zich gewoonlijk aan dronkenschap en allerlei uitspattingen overgaf. Het zwaar onderdrukte volk kwam in opstand en werd met de grootste gestrengheid gestraft, en ook de Joden, die in groot aantal te Alexandrië woonden en van den vorigen Pt. vele gunsten genoten hadden, werden met groote onverdraagzaamheid behandeld. De herhaalde aanvallen van Antiochus den Gr. werden wel door de groote overwinning bij Raphia (217) afgeslagen, maar op den duur bleek het noodig tegen dezen vijand bij Rome steun te zoeken, terwijl men aan den anderen kant de uitbreiding van Rome door een bondgenootschap met Macedonië zocht tegen te werken. Pt. stierf in 205.—9) Pt. V Epiphanes (Ἐπιφάνης), zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader eerst 4 jaar oud. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering brak in Alexandrië een hevig oproer uit, waarbij de gunstelingen van Pt. IV, o.a. Sosibius, vermoord werden, ook de eigenlijke Aegyptenaren, vooral de soldatenkaste, kwamen in opstand en hier en daar verhieven zich inheemsche vorsten. Gedurende de minderjarigheid des konings maakten Syrië en Macedonië zich van een aantal buitenlandsche bezittingen van Aegypte meester, en eerst de tusschenkomst der Rom. behoedde Pt. voor nog grootere verliezen. Nadat met Antiochus een vrede gesloten was (198), later bevestigd door het huwelijk van diens dochter Cleopatra met Pt., werd de aegyptische opstand deels met geweld, deels door toegevendheid onderdrukt, ofschoon Thebe zich eerst in 186 overgaf. Ook nadat Pt. in 196 plechtig de regeering aanvaard had, bleef hij een werktuig in de handen zijner elkander na Aristomenes (z.a.) snel afwisselende ministers, en langzamerhand gingen alle bezittingen behalve Cyrēne en Cyprus verloren. Terwijl Pt. zich tot een nieuwen oorlog met Syrië voorbereidde en daarvoor het bondgenootschap der Aetoliërs zocht, stierf hij, vermoedelijk door vergift (181).—10) Pt. VI Philomētor (Φιλομήτωρ), zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader eerst 6 jaar oud, en regeerde onder voogdij zijner moeder Cleopatra. Na haar dood (173) begonnen de ministers van Pt. een onberaden oorlog tegen Syrië, dien Antiochus IV gaarne aannam. Deze won een grooten slag bij den berg Casius, veroverde Pelusium en drong ver in Aegypte door. Pt. vluchtte en de Alexandriërs riepen zijn broeder onder den titel Pt. VII Euergetes II tot koning uit. Wel nam Antiochus nu den schijn aan alsof hij de rechten van Philometor tegen Euergetes wilde verdedigen, en bracht hij Philometor naar Memphis terug, maar toen hij door onlusten in zijn rijk gedwongen was naar Syrië terug te keeren en de broeders zich gedurende zijne afwezigheid door toedoen van hun zuster Cleopatra (no. 6) inderdaad verzoenden, hervatte hij den oorlog krachtiger dan te voren en reeds stond hij voor Alexandrië, toen hij door de tusschenkomst van Rome gedwongen werd den oorlog te eindigen en de reeds gemaakte veroveringen terug te geven (168). Doch spoedig ontstonden twisten tusschen de beide broeders, die eenmaal zelfs zoo hoog liepen, dat Philometor naar Rome moest vluchten (164); de senaat liet hem wel terugbrengen en het rijk tusschen de beide broeders verdeelen, maar daarmede was de vrede niet hersteld, daar Euergetes voortdurend aanvallen op het aandeel zijns broeders deed. Philometor toonde in al deze moeilijkheden een waardig en vast karakter, ook tegenover Rome, dat met opzet de broedertwisten gaande hield. In 146 stierf hij in Syrië aan de gevolgen van een val van zijn paard, nadat hij Alexander Balas verdreven en Demetrius Nicātor op den troon hersteld had.—11) Pt. VII Euergetes II Physcon (Φύσκων, dikbuik), broeder van den vorigen (zie boven), kreeg na diens dood de regeering over het geheele rijk. Hij dwong de weduwe van Philometor, Cleopatra, hem te huwen en vermoordde haar zoon Pt. Eupator, daarna liet hij een aantal burgers van Alexandrië dooden of verbannen, eindelijk nam hij de dochter van Cleopatra tot tweede vrouw. In 130 werd hij door een oproer gedwongen met zijn tweede vrouw naar Cyprus te vluchten, terwijl Cleopatra tot koningin uitgeroepen werd, uit wraak doodde hij zijn eigen zoon en zond hij diens aan stukken gesneden lijk aan zijne moeder. Toch gelukte het hem deels door geweld, deels door overleg, drie jaar later terug te komen, zich met Cleopatra te verzoenen, zich op zijne tegenstanders te wreken en belangrijken invloed te krijgen in de syrische aangelegenheden. Overigens stelde ook hij veel belang in kunst en wetenschap, hij bestudeerde ijverig Homerus en schreef werken over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij stierf in 116.—12) Pt. VIII Soter II Lathyrus (Λάθυρος), zoon van den vorigen en de jongere Cleopatra, werd op verlangen van het volk door zijne moeder tot mederegent aangenomen. In 107 werd hij door haar gedwongen te vluchten, hij ging naar Cyprus en van daar naar Syrië, maar na de vlucht van zijn jongeren broeder (z. no. 13) werd hij teruggeroepen (89). Thebe, waar de oud-aegyptische bevolking in opstand gekomen was, werd na drie jaar ingenomen en verwoest (85). Overigens regeerde hij rustig tot zijn dood (80).—13) Pt. IX Alexander regeerde na de verdrijving van zijn broeder Pt. Lathyrus met zijne moeder en liet zich geheel door haar beheerschen. Toen hij zich evenwel persoonlijk door haar bedreigd zag, doodde hij haar; hij moest echter voor de woede van het volk vluchten en sneuvelde kort daarna in vreemden krijgsdienst.—14) Pt. Apion (Ἀπίων), onechte zoon van Pt. Physcon, kreeg na den dood van zijn vader Cyrēne; toen hij stierf, liet hij zijn land bij testament aan de Rom. na (96).—15) Pt. X Alexander II, zoon van Pt. Alexander, huwde op bevel van Sulla na den dood van Pt. Lathyrus met diens eenige dochter Berenīce, die vroeger met Pt. Alexander gehuwd was geweest, en werd zoo koning. Na drie weken doodde hij Berenīce, waarna hij door het volk gedood werd.—16) Pt. XI of XIII Aulētes (Αὐλητής, fluitspeler), onechte zoon van Pt. Lathyrus, vandaar ook wel Nothus genoemd, maakte zich na den dood van den vorigen van Aegypte meester. Alleen door den steun der rom. legers in Azië konde hij zich tegen de herhaalde opstanden van zijn volk staande houden, terwijl hij weder, om dien steun te koopen, steeds drukkender belastingen moest opleggen. In 58 werd zijn broeder door de Rom. uit Cyprus verjaagd, en toen het volk zich daartegen wilde verzetten, maar Pt. weigerde zich aan hun hoofd te stellen, werd hij verjaagd, en zijne dochter Berenīce tot koningin uitgeroepen (z. Archelāus no. 5). Drie jaar later werd hij door den proconsul A. Gabinius teruggebracht, waarna hij bloedige wraak nam en ook Berenīce liet dooden. Hij stierf in 52.—17) Pt. XII Dionȳsus, oudste zoon en opvolger van den vorigen. In de twisten met zijne zuster Cleopatra, met wie hij volgens den wil zijns vaders de regeering moest deelen, werd hij een tijd lang door Caesar gevangen gehouden. Weder in vrijheid gesteld, hervatte hij den strijd, maar hij werd verslagen en verdronk, naar men zeide, in den Nijl (47), ofschoon anderen later beweerden dat hij zich gered had en te Aradus woonde.—18) Pt. XIII Puer, jongere broeder van den vorigen, na wiens dood hij door Caesar tot mederegent van Cleopatra werd aangesteld, die hem in 43 liet dooden.—19) Pt. Philadelphus, zoon van M. Antonius en Cleopatra, regeerde tot den dood van zijn vader over Syrië en Voor-Azië.—20) zoon van Juba II en Cleopatra no. 11, koning van Mauretania, hielp de Rom. in den oorlog tegen Tacfarinas en ontving tot belooning daarvoor groote eerbewijzen. Door Caligula werd hij naar Rome genoodigd en kort daarna, omdat het volk hem te veel oplettendheid bewees, ter dood gebracht (40 na C.). Zijn rijk werd ingelijfd.—21) Pt. Chennos, waarschijnlijk een tijdgenoot van Nero, schreef in verschillende werken, in proza en verzen, allerlei bizonderheden uit geschiedenis en mythologie, die, voor zoover men kan nagaan, louter verzinsels van hem zijn.—22) Claudius Pt., beroemd wis-, aardrijks- en sterrenkundige, tijdgenoot van Antonīnus Pius. Door zijne wetenschappelijke waarnemingen, waarvan hij de vruchten in een aantal werken nederlegde, vestigde hij de aardrijks- en sterrenkunde op zuiver wiskundigen grondslag en bracht hij die wetenschappen tot eene hoogte, die in vele eeuwen niet overtroffen is. Zijne werken, door Theon (no. 3), Pappus e. a. van commentaren voorzien en voor een groot deel in het Latijn en Arabisch vertaald, zijn voor een deel bewaard gebleven, de voornaamste daarvan zijn: Γεωγραφικὴ Ὑφήγησις, de hoofdbron voor de kennis der oude geografie, Μεγάλη Σύνταξις τῆς Ἀστρονομίας (arab. Almagest), zijn astronomisch hoofdwerk, bevattende de leer van de beweging der sterren, e. a.—23) Verschillende grammatici, rhetoren en geschiedschrijvers van den alexandrijnschen tijd en later droegen den naam Pt., hunne werken zijn alle verloren.
Ptolemāis, naam van verschillende steden, door Ptolemaeën gesticht of herdoopt, waaronder 1) het vroegere Ace of Acco, thans St. Jean d’Acre, op de kust van Palaestina.—2) Pt. Hermii, aan den linker Nijloever in Thebāïs.—3) stad aan de arabische golf, Theron (Θηρῶν) bijgenaamd, uitgangspunt voor de jacht op olifanten.—4) havenstad van Barca in Cyrenaica.
Ptoliporthus, Πτολίπορθος, 1) zoon van Telemachus en Nausicaä, ook Perseptolis genoemd.—2) stedenverwoestend, bijnaam van Ares, Enȳo, Achilles, Odysseus e. a.
Ptōum, Πτῶον, gebergte in Boeotia, aan de Oostzijde van het meer van Copāis, met een beroemden tempel van Apollo, waaraan een orakel verbonden was. Bij de opgravingen is veel archaisch beeldwerk voor den dag gekomen.
Ptychia, Πτυχία, eilandje in de Ionische zee tusschen Corcȳra en de kust.
Publicāni, τελῶναι, pachters der indirecte belastingen in de provinciën. Daar voor de pacht, die terstond voldaan moest worden, groote kapitalen vereischt werden, ontstonden er vennootschappen, societates publicanorum (zie equites). De vertegenwoordiger van zulk eene vennootschap werd manceps geheeten, ook wel auctor. Daar de ridders de kapitalisten waren en tevens sedert 123 de rechters uit hun midden werden gekozen, was het voor de stadhouders dikwijls zeer moeielijk de knevelarijen der publicani te keer te gaan, zonder zich bij hunne terugkomst eene of andere aanklacht op den hals te halen. Ook toen sedert Sulla de iudicia niet meer uitsluitend bij de equites waren, bleven deze toch door hunne geldmacht een lichaam in den staat, waarmede de stadhouders rekening moesten houden.
Publicia (lex), een plebisciet, onzeker van welk jaar, tot beperking van het spelen en dobbelen bij de Saturnalia.
Publicii, plebejisch geslacht, uit Latium afkomstig. L. en M. Publicius Malleolus stichtten in 238 als aedielen den tempel van Flora uit boeten, die zij opgelegd hadden, en legden van het overschot een weg naar den mons Aventīnus aan (ten N.), clivus Publicius genoemd.
Publicius clivus, zie Publicii.
Publicola = Poplicola.
Publilia (lex) van den volkstribuun Publilius Volero in 471, ut plebeii magistratus tributis comitiis fierent, d. w. z. dat de plebs tributim mocht bijeenkomen voor het verkiezen van plebejische ambtenaren, z. verder Tribuni plebis.
Publiliae (leges) van den dictator Q. Publilius Philo in 339: 1) dat de plebiscita voor alle burgers verbindend zouden zijn; v. s. is dit een anticipatie van de lex Hortensia van 287.—2) dat de patres vóór de stemming over wetsvoorstellen in de centuriaatcomitiën den uitslag zouden goedkeuren (ut ante initum suffragium patres auctores fierent); hierdoor werd de patrum auctoritas (zie patres) tot een bloote formaliteit gemaakt.—3) dat één der censoren voortaan uit de plebs moest gekozen worden.
Publilii, rom. geslacht, ten deele patricisch, ten deele plebejisch. 1) Publilius Volero had in 473 twisten met de consuls gehad en zich vruchteloos om hulp tot de volkstribunen gewend, die de consuls niet durfden of wilden weerstreven. Immers was kort geleden een der volkstribunen, Cn. Genucius, door sluipmoord omgebracht. In 472 werd Volero tot volkstribuun gekozen, en stelde toen aan het volk zijne lex Publilia voor (z. a.). De tegenpartij wist de zaak op de lange baan te schuiven, doch Volero werd voor 471 herkozen en de wet ging door, na heftige tooneelen, waarbij het tusschen Volero en een der consuls bijna tot handtastelijkheden kwam.—Ten gevolge van deze wet werden er in dit jaar 4 tribuni plebis gekozen. Zie Tribuni plebis. Wat omtrent Publilius Volero zelf verteld wordt, lijkt niet zeer geloofwaardig te zijn.—2) Q. Publilius Philo (zie leges Publiliae), was in 339 consul en werd door zijn ambtgenoot tot dictator in den latijnschen oorlog benoemd; in 337 was hij de eerste plebejische praetor, in 332 censor, in 327, 320 en 315 weder consul. Publilius Philo was ook de eerste consul, aan wien het volk op verzoek van den senaat, na afloop van den ambtstijd, het imperium liet behouden met den titel pro consule (326). Hij streed roemrijk tegen de Samnieten.—3) Publilia was de naam van Cicero’s tweede vrouw. Zij was met haar veel ouderen echtgenoot niet gelukkig en het kwam tot eene scheiding (45). Haar broeder Publilius en Cicero’s vriend T. Pomponius Atticus regelden daarbij de geldzaken.
Publilius Syrus, een vrij gelaten slaaf, uit Syrië geboortig, tijdgenoot van Cicero, schreef mimen, die zeer gewild waren, en waaruit nog eene verzameling spreuken overig is. Hij trad zelf ook op als mimus, zie Laberii.
Pudicitia, personificatie der kuischheid. Zij werd door patricische vrouwen in een tempel aan het Forum Boarium vereerd, maar toen de patricische Virginia van den dienst van P. werd uitgesloten, omdat zij met een plebejer gehuwd was, richtte zij een afzonderlijk heiligdom voor P. ten dienste der plebejische vrouwen op (296). Van toen af onderscheidde men eene P. patricia en eene P. plebeia.
Pugilātus, het vuistgevecht, dat tot de gymnastische wedstrijden behoorde en overeenkomst had met het engelsche boksen, met dit verschil evenwel, dat de ouden zich daarbij van den caestus bedienden (z. a.).
Πυλαγόραι, z. Amphictyones.
Πυλάρτης, die de poorten (der onderwereld) gesloten houdt, bijnaam van Hades.
Pulcher, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 7–10, 12–17).
Pulchrum promunturium, zie Apollinis promunturium.
Pulvīnar, het kussen, ook de sofa, waarop de beelden der goden rustten bij een lectisternium (z.a.). Later werd het woord ook gebezigd voor rustbanken en zitplaatsen van hooggeplaatste personen. Zoo werd b.v. de keizerlijke loge in den circus en het amphitheater ook wel Pulvinar genoemd.
Punische oorlogen worden de drie oorlogen genoemd, die Rome met Carthago voerde, en waarvan de eerste (264–241) met den afstand van het carthaagsche deel van Sicilia, de tweede (218–202) met Hannibal’s nederlaag en Carthago’s vernedering, de derde (149–146) met Carthago’s ondergang eindigde.
Pupienius Maximus (M. Clodius), een handwerkerszoon, die van soldaat tot de hoogste ambten opklom en zich een uitstekend generaal betoonde. In 238 na C. werden hij en Balbīnus (z.a.) door den senaat tot keizers uitgeroepen, doch door de praetorianen, wien deze keus niet beviel, vermoord.
Pupia (lex), onzeker van welken tijd. Zij verbood senaatszittingen te houden op dagen, voor de comitiën bestemd, alsmede in de maand Februari, behalve tot het verleenen van audiëntie aan gezantschappen.
Pupii, een plebejisch geslacht. Bij Horatius wordt een dichter Pupius bespot als maker van lacrimosa poëmata.—M. Pupius Piso Frugi Calpurnianus, z. Calpurnii no. 5.
Pupinius ager, Pupinia, dorre streek van Latium, ten O. van Rome, in de nabijheid van het gebied van Tusculum. Het is het gebied der oude tribus Pupinia.
Pūra, Ποῦρα (= stad), hoofdstad van het perzische gewest Gedrosia.
Πυρομαντεία, het voorspellen van de toekomst uit het branden van een offervuur, eene kunst, die, naar men beweerde, door Amphiarāus was uitgevonden.
Πυρρίχη, een bij fluitspel uitgevoerde dans, een soort ballet, waarbij de dansers gewapend zijn en de bewegingen van strijders nabootsen. De Cureten, de Dioscuren, Dionȳsus of Athēna worden als de uitvinders er van genoemd. De πυρρ. werd te Sparta bij de Gymnopaedia, te Athene bij de Panathenaea uitgevoerd, te Rome werden in den keizertijd door knapen dergelijke vertooningen gegeven.
Puteal, zie Bidental.
Puteoli, Πουτέολοι, vroeger Dicaearchia geheeten, haven van Cumae, in 528 aan de golf van Cumae (golf v. Napels) door inwoners van Samos gesticht, welke golf later ook wel sinus Puteolānus werd genoemd. De stad kwam in 421 in handen der Samnieten, in 318 (v. a. in 338) werd ze romeinsch. In 194 werd ze rom. kolonie en kreeg haren naam naar de minerale bronnen in den omtrek, hetzij dan van putēre wegens den stank der zwavelbronnen, hetzij van puteal. Een in zee uitgebouwde dam vormde eene ruime haven terwijl de kust met prachtige villa’s was bebouwd. Cicero had hier een landgoed, zijn Puteolānum, waar hij zijne Quaestiones academicae schreef, ook Lucullus had hier eene villa en keizer Hadriānus werd er begraven. In 410 na C. werd P. door Alarik verwoest, in 455 door den Vandaal Genserik, in 545 door de Gothen onder Totilas, doch telkens werd het herbouwd en heet thans Pozzuoli.
Pyanepsia, Πυανέψια, een feest, den 7den Pyanepsion te Athene gevierd ter eere van Apollo en Athēna, later ook ter gedachtenis aan Theseus, een soort afscheid van den zomer. Het ontleende zijn naam aan het koken en eten van een gerecht van boonen en andere peulvruchten. Zie ook εἰρεσιώνη.
Pyanepsion, Πυανεψιών, 4de maand van het Attische jaar (Oct.–Nov.), z. Annus.
Pydna, Πύδνα, stad in Macedonia, in het landschap Pieria, nabij de golf van Thermae. Philippus van Mac. maakte er een sterke vesting van. Bij Pydna werd koning Perseus in 168 door L. Aemilius Paullus (Aemilii no. 10) verslagen.
Pygela, Πύγελα, later Phygela, stadje aan de aziatisch-ionische kust, even ten Z. van Ephesus, met een Artemistempel.
Pygmaei, Πυγμαῖοι, zoo groot als een vuist, een volk van dwergen, wier land men aan de kusten van den Oceaan, aan de bronnen van den Nijl, in Indië of het hooge Noorden plaatste, maar wier bestaan door de ouden reeds geloochend werd, terwijl weder sommige nieuwere reizigers gelooven hen terug te vinden in een afrikaansch volk van kleine menschen nabij den evenaar. Volgens Homerus e. a. dichters trekken de kraanvogels jaarlijks uit om hunne korenvelden te plunderen en kunnen de P. zich slechts met moeite tegen deze vijanden verdedigen.
Pygmalion, Πυγμαλίων, 1) z. Dido.—2) koning van Cyprus, werd verliefd op een door hemzelf gemaakt ivoren vrouwebeeld; op zijn gebed bezielde Aphrodīte het beeld, waarna P. met de zoo geschapen vrouw huwde en bij haar vader werd van Paphus.
Pylades, Πυλάδης, 1) zoon van Strophius, neef en getrouw vriend van Orestes (z. a.), met wiens zuster Electra hij huwde.—2) beroemd balletdanser (pantomimus) onder Augustus, door wien hij om zijn overmoedig gedrag tegenover het publiek uit Italië verbannen werd.
Pylae, Πύλαι (= poorten), naam van verschillende bergpassen. Zonder adjectief = Thermopylae.
Pylēne, Πυλήνη, oude stad in Aetolia, later Proschium.
Pylus, Πύλος, 1) stadje in Elis aan den Penēus.—2) stad in het eleïsche gewest Triphylia, eenmaal de zetel van den grijzen Nestor.—3) stad op de Westkust van Messenia, in den peloponnesischen oorlog bekend door de blokkade van het nabijgelegen eiland Sphacteria (426). Door de ligging van dit eiland had Pylus eene der schoonste havens van Griekenland, thans de baai van Navarino genoemd.
Pyracmon, een Cycloop.
Pyramides, πυραμίδες, de bekende steengevaarten in Aegypte, welke in verschillende groepen in een gedeelte van Midden-Aegypte langs den linker Nijloever liggen. Zij zijn alle vierzijdig, met de vier zijden naar de vier hemelstreken gekeerd. De grootste zijn die, waarvan de bouw door Herodotus aan de koningen Cheops, Chephren en Mycerīnus wordt toegeschreven. De Rom. volgden enkele malen voor hunne grafgebouwen den pyramidenbouw op kleine schaal na, zie Cestius no. 1.
Pyramus, Πύραμος, een babylonisch jongeling van buitengewone schoonheid, beminde de even schoone Thisbe en werd door haar bemind, maar hunne ouders, die in vijandschap met elkander leefden, wilden in hun huwelijk niet toestemmen. Lang zagen de minnenden daarom elkander slechts door een spleet in den gemeenschappelijken muur tusschen beider huizen, eindelijk spraken zij af elkander bij het graf van Ninus te ontmoeten. Nauwelijks was Thisbe op de afgesproken plaats verschenen, of zij werd verschrikt door net naderen van een leeuw, zij vluchtte en verloor in de verwarring haar sluier, dien de leeuw vond en met zijn muil, nog bevlekt door het bloed van pas verscheurde runderen, verscheurde. Kort daarop kwam ook P. en toen hij den bloedigen sluier zag, meende hij, dat Thisbe door een wild dier verscheurd was, hij trok zijn zwaard en doodde zich. Te laat keerde Thisbe terug, zij vond haar minnaar reeds dood en bracht zich nu ook met zijn zwaard om het leven.
Pyramus, Πύραμος, vrij breede rivier in het O. van Cilicia, die in Cataonia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en bij Mallus in zee valt.
Pyrasus, Πύρασος, oude, later verwoeste stad in het thessalische landschap Phthiōtis, met een aan Demēter geheiligd bosch.
Pyrenaei montes, Πυρηναῖα ὄρη, het scheidingsgebergte tusschen Gallia en Hispania, thans nog de Pyreneën geheeten.
Pyrēne, Πυρήνη, 1) bij Herodotus vermelde keltische stad nabij de bronnen van den Ister (Donau).—2) = Pyrenaei montes.
Pyrēnes promunturium, ook prom. Veneris geheeten, thans kaap Creuz, een oostelijke uitlooper der Pyrenaeën, met een tempel van Venus Pyrenaea.
Pyretus, Πυρετός, zijtak van den Ister, thans de Pruth.
Pyrgi, Πύργοι, 1) stad in het eleïsche gewest Triphylia op de messenische grenzen, volkplanting der Minyers.—2) oude stad met cyclopische muren in Zuid-Etruria, later havenstad van Caere, aan de via Aurelia. Pyrgi werd in 384 door Dionysius van Syracuse geplunderd. In de 2de eeuw was het rom. kolonie. Beroemd was de rijke tempel van Ilithia of Leucothea.
Pyrgoteles, Πυργοτέλης, beroemd steensnijder, die uitsluitend het recht had het portret van Alexander den Gr. te graveeren.
Pyrgus, Πύργος = Pyrgi no. 1.
Pyriphlegethon, Πυριφλεγέθων, geweldige vuurstroom, die den Tartarus omgeeft.
Pyrrha, Πύρρα, dochter van Epimētheus en Pandōra, gemalin van Deucalion (z. a.).
Pyrrha, Πύρρα, 1) stad op het eil. Lesbus aan een inham, den Euripus Pyrrhaeus, later bij een aardbeving door een vloedgolf vernietigd.—2) stad en kaap in het thessalische landschap Phthiōtis, aan de golf van Pagasae. Twee kleine nabijgelegen eilandjes heetten Pyrrha en Deucalion.
Pyrrhi castra, Πύρρου χάραξ, sterkte in het N. van Laconica, uit eene oude legerplaats ontstaan, door Pyrrhus opgeslagen, toen deze in 272 in de Peloponnesus viel.
Pyrrho, Πύρρων, van Elis, geb. omstreeks 360, gest. omstreeks 275, volgde, nadat hij verschillende grieksche wijsgeeren, o. a. Stilpo, gehoord had, met zijn vriend Anaxarchus Alexander op diens tochten naar Azië, waar hij ook met de gymnosophisten en magiërs kennis maakte. Hij kwam tot het besluit dat voor en tegen ieder stelsel evenveel te zeggen is, en dat ieder stelsel in zichzelf aan groote tegenstrijdigheden lijdt; daarom achtte hij de kennis van het wezen der dingen voor den mensch onbereikbaar (ἀκαταληψία) en leerde, dat derhalve de wijze zich van een oordeel moet onthouden (ἐποχή). Alleen in deugd en gemoedsrust (ἀταραξία) bestaat het geluk. De aanhangers van P. noemen zich, in tegenstelling met de δογματικοί, gewoonlijk σκεπτικοί, ook ἀπορητικοί, ἐφεκτικοί, ζητητικοί, of eenvoudig Πυρρώνειοι.
Pyrrhus, Πύρρος, 1) = Neoptolemus.—2) koning van Epīrus, die van Achilles beweerde af te stammen. Na veel strijd kwam hij in 307 aan de regeering, na vijf jaar werd hij echter bij een opstand verjaagd, hij ging naar Demetrius Poliorcētes, streed dapper in den slag bij Ipsus, ging daarna naar Alexandrië, waar hij met een stiefdochter van Ptolemaeus I trouwde, en keerde, door zijn schoonvader met geld en troepen ondersteund, naar zijn land terug, eerst na den dood van Neoptolemus (no. 3) kreeg hij echter weder de regeering over het geheele rijk (296). Nu trachtte hij zijn gebied uit te breiden door verovering van de naburige landen, zelfs van Macedonië; hij vond steun bij de vijanden van Demetrius, en inderdaad werd hem na den val van dezen (287) de kroon aangeboden, maar zij werd hem weldra ontnomen door Lysimachus, tegen wien hij zelfs Epirus verdedigen moest. Vol vreugde gaf hij daarom gehoor aan de uitnoodiging der Tarentijnen, die zijne hulp tegen Rome inriepen, en hopende door dezen oorlog vergoeding voor het verlies van Macedonië te vinden, ging hij met een groot leger naar Italië (281). Hij versloeg de rom. legers bij Heraclēa (280) en bij Asculum (Ausculum, 279), maar intusschen leed hij op zijn beurt onherstelbare verliezen, van de Tarentijnen kon hij alleen door de uiterste strengheid eenige medewerking krijgen, de waardige en heldhaftige houding der Rom. boezemde hem eerbied en vrees in, en eindelijk begon P. aan het slagen zijner onderneming te wanhopen. Hij verliet daarom Italië (278), waar hij echter zijn zoon Alexander met een leger achterliet en ging naar Sicilië om Syracuse tegen de Carthagers te helpen; overal met vreugde ontvangen, dwong hij de vijanden het beleg van Syracuse op te breken en ontnam hij hen hun geheel gebied op Sicilië behalve Lilybaeum, maar toen het hem niet gelukte hen ook van daar te verdrijven, begonnen de Siciliërs te wankelen, en toen P. toebereidselen maakte voor een landing in Afrika, brak er zelfs een opstand tegen hem uit en sloten vele steden zich weder bij de Carthagers aan. Nogmaals door de Tarentijnen dringend te hulp geroepen, greep hij gretig deze gelegenheid aan om uit zijn moeilijken toestand bevrijd te worden, hij ging naar Tarentum, maar werd door M’. Curius Dentātus v.s. bij Beneventum, v.a. in Arusinis Campis in Lucania verslagen en tot den terugtocht genoodzaakt (275). In zijn land teruggekeerd, deed hij plotseling een aanval op Macedonië, en het gelukte hem spoedig een groot deel er van onder zijne macht te brengen, maar op uitnoodiging van den Spartaan Cleonymus liet hij zijne veroveringen daar varen en keerde hij zich naar de Peloponnēsus. Een aanval op Sparta mislukte, en toen P. op den terugtocht Argos wilde bezetten en de troepen van Antigonus Gonātas en van de Spartanen te gelijk met hem in de stad drongen, ontstond er een hevig straatgevecht, waarin P. een dakpan of een steen op het hoofd kreeg, neerviel en afgemaakt werd (272). Hoewel hij om zijn persoonlijken moed, zijn ridderlijk karakter en zijn ijver, ja zelfs om zijn uiterlijk, dat aan Alexander d. Gr. herinnerde, hij zijne troepen zeer bemind was, had hij door gemis aan volharding geen zijner ondernemingen tot een goed einde gebracht. Hij was de schrijver van eenige werken over krijgskunde, die verloren gegaan zijn.
Pythagoras, Πυθαγόρας, 1) beroemd grieksch wijsgeer, van wiens leven en leer echter betrekkelijk weinig met zekerheid bekend is. Hij wordt een zoon van Mnesarchus genoemd, werd waarschijnlijk op Samus omstreeks 580 geboren, zou een leerling van Thales, Bias, Anaximander en Pherecȳdes geweest zijn, en groote reizen, o.a. naar Aegypte en Babylon, gedaan hebben. Ongeveer 50 jaar oud kwam hij te Croton en stichtte hij daar onder de aristocratische partij een bond, waarvan de strekking was het invoeren van allerlei hervormingen op zedelijken, wijsgeerigen en godsdienstigen grondslag en de vestiging eener streng aristocratische staatsinrichting. Inderdaad gelukte het zijn aanhangers, bezield door den ernst en ijver van P., niet slechts te Croton, maar in verscheiden steden van Beneden-Italië het staatsbestuur in hun geest te hervormen en grooten invloed te verkrijgen en in meerdere of in mindere mate meer dan een eeuw te behouden (vgl. Archȳtas).—De eigenlijke leerlingen van P. leefden met elkander in gemeenschap van goederen en onder inachtneming van zeer strenge leefregels en allerlei ceremoniën; eerst na velerlei beproevingen, langdurig zwijgen, enz., kon men in hun verbond worden opgenomen. Hij had onder hen zoo groot gezag, dat de woorden αὐτὸς ἔφα (hijzelf, de meester, heeft het gezegd) voor velen een afdoend argument waren, hijzelf zou zich daarentegen uit bescheidenheid den naam van φιλόσοφος gegeven hebben, terwijl zij, die zich met wijsgeerige studiën bezig hielden, zich vroeger σοφισταί of σοφοί noemden. Van zijne leer is weinig met zekerheid te zeggen, daar zij grootendeels opzettelijk geheim gehouden werd; P. zelf heeft, naar het schijnt, niets geschreven; alle werken die onder zijn naam en misschien met een enkele uitzondering (z. Philolaus no. 2), alle die onder den naam zijner leerlingen bewaard gebleven zijn, zijn onecht. Hij of zijne volgelingen zochten het wezen der dingen in het getal; evenals zich daarin het begrensde en onbegrensde, het onevene en evene tot eene harmonie vereenigen, zoo zijn volgens hen in alle dingen tegengestelde elementen door getal en maat harmonisch vereenigd. Bij de toepassing van dit beginsel werden vooral de wiskundige wetenschappen (theorema van P.), de muziek en de astronomie (harmonie der sferen) beoefend; ook bij zedelijke begrippen namen formules de plaats van definities in, zooals bijv. de rechtvaardigheid door een kwadraatgetal voorgesteld werd. Waarschijnlijk heeft P. zelf slechts den grond gelegd tot dit stelsel, waarop dan door zijne leerlingen verder voortgebouwd is, van hemzelf is echter de leer der zielsverhuizing (vgl. Euphorbus).—Ook over het einde van P. zijn de berichten verschillend; v.s. werd hij bij een opstand der democratische partij verjaagd en vluchtte hij naar Metapontum, waar hij op 80- of 90-jarigen leeftijd stierf, v.a. werd bij dien opstand het gebouw, waarin hij en zijne leerlingen vereenigd waren, in brand gestoken en kwam hij met 300 zijner aanhangers daarbij om (500).—2) van Rhegium, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der 5de eeuw, hij maakte voornamelijk athletenbeelden van metaal, die door standen en verhoudingen uitmuntten.
Pytheas, Πυθέας, 1) atheensch demagoog, vroeger partijgenoot, later tegenstander van Demosthenes; in den lamischen oorlog vluchtte hij naar Antipater.—2) van Massilia, beroemd zeevaarder en aardrijkskundige ten tijde van Alexander d. G., die ontdekkingsreizen deed langs de westelijke en noordelijke kusten van Europa. Zijne reisbeschrijvingen, waarin hij tevens dikwijls aardrijkskundige onderwerpen behandelde en sterrenkundige waarnemingen mededeelde, werden ten onrechte door velen als fabelachtig beschouwd.
Pythia, Πυθία, z. Delphi.
Pythia, Πύθια, de pythische spelen, om de vier jaar, en wel ieder derde Olympiadenjaar, tegen het einde van den zomer in de vlakte van Crissa gevierd ter eere van Apollo, die na het dooden van den draak Python zelf dit feest zou ingesteld hebben, z. Pytho. Het bestond oorspronkelijk alleen uit een muzikalen wedstrijd, later kwamen er naar het voorbeeld der olympische spelen andere wedstrijden bij. De prijs was een lauwerkrans. Kamprechters waren oorspronkelijk de Delphiërs, later de Amphictyonen. De P. behooren tot de groote nationale feesten en waren na de olympische spelen het meest in aanzien; zij werden steeds zeer druk bezocht en nog laat in den rom. keizertijd gevierd.—Vele steden vierden ook in hun eigen gebied feesten ter eere van den pythischen Apollo, die eveneens P. genoemd werden.
Pythius, Πύθιος, 1) bijnaam van den delphischen Apollo, naar den door hem gedooden draak Python.—2) een Lydiër, de rijkste man van zijn tijd, die Xerxes met zijn leger op zijn tocht naar Griekenland onthaalde en hem zijne schatten aanbood. Maar toen hij verzocht dat een van zijne vijf zonen van den krijgsdienst zou vrijgesteld worden, liet Xerxes dezen in stukken snijden.—3) = Pythodorus no. 2, z.a.
Pytho, Πυθώ, oude naam van Delphi en van de landstreek rondom den Parnassus. Apollo versloeg hier den draak Python en stelde hierna de pythische spelen in. In werkelijkheid zijn de pythische spelen ingesteld in 582, kort nadat tengevolge van den heiligen oorlog met Crisa het heiligdom van Delphi in de macht der Amphictyonen gekomen was (590).
Pythocles, Πυθοκλῆς, atheensch redenaar van de macedonisch gezinde partij; hij werd te gelijk met Phocion ter dood gebracht.
Pythodōrus, Πυθόδωρος, 1) onbekwaam atheensch veldheer op Sicilië (425), werd na zijn aftocht van daar verdacht zich te hebben laten omkoopen en werd verbannen.—2) beroemd bouwmeester en schrijver over bouwkunst ten tijde van Alexander d. G. Hij bouwde den tempel van Athēna Polias te Priēne, en werkte ook mede aan den bouw van het Mausolēum.—3) twee beeldhouwers, die in de 1ste eeuw na C. aan het keizerlijk paleis op den Palatīnus werkten.
Python, Πύθων, een reusachtige draak, na de overstrooming van Deucalion uit het op aarde achtergebleven slijk geboren. Hij bewaakte het delphische orakel voor Gaea, maar werd door Apollo, toen deze het in bezit nam, gedood.
Pyxus, Πυξοῦς = Buxentum.