← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

L. (continued 2)

Reading edition

Λογογράφος, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven; verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen, welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben, in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus, Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes.

Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullīnus, consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe, toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18 richtte.—2) Zijne kleindochter Lollia Paullīna werd de echtgenoote van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).—3) Q. Lollius Urbicus, legaat van keizer Antonīnus Pius in Britannia, z. a.

Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke koopstad der Trinobantes.

Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2–12).

Longinus, Λογγῖνος, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia overwonnen was, werd L. op last van Aureliānus ter dood gebracht (272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling περὶ ὕψους bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit een veel vroegeren tijd.

Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije.

Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de Romeinen verwoest.

Longus, Λόγγος, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver van een herdersroman (Ποιμενικὰ τὰ κατὰ Δάφνιν καὶ Χλόην), die als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver is niets bekend.

Loretānus (portus) = Lauretanus Sinus.

Lorīca, θώραξ, harnas, onverschillig of het slechts uit eene borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser (lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae.

Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium, sterfplaats van Antonīnus Pius, die er ook was groot gebracht.

Loryma, τὰ Λώρυμα, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus.

Lotis, nimf, die door Priāpus met zijne liefde vervolgd werd; toen zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op hare bede in een lotus.

Lotophagi, Λωτοφάγοι, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte ook Lotophagītis genoemd.

Loxias, Λοξίας, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin zijne orakels gegeven werden.

Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide.

Luca, Λοῦκα, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria, sedert 177 rom. kolonie.

Lucania, Λευκανία, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden, waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog van 73–71.

Lucānus, familienaam in de gens Annaea.

Luccēii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.—2) C. Lucceius Hirrus, z. Lucilii no. 4.—3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium, getuige in het proces tegen Verres.—4) Lucceius Albīnus, onder Nero procurator van Judaea (62–65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht.

Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den rom. staat. Zie Tities.

Luceria, Λουκερία, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315 herbouwd en rom. kolonie.

Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht.

Luciānus, Λουκιανός, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk, maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland, Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en cynici—hoewel hij met Demōnax bevriend was—terwijl hij daarentegen, hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicūrus overhelt, met eerbied spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk ambt bekleedde.

Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.—2) = Dadūchus.

Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diāna, Aurōra, e. a.—2) vrouw van den Dadūchus.

Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het Z. van Latium (180–102), een vertrouwd vriend van Scipio Africānus minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter, voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.—2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een didactisch gedicht in hexameters.—3) Q. Lucilius Balbus, ook een aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd in zijn geschrift de natura deorum.—4) C. Lucilius Hirrus, ook wel, maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius’ dood werd L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43 vluchtte hij naar S. Pompeius.

Lucīna, bijnaam van Juno en Diāna als godinnen, die bij de geboorte behulpzaam zijn.

Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met plebejische takken.—1) Sp. Lucretius Tricipitīnus was senator en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf kort daarop.—2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van L. Tarquinius Collatīnus, eene vrouw van buitengewone schoonheid, werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.—3) Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitīni voor, ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus (171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden, tot een groote geldboete veroordeeld.—4) Q. Lucretius Ofella had eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla’s komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82 den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd te wezen.—5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen wilde vallen.—6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla, redenaar en rechtsgeleerde.—7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43 op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij door Augustus tot consul benoemd.—8) T. Lucretius Carus (98–55), schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin de leer van Epicūrus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld.

Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius.

Lucrinus (lacus), Λοκρῖνος κόλπος, N.W. inham der golf van Cumae op de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te Baiae leverde het meer een groot genot op.

Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21–26).

Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch Lauchme.

Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1) Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van Ovētum, het tegenw. Oviedo.—2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans Lugo.—3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus (Rhône), in Gallia Narbonensis.—4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia.

Lucusta = Locusta.

Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.); ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd, omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus, hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad, die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd, terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September, dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio) en van 15–18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling in handen.

Wanneer de ludi plebei het eerst zijn gehouden, weet men niet; v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder vindt men ludi Cereāles in April, ter eere van Ceres, Liber en Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten van den staat gegeven.

De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij, om zoodoende de volksgunst te winnen.

Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae (ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn uitsluitend l. circenses.

In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria (z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren, gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen.

Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de l. plebei.

Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum (z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen keizertijd. Vergilius (Aen. V 545–603) laat op bevel van Aeneas Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader Anchises: “Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen” (v. 602).

Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken.

Lugdūnum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de 3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers en feesten bijeenkwamen.—2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania, hoofdst. der Convenae.—3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen bij den Haag, lag.

Lugii = Ligii.

Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer.

Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen).

Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den Palatinus, aan Faunus gewijd.

Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den 15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg; bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad, en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid, die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus, dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten deelnemen.—De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd.

Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van 12 leden, de L. Fabiāni en de L. Quintiliāni of Quinctiales, waaraan sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd.

Lupiae, Λουπίαι, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum (Otranto).

Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt.

Lurius Agrippa (M.) werd door Octaviānus tot praefectus van Sardinia aangesteld, doch door Menas (Menodōrus), legaat van S. Pompeius, verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de vloot van Octavianus.

Luscius Lavinius of Lanuvīnus, blijspeldichter, tijdgenoot van Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger.

Lusitania, Λουσιτανία, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier hield de Lusitaniër Viriāthus 10 jaar lang (150–140) een hardnekkigen kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen (138); zie verder Hispania.

Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging, καθαρμός. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater, aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water doopte.—Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken, gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan.

Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk, dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum, de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen.

Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242, versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.—2) Q. Lutatius Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote rechtschapenheid.—3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door de Galliërs in Cisalpīna in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10) krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.—4) Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpīna. In den burgeroorlog werd hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte, vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken (87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan zijn.—5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla’s dood als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla’s dood (78), (z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolīnus opgedragen, en aan de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus tijdens de republiek. Hij overleed in 60.

Lutetia (Parisiorum), Λουκοτοκία, -τεκία, Λουκετία, hoofdstad der Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers, o. a. van Iuliānus, die hier een paleis liet bouwen.

Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius’ zoon Drusus, had hij bij voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.).

Lyaeus, Λύαιος, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionȳsus; latex Lyaeus = wijn.

Lybas, Λύβας, de schim van Polītes, no. 1 of 2, die als plaaggeest de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij door Euthȳnus verdreven werd.

Lycabettus, Λυκαβηττός, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene, ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon.

Lycaea, Λυκαία, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje lag de mons Lycaeus, Λυκαῖον ὄρος.

Lycaeus, Λυκαῖος, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden berg Lycaeus.

Lycambes, Λυκάμβης, z. Archilochus.

Lycāon, Λυκάων, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllēne, koning van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd door Gaea gered, vgl. Arcas.—V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.—2) soms = Arcas, kleinzoon van den vorigen.—3) zoon van Priamus en Laothoë, door Achilles gedood.—4) koning van Lycië, vader van Pandarus.

Lycaonia, Λυκαονία, landschap in het binnenland van Asia minor, een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot.

Lycaonis, Λυκαονίς, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycāon.

Lycēum, Λύκειον, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren ten O. der stad en nabij den Ilīsus, met fraaie wandelingen, waar Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lycēus. Het werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in 86 verwoest.

Lycēus, Λύκειος, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius.

Lychnidus, Λυχνιδός, Λυχνίς, stad in Illyris barbara nabij de macedonische grenzen, hoofdstad der Dassarētae, aan de via Egnatia gelegen en aan het meer Lychnītis, Λυχνῖτις (meer van Ochrida).

Lycia, Λυκία, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor, waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers, aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Λύκιοι, die in het dal van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Τερμίλαι, Τερμιλῆς. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Λυκίων τὸ κοινόν of τὸ κοινόν Λυκίων ἔθνος). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard (z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan Chimaera aan de Oostkust.

Lycides, Λυκίδης, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd.

Lycis, -cus, Λύκις, -κος, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.

Lycius, Λύκιος, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië (Lyciae sortes).

Lycius, Λύκιος, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en bronsgieter uit ± 440.

Lycoleon, Λυκολέων, atheensch redenaar, leerling van Isocrates.

Lycomēdes, Λυκομήδης, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners verwoest.—2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste perzische schip veroverde.—3) van Mantinēa, een rijk, ondernemend en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden, trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen, maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische ballingen gedood (366).

Lycomidae, Λυκομίδαι, -μῆδαι, z. Lycus no. 4.

Lycon, Λύκων, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.—2) Trojaan, door Peneleüs gedood.—3) Athener, een van de aanklagers van Socrates.—4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger der Grieken.—5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar (269–226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid werd hij Γλύκων, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn verloren gegaan.

Lycophrōn, Λυκόφρων, 1) van Cythēra, vriend van Aias no. 2, door Hector gedood.—2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later, toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcȳra liet brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan, maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs, die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.—3) tyran van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog, die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over geheel Thessalië streefde.—4) zwager en een van de moordenaars van Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus van Macedonië hem verjoeg.—5) van Chalcis op Euboea, grammaticus en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch gedicht, Κασσάνδρα of Ἀλεξάνδρα, waarin hij door deze profetes een groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam σκοτεινός gegeven werd.

Lycopolis, 1) Λύκων πόλις, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.—2) Λύκου πόλις, stad in de Delta.

Lycorēa, Λυκώρεια, stad aan den Lycōreus, den naar Delphi toegekeerden top van den Parnassus.

Lycoris, eigenlijk Cythēris geheeten, danseres, minnares van den rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius.

Lycormas, Λυκόρμας, rivier in Aetolia = Euēnus.

Lycortas, Λυκόρτας, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183) strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het gevolg was.—De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon.

Lyctus, Λυκτός, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van Cnossus. Lyctius = cretensisch.

Lycurgus, Λυκοῦργος, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs, die zich tegen de invoering van den dienst van Dionȳsus verzette, daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.—V. a. werd hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden verscheurd werd.—2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië, die Areïthous doodde.—3) zwager van Adrastus, die met de zeven vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius in het leven teruggeroepen.—4) zoon van Pheres, koning van Nemea, vader van Opheltes.—5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde, naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen neef Charilāus of Leobōtas, maar door verschillende partijen verdacht gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke macht onder de koningen, den raad (γερουσία) en de volksvergadering, schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden (συσσίτια) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde, wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (ῥῆτραι) vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld, dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta genoemd zou kunnen worden.—6) Athener, aanvoerder der aristocratische partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.—7) Athener, zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van Demosthenes en Hyperīdes op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer der financiën (338–327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is, hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs van het dankbare volk was ten deel gevallen.

Lycus, Λύκος, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.—2) zoon van Hyrieus, vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion en Antiope.—3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon, en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde en hem doodde.—4) zoon van Pandīon, vluchtte voor zijn broeder Aegeus naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de stamvader der Lycomidae of Lycomēdae, een geslacht van priesters bij de eleusinische mysteriën.—5) zoon van Dascylus, koning van Mysië, die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclēa genoemd werd.—6) uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe.

Lycus, Λύκος, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas genoemd.—2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.—3) rivier in Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicēa een eind onder den grond voortstroomt en in den Maeander valt.—4) riviertje in Bithynia, bij Heraclēa.

Lydda, τὰ Λύδδα, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe en Jerusalem.

Lydia, Λυδία, land in het W. van Asia minor, oudtijds Maeonia geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus, Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia, ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De Lydiërs, Λυδοί, vroeger Maeones, Μῄονες, vóór de perzische verovering een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes.

Lydiadas, Λυδιάδας, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen in de Peloponnēsus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later (233) werd hij strateeg van het verbond, maar Arātus verdrong hem. Toen Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood.

Lydias, Λυδίας, ook Ludias, Λουδίας, rivier in Macedonia, die in zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen monding.

Lygdamis, Λύγδαμις, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd hij door de Spartanen verjaagd (525).—2) tyran van Halicarnassus, vader van Artemisia (no. 1).

Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een pseudonym, z. Albii.

Lyncestis, Λυγκηστίς, een der westelijke landschappen van Macedonia, met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Λυγκησταί.

Lynceus, Λυγκεύς, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.—2) een van de Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het binnenste der aarde kon zien.

Lyncus, Λύγκος, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demēter voorkwam hem, en veranderde hem in een los.

Lyra.
Lyra.

Lyra, Λύρα, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3–9 snaren bespannen, dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van wordt aan Hermes toegeschreven.—2) sterrenbeeld, naar men meende de lier van Orpheus.

Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden, feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw, en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho) beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij in de 7de eeuw door Stesichorus, Arīon e. a. tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).—De Rom. hebben eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd, hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius.

Lyrnessus, Λυρνησσός, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier hadden de Grieken Hippodamīa, de dochter van Briseus (Brisēis) buit gemaakt. Zie Brisēis.

Lysander, Λύσανδρος, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was, en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (ναύαρχος) voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht, wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden, en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilāus, die door zijn toedoen de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde, trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilāus gekrenkt, beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden, waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi, Dodōna en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte, hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging, en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).—2) ephoor ten tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen.

Lysanoridas, Λυσανορίδας, een van de spartaansche harmosten, die in 379 de Cadmēa aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in ballingschap.

Lysias, Λυσίας, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15 jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij, gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin 120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd, Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij, zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus, en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal, die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar.

Lysicles, Λυσικλῆς, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles met Aspasia gehuwd.—2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronēa, op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld.

Lysicrates, Λυσικράτης, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won; het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (χορηγικὸς τρίπους, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae, blz. 103.

Lysimachēa, Λυσιμάχεια, bij de Rom. Lysimachīa, vesting door Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonēsus gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat (309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk.

Lysimachus, Λυσίμαχος, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks 355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G., onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren, dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachēa (z. a.). In 306 nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcētes de vijandelijkheden op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen, doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287), gaf de regeering aan Pyrrhus van Epīrus, doch ontnam hem die weder na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Κόρου πεδίον, ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was; het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281).

Lysimelēa palus, Λυσιμελεία λίμνη, meer bij Syracūsae, vroeger Syraco genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn.

Lysippe, Λυσίππη, eene van de Proetides.

Lysippus, Λύσιππος, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen, quales esse videntur.

Lysis, Λύσις, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken van Plato is naar hem genoemd.—2) van Tarentum, pythagoreïsch wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas.

Lysistratus, Λυσίστρατος, 1) arm Athener, betrokken in het proces der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.—2) beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus.

Lysius, Λύσιος = Lyaeus.

Lystra, Λύστρα, stad in Isauria, ten Z. van Iconium.

Lyttus = Lyctus.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings