C. (continued 3)
Reading edition
Claudiopolis, zie Bithynium.
Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41–54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdūnum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalīna gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippīna, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina’s zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus, C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.
Claudius II—M. Aurelius Claudius Gothicus—rom. keizer 268–270 na C., opvolger van Galliēnus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valeriānus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.
Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.
Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).
Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).
Clazomenae, Κλαζομεναί, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.
Cleander, Κλέανδρος, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).
Cleandridas, Κλεανδρίδας, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plīstoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.
Cleanthes, Κλεάνθης, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.—2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.
Clearchus, Κλέαρχος, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.—2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclēa, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.—3) van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.
Clearidas, Κλεαρίδας, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.
Cleides, Κλεῖδες, Κληῖδες, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.
Clemens (T. Flavius) Alexandrīnus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.
Cleobis en Biton, Κλέοβις, Βίτων, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.
Cleobūlus, Κλεόβουλος, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was: μέτρον ἄριστον.
Cleombrotus, Κλεόμβροτος, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.—2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmēa verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.—3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilōnis, die met hem in ballingschap ging.
Cleomēdes, Κλεομήδης, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athēna en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.—2) zoon van Lycomēdes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.—3) schrijver over sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.
Cleomenes, Κλεομένης, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520–491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demarātus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegīna gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).—2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.—3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371–310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.—4) Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclēa en zijne gemalin Agiātis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclīdas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnēsus erkend werd, maar Arātus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.—5) van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.—6) atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.
Cleon, Κλέων, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilēne zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ook δικαστικόν. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.
Cleōnae, Κλεωναί, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos op Chalcidice, met een gemengde bevolking.
Cleonymus, Κλεώνυμος, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door Aristophanes bespot wordt.—2) zoon van Cleomenes II, werd bij den dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcȳra en viel hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcētes en in 272 trachtte hij met Pyrrhus van Epīrus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.
Cleopatra, Κλεοπάτρα, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.—2) dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij zich van verdriet ophing.—3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië, na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.—4) dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epīrus, na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen, Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet haar waarschijnlijk vermoorden (308).—5) dochter van Antiochus III, z. Ptolemaeus no. 9 en 10.—6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.—7) dochter van Ptolemaeus VI Philomētor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den troon gestooten was, met Demetrius Nicātor, en nadat deze door de Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidētes. Toen Demetrius terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te drinken.—8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6, gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.—9) dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.—10) dochter van Ptolemaeus Aulētes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en Pothīnus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar, die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome, waar Caesar’s liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte, dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood had en Cl. zag, dat Octaviānus ongevoelig was voor hare schoonheid, en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).—11) bijgenaamd Selēne, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader met Cyrenaica begiftigd en door Octaviānus aan Juba uitgehuwd.—12) dochter van Mithradātes, gehuwd met Tigrānes van Armenië.
Cleophantus, Κλεόφαντος, een van de oudste grieksche schilders, de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.
Cleophon, Κλεοφῶν, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter dood veroordeeld (404).—2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde als de vorige.
Clepsydra, κλεψύδρα, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia), die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den verloopen tijd aanwezen.—2) bron op de acropolis te Athene.—3) bron op den berg Ithōme.
Cleruchia, κληρουχία, eigenlijk een land, waar volgens het oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën, waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men κληροῦχοι; dit zijn actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook κάτοικοι genoemd.
Clēta, Κλήτα, bij de Spartanen eene van de Chariten.
Clidēmus, Clitodēmus, Κλείδημος, (Κλειτόδημος), schreef in de 4e eeuw eene attische geschiedenis (Ἀτθίς) e. a. geschiedkundige werken.
Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patrōni hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen, moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen (applicatio), en derhalve zich in clientēla begeven, indien zij de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden zoowel van slaven als van plebejers.—In lateren tijd komt de naam cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten, bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren (sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.
Climax, Κλίμαξ, “trap”, een berg in het O. van Lycia, het begin van den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor (ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.
Climberris = Elimberris.
Clinias, Κλεινίας, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man, sneuvelde bij Coronēa (447); ook een jongere broeder en een neef van Alcibiades droegen dien naam.—2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot van Plato.—3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264 vermoord. Hij was de vader van Arātus no. 1.
Clio, Κλειώ, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol papier in de hand.
Clipeus, ἀσπίς, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.—Ook noemt men in de badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit de stookplaats in de heete badkamer stroomde.
Clisthenes, Κλεισθένης, 1) tyran van Sicyon (596–565), uit het huis der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken, die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van Dionȳsus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden, omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten noemde (met toespeling op ὗς, ὄνος, χοῖρος), terwijl zijn eigen stam den naam Archelāi kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze, waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden, een jaar lang onthaalde.—2) Athener, kleinzoon van den vorigen, zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Βουλή, Δῆμοι, Ostracismus, Φυλή. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen verjaagd hebben (505).
Clitarchus, Κλείταρχος, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodōrus, Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte, meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.—2) tyran van Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de Atheners onder Phocion verdreven.
Clitodēmus = Clidēmus.
Clitomachus, Κλειτόμαχος, 1) beroemd om zijne vele overwinningen in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op één dag.—2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren; Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.
Clitor, Κλείτωρ, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.
Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.
Clitus, Κλεῖτος, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.—2) bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het leven in den slag bij den Granīcus en was sedert een van zijne gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.—3) bijgenaamd de Witte, voerde na Alex.’s dood de veteranen terug, overwon in den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië, van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar sneuvelde den dag daarna (318).
Clivus Capitolīnus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven leidde naar den Mons Capitolinus.
Cloāca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius, loopt dan onder het Argilētum door naar het Forum, en vervolgens door het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid van cloare = reinigen.
Cloacīna, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid is het de godin der Cloāca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus niets te maken.
Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus Sabatīnus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.
Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.—2) lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.—3) lex de collegiis, tot herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische genootschappen, collegia compitalicia.—4) lex de censoria notione, dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.—5) lex de capite civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina’s eedgenooten had gedaan), zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede, waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400 mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).—6) lex de provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso Caesonīnus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet tegen Cicero’s verbanning zouden verzetten.—7) lex de rege Ptolemaeo, dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard, en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit Rome te verwijderen.—8) lex de suffragiis libertinorum, dat de vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze wet kwam echter niet tot stand.
Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam met o in plaats van au, zie Claudii no. 17–19.
Clodius Albīnus. Zie Albinus.
Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero’s dood wegens zijne roofzucht door Galba gevonnisd.
Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1) C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.—2) Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsēna uitgeleverd, ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar naar Porsēna terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een standbeeld te paard op.—3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498, benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.
Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Clyde.
Clotho, Κλωθώ, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld met een haspel, waarmede zij ’s menschen levensdraad spint.
Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.—2) A. Cluentius Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio van Cicero in 66.
Cluilii = Cloelii.
Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.
Clusium, Κλούσιον, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12 etrurische hoofdsteden, residentie van Porsēna, wiens praalgraf in de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer gezocht.
Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).
Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.—1) Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden gevangen gehouden, van levensmiddelen.—2) M. Cluvius bestuurde Cicero’s geldzaken.—3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem als bron gebruikt.
Clymene, Κλυμένη, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas, Menoetius, Promētheus, Epimētheus.—2) bij Promētheus moeder van Deucalion.—3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met den aethiopischen koning Merops.—4) dochter van Minyas, bij den arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.—5) dochter van Catreus, werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien zij moeder werd van Palamēdes en Oeax.—6) v. s. een bloedverwante van Menelāus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging; na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.—7) bijnaam van Persephone.
Clymenus, Κλύμενος, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.—2) zoon van Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor, stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen wagenmenner werd toegebracht.—3) bijnaam van Hades.
Clypea = Clupea.
Clypeus = clipeus.
Clysonymus, Κλυσώνυμος, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus, die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.
Clytaemnestra, Κλυταιμνήστρα, (waarschijnlijk beter Clytaemestra, Κλυταιμήστρα, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon (z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycēnae en Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en beiden doodde.
Clytia, Κλυτία, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.
Clytius, Κλυτίος, 1) een van de Giganten.—2) zoon van Alcmaeon en de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden, een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.—3) naam van eenige Trojanen.
Cnemīdes, Κνημῖδες, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied der Locriërs.
Cnemis, Κνημίς, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.
Cnidia, Κνιδία, bijnaam van Aphrodīte naar de stad Cnidus, waar een beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.
Cnidus, Κνίδος, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende, op de uiterste punt van de Chersonēsus Cnidia; de stad lag tusschen twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele oudheid beroemd om den tempel van Ἀφροδίτη Εὐπλοία, met het door Praxiteles vervaardigde beeld der godin.
Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Κνωσός, stad op de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400–1200) de koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks 1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnīsus en Heraclēum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias = Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van Cnosus blootgelegd.
Coactōres. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen desertie uit de gelederen moesten waken,—Coactores exactionum, of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.
Cocalus, Κώκαλος, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze ’s konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.
Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1) L. Cocceius Nerva, vriend van Octaviānus, voerde de onderhandelingen tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecēnas en Asinius Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van Tarente tot stand.—2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).—3) M. Cocceius Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.
Coche, Κωχή, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.
Cocles, zie Horatii.
Cocosātes, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).
Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet ligula (z. a.).
Cocylium, Κοκύλιον, aeolische stad in Mysia.
Cocȳtus, Κωκυτός, rivier in Epīrus, tak van den Acheron. In de voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocȳtus een arm van de Styx.
Codānus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo genoemd.
Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament, ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianēus. Codex accepti et expensi = kasboek.
Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.
Codrus, Κόδρος, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.
Coela (plur.), τὰ Κοῖλα τῇς Εὐβοίας, het vlakke gedeelte van Euboea langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonēsus.
Coele, ἡ Κοίλη, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de lange muren.
Coelesyria, ἡ κοίλη Συρία, sedert de macedonische verovering de dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmȳra.
Coelii = Caelii no. 1–3.
Coelius mons = Caelius mons.
Coelossa, Κοίλωσσα, berg in Sicyonia.
Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.
Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur; het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping, die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen, algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht, gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs, olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den eetlust op te wekken;—2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie gangen bestaande;—3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen, die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. δεῖπνον.
Coenus, Κοῖνος, een van de dapperste generaals van Alexander d. G., schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).
Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben, om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.
Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio) ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën berust op het ius coërcitionis.
Coës, Κώης, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darīus op zijn tocht tegen de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie over Mytilēne. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd hij gedood.
Coetae, Κοῖται, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing voor Τάοχοι.
Coeüs, Κοῖος, een van de Titanen.
Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke afstamming. Zie agnati.
Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak, ook wel de beslissing.
Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.—2o zaakwaarnemer in privaatzaken.—3o in later tijd degene, aan wien de cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.
Cognōmen. Zie nomen.
Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilāni. Ten gevolge van verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100 onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500 soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren 132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.—In lateren tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.—Ook van de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het woord cohortes gebruikt.

rechtervleugel.
Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder, ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio Africānus minor in den numantijnschen oorlog zoo’n lijfwacht opgericht.
Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten, elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht, de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seiānus liet keizer Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden, en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C., verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer L. Septimius Sevērus ontbond de garde in 194 en verving ze door een andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio, tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.
Cohortes urbānae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht, om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3; Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.
Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden onder een praefectus vigilum.
Colchis, Κολχίς, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten, aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradātes VI maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iāson en Medēa. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw, d. i. Medea.
Colias, Κωλιάς, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalērum, waar fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodīte.
Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatīnus en Lucretia.
Collatinus, zie Tarquinii no. 3.
Collēgae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze tegenover elkaar kunnen uitoefenen.
Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.—2) corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum, begrafenisfondsen.—3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.
Collīna, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinālis en den collis Viminālis.
Collīna (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van Servius Tullius.
Collybus, κόλλυβος, agio bij de geldwisselaars.
Collytus, Κολλυτός, demus in Attica tot de phyle Aegēis behoorende.
Colōnae, Κολωναί, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van Neandria, en eene in Mysia.
Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft, wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia), lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken (z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is, langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten (tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten, waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of 117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte, of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de hellenistische wereld gezocht moet worden.

Columbarium.
Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytanēum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.—2) Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als colōni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.—Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremōna, Placentia, en hadden het ius Latii.—Een andere soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octaviānus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadāna, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn coloniae veteranorum.—De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.
Colonia Agrippīna, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus’ dochter Agrippīna. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.
Colōnus, Κολωνός, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.
Colophon, Κολοφῶν, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoord Κολοφῶνα ἐπιτιθέναι = eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.
Colossae, Κολοσσαί, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo’s tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.
Colossēum, zie Amphitheatrum.
Colōtes, Κολώτης, leerling van Epicūrus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.
Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.
Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon koopen.—Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.
Columella (L. Iunius Moderātus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.

Dorische zuil.

Dorisch kapiteel.
Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel, capitulum, κεφάλαιον. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals, ὑποτραχήλιον, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst, echīnus, ἐχῖνος, en op deze weder de vierkante dekplaat of abacus, ἄβαξ. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten, torus.—De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, τρόχιλοι, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit de περίστασις.—De corinthische zuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.

Ionische zuil.
Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172–173 n. C.), de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174–175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.
Columna bellica, kleine zuil voor den Bellōna-tempel te Rome, ten N.W. van den mons Capitolīnus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.
Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.

Ionisch kapiteel.
Columna rostrāta, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.
Columna Traiāni. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.

Corinthisch kapiteel.
Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditānum (straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.
Colyttus, Κολυττός = Collytus.
Comaetho, Κομαιθώ, dochter van Pterelāus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.
Comāna, τὰ Κόμανα, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermōdon de woonplaats der Amazonen te stellen.
Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester, comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten dienst, en ook honorarii.
Cominii, plebejisch geslacht.
Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atīna, door de Romeinen verwoest (293).
Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot diep in den nacht.
Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.
Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.
Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).
Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer werd onttrokken.—Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en een cent. iuniores van 17–45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.
Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.
Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.
Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.
Commagēne, Κομμαγηνή, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amānus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasiānus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletiānus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.
Commeātus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio’s eene jaarlijksche toelage te geven.
Commentarii, ἀπομνημονεύματα of ὑπομν., fr. mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten, commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.
Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.
Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.
Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180–192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustīna, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.
Commodus (L. Ceionius), zie Verus.
Comoedia, κωμῳδία. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe de parabasis (παράβασις), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (ἀρχαία κωμ.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (ὀνομαστὶ κωμῳδεῖν), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (νέα κωμ.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd der μέση κωμ.—De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae romeinsche toestanden en kleederdrachten voor.
Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.
Compitalia, feesten 3–5 Januari ter eere der Lares compitales, beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd.
Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onder domus.
Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te onderwerpen.
Compsa, stad der Hirpīni in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.
Comum, Κῶμον, stad in Gallia Transpadāna aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.
Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339, ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, den cultus Augusti.
Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zie vicus no. 3.
Concio = Contio.
Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.
Concubinātus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene liberta van hem. Trouwbreuk der concubīna was volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd.
Condāte, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er waren in Gallia Transalpīna een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,—bij de Allobrogers, thans Seyssel,—bij de Redoners, thans Rennes,—bij de Santonen, thans Cognac,—bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.
Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp, b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds.
Condrūsi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.
Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).
Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba (z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: “ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)”. Door deze huwelijksvorm ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.
Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.
Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte te grabbelen geworpen.
Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8 congii op eene amphora.
Conisterium, κονιστήριον, κονίστρα, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.
Connubium, minder goed voor conubium.
Conon, Κόνων, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilēne ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander’s overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilāus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabāzus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribāzus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.—2) van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimēdes, gestorven ± 240.—3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.
Conopēum, κωνωπεῖον, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.
Conquisitōres, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.
Conscripti, zie Patres Conscripti.
Consecratio, zie apotheosis.
Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden: Jupiter en Juno, Neptūnus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diāna, Volcānus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den Clivus Capitolīnus, die nog bestaat.
Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.
Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumētum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.
Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers.
Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletiānus droeg.
Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen, Constantīnus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitāna. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten; de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.
Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.
Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis.
Constantīna, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.
Constantinopolis, zie Byzantium.
Constantīnus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306–337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletiānus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eborācum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximiānus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus’ dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximīnus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.
Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen, de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustīna en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedēa.
Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337–340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans.
Constantīnus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.
Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293–306 n. C., vader van Constantīnus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletiānus en Maximiānus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eborācum (York). Zie Constantinus Magnus.
Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.—Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Juliānus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdūnum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.
Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantīnus III, huwde in 417 na C. ’s keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.
Consualia, z. Consus.
Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate.
Consules, ὕπατοι. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan: toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule: videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153 (z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.—Consul designatus was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.
Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den Aventīnus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptūnus Equester, Ποσειδῶν Ἵππιος. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.
Contestatio litis = Litis contestatio.
Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.
Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is.
Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).
Contubernāles, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.
Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.
Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua et igni interdictio.
Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk, matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium.