A. (continued 3)
Reading edition
Alexandra = Cassandra.
Alexandrīa, Ἀλεξανδρεία. Er zijn niet minder dan tien steden van dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten te danken hebben. De beroemdste is
1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacōtis geheeten, woonde de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden Serāpis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte, terwijl het middengedeelte, Bruchīum, het grieksche kwartier was, waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte, ἑπταστάδιον, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens: de westelijke werd Portus Eunostus (Εὔνοστος, haven der behouden terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, κιβωτός (kast); een kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000 rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapēum telde 42800 rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius’ dood hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapēum door brand te niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (κανόνες) of lijsten van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus, Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers: Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes, Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias, Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperīdes, Dinarchus.
2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.
3) Alexandria in Arīa, thans Herat.
4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus, thans het gebergte Hindoe-koh.
5) Alexandria aan den Indus.
6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.
7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.
8) Alexandria in Sogdiāne, het noordelijkste, daarom ἐσχάτη genoemd, aan den Iaxartes.
9) Alexandria in Susiāne, later verdoopt in Antiochīa, ten slotte na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van den Tigris. Zie Charax no. 1.
10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk, tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en heette toen een tijd lang Antigonīa. Later werd zij eene bloeiende romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen over te brengen.
Ἀλεξίκακος, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere goden en heroën gegeven.
Alexis, Ἂλεξις, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden, maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in een van zijne stukken voor.
Alfēn(i)us Varus, uit Cremōna, een rechtsgeleerde van grooten naam, die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octaviānus met de akkerverdeeling in Transpadāna belast, Vergilius zijn landgoed liet behouden.
Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der toppen. Zie Aequi.
Alimenti, zie Cincii.
Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.
Aliphēra, Ἀλίφειρα of Ἀλίφηρα, bergstad in het landschap Cynuria, in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alphēus. De inw. namen deel aan den bouw van Megalopolis.
Aliptes, ἀλείπτης, badknecht. Zie balneum.
Alīso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden, ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.
Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber, waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli) bleef steeds een dies ater.
Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers, die men er vervaardigde.
Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen, die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend moeite hen in onderwerping te houden.
Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.
Almōpi, Ἀλμῶποι, of -πες, volksstam in het Noorden van Macedonia.
Aloadae, Aloīdae, Ἀλωάδαι, Ἀλωεῖδαι, Otus en Ephialtes, de zonen van Iphimedēa en Poseidon of Alōeus. Zij waren geweldige reuzen, die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd, hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij door Apollo met pijlen doorboord.—V. a. bewerkte Artemis hun dood door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.
Alociae, Ἀλοκίαι, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de tegenwoordige Halligen.
Alōeus, Ἀλωεύς, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedēa gehuwd. De Aloadae zijn naar hem genoemd.
Ἀλογίου γραφή, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Εὔθυναι). De aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf is onbekend.
Alope, Ἀλόπη, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.
Alope, Ἀλόπη, 1) stad in Locris tegenover Euboea.—2) stad in Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiōtis, tusschen Larisa Cremaste en Echīnus.—3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone Alope (z.a.).
Alopece, Ἀλωπεκή, Ἀλωπεκαί, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit dezen demus stamde Socrates.
Alopeconnēsus, Ἀλωπεκόννησος (vosseneil.), stad op de westzijde van de thracische Chersonesus.
Alpēnus, Ἀλπηνός, Ἀλπηνοί, stad in Locris ten oosten van de Thermopylae.
Alpes, Ἄλπεις, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa, die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren strijd voerde.
Alpes maritimae, παραθαλασσίδιαι, de Zeealpen, tot aan den mons Vesulus (M. Viso).
Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius (M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.
Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis Graia = kleine St. Bernhard.
Alpes Poenīnae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard) een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.
Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adūla (z.a.), naar het volk der Lepontii genoemd.
Alpes Tridentīnae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad Tridentum (Trente of Trient).
Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.
Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes Tridentinae.
Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook Alpes Iuliae geheeten worden.
Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.
De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpīna voerde.
Alphesiboea, Ἀλφεσίβοια, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus, gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan Agapēnor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare broeders uit wraak.—2) moeder van Adōnis.—3) ook Anaxibia genoemd, dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.—4) indische nimf, die door Dionȳsus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.
Alphēus, Ἀλφειός, de voornaamste rivier in de Peloponnēsus, die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt, gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de bron Arethūsa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde en naar Ortygia verplaatste.—V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot Ortygia of tot Letrīni in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.
Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie, met een landgoed van Pompeius, Alsiense.
Altāre, zie Ara.
Althaea, Ἀλθαία, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve om het leven bracht.
Althaemenes, Ἀλθαιμένης, zoon van Catreus, koning van Creta; daar een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen rond, totdat hij van droefheid stierf.—V. a. zoude op zijn gebed de aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden hem later als heros.
Altīnum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa’s, weshalve het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452 n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere stad Venetië.
Altis, Ἄλτις, het heilige bosch bij Olympia.
Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte gelegen, met veel wijnteelt.
Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken, een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.
Alyattes, Ἀλυάττης, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van Lydië (612–563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Milētus, maar hij moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs, die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat, naar men meent, nog.
Alyzia, Ἀλυζία, acarnanisch zeestadje.
Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero’s tijd en een der eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl.
Amalthēa, Ἀμάλθεια, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op, vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.—V. a. is Amalthea de naam van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later gaf Amalthea hem aan Achelōus, die zijn eigen horen, in een gevecht met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.—2) een Sibylle van Cumae.
Amalthēum, ook Amalthēa, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epīrus, aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf Amalthēa. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus legde Cicero te Arpīnum een dergelijk zomerverblijf aan.
Amanicae portae, Ἀμανικαὶ πύλαι, naam van twee bergpassen in het Amānusgebergte, z. Amanus.
Amantia, Ἀμαντία, stad in het Noorden van Epīrus, nabij Oricum.
Amānus, Ἀμανός, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus binnentrok heet πύλαι Ἀμανικαί of Ἀμανίδες. In den oostelijken tak lagen de πύλαι Κιλικίας καὶ Συρίας, die Cyrus de jongere op zijn tocht tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg, nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag de pas, waardoor koning Darīus in den rug van Alexanders leger kwam, zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen en verwierf zich den titel van imperator.
Amardi of Mardi, Ἄμαρδοι, Μάρδοι, een oorlogzuchtige en machtige stam in Media, ten Z. van de Caspische zee.
Amarynceus, Ἀμαρυγκεύς, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius, koning der Epeërs. Hij stond Augīas bij in zijn strijd tegen Heracles en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen.
Amarynthus, Ἀμάρυνθος, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel.
Amasēnus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte.
Amasīa, beter Amasēa, Ἀμάσεια, versterkte stad in Pontus, residentie der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar gehouden.
Amāsis, 1) Ἄμωσις, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie, die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.—2) Ἄμασις, een Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen, vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei, aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf echter nog voor dien tijd (526).—3) Schilder van zwartfigurige vazen, omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene.
Amastris, Amestris, Amestrīne, Ἄμαστρις, Ἄμηστρις, Ἀμαστρίνη, 1) gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid berucht.—2; dochter van een broeder van Darīus Codomannus. Bij de groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In 322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van Heraclēa, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea, totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd.
Amastris, Ἄμαστρις, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen.
Amāta, echtgenoote van koning Latīnus, had hare dochter Lavinia aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen Lavinia’s huwelijk met Aenēas. Na Turnus’ dood hing Amata zich op. Zie Aeneas.
Amathūs, genit. -untis, Ἀμαθοῦς, 1) overoude phoenicische stad op de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodīte en Adōnis, en met kopermijnen in de nabijheid.—2) plaats in Palaestina, van den stam Gad, in Peraea.
Amatius, zie Marii no. 5.
Amazones, Ἀμάζονες, Ἀμαζονίδες, een mythisch volk van krijgshaftige vrouwen, in en om de stad Themiscȳra gevestigd. Zij duldden geen mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd; of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk, waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië, waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen, en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus, toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte, de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin Penthesilea door Achilles gedood werd.—Nog ten tijde van Alexander den G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij, niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild, pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben, opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den naam Amazonen (als = ἄμαζοι) kan beschouwd worden.
Ambarri, volk in Gallia Transpadāna ten W. van de Rhône, en aan beide zijden van den Arar (Saône). Lugdūnum (Lyon) lag in hun gebied.
Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres.
Ambiāni, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobrīva, aan de Samara (Somme).
Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal.
Ambiorix, aanvoerder der Eburōnes, die langs de Mosa (Maas) woonden (van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs hierin mede.
Ambilarēti, zie Ambivareti.
Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde, strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores, interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs, sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten, met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig georganiseerd, zooals onder de republiek.
Ambivarēti, Ambilarēti of Ambluarēti, gallisch volk, cliënten der Aeduërs.
Ambivarīti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het tegenw. Namen.
Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius.
Ambracia, Ἀμβρακία, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en Epīrus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia (Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium.
Ambrōnes, Ἄμβρωνες, waarschijnlijk een germaansche stam, die zich bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae Sextiae verslagen werd.
Ambrosia, Ἀμβροσία. 1) Evenals ἀμβρόσιος als bepaling wordt toegevoegd aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden, terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar, gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.—2) eene der Hyaden, die Dionȳsus te Dodōna opvoedden.
Ambrōsus, Ambrȳsus, Ἄμβρωσος, Ἄμβρυσος, Ἄμφρυσος, stad in Phocis, ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde.
Ambubāiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid.
Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (= xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas decursio.
Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia (z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd.
Ambusti, zie Fabii no. 8–13.
Amenānus, Ἀμενανός, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde en nu en dan uitdroogde.
Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen, de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1).
Amestratus, Ἀμήστρατος, stad op de noordkust van Sicilia, dicht bij Calacte.
Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophēne nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor, den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen.
Aminias, Ἀμεινίας, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus.
Amipsias, Ἀμειψίας, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes, wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde hij in 414 den eersten prijs.
Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een scheepsgevecht op deze rivier verslagen.
Amīsus, Ἀμισός, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisēnus, eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning Mithradates VI.
Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den geschiedschrijver Sallustius.
Ammiānus Marcellīnus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten (353–360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochīa, tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van den dood van Domitiānus tot op dien van Valens (96–378), rerum gestarum libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen over is, omvat den tijd van 353 tot 378.
Ammon, Ἄμμων, een aegyptisch god, die later door Grieken en Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om een duidelijk antwoord smeekten.
Ammonium, Ἀμμώνειον, de oase der libysche woestijn, waar de tempel van Jupiter Ammon stond.
Ammonius, Ἀμμώνιος, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.—2) gewoonlijk naar zijn vroeger beroep Σακκᾶς, (zakkendrager), door anderen Θεοδίδακτος genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren, vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam verworven hebben, o.a. Plotīnus en Longīnus. Ook Origenes behoorde tot zijn leerlingen.—3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo (zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt.
Ἀμνηστιά, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken (μὴ μνησικακήσειν), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de amnestie genoemd die, op raad van Thrasybūlus, na de verdrijving der dertig uit Athene (403) gegeven werd.
Amnīsus, Ἀμνισός, havenstad van Cnossus, op Creta.
Amompharetus, Ἀμομφάρετος, een spartaansch lochaag, die in den slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der Spart. vertraagd had.
Amor, z. Eros.
Amorgus, Ἀμοργός, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee, geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord.
Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie, geographie, mythologie en geschiedenis.
Ampelus, Ἄμπελος, Satyr uit het gevolg van Dionȳsus, die in een wijnstok veranderd werd.
Ampelus, Ἄμπελος, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op de oostkust van Creta.
Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).
Amphēa, Ἄμφεια, grensstad van Messenia. De roof van laconische meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken.
Amphianax, Ἀμφιάναξ, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen, dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven.
Amphiaraides, Ἀμφιαραΐδης, Alcmaeon, de zoon van Amphiarāus.
Amphiarāus, Ἀμφιάραος, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra, beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde Amph. met Eriphȳle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons, Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa, had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten, zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Orōpus, waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een zwarten ram en sliepen ’s nachts in den tempel op de vacht daarvan; in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen waren tempels van Amph.
Amphicaea, Amphiclēa, Ἀμφίκαια, Ἀμφίκλεια, stadje in Phocis, aan den noordelijken voet van den Parnassus gelegen.
Amphictyon, Ἀμφικτύων, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die Dionȳsus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.—2) zoon van Deucalion en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond.
Amphictyones, Ἀμφικτύονες, zooals gewoonlijk geschreven wordt, of Ἀμφικτίονες, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is, heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Ἀμφικτυονία) vereenigd hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen, vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben, Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs, Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te Anthēla bij den tempel van Demēter Amphictyonis. Elk der twaalf leden van het verbond zond naar zulk eene vergadering (συνέδριον) zijne afgevaardigden, die deels ἱερομνήμονες, deels πυλαγόραι genoemd worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de πυλαγόραι alleen als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in, waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.—Verder worden nog genoemd de Amphictyonieën van Calaurīa, van Onchestus en van Delus.
Amphidamas, Ἀμφιδάμας = Iphidamas no. 1.
Αμφιδρόμια, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten.
Amphilochia, Ἀμφιλοχία, berglandschap ten Oosten der ambracische golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum.

Amphilochus, Ἀμφίλοχος, zoon van Amphiarāus en Eriphȳle. Hij trok met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten, o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te Athene, Sparta, Orōpus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd.
Amphīon, Ἀμφίων, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op, die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger, hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen, die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.
Amphipolis, Ἀμφίπολις, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ἐννέα ὁδοί, en schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edōnis te zijn geweest. Althans, zoowel van Milētus als van Athēnae uit, werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af, totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na Perseus’ nederlaag tijdelijk werd verdeeld.

Amphiprostylus, ἀμφιπρόστυλος, tempel of ander gebouw met een open portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.
Amphis, Ἄμφις, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie, die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot onderwerpen koos.
Amphissa, Ἄμφισσα, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden, landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340–339), waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens van de phocensische bergvesting Elatēa meester maakte. Later werd Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene civitas libera.

Amphitheātrum, ἀμφιθέατρον, rond of ovaalrond gebouw, met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen werden. In het midden van de binnenruimte was de arēna, het strijdperk, omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste deur werd porta Libitīna geheeten, naar Libitīna, de oud-italische doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen, caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen, die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was derhalve kosteloos.—De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium, door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd, met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen en bekend als il Colosseo (onderste gravure).

Amphitrīte, Ἀμφιτρίτη, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand, maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton, Rhode en Benthesicȳme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie van de zee gebruikt.
Amphitryo, Ἀμφιτρύων, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne dochter Alcmēne tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en Alcmēne volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden, nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen, waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en met Alcmēne huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde in een slag tegen de Minyers.
Amphitryoniades, Ἀμφιτρυωνιάδης, Heracles, als zoon van Alcmēne, de gemalin van Amphitryo.

Amphora, ἀμφορεύς, ἀμφιφορεύς, soort van groote kruik met twee ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim ¼ hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.
Amphoterus, Αμφότερος, 1) z. Acarnan.—2) broeder van Craterus, bevelhebber op de vloot van Alexander.
Amphrȳsus, Ἄμφρυσος, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden van Admētus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates = Sibylla.—2) = Ambrosus.
Ampia Labiēna (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend veldheer te vertoonen.
Ampii, plebejisch geslacht.
Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie Acilia (lex) de repetundis.
Ampsāga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25 vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.
Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculānum in Samnium. Er stegen verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de ingangen tot de onderwereld.
Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe, en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een onderdeel van de Franken.
Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook het latijnsche woord voor λήκυθος (z.a.).
Ampycides, Ἀμπυκίδης, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.
Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.
Amyclae, Ἀμύκλαι, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan; de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.—2) stad in Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen Tarracīna en Caiēta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.
Amyclaeus, Ἀμυκλαῖος, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god, bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.
Amyclīdes, Ἀμυκλείδης, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in Laconië, den stichter van Amyclae.
Amycus, Ἄμυκος, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen, zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden, voor ieders gebruik zou openstellen.
Amymōne, Ἀμυμώνη, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De bron Amymōne bij Argos was naar haar genoemd.
Amynander, Ἀμύνανδρος, koning der Athamanen, bondgenoot van de Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208–205, 200–197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul M’. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had, schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet gekomen te zijn.
Amyntas, Ἀμύντας, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.—2) bevelhebber eener τάξις in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philōtas, maar vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).—3) een Macedoniër, die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg en gedood werd.—4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte (36), welke waardigheid ook Octaviānus hem na den slag bij Actium liet behouden. Hij stierf in 25.
Amyntiades, Ἀμυντιάδης, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.
Amyntor, Ἀμύντωρ, koning van Eleon in Thessalië, of van de Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had, doodde hem.
Amyrtaeus, Ἀμυρταῖος, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later de regeering onder perzische heerschappij.
Amythāon, Ἀμυθάων, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in Messenië, vader van Bias en Melampus.
Amythaonidae, Ἀμυθαονίδαι, zonen en afstammelingen van Amythāon.
Ἀναβαθμοί, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten, muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.
Anacēa, Ἀνάκεια, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.
Anacēum, Ἀνάκειον, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele steden, ook te Athene, vond.
Anacharsis, Ἀνάχαρσις, een scythisch prins, die uit weetgierigheid groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder, koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen zijn onecht.
Anacreon, Ἀνακρέων, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdēra en later naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522) aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of Abdēra. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen; de zoogenaamde anacreontische liedjes (Ἀνακρεοντικά, -τεια) zijn uit den alexandrijnschen tijd afkomstig.
Anactorium, Ἀνακτόριον, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.
Ἀναδικία = παλινδικία.
Anadyomene, Ἀναδυομένη, de “uit zee opstijgende,” bijnaam der uit het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.
Anaea, Ἀναία, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.
Anagnia, Ἀναγνία, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus (Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een landgoed, Anagnium.
Anagnostes, Ἀναγνώστης, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).
Anagogia, Ἀναγώγια, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere van Aphrodīte gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.
Anaītis, Ἀναιῖτις, eene godin, die in verscheiden aziatische landen vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin en identificeerden haar met Aphrodīte of Artemis.
Ἀνακαλυπτήρια, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken, die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk van Hades en Core werden op Sicilië en elders ἀνακαλυπτήρια gevierd.
Ἀνάκρισις, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door een magistraat geleid werd. Bij de ἀνάκρισις werden getuigen gehoord, bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen, verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene γραφή betrof, 1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen; de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.
Anaphe, Ἀναφή, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden behoorende, ten oosten van Thera gelegen.
Anaphlystus, Ἀνάφλυστος, attische demus behoorende tot de phyle Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte haven.
Anāpus, Ἄναπος, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania lag, een zijtak van den Achelōus, en de andere op Sicilia, die ten zuiden van Syracūsae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der bronnimf Cyane.
Ἀνάρρυσις, de tweede dag der Apaturia.
Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van den Theiss.
Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen de provincies Baetica en Lusitania.
Anathēma, ἀνάθημα, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote kostbaarheid en kunstwaarde.
Anatocismus, ἀνατοκισμός, het berekenen van rente op rente. Had dit plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus anniversarius.
Ἀναυμαχίου γραφή of δίκη, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.
Anāva, τὰ Ἄναυα, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae, aan het zoutmeer Ascania.
Anax, Ἄναξ, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes, ook Anaces (Ἄνακτες, Ἄνακες).
Anaxagoras, Ἀναξαγόρας, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk, zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa, totdat de geest (νοῦς) er op werkte en eene scheiding (διάκρισις) van ongelijksoortige en vereeniging (σύγκρισις) van gelijksoortige stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus ὁμοιομερῆ noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de onstoffelijke νοῦς is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes zelve noemde An. σπέρματα of χρήματα, lateren ὁμοιομέρειαι. Wegens deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij, 72 jaar oud, stierf.
Anaxander, Ἀνάξανδρος, koning van Sparta, hij leefde tijdens den tweeden messenischen oorlog.
Anaxandridas, Ἀναξανδρίδας, 1) naam van eenige spartaansche koningen, o. a. van den vader van Leonidas.—2) geb. te Camīrus, leefde omstreeks 375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne 65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna niets over.
Anaxarchus, Ἀνάξαρχος, van Abdēra, leerling van Democritus, vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd εὐδαιμονικός bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel verpletterd zijn.
Anaxarete, Ἀναξαρέτη, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen werd, veranderde Aphrodīte haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.
Anaxibia, Ἀναξιβία, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius, moeder van Pylades.—2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte, waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats, voortaan Anatole genaamd, op.—3) Zie Alphesiboea.
Anaxibius, Ἀναξίβιος, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium, toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar Abȳdus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag, hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.
Anaxilāus, Ἀναξίλαος, 1) tyran van Rhegium (494–476), uit Messenië afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs, Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf, Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren verdreven werden.—2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk geven.—3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larīsa, door Augustus in 28 wegens tooverij uit Italië verbannen.
Anaximander, Ἀναξίμανδρος, geb. te Milētus in 610, de eerste grieksche schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales, leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort na 547. In zijn werk περὶ φύσεως neemt hij als grondstof van het heelal iets oneindigs (ἄπειρον) aan, dat hij niet nader bepaalt, maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.
Anaximenes, Ἀναξιμένης, 1) geb. te Milētus, waarschijnlijk tusschen 560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende lucht aan, waaruit door verdikking (πύκνωσις) en verdunning (μάνωσις, ἀραίωσις) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft en bijeenhoudt.—2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van Alexander d. G., schreef Ἑλληνικά, eene soort algemeene geschiedenis, en Φιλιππικά, de geschiedenis van Philippus, τὰ περὶ Ἀλέξανδρον, die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander van Isocrates. De ῥητορικὴ πρὸς Ἀλέξανδρον, die onder de werken van Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.
Anaxo, Ἀναξώ, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon, moeder van Alcmēne.
Anazarbus, Ἀνάζαρβος, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarēa (ad Anazarbum) genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.
Ancaeus, Ἀγκαῖος, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door het Calydonische zwijn gedood.—2) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: πολλὰ μεταξὺ πέλει κύλικος καὶ χείλεος ἄκρου. Op hetzelfde oogenblik werd de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.—3) een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een vuistgevecht overwonnen.
Anchesmus, Ἀγχεσμός, berg ten N. O. van Athene, met een tempel van Zeus.
Anchiale, Ἀγχιάλη, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus Euxīnus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de vorm Anchialus komt voor.
Anchīses, Ἀγχίσης, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter van koning Ilus. Bij Aphrodīte, die hem om zijne schoonheid liefhad, verwekte hij den beroemden held Aenēas. Toen hij zich eenmaal op zijne verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf en op den berg Eryx begraven werd.
Anchisiades, Ἀγχισιάδης, patron. = Aenēas.

Ancīle, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden, waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.
Ancōna, ἡ Ἀγκών, belangrijke havenstad in Picēnum aan de adriatische zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog van Traiānus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.
Ancora, ἄγκυρα. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte men groote steenen (εὐναί) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers hadden slechts één tand (ἄγκυρα ἑτερόστομος); de latere waren, evenals de onze, tweetandig (ἀμφίστομοι). Het noodanker, dat voor het uiterste gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.
Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641–617) van wien de romeinsche geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa’s dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventīnus ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.
Ancȳra, Ἄγκυρα, naam van eene stad in Phrygia en van eene in Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht; hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men sedert 1553 het marmor Ancyrānum ontdekt heeft, een in latijnschen en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van ’s keizers regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausolēum werd aangetroffen.
Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.
Andania, Ἀνδανία, oude residentiestad der messenische koningen, in het N. van Messenië gelegen.
Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire), in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.
Andes, 1) = Andecavi.—2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van Vergilius.
Andocides, Ἀνδοκίδης, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks 440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot, die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners uitgezonden werd om Corcȳra te helpen. Van medeplichtigheid aan de verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415), redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen, o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30, en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken, maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn zeker echt: περὶ τῆς ἑαυτοῦ καθόδου (uit 407) en περὶ τῶν μυστηρίων (uit 399); waarschijnlijk echt is ook περὶ τῆς πρὸς Λακεδαιμονίων εἰρήνης (uit 392/391); onecht is de rede κατ’ Ἀλκιβιάδου.—2) Attisch vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.
Andraemon, Ἀνδραίμων, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus, dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.—2) zoon van Oxylus, echtgenoot van Dryope.
Ἀνδραποδισμοῦ γραφή, aanklacht wegens het verkoopen van vrije menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak werd behandeld door de elfmannen.
Ἀνδρεῖα = συσσίτια. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld waren, heetten ἀνδρεῖα.
Andriscus, Ἄνδρισκος, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen, doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.
Androcles, Ἀνδροκλῆς, een demagoog, die na den val van Alcibiades leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410 werd hij door de oligarchische partij vermoord.
Androclīdas, Ἀνδροκλείδας, een Thebaan die, door Perzië met geld ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor de terugkomst van Agesilāus uit Azië noodzakelijk werd.
Androclus, Ἄνδροκλος, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen, gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.
Androgeos, Ἀνδρογεώς, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene, toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk vermoorden.
Ἀνδροληψία. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was, en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de rechtbank te brengen. Dit recht heette ἀνδροληψία. Hoe het proces verder gevoerd werd, is onbekend.
Andromache, Ἀνδρομάχη, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door Neoptolemus naar Epīrus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon, Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelāus haar uit jaloerschheid dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.
Andromeda, Ἀνδρομέδα, dochter van Cepheus en Cassiopēa. Daar hare moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland, waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later onder de sterrenbeelden geplaatst.
Ἀνδρών, Ἀνδρωνῖτις, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen, bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende vertrekken, meer in het bizonder ἀνδρῶνες genoemd, lagen rondom een open plaats (αὐλή), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze αὐλή. De Romeinen noemen ἀνδρών een gang, waarschijnlijk de gang, die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.
Andronīcus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.
Androsthenes, Ἀνδροσθένης, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef een tocht langs de arabische kust.
Androtion, Ἀνδροτίων, leerling van Isocrates, schrijver eener geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.
Andrus, ἡ Ἄνδρος, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan den god Dionȳsus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.
Anemorēa, Ἀνεμώρεια, stad ten O. van Delphi.
Anemurium, Ἀνεμούριον, kaap en stad in West-Cilicia.
Angitia of Anguitia, slangengodin of ook “wurgster,” oud-italische godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene zuster van Medēa.
Anglii of Angīli, Ἀγγεῖλαι, germaansche volksstam, van de Elbe tot in de Chersonēsus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin Nerthus vereerden.
Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser), in den regel bevriend met de Romeinen.

Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer Traiānus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was, naar men zegt, overgenomen van de Parthen.
Anguitia, zie Angitia.
Anicii, plebejisch geslacht.
Anīgrus, Ἄνιγρος, bij Hom. Μινυήιος geheeten, klein stinkend kustriviertje in Triphylia.
Anio, g. ēnis, Ἀνίων, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door de censoren M’. Curius Dentātus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en onder Claudius voltooid.
Anius, Ἄνιος, zoon van Apollo en Creūsa of Rhoeo, op Delus geboren, waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland maakte. Aenēas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem ontvangen. Zie Lavinia.
Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou Anna na Dido’s dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk hebben geleden en door Aenēas opgenomen en aan de vriendschap zijner echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom gewaarschuwd tegen Lavinia’s ijverzucht, stortte Anna zich in het riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis moeten gevormd zijn.
Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin, Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.
Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (± 54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ± 39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae (1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en verhandelingen over verdichte gevallen.—2) L. Annaeus Seneca, zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte, geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren (41–49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII, ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus, Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood uitgegeven, de ἀποκολοκύντωσις. Door zijn geschriften, waarin hij de denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend, ook op volgende geslachten.—3) M. Annaeus Lucānus, kleinzoon van den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.—4) L. Annaeus Cornūtus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero, die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van den satirendichter Persius.—5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.
Annāles, χρονικά. Oudtijds werden ook te Rome de namen der overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234–149) en diens Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius Hemina, Q. Fabius Maximus Serviliānus (consul 142), L. Calpurnius Piso (c. 133), C. Sempronius Tuditānus (c. 129), S. Fannius (c. 122), Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias, C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis.
Annālis (lex), zie Villia lex (annalis).
Anniceris, Ἀννίκερις, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met Epicūrus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Ἀννικέρειοι.
Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Belliēni, de Lusci, de Milōnes behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.—2) T. Annius Luscus Rufus, consul 128.—3) T. Annius Milo Papiānus, zoon van C. Papius Celsus uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius (z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde Milo Cicero’s terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo, die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius, die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door een van Milo’s slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden, waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd, werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die, welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.—4) A. Annius Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriācum tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius Civīlis en de Batavieren.—5) P. Annius Florus, zie Florus.—6) L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadriānus tot zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antonīnus Pius werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus Aurelius en Verus.
Annōna, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen, om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aedīles Cereāles te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs, dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123 riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven, volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6⅓ as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus verlaagde den prijs tot ⅚ as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op, maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en stelde den prijs per modius opnieuw op 6⅓ as. De lex Clodia, 58, beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen, het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere als tesseram frumentariam emere.
Annulus, beter anulus, δακτύλιος, σφραγίς. Aan den ringvinger der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.—Ook voor huishoudelijke zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen, anuli velares, enz.
Annus, τὸ ἔτος. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden, gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354 dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30 heetten μῆνες πλήρεις, de andere κοῖλοι. Om de 3 jaren schoof men eene schrikkelmaand in (μὴν ἐμβολιμαῖος); het schrikkeljaar heette daarom τριετηρίς. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de volgende 12 maanden: 1) Ἑκατομβαιών (van midden Juli–midden Aug.), genoemd naar het feest der hecatomben.—2) Μεταγειτνιών (Aug.–Sept.), de verhuismaand (waarin men van γείτονες, buren, verwisselde).—3) Βοηδρομιών (Sept.–Oct.), naar het feest der Βοηδρόμια, ingesteld ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.—4) Πυανεψιών (Oct.–Nov.), naar het feest der Πυανέψια, het boonenfeest, ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten at.—5) Μαιμακτηριών (Nov.–Dec), naar het feest der Μαιμακτρήρια, ter eere van Ζεὺς Μαιμάκτης (= de razende, de god der stormen).—6) Ποσειδεών (Dec.–Jan.), naar Poseidon.—6*) In een schrikkeljaar werd een tweede Ποσειδεών ingeschoven.—7) Γαμηλιών (Jan.–Febr.), huwelijksmaand.—8) Ἀνθεστηριών (Febr.–Mrt.), naar de Ἀνθεστήρια, een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionȳsus.—9) Ἐλαφηβολιών (Mrt.–Apr.), naar de Ἐλαφηβόλια, het hertenjachtfeest, ter eere van Artemis.—10) Μουνυχιών (Apr.–Mei), naar het feest der munychische Artemis.—11) Θαργηλιών (Mei–Juni), naar de Θαργήλια, een feest ter eere van Apollo en Artemis.—12) Σκιροφοριών (Juni–Juli), naar de Σκιροφόρια, een feest ter eere van Athēna Sciras (σκίρον is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette μὴν ἱστάμενος of ἀρχόμενος, de tweede μὴν μεσών, de derde μὴν φθίνων, ἀπιών, λήγων of παυόμενος. De dagen der beide eerste dekaden werden van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag ἐνάτη of δεκάτη φθίνοντος heette, is niet zeker. In het laatste geval moest de δευτέρα φθίνοντος worden uitgelaten; want de laatste dag der maand heet altijd ἕνη καὶ νέα, als zijnde de dag, waarop oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik, waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Ἕνη καὶ νέα is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is (de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds tot de nieuwe maand behoort.—Het romeinsche jaar was evenzeer een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden, waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.—2) m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het jaar werd besloten.—3) m. Martius, aan Mars gewijd.—4) m. Aprīlis, van aperire, het openen der bloemknoppen.—5) m. Maius, naar Maia.—6) m. Iunius, aan Juno geheiligd.—7) m. Quinctīlis, oorspronkelijk de vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.—8) m. Sextīlis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.—9–12) m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices, die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445 dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op 1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het weder op een anderen datum bracht.
In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen: Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten, omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24 Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.
Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.
Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.

Antae, παραστάδες, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke antae werd een templum in antis (ἐν παραστάσι) genoemd.
Antaeus, Ἀνταῖος, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus, die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde) nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond te regenen.
Antalcidas, Ἀνταλκίδας, een Spartaan, die in 393 naar den perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen; toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde, indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd, dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.
Antandrus, Ἂντανδρος, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van Adramyttium. Aenēas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor Sparta gebouwd.
Antaradus, Ἀντάραδος, havenstad van Aradus, in het Noorden van Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er tegenover op de kust.
Anteambulōnes, cliënten (in de latere beteekenis van het woord), die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim baan voor hen te maken.
Antēa, Ἄντεια, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten, en werpt haar bij het eiland Melos in zee.
Antecessōres of antecursōres, lichte troepen, vooral ruiterij, die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning vooruitgingen.—Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, ἐξηγηταί.
Antēius (P), gunsteling van Agrippīna, doch om deze reden door Nero gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd aangaande Nero’s dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich de aderen (66 n. C.).
Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.
Antēnor, Ἀντήνωρ, zoon van Aesyētes en Cleomestra, zwager van Priamus, die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald, dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou de helft van Priamus’ bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw rijk gesticht hebben, of met Menelāus scheep gegaan en te Cyrēne gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden, of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.
Antepilāni. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.
Anteros, Ἀντέρως, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodīte hem op raad van Themis dezen broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.
Antesignāni, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de adelaar, bij de triariërs was.—2) In Caesars tijd was antesignani de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en dus altijd slagvaardig.
Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.
Anthēdon, Ἀνθηδών, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon, de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier geleefd hebben.
Anthēle, Ἀνθήλη, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een tempel van Demēter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden gehouden.
Anthemus, ἡ Ἀνθεμοῦς, stad op Chalcidice, door Philippus van Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.
Anthemusia, Ἀνθεμουσία, stad en landschap in het mesopotamische gewest Osroēne, ten Z.W. van Edessa.
Anthēne, Ἀνθήνη, vlek in Thyreātis of Cynuria.
Anthesteria, Ἀνθεστήρια, een van de groote feesten ter eere van Dionȳsus, te Athene den 11–13 Anthesterion (Februari-Maart) gevierd. Den eersten dag (Πιθοιγία, opening der vaten) vierde men het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest (Χόες), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Χύτροι, pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.
Anthesterion, Ἀνθεστηριών, 8ste maand van het Attische jaar (Febr.–Maart), z. Annus.
Anthylla, Ἄνθυλλα, stad in de Nijldelta tusschen Canōpus en Naucratis.
Antias, zie Valerii no. 36.
Anticlēa, Ἀντίκλεια, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes, moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar Sisyphus tot vader had.
Anticirrha of -cyra, Ἀντίκιρρα, -κυρα, naam van twee steden, de eene in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Sperchēus. Beide steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en krankzinnigheid werd aangewend.
Ἀντίδοσις, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde inventaris (ἀπόφασις) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was, enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke ruiling nooit plaats gehad.
Antigone, Ἀντιγόνη, 1) dochter van Oedipus en Iocaste of Euryganēa. Toen haar blinde vader in ballingschap ging, vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynīces, waagde zij het, in weerwil van Creon’s verbod, den gesneuvelden Polynīces te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar bruidegom Haemon, Creon’s zoon, zich aan haar zijde van het leven beroofde.—V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische treurspeldichters vermeld.—2) dochter van Eurytion, gemalin van Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamēa onbeantwoord liet, zond deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.—3) dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken, dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.
Antigonēa, -nia, Ἀντιγόνεια, -νια, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus Nicātor het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de nabijheid gestichte Antiochīa over.—2) in Macedonia aan den Axius.—3) in Chalcidice.—4) in Epīrus aan den Aōus. Ook Alexandrīa Troas en Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.
Antigonus, Ἀντίγονος, 1) Κύκλωψ of Μονόφθαλμος, afstammend van de vorsten van Elymiōtis, een man van een heerschzuchtig, maar vast karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G., die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië, Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië, Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcētes bijgestaan werd. De nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen beslist.—2) Γονατᾶς (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van Demetrius Poliorcētes, wist zich in de Peloponnēsus te handhaven, toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood (283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd, eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epīrus, maar telkens keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epīrus. In 277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia, later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij stierf in 240.—3) Δώσων (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of Ἐπίτροπος, kleinzoon van Demetrius Poliorcētes, bestuurde Macedonië na den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde, als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp ingeroepen door Arātus, die het achaeïsch verbond onder macedonische bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnēsus, overwon Cleomenes (z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn terugkomst in Macedonië overleed hij.—4) van Carystus, leefde aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.