P.
Reading edition
Paches, Πάχης, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilēne tot overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor het gerecht.
Pachȳnum of -us, Πάχυνος, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd.
Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden voorkomen.
Pacorus, Πάκορος, parthische koningsnaam in de dynastie der Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn vader Orōdes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenīce, Palaestīna en Cilicia met behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labiēnus, doch P. Ventidius Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus’ dood.—2) een koning Pacorus regeerde tijdens Domitiānus en Traiānus.
Pactōlus, Πακτωλός, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus, stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel goudstof mede, weshalve het χρυσορρόας werd genoemd. Hier behoort de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan de bron van den P. moest afspoelen.
Pactye, Πακτύη, stad aan de O. kust der thracische Chersonēsus, verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea.
Pactyes, Πακτύης, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder, maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen uitgeleverd werd.
Pactyica, Πακτυϊκή, land der Pactyes, oostelijk gewest van het perzische rijk, ten Z. van den Paropanīsus, een onderdeel van het latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen.
Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan afbrengen.—2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220 geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia, doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld, waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won, de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum, waar hij in 132 stierf.—Later komen er nog andere Pacuvii voor, o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld, die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om zijn losbandige levenswijze.
Padaei, Παδαῖοι, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat.
Padus, rivier in Gallia Cisalpīna, thans de Po. Hij stortte zich in zee door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven: Padūsa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae Philistīnae. Zie ook Eridanus.
Padūsa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie Padus.
Paean, Παιάν, Παιών, Παιήων, 1) de geneesheer der goden. Verder bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius, Dionȳsus, Thanatus e. a.—2) een lied, waarin Apollo onder den naam Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof- en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de overwinning zong.
Paeania, Παιανία, demus van Attica, ten O. van den Hymettus, geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Παιανιεύς).
Paeanius, Παιάνιος, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het Grieksch vertaalde (380 n. C.).
Paedagōgus, παιδαγωγός, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven, maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren tijd en slechts bij enkelen ingang.
Paeligni = Peligni.
Paemāni, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het tegenw. Luik.
Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien.
Paeon, Παιών, Παιήων, z. Paean.
Paeon, Παίων, zoon van Endymion, broeder van Epēus (z. a.); v.s. was Paeonië naar hem genoemd.
Paeones, Παίονες, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius.
Paeonia, Παιονία, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia (z. a.).
Paeonia, Παιονία, of Paeonidae, Παιονίδαι, demus van Attica, ten N. van Acharnae.
Paeonius, Παιώνιος, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw, werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus (± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Milētus.—2) van Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld, voorstellend de godin der overwinning (Νίκη), hoewel niet ongeschonden, te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de (eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft.
Paeoplae, Παιόπλαι, paeonische stam aan de macedonische kust, aan den Strymon en den mons Pangaeus.
Paestum, Παῖστον, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan den sinus Paestānus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524 gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel.
Paesus, Παισός, stad en rivier in Troas, aan het begin van de Propontis. De stad is door Milete gesticht.
Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.—2) echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecīnae.—3) vriend van Cicero, zie Papirii no. 14.—4) senator onder Nero, zie Thrasea.
Pagae, Pegae, Παγαί, Πηγαί, versterkte havenstad in Megaris aan de Corinthische golf.
Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae, zie feriae.
Pagāni, zie pagus.
Pagasae, Παγασαί, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap Pelasgiōtis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus (golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch.
Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet, somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagāni. De dorpen, vlekken en gehuchten in zoo’n distrikt heetten vici (zie vicus no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij de kerkelijke schrijvers = heidenen.
Παιδεραστία, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten, in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd, maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog, ontstond.—De man heette op Creta φιλήτωρ, te Sparta εἰσπνήλας (inblazer), de knaap op Creta κλεινός (geroemde), te Sparta ἀίτας (toehoorder).—Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn, dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen, vooral in den keizertijd, ingang vond.
Παιδονόμος, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de βίδυοι, en onder hem stonden de μαστιγοφόροι, om door hem opgelegde straffen te voltrekken.
Παιστική, landstreek in het N. van Thracia.
Palaegambrīum, Παλαιγάμβρειον, stad in Aeolis aan den Caīcus.
Palaemon, Παλαίμων, z. Melicertes.
Palaepolis, Παλαίπολις, zie Neapolis.
Palaephatus, Παλαίφατος, 1) van Abȳdus, vriend van Aristoteles, schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele fragmenten na verloren gegaan zijn.—2) Aegyptenaar of Athener, wordt geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje περὶ ἀπίστων, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt.
Palaerus, Παλαιρός, zeestad in het N.W. van Acarnania.
Palaescepsis, Παλαίσκηψις, zie Scepsis.
Palaeste, Παλαίστη, kustplaats in het N.W. van Epīrus, bij de Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius optrok.
Palaestīna, Παλαιστίνη = land der Philistijnen, Philistaei, Φιλισταῖοι, die langs de kust der Middellandsche zee van de aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen: ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten; het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land) genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonītis; het Z. deel heette Galaädītis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo’s leven echter ging Syria weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen; het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd, en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes, om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64 vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobūlus en Hyrcānus hadden de inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herōdes en Herōdes Agrippa.
Palaestra, παλαίστρα, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door athleten van beroep bezocht werden.
Palaetyrus, Παλαίτυρος, zie Tyrus.
Palamēdes, Παλαμήδης, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen, dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had, waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomēdes, naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.—Hij had later een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus.
Palatīnus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatīnus.
Palatīnus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero, Crassus, Hortensius, Catilīna en Clodius. Uit iets lateren tijd is nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de domus Augustāna, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek, de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium, door Domitiānus of één der latere keizers in den berg uitgegraven, en het Septizonium, door Septimius Sevērus gebouwd.
Πάλη, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter, wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet, totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt.
Palenses, Παλῆς, inwoners der stad Pale, Πάλη, in het W. van het eiland Cephallenia.
Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia.
Palibothra, Παλιβόθρα, groote en bijzonder sterke hoofdstad der Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna.
Palīce, Παλική, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2), ten N.W. van Syracūsae, bij het heiligdom der Palīci (z. a.).
Palici, Παλικοί, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen, maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracūsae (zie Palice) waren twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken, zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden.
Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van de stichting van Rome.
Palimbothra = Palibothra.
Παλινδικία, ἀναδικία, tweede behandeling van een proces. Men konde nl. vernietiging van een vonnis vragen (παλινδικεῖν, ἀναδικάζεσθαι), wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. διαιτητής) was uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. ἔρημος δίκη) of op grond van valsche getuigenissen (z. ψευδομαρτυριῶν δίκη) veroordeeld was.
Παλινῳδία, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger gezegde. Beroemd is de παλ. van Stesichorus (z.a.).
Palinurus, Παλίνουρος, stuurman van Aenēas, viel bij de naar hem genoemde kaap Palinūrum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land, maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld.
Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige stola.—2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde hun een rijziger gestalte te geven.
Pallacopas, Παλλακόπας of Pallacottas, Παλλακόττας, zijkanaal van den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep.
Palladium, Παλλάδιον, een beeld van Pallas Athēna of van Pallas, de dochter van Triton, door de godin Athēne zelve gemaakt en door Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden, zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en Dīomēdes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene (z. Diomēdes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aenēas het naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht.
Palladius (Rutilius Taurus Aemiliānus), rom. schrijver van een uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de 4de eeuw na C.
Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is de Mons Palatīnus genoemd.
Pallantia, Παλλαντία, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis, thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius (Douro).
Pallantias, -tis, Aurōra, kleindochter van Pallas.
Pallantidae, Παλλαντίδαι, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood, deels verjaagd werden.—Ook eene atheensche familie, die van dezen Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo.
Pallantium, Παλλάντιον, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea, vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis.
Pallas, Παλλάς, gen. -άδος, 1) P. Athēna z. Athēna.—2) eene gezellin van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is eigenlijk niemand anders dan de godin zelve.
Pallas, Πάλλας, gen. -αντος 1) een van de Titanen, zoon van Crius en Eurybia.—2) een van de Giganten, door Athēna gedood en gevild; met zijne huid bekleedde zij haar schild.—3) zoon van Lycāon, grootvader van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.—4) zoon van Euander (z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.—5) zoon van Pandīon, broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij werd door Theseus gedood.—6) een vrijgelaten slaaf, broeder van Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas), die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippīna en de adoptie van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht.
Pallēne, Παλλήνη, 1) W. landtong van Chalcidice.—2) demus in Attica.
Palliāta, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden.

Pallium, ἱμάτιον, φᾶρος, lange wollen mantel, meestal wit, bij de Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden wilden worden.
Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Baleāris maior.
Palmȳra, Παλμύρα, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenāthus er in 260 na C. een zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in 272 werd Palmyra door keizer Aureliānus ingenomen en, na een opstand, verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn.
Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der rom. veldheeren. Paludātus = met den veldheersmantel bekleed.
Palumbīnum, stadje in Samnium, ligging onbekend.
Pamīsus, Πάμισος, 1) zuidelijke zijtak van den Penēus in Thessalia.—2) rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.—3) oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van Thalamae in de Messenische golf uitloopt.
Pammenes, Παμμένης, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas, onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een leger in de Peloponnēsus om de Arcadiërs gedurende de stichting van Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche hulptroepen van Artabāzus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen hij echter met de vijanden van Artabāzus onderhandelingen aanknoopte, liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.—2) leeraar der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof van hem spreekt.
Pammerope, Παμμερόπη, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de eleusinische mysteriën.
Pamphila, Παμφίλη, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij leefde in het begin der vierde eeuw.—2) aegyptische of epidaurische vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis, wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero.
Pamphilus, Πάμφιλος, 1) atheensch veldheer, landde in den corinthischen oorlog op Aegīna en belegerde de stad (389), daar zijne vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5 maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de boete betaald had.—2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte op Samus, waar Epicūrus zijne voordrachten hoorde.—3) van Amphipolis, beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook werken van hem over schilderkunst worden genoemd.—4) uit Alexandrīa, grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek.
Pamphos, Παμφώς, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen ter eere van verschillende goden werden toegeschreven.
Πάμφυλοι, naam van een der drie dorische phylae (z. φυλή), zoo genoemd naar Pamphȳlus.
Pamphylia, Παμφυλία, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en Grieken, hieraan was ook de naam Pamphȳli, Πάμφυλοι, ontleend. Het land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische, pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn Aspendus, Perge, Side en Attalēa.
Pamphȳlus, Πάμφυλος, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar de Peloponnēsus en sneuvelde daar.
Pan, Πάν, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren, een staart en bokspooten (Αἰγιπόδης, Semicaper), bovendien was hij geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Νόμιος), bosschen en weiden, jacht (Ἀγρεύς), visscherij en bijenteelt. Het liefst zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Ὀρεσσιβάτης), waar hij jaagt, de nimfen bij den dans aanvoert (Φιλόχορος) of zich vermaakt met het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx), waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen; van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen) schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen en verdere afstammelingen (Πᾶνες, Πανίσκοι, Panisci) sluit hij zich gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionȳsus aan. De nimfen, die hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.—In lateren tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor, zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.—Pan werd vooral in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks te zijner eer een wedloop met fakkels.—Men offerde hem bokken, lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom waren hem gewijd.—De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus.
Panacēa, Πανάκεια, dochter van Asclepius.
Panachaicus (mons), Παναχαϊκὸν ὄρος, berg in Achaia, ten Z. van de invaart der Corinthische golf.
Panactum, Πάνακτον, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten N. van Eleusis.
Panaei, Παναῖοι, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis woonachtig.
Panaenus, Πάναινος, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias, medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in de ποικίλη στοά te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius.
Panaetius, Παναίτιος, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks 180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112 stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels verloren, zijn voornaamste werk περὶ τοῦ καθήκοντος werd door Cicero in zijn werk de officiis nagevolgd.
Panaetolicus (mons), Παναιτωλικὸν ὄρος, berg in het hart van Aetolia, ten N. van den Trichonius lacus.
Panathenaea, Παναθήναια, het voornaamste feest der Atheners in het derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten, tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athēna Polias gevierd. De invoering er van als een landelijk feest onder den naam Ἀθήναια wordt aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek, gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden de groote optocht (πομπή), waarmede aan de godin een nieuw kleed (πέπλος) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met olijftakken in de handen (θαλλοφόροι), dochters van edele burgers, die mandjes met offergereedschap droegen (κανηφόροι), terwijl stoelen en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der metoeci (διφροφόροι, σκιαδηφόροι), verder volgde de ruiterij en verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot genoeg om het geheele volk te onthalen.—De fries van het Parthenon was door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog bewaard gebleven.—Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers.
Panchaea, Παγχαία, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen van verschillenden aard, z. Euhemerus.
Pancration, παγκράτιον, worsteling en vuistgevecht tusschen athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus.
Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van het Capitolium een tempel had.
Pandareüs, Πανδάρεος, zoon van Merops, stal voor Tantalus een gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië, waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aēdon; de andere twee werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodīte, Hera, Artemis en Athēna met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen tot dienaressen gegeven.
Pandarus, Πάνδαρος, 1) zoon van Lycāon, aanvoerder van de lycische bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een tweegevecht tusschen Menelāus en Paris beslist zoude worden, schond P. op aansporing van Athēna dit verdrag door op Menelaus een pijl af te schieten. Hij werd door Diomēdes gedood.—2) zoon van Alcānor, tochtgenoot van Aenēas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood.
Pandataria, Πανδαταρία, eiland op de kust van Campania, waarheen Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippīna de oude werd hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den hongerdood.
Πανδέκται, zie Digesta.
Pandēmus, Πάνδημος, bijnaam van Aphrodīte (z. a.).
Pandīon, Πανδίων, 1) zoon van Phineus en Cleopatra. Ten gevolge van de valsche beschuldigingen hunner stiefmoeder Idaea, werd hij met zijn broeder Plexippus door Phineus van het gezicht beroofd en gevangen gehouden, z. Calais.—2) koning van Athene, vader van Erechtheus, Butes, Procne en Philomēla.—3) zoon van Cecrops, koning van Athene, van waar hij door de Metioniden verdreven werd. Hij vluchtte naar Megara, waar hij de dochter van koning Pylas huwde, de regeering kreeg, en na zijn dood als heros vereerd werd. Zijne zonen waren Aegeus, Pallas, Nisus e. a.
Pandionis, Πανδιονίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Pandōra, Πανδώρα, de eerste vrouw, door alle goden (vandaar de naam) met schoonheid, lieftalligheid en kunstvaardigheid begiftigd, had van Zeus een doos gekregen, waarin alle ongelukken opgesloten waren. Daarop liet hij haar door Hermes naar Epimētheus brengen, die haar tegen den raad van Promētheus ontving. Uit nieuwsgierigheid opende zij het deksel van de doos, waarop alle rampen zich over de aarde verspreidden; alleen de hoop bleef op den bodem er van liggen, toen P. het deksel spoedig sloot.
Pandōrus, Πάνδωρος, zoon van Erechtheus en Praxithea, stichter eener atheensche volkplanting op Euboa.
Pandosia, Πανδοσία, 1) stad in het epirotische landschap Thesprotia aan den Acheron.—2) stad in Lucania, ten W. van Heraclēa.—3) stad in Bruttii bij Consentia.
Pandotīra, Πανδότειρα, geefster van alles, bijnaam van Demēter.
Pandrosus, Πάνδροσος, dochter van Cecrops, had te Athene naast den tempel van Athēna Polias een heiligdom, waarin de heilige olijfboom stond. Athene zelve heeft ook den bijnaam Pand.
Panegyris, πανήγυρις, groote feestvergadering, zooals bijv. bij de viering van de groote nationale feesten der Grieken gehouden werd. De feestredenen (πανηγυρικοὶ λογοί) bij zulke gelegenheden uitgesproken, waren dikwijls schitterende voorbeelden van welsprekendheid en stijl. Zij strekten meestal tot verheerlijking van het feest of de feestvierenden, soms ook van enkele personen; in het laatste geval waren het lofredenen, en in deze beteekenis komen Panegyrici ook bij de Rom. voor.
Pangaeus (mons), Πάγγαιον ὂρος, gebergte op de macedonische kust, ten O. van Amphipolis, tot welks gebied het behoorde. Het leverde goud en zilver op.
Panhellenius, Πανελλήνιος, bijnaam van Zeus als den nationalen god van alle Grieken. Onder dien naam had hij op Aegīna een tempel, het Panhellenium, en werden voor hem op verscheiden plaatsen feesten, Panhellenia, gevierd.
Panhormus = Panormus.
Panionia, Πανιώνια, vergadering der 12 steden van Ionië bij den bondstempel, het Panionium, nabij Mycale gehouden en verbonden met feesten ter eere van Poseidon.
Panionium, Πανιώνιον, tempel van Poseidon bij kaap Mycale, bondstempel der aziatisch-ionische steden.
Paniscus, Πανίσκος, z. Pan.
Pannonia, Παννονία, rom. Donauprovincie, door den Donau begrensd, van omstreeks Vindobōna (Weenen) af tot aan de samenvloeiing met de Tisia (Theiss). De inwoners waren hoofdzakelijk van illyrischen stam. Er waren echter sedert de 4de eeuw vele keltische stammen ingedrongen, o. a. de Scordisci. Onder Augustus werd Pann. tot rom. provincie gemaakt, maar eerst na de demping van den pannonischen opstand (6–9 n. C.) door Tiberias werd de rom. heerschappij er bevestigd. Het land werd ingedeeld in P. Superior en P. Inferior. In den lateren keizertijd werd de indeeling herhaaldelijk gewijzigd, en o. a. Valeria (zie Valeria no. 3) er van afgescheiden.
Panomphaeus, Πανομφαῖος, bijnaam van Zeus als den god, die door hoorbare teekens de toekomst voorspelt.
Panope, Panopeus, Πανόπη, Πανοπεύς, oude belangrijke stad in Phocis, dicht bij de grenzen van Boeotia, later vervallen.
Panopeus, Πανοπεύς, zoon van Phocus, vergezelde Amphitryo op zijn tocht tegen de Taphiërs en nam deel aan de calydonische jacht. Hij was de vader van Epēus no. 2.
Πανοπλία, de geheele uitrusting van een zwaargewapende, schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans. Deze moest ieder hopliet zich zelf aanschaffen. Vandaar dat het aantal zwaargewapenden in de Grieksche staten steeds tamelijk gering gebleven is, en men gerust kan aannemen, dat ieder boerengezin, iedere familie van ζευγῖται, slechts één hopliet behoefde te leveren. Z. ook ὁπλῖται en ψίλοι.
Panopolis, Πανόπολις, oudtijds Chemmis, Χεμμίς, Χεμμώ, oude stad in Aegypte, aan den Nijl, stroomafwaarts van Thebae, grootendeels door linnenwevers en metselaars bewoond.
Panoptes, Πανόπτης, bijnaam van Argus naar de vele oogen, waarmede zijn lichaam bezaaid was.
Panormus, doch beter Panhormus, Πάνορμος (= geheel en al haven). 1) havenstad op Sicilia, thans Palermo, phoenicische volkplanting, later carthaagsch, sedert 254 in handen der Rom.—2) in Achaia, aan de invaart der Corinthische golf.—3) haven van Ephesus.
Pansa, familienaam in de gentes Vibia, Titinia, Appuleia.
Pantagias, Παντακύας, riviertje op de O.-kust van Sicilia, ten N. van Syracūsae, bij Trotilum.
Pantaleon, Πανταλέων, wierp zich in 660 tot tyran van Pisa op en regeerde overmoedig. Hij beoorloogde de Eleërs en ontnam hun het beheer over de olympische spelen.
Panteus, Παντεύς, Spartaan, vriend van Cleomenes III, dien hij bij al zijne ondernemingen getrouw ter zijde stond; hij vergezelde hem ook na den slag bij Sellasia naar Aegypte en doodde zich te gelijk met hem.
Pantheon, prachtige tempel, in 25 door M. Agrippa te Rome opgericht op den Campus Martius en in de 2de eeuw n. Chr. door keizer Hadriānus herbouwd. Het gebouw, dat nog een sieraad is van het hedendaagsche Rome, is cirkelvormig en heeft eene middellijn van 132 voet binnenwerks. In den 19 voet dikken muur zijn 7 ruime nissen aangebracht, waarvan het verwulfsel telkens door twee zuilen wordt gesteund, met uitzondering van de nis over den uitgang. Het gebouw is gedekt door een ontzaglijk koepeldak, met eene opening van 40 voet middellijn in het midden. Het dak rust alleen op de muren. Vóór den ingang is een ruim voorportaal aangebracht, in drie schepen verdeeld. Het trotsche gebouw was waarschijnlijk in de eerste plaats aan Mars en Venus gewijd als de godheden der gens Iulia, v. s. in de eerste plaats aan Jupiter Ultor. Welke goden en heroën verder de nissen vulden, is onbekend.

Pantheon, in doorsnede van binnen gezien.
Panthoides, Πανθοΐδης, Euphorbus, zoon van Panthous; ook Pythagoras, die beweerde dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.
Panthous, -thus, Πάνθοος, -θους, zoon van Othrys, een van de oudsten van Troje, priester van Apollo en dapper krijgsman.
Panticapaeum, Παντικάπαιον, milesische volkplanting in de taurische Chersonēsus (Krim), gewoonlijk Bosporus geheeten, later hoofdstad van het bosporaansche rijk. Thans Kertsch.
Pantomīmus, Παντόμιμος, een tooneelstuk waarin de geheele handeling door lichaamsbewegingen en gebarenspel werd uitgedrukt (saltare fabulam). De pantomimen waren van rom. oorsprong en vielen zeer in den smaak. De stichter van het genre is waarschijnlijk Bathyllus (z. a. no. 2.) Keizer Nero trad er gaarne in op.
Panyasis, Πανύασις, van Halicarnassus, oom van Herodotus, werd door den tyran Lygdamis gedood. Als episch dichter vond hij bij zijne tijdgenooten niet veel bijval, lateren schatten hem echter zeer hoog en sommigen stelden hem in den canon der epici onmiddellijk na Homerus. Van zijne werken, Ἡρὰκλεια en Ἰωνικά, zijn weinige maar schoone fragmenten bewaard gebleven.
Paphia, Παφία, bijnaam van Aphrodīte, naar Paphus, waar zij zich het liefst ophield en een beroemden tempel had.
Paphlagonia, Παφλαγονία, gewest van Asia minor aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), tusschen den Parthenius en den Halys, bergachtig en meer voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Het leverde voortreffelijk hout voor den scheepsbouw op. De bewoners, Paphlagones, Παφλαγόνες, worden reeds bij Homerus vermeld. De geschiedenis van dit landje is van belang ontbloot. Het was achtereenvolgens lydisch, perzisch, macedonisch, na Alexanders dood onafhankelijk. In 220 veroverden de paphlagonische vorsten Pontus; van 180 tot 120 was Paphl. weder van Pontus gescheiden, daarna er mede hereenigd, tot het in handen der Romeinen viel.
Paphus, Πάφος, zoon van Pygmalion (z.a.), stamheros der stad Paphus.
Paphus, Πάφος, naam van twee aan Aphrodīte geheiligde steden op de Z.W. kust van Cyprus. Te Oud-Paphus, Παλαίπαφος, een phoenicische kolonie, was de godin aan land gestegen. Dáár had zij een prachtigen tempel, waar op 100 altaren voortdurend wierook werd gebrand. Dáár en op Cythēra was haar meest geliefdkoosd verblijf. Nieuw-Paphos, νέα Πάφος, lag landwaarts in.
Papia (lex) de virginibus Vestalibus, misschien van 65. Volgens deze wet moest de pontifex maximus voor de keuze eener Vestalin 20 meisjes uitkiezen, waaruit dan in een contio door het lot ééne zou worden aangewezen.
Papia (lex) de peregrinis, plebisciet van 65, waarbij den niet-burgers het verblijf te Rome werd ontzegd, en straf bedreigd werd tegen hen, die zich het burgerrecht hadden aangematigd. Zie Junia (lex).
Papia Poppaea (lex), z. Julia et Papia Poppaea (lex).
Papii, geslacht uit Samnium afkomstig. Bekend is vooral C. Papius Mutilus, een van de aanvoerders der bondgenooten in den Marsischen oorlog. Later trad hij op als een van de aanvoerders der democratische partij, en hield hij de verdediging van Nola tegen Sulla vol tot het jaar 80. Toen hij daarop naar zijn huis te Teanum vluchtte, weigerde zijn vrouw Bastia hem den toegang, omdat hij op de lijst der proscripti stond, waarop hij zich van kant maakte.
Papiniānus (Aemilius), zeer beroemd rom. rechtsgeleerde uit den tijd van keizer Septimius Sevērus, bij wien hij in hoog aanzien stond en onder wien hij als praefectus praetorio den veldtocht naar Britannia mede maakte (208 n. C.). Hij schreef verscheidene rechtsgeleerde werken. De voornaamste hiervan zijn de Quaestiones (37 boeken) en de Responsa (17 boeken), die in de wetboeken van Justiniānus vaak aangehaald worden. Na Sevērus’ dood zocht hij als bemiddelaar tusschen Caracalla en Geta op te treden. Daarom liet Caracalla hem, na de vermoording van Geta, ombrengen (212 n. C.).
Papinius, zie Statii no. 7.
Papiria (lex), waarschijnlijk van 304, dat niemand een gebouw of altaar mocht wijden zonder goedkeuring van het volk of, volgens andere lezing, zonder verlof van den senaat of de meerderheid der volkstribunen.
Papiria (lex) van den volkstribuun L. Papirius, z. Tresviri no. 2.
Papiria (lex) semiunciaria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo Arvīna (Papirii no. 13), van 89, waarbij de as tot op een halve uncia verkleind werd, maar de waarde dezelfde bleef = ¼ sestertius. Z. As.
Papiria (lex) de libertinorum suffragiis van den zelfden, werd door Sulla opgeheven.
Papiriae (leges) van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131. De eene dezer wetten, de tribunis plebis reficiendis, bepalende dat dezen zonder beperking herkiesbaar zouden zijn, werd verworpen. De andere, eene lex tabellaria, voerde de geheime stemming ook bij wetgevende comitiën in, zie Tabellariae (leges).
Papirii, rom. geslacht, waarin de plebejische Carbōnes en de patricische Crassi en Cursōres de voornaamste familiën zijn. 1) M’. Papirius Crassus was in 441 de eerste consul uit dit geslacht.—2) L. Papirius Crassus, consul in 436, oorloogde tegen de Vejenten.—3) L. Papirius Crassus was in 340 dictator, terwijl L. Papirius Cursor (no. 6) zijn magister equitum was. Hij voerde echter niet veel uit. In 336 was hij consul en evenzoo in 330, in welk laatste jaar hij tegen de stad Privernum streed. Hij was de eerste van zijn geslacht, die zijn naam met een r schreef, vroeger heetten zij Papisii.—4) M. Papirius Crassus, broeder van no. 3, was dictator tegen de Galliërs in 332.—5) L. Papirius Cursor was censor in 393. Toen zijn ambtgenoot C. Iulius Iulus gestorven was, werd M. Cornelius Maluginensis in diens plaats gekozen. Daar echter in den loop van dit lustrum Rome door de Galliërs werd ingenomen, is er na dien tijd nooit meer een censor suffectus gekozen, maar werd de censor genoodzaakt na den dood van zijn ambtgenoot af te treden. De opgegeven reden is echter waarschijnlijk niet de ware.—6) L. Papirius Cursor, reeds genoemd bij no. 3, was in 325 dictator tegen de Samnieten. Toen zijn magister equitum (z. Fabii no. 14) in zijne afwezigheid tegen zijn bevel slag geleverd en eene luisterrijke overwinning behaald had, wilde Papirius, die woedend was, Fabius met den dood straffen. Het leger kwam in verzet en Fabius vluchtte naar Rome, waarheen Papirius hem volgde. Senaat, volksvergadering, tribunen, alles moest er aan te pas komen, eer de dictator zich liet vermurwen. Hij koos echter een anderen mag. eq., L. Pap. Crassus (no. 3). Het leger was hierover zoo verbitterd, dat het in den volgenden slag met opzet den dictator eene nederlaag bezorgde. Hierop matigde Papirius zijne strengheid, en met zijne soldaten verzoend, behaalde hij eene beslissende overwinning. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 320 was hij consul, en wischte de schande van de nederlaag bij Caudium (321) uit, door de Samnieten te verslaan. De berichten hieromtrent zijn tamelijk waardeloos. In 315 en 313 bekleedde P. nogmaals het consulaat; in 310—de Fasti Capitolini geven ten onrechte het jaar 309—was hij dictator. Hij was een uitstekend veldheer.—7) L. Papirius Cursor, zoon van no. 6, bracht samen met zijn ambtgenoot Sp. Carvilius Maximus als consul in 293 den Samnieten, in 272 den Tarentijnen beslissende nederlagen toe en maakte een einde aan den oorlog met Tarentum; de berichten hieromtrent zijn echter niet betrouwbaar. Hij bouwde in 293 een nieuwen tempel voor Quirinus.—8) C. Papirius Maso, consul in 231, had de Corsen overwonnen, de senaat echter weigerde hem de eer van een zegetocht. Toen was Maso de eerste, die een triumftocht op den albaanschen berg hield.—9) Papiria, dochter van no. 8, was de vrouw van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar bij Pydna, en de moeder van Scipio Africānus minor.—10) L. Papirius Mugillānus, consul in 444, censor in 443, maakte zich in 420 als interrex verdienstelijk door een twist te bezweren tusschen senaat en volkstribunen.—11) C. Papirius Carbo, volkstribuun in 131, een begaafd redenaar, geraakte over zijn wetsvoorstel de tribunis plebis reficiendis (zie Cornelii no. 18 en Papiriae (leges)), in hevigen strijd met Scipio Africānus minor en werd later van medeplichtigheid aan diens dood verdacht (129). Zie omtrent hem ook onder Agrariae leges, Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Tib. Gracchus van 133. In 120 sloot hij zich als consul bij de senaatspartij aan, maar werd toch na den afloop van zijn consulaat door L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) wegens deelneming aan de woelingen der Gracchen aangeklaagd, waarop hij zich door vergif van kant maakte.—12) Cn. Papirius Carbo, broeder van no. 11, consul in 113, werd bij Noreia door de Cimbren verslagen.—13) C. Papirius Carbo Arvīna, zoon van no. 11, werd als aanhanger van Sulla op last van den jongen Marius omgebracht. Z. Papiria (lex) semiunciaria.—14) Cn. Papirius Carbo, aanhanger van Marius, was in 85 en 84 consul met L. Cornelius Cinna, na wiens dood hij alleen het consulaat bekleedde. In 82 was hij opnieuw consul, maar, bij herhaling in 83 en 82 door Sulla verslagen, vluchtte hij naar Sicilia, waar hij in handen van den jongen Pompeius viel, die hem liet ombrengen.—15) L. Papirius Paetus was een van Cicero’s vrienden, hij had een afkeer van de politiek.—16) M. Papirius, romeinsch ridder, die bij een schermutseling op de via Appia door de schuld van Clodius omkwam (58). De aanleiding tot deze schermutseling was het ontsnappen uit de hechtenis van Tigrānes (zie Tigranes no. 2).
Pappus, Πάππος, van Alexandrië, leefde ten tijde van Diocletianus, en schreef verscheiden werken over aardrijkskunde en Ὀνειροκριτικά. Een belangrijk meetkundig werk van hem, Μαθηματικὴ Συναγωγή, is bewaard gebleven.
Papus, familienaam in de gens Aemilia.
Parabasis, παράβασις, z. Comoedia.
Παράβολον, -βόλιον, het geld, dat bij de rechtbank gedeponeerd wordt door iemand, die van een vonnis appelleert.
Παράβυστον, een gebouw, in een afgelegen wijk van Athene gelegen, waar de elfmannen geheime zittingen hielden.
Paracheloītis, Παραχαλωῖτις, vruchtbare landstreek aan den mond van den Achelous, in Aetolia.
Paraebates, Παραιβάτης, van Alexandrië, cyrenaeïsch wijsgeer, leermeester van Hegesias.
Paraetacēne, Παραιτακηνή, perzisch = bergland; 1) op de grenzen van Persis en Media.—2) in het N.O. van Bactriāna.
Paraetonium, Παραιτόνιον, aegyptische havenstad op de kust van Marmarica, met Pelusium de sleutels van Aegypte, cornua Aegypti, genoemd.
Παραγραφή, exceptie van niet-ontvankelijkheid eener aanklacht, door den aangeklaagde opgeworpen. De verliezende partij moest aan de tegenpartij de ἐπωβελία betalen, wanneer hij minder dan een vijfde der stemmen kreeg.
Παρακαταβολή, eene geldsom, die bij sommige processen door den aanklager als waarborg gestort werd. Won hij het proces, dan werd hem het geld teruggegeven, anders verviel het aan de staatskas of aan de tegenpartij.
Paralia, Παραλία, eene smalle strook lands op Attica’s Westkust, van kaap Sunium tot nabij de havens van Athene. De Paraliërs vormden tijdens Solon de middenpartij, de gematigde partij tusschen de aristocratische Pediaeërs en de democratische Diacriërs.
Paralii, Παράλιοι, eigenlijk bewoners van de Paralia, die gedurende de burgertwisten ten tijde van Pisistratus de gematigde partij vormden; vandaar werd de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.
Paralus, Πάραλος, 1) = Paralia.—2) kuststreek van Malis.
Paralus, Πάραλος, een schip dat door den atheenschen staat gebruikt werd om gezanten bij feesten of godsdienstige plechtigheden naar de plaats hunner bestemming te brengen, boodschappen over te brengen naar de vloten, die in zee waren of in vreemde havens lagen, enz. De bemanning werd Πὰραλοι genoemd.
Παρανόμων γραφή, aanklacht wegens het voorstellen van een wet of volksbesluit, dat met de bestaande wetten in strijd is. Zoodra men met een eed (ὑπωμοσία) verklaarde, dat men iemand wegens zulk een wetsvoorstel wilde aanklagen, werd de behandeling van het voorstel geschorst, totdat over de aanklacht beslist was. De zaak werd voor de archonten behandeld, de straf was niet bij de wet bepaald, maar in ieder geval verloor hij, die driemaal op zulk een aanklacht veroordeeld was, het recht om wetten of besluiten voor te stellen.—Zelfs wanneer het voorstel reeds tot wet verheven was, kon men nog gedurende een jaar eene γραφὴ παρανόμων tegen den voorsteller indienen, na dien tijd kon hem persoonlijk geen straf meer treffen, en kon het doel van zulk eene γραφή slechts zijn, de wet om genoemde reden te doen intrekken.
Παράνυμφος, iemand, die een jonggehuwd paar vergezelt, wanneer de man op den avond van den bruiloftsdag zijne vrouw van haar huis naar het zijne brengt, gewoonlijk een van de naaste bloedverwanten.—Was de man reeds vroeger getrouwd geweest, dan kwam hij zijne vrouw niet zelf halen, maar werd zij hem door een bloedverwant of vriend, νυμφαγωγός, gebracht.
Parapotamii, Παραποτάμιοι, stad in Phocis op de boeotische grenzen, aan den linkeroever van den Cephīsus.
Παραπρεσβείας γραφή, aanklacht tegen iemand, die van zijne betrekking van gezant ten nadeele van zijne lastgevers misbruik maakt. Zulke zaken werden voor de euthynen behandeld, het bepalen van de straf was aan de rechters overgelaten.
Parasange, παρασάγγης, perzische maat, ook door grieksche schrijvers dikwijls gebruikt om afstanden te bepalen; 1 par. = 30 stadiën, ongeveer een uur gaans.
Parasītus, παράσιτος, helpers of ondergeschikten van overheidspersonen en priesters; in de comedie een klaplooper, iemand die voor een goed maal zich tot allerlei diensten laat gebruiken en zich de spotternijen van gastheer en gasten laat welgevallen.
Παραστάδες, zie Antae.
Παραστάς, z. Οἰκία.
Παράστασις, eene kleine som geld, misschien een drachme, die men bij het indienen eener γραφή deponeerde, als het ware als onderpand dat de aanklacht ernstig gemeend was.
Parauaea, landstreek in het N. van Epīrus, in het binnenland.
Parcae, romeinsche naam der schikgodinnen, geheel geïdentificeerd met de Moerae.
Πάρεδροι, bijzitters, aan verschillende overheidspersonen toegevoegd om hen van een deel hunner werkzaamheden te ontlasten, bijv. aan de archonten, euthynen e. a.
Παρέγγραπτοι, wederrechtelijk als burgers ingeschrevenen, z. Διαψήφισις.
Parentalia, zie feralia.
Parilia = Palilia.
Paris, Πάρις, zoon van Priamus en Hecabe. Na zijne geboorte gaf zijn vader hem aan een herder om hem op den Ida te vondeling te leggen (z. Aesacus), hij werd echter door een berin gezoogd, en toen de herder na vijf dagen het kind nog gezond en wel vond, nam hij het mede en voedde hij het met zijn eigen zoon op. P. groeide als een schoon jongeling onder de herders op; wegens de dapperheid, waarmede hij meermalen de kudden tegen roovers verdedigde, gaf men hem den naam Alexander. Hij trouwde met Oenōne, leefde gelukkig met haar, en werd na verloop van tijd ook weder door zijne ouders herkend. Kort daarna kwam Hermes hem uit naam van Zeus de opdracht brengen om als rechter op te treden in een strijd tusschen Hera, Athēna en Aphrodīte. Daar namelijk op de bruiloft van Peleus en Thetis alle goden en godinnen genoodigd waren behalve Eris, die men uit vrees voor onaangenaamheden uitgesloten had, wreekte deze zich door onder de gasten een gouden appel te werpen met het opschrift: aan de schoonste. Op dezen appel maakten nu de genoemde drie godinnen aanspraak, en weldra ontbrandde tusschen hen een hevige twist, die nu op raad van Zeus door P. beslecht zou worden. Hera beloofde hem indien de beslissing gunstig voor haar was, rijkdom en macht, Athēna wijsheid en krijgsroem, Aphrodīte de schoonste vrouw. P. gaf den appel aan Aphrodīte, en van dien tijd vervolgen de beide andere godinnen hem en alle Trojanen met bittere vijandschap. Hij gaat daarop naar Sparta, waar hij gastvrij ontvangen wordt, en gedurende eene afwezigheid van Menelāus schaakt hij de schoone Helena en voert hij haar mede naar zijn vaderland, in alles geholpen door Aphrodīte, die op deze wijze hare belofte vervulde. De trojaansche oorlog is hiervan het gevolg. In dien oorlog toonde hij zich over het algemeen onstandvastig en verwijfd, en hoewel hij soms dapper strijdt en o.a. ook Achilles doodt, haat het volk hem als de oorzaak van den oorlog. Kort voor de inneming van Troje werd hij door Philoctētes gedood. Z. Oenōne.
Parisii, volksstam aan de Sequana. Hoofdstad: Lutetia Parisiorum, in den lateren keizertijd residentiestad, thans Parijs.
Parium, Πάριον, havenstad in Mysia, milesische kolonie aan de Propontis bij den Hellespont, sedert den tijd van Augustus rom. kolonie. Aan de stichting hadden ook kolonisten uit Erythrae medegewerkt.
Parma, Πάρμα, stad der Boii in Gallia Cispadāna, sedert 183 rom. kolonie, aan de via Aemilia. De parmaansche schapenwol was beroemd.
Parmenides, Παρμενίδης, van Elea, geb. omstreeks 540, uit een rijk en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.—Het leerdicht van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn, heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn, dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning, waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen, het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde.
Parmenio, Παρμενίων, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs, onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336 naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk, dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid, maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbēla, waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur over Medië, na den dood van Philōtas meende hij echter diens vader niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den weg ruimen.—2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen, waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.—3) een bouwmeester, die door Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd.
Parmeniscus, Παρμενίσκος, leerling van Aristarchus, schreef commentaren op Homerus en de tragici.
Parnassides, Παρνασίδες, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus.
Parnassus, Παρνα(σ)σός, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionȳsus en de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte bergspitsen Lycorēa of Hyampēa en Tithorea (Λυκώρεια, Ὑάμπεια, Τιθορέα) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten, laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien, bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor gevormden driesprong (σχιστὴ ὁδός) versloeg Oedipus zijn vader Laïus.
Parnes, gen. -ēthis, Πάρνης, -ηθος, een woest en ruw boschrijk gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld van Zeus Parnethius.
Parnon, Πάρνων, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria of Thyreātis.
Πάροχος, naam, die soms aan den παράνυμφος gegeven wordt, omdat hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat.
Parodia, παρῳδία, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters, voornamelijk van Euripides, geparodiëerd.
Πάροδος, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt.
Paropanīsus, Παροπάνισος, soms Paropamīsus, het hooggebergte aan de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden Paropanisadae genoemd.
Parōpus, Πάρωπος, stadje op Sicilia nabij Himera.
Paroreātae, Παρωρεᾶται, met de Caucōnes de oudste bewoners van het triphylische bergland in Elis.
Parorēa, -īa, Παρώρεια, streek in het N.O. van Epīrus, in Molossis, aan de grens van Macedonia.
Paros = Parus.
Parrhasia, Παρρασία, stad en landstreek in het Z.W. van Arcadia. Parrhasius = arcadisch.
Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto.
Parrhasius, Παρράσιος, 1) z. Parrhasia.—2) van Ephesus, een van de beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch, droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen, bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond het te willen wegschuiven.
Parthāon, Παρθάων, zoon van Agēnor en Epicaste, koning van Calydon en Pleuron, vader van Oeneus.
Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthāon.
Parthēni = Parthini.
Parthenia, παρθένια, -νεια, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a.
Partheniae, παρθενίαι, zonen van spartaansche vrouwen en heloten, geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum.
Parthenium, Παρθένιον, stad in de mysische landstreek Teuthrania, ten Z. van den Caīcus.
Parthenius, Παρθένιος, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide afstammeling van Homerus.—2) van Nicaea in Bithynië, werd in den mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben, bewaard gebleven is een werk onder den titel Ἐρωτικὰ παθήματα, bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.—3) grammaticus in de 1ste eeuw na C.—4) gunsteling van Domitiānus, nam deel aan de samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij bij een soldatenoproer gedood.
Parthenius mons, Παρθένιον ὄρος, bergketen op de arcadisch-argolische grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan.
Parthenius, Παρθένιος, rivier in het W. van Paphlagonia.
Parthenon, Παρθενών, de beroemde tempel van Pallas Athēna, de maagd (παρθένος). Zie Athenae.
Parthenopaeus, Παρθενοπαῖος, zoon van Ares, Milanion of Meleager en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae optrokken.
Parthenope, Παρθενόπη, eene van de Sirenen.
Parthenope, Παρθενόπη, oude naam voor Neapolis (Napels).
Parthenus, Παρθένος, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athēna, waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd was.—2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende te herkennen.
Parthia, Παρθία, Παρθυαία, Παρθυηνή, het land der Parthen (Parthi, Πάρθοι), ten O. van Media gelegen, over het algemeen woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde (± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen, evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische rijk onder de dynastie der Sassaniden.
Parthīni of Parthēni, Παρθινοί, Παρθηνοί, illyrisch volk bij Dyrrachium. Stad: Parthus.
Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss).
Parthyaea, Parthyēne = Parthia.
Parus, Πάρος, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg Marpessus. Oudtijds heette het Minōa, ook Demetrias. De eerste iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627 werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon Parium, Arundelium of Oxoniense).
Paryādres, Παρυάδρης, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus.
Parysatis, Παρύσατις, stiefzuster en gemalin van Darīus Nothus, onder wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statīra, de gemalin van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd.
Pasargada of -dae, Πασαργάδα, -δαι, oude hoofdstad van Persis, benoemd naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis, aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus.
Pasargadae, Πασαργάδαι, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de Achaemeniden behoorden.
Pasicrates, Πασικράτης, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan Alexander d. G. onderwierp.
Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax.
Pasion, Πασίων, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg; zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf in 370.
Pasiphaë, Πασιφάη, 1) dochter van Helius en Persēis, gemalin van Minos (z. a.), moeder van den Minotaurus.—2) eene godin, die te Thalamae no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden.
Pasiphaēia, Phaedra, dochter van Pasiphaë.
Pasiteles, Πασιτέλης, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus.
Pasitelides, Πασιτελίδης, spartaansch veldheer in den peloponnesischen oorlog. In 422 werd hij harmost van Torōne, maar het volgende jaar namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt.
Pasithea, Πασιθέα, 1) eene van de Charites.—2) Nereïde.—3) Najade, gemalin van Erichthonius, moeder van Pandīon.
Pasitigris, Πασίτιγρις = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van den Tigris, door Susiāne stroomende. De benedenloop heet Eulaeus.
Passaron, Πασσάρων, oude molossische hoofdstad in Epīrus, in 169 door de Rom. vermeesterd.
Passiēni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn tijd.—2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van Seneca. Hij was met Nero’s tante Domitia gehuwd, doch liet zich van haar scheiden om de tweede man van Agrippīna te worden. Deze laatste liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken.
Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten = 1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans.
Pataeci, Παταικοί, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische schepen aan voor- of achtersteven versierd waren.
Patala = Pattala.
Patara, τὰ Πάταρα, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van Apollo Patareus (Παταρεύς), die er vereerd werd.
Patavium, Παταούιον, thans Padua, stad in het land der Veneti, in Gallia Cisalpīna aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den Trojaan Antēnor toe.
Paterculus, zie Vellēii.
Pater patrātus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.).
Patmus, Πάτμος, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend, ten Z. van Samus.
Patrae, Πάτραι, Πατρεῖς, eene der 12 achaeische bondssteden, thans Patras, aan de invaart der Corinthische golf.
Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde (plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen (z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of ’s lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas), die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat door intercessio getroffen was.
Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat (zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder erfelijk te zijn.
Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penātes, enkele godheden, van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl.
Patrīmi matrīmi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima matrima zijn.
Patrocles, Πατροκλῆς, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor belangrijke werken over de omliggende landen en volken.
Patroclus, Πάτροκλος, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.), en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken, bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed, werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en werd daar door Hector gedood, z. Achilles.
Patrōnus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde, bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus si clienti fraudem fecerit, sacer esto.—2) Causarum patronus, niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.—3) ook steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling der consulaten.
Pattala, Pattalēne, Πάτταγλα, Πατταληνή, het Delta-land van den Indus, met de stad Pattala.
Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.).
Patūmus, Πάτουμος, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis.
Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii.
Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8–10).
Paulus, Παῦλος, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus, Σαῦλος, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden, en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd (± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond, waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen ongeveer in de jaren 46–47, 48–51 (in Athene einde 49, te Corinthe begin 50 tot Juli 51), en 52–57. Op aanklacht der Joden is hij te Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarēa gevangen gezeten. Toen hij zich bij den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep, is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus, in de κοινή (z.a.).
Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2.
Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Sevēri. Met Papiniānus was hij lid van het consilium principis, met Ulpiānus praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus.
Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civīlis, onder keizer Nero ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio.
Pausanias, Παυσανίας, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde, ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte hij in den tempel van Athēna Chalcioecus, daar werd hij ingesloten, het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet te bezoedelen (468).—De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben, en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.—2) kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444–426), en volgde hem na zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30 tegen Thrasybūlus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter, hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld; hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.—3) Macedoniër, die Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).—4) koning van Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).—5) Macedoniër, die na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte; hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.—6) een van de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.—7) ὁ περιηγητής, een Lydiër, die onder Hadriānus en de Antonijnen te Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis; daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.—8) van Caesarēa in Cappadocië, leerling van Herōdes Atticus, leeraar der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C.
Pausias, Παυσίας, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde.
Pausilȳpum, Παυσίλυπον, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo) heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans de grot van Posilippo genaamd.
Pauson, Παύσων, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.
Paxi, Παξοί, twee eilandjes tusschen Corcȳra en Leucas, thans Paxo en Antipaxo.
Peculātus, verduistering van staats- of tempeleigendom.
Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over het peculium castrense.
Pedaneus, zie iudex pedaneus.
Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides zie Dioscorides.
Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam; vandaar hun naam.
Pedasa, τὰ Πήδασα, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus.
Pedasus, Πήδασος, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas, aan den Satnioīs.—2) stad in Messenia, later Methōne, thans Modon.
Pediaei, Πεδιαῖοι, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars; in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.
Pedias, Πεδιάς, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs, Πεδιαῖοι, vormden in Solons tijd de aristocratische partij.
Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring (aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars.
Pediēa, Πεδίεια, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus.
Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octaviānus af en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds in ditzelfde jaar.
Pednelissus, Πεδνηλισσός, stad in Pisidia.
Pedo Albinovānus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van Ovidius. Hij schijnt eene Thesēis te hebben geschreven, terwijl van een gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen hebben gedicht.
Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in 113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia, vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden.
Peducaei, 1) zie Peducaea lex.—2) Sex. Peducaeus, stadhouder van Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde en achting verwierf.—3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en van Octaviānus.
Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicāna.
Pegae = Pagae.
Pegasides, Πηγασίδες, z. Pegasus.
Pegasus, Πήγασος, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medūsa (z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirēne dronk, of hij kreeg het van Athēna of Poseidon. Toen de Helicon, in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed met denzelfden slag de bron Hippocrēne ontspringen, waaruit de Muzen en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de bronnen Hippocrēne te Troezen en Pirēne te Corinthe, vandaar worden zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Πηγασίδες) genoemd.
Pela, Πήλη, eil. op de ionische kust bij Clazomenae.
Pelagones, Πελαγόνες, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande.
Πελαργικόν (τεῖχος) = Πελασγικόν (τεῖχος).
Pelasgi, Πελασγοί. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral in de Peloponnēsus, in Thessalië en Epīrus, en ook aan de Westkust van Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Penēus gewoond, waar het gewest Pelasgiōtis naar hen genoemd is.
Pelasgia, Πελασγία, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnēsus en voor Lesbus.
Πελασγικόν, Πελαργικόν (τεῖχος), een oude versterking aan den westkant van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene.
Pelasgiōtis, Πελασγιῶτις, gewest van Thessalia ten Z. van den Penēus, met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen.
Pelasgis, Πελασγίς, bijnaam van Hera en Demēter als oude pelasgische godinnen.
Pelasgus, Πελασγός, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden genoemd Zeus, Poseidon, Phorōneus, Arestor e. a., als zijne moeder Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnēsus of in Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben, enz.—2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd overwonnen en verliet het land.
Πελέται = Ἑκτήμοροι.
Peleus, Πηλεύς, zoon van Aeacus en Endēis. Hij of zijn broeder Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus en Psamathe, Phōcus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegīna te vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen, werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven, en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden, leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris, z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd, later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus en Achilles geplaatst.—V. a. verzoende Thetis zich met hem na den dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee, waar hij aan hare zijde voortleeft.
Peliades, Πελιάδες, de dochters van Pelias (z. a.).
Pelias, Πελίας, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iāson uit om het gulden vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medēa de dochters van P., Pisidice, Pelopēa en Hippothoë, te overreden haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was, weigerde Medēa hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar Mantinēa in Arcadië.
Pelīdes, Πηλείδης, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van Peleus.
Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium (z. a.). Met de Vestīni en Marrucīni hadden zij gemeenschappelijk de havenstad Aternum.
Pelinna of -naeum, Πέλιννα, -ναιον, versterkte stad ten N. van den Penēus, in het thessalische landschap Hestiaeōtis.—Ook de naam van een gebergte in het Noorden van Chius.
Pelion, Πήλιον, woest en boschrijk gebergte in het thessalische landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid.
Pelium, stad der Dassarētae in zuidelijk Illyria.
Pella, Πέλλα, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea, nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd er geboren.—2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan, tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door Pompeius herbouwd.
Pellana, τὰ Πέλλανα, stad aan den Eurōtas in Laconica, ten N. van Sparta.
Pellēne, Πελλήνη, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia, met de haven Aristonautae.
Pelopēa, Πελοπεία, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd van Aegisthus.
Pelopidae, Πελοπίδαι, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes, Agamemnon e. a.
Pelopidas, Πελοπίδας, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan, moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der Cadmēa door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene (382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij twee spartaansche morae bij Tegȳra (375) en nam hij deel aan den slag bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in de Peloponnēsus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden, maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368) en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag, waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364).
Peloponnesische oorlog (431–404) wordt de oorlog genoemd, dien de Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten, tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs, die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidāmus tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De eerste periode wordt de archidamische oorlog (431–421) genoemd, naar koning Archidāmus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners de kusten van de Peloponnēsus. Athene heeft in het tweede en derde jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest, de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilēne valt af, het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft (428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk: Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon, van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422) zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede tijdperk van den oorlog (421–413). De bondgenooten der Spartanen, ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met Argos, Elis en Mantinēa, en in 417 verloor dit bondgenootschap bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I; mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413–404), een belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelēa, stellen zich in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen (Abȳdus, 411, Cyzicus, 410, Arginūsae, 406), maar de Spartanen, door Pharnabāzus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht, de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen.
Peloponnēsus, Πελοπόννησος, thans Morea, het bekende groote schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis, Corinthia, Sicyonia en Phliasia.
Pelops, Πέλοψ, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demēter had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamēa, de dochter van Oenomaüs (z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnēsus genoemd werd; aan de olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel, waar hem jaarlijks offers gebracht werden.
Pelor, Πέλωρ, Πέλωρος, een van de vijf Sparten, z. Cadmus.
Pelōris, -rus, -rum, -rias, Πελωρίς, Πέλωρος, Πέλωρον ἄκρον, thans kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia.
Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia.
Peltae, Πελταί, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander.
Πελτασταί, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht halvemaanvormig schild (πέλτη); verder droegen zij een linnen harnas, een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen, vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde daardoor hunne bruikbaarheid zeer.
Pelusiacum ostium, Πηλουσιακὸν στόμα, oostelijkste monding van den Nijl.
Pelusium, Πηλούσιον = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later eene belangrijke rol speelt.
Penātes, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer (penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden, die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de personificatie van het intiem huiselijk leven.—Ook de staat had zijne penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aenēas uit Troje naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen, en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden zij een tempel op de Velia.
Penēis, Daphne, dochter van den riviergod Penēus.
Peneleos, Πηνέλεως, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij werd door Eurypylus no. 4 gedood.
Penelope, Πηνελόπη, -πεια, dochter van Icarius en Periboea, gemalin van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.—V. a. had zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinēa begeven, waar men haar graf toonde.
Penestae, Πενέσται, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet het eigendom van den staat, maar van particulieren.—2) illyrische stam ten N. van den Lychnītis lacus, onderdeel van de Dassarētae; hoofdstad Uscana.
Penēus, Πηνειός, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en Tethys en de vader van Daphne en Cyrēne.—2) rivier in Elis.
Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) valt.
Pentaëtēris, πενταετηρίς, de helft van eene ennaëteris.
Πεντακοσιομέδιμνοι, atheensche burgers der eerste klasse volgens de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst, die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent vertegenwoordigt.
Pentapolis, Πεντάπολις, 1) in het aziatische Doris de bond der 5 steden Ialysus, Camīrus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding van Halicarnassus eene hexapolis werd.—2) in Cyrenaica de steden Cyrēne, Berenīce, Arsinoë, Ptolemāis en Apollonia.—3) in het land der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azōtus, Jamnīa.
Pentāthlum, Πένταθλον, Quinquertium, een wedstrijd in vijf afdeelingen: springen (ἅλμα, saltus), loopen (δρόμος, cursus), worstelen (πάλη, lucta), werpen met de schijf (δίσκος, discus), vuistgevecht (πυγμή, pugilatus); later voegde men er werpen met de speer (ἀκόντισις, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men in iedere afdeeling overwonnen hebben.