← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

H. (continued 2)

Reading edition

Herophilus, Ἡρόφιλος, van Chalcēdon, beroemd geneesheer te Alexandrië ten tijde van en na Alexander d. G., groot ontleedkundige, de grondlegger der empirische school, die door eenige van zijne zeer talrijke leerlingen gesticht werd.

Heros, Ἥρως, was de naam, dien de Grieken gaven aan personen uit oude tijden, die door hun moed, deugd en verstand als grondleggers en verbreiders der beschaving beschouwd kunnen worden en wier groote daden tot zegen der menschheid hadden gestrekt. Zij worden kinderen der goden (διογενεῖς) genoemd, maar zijn evenals de menschen sterfelijk, hoewel zij door hunne buitengewone eigenschappen ver boven gewone menschen verheven zijn. Van lateren oorsprong is het geloof, dat zij na hun dood niet naar de onderwereld afdalen, maar als halfgoden op de eilanden der gelukzaligen een beter leven blijven leiden. Daarbij kwam dan de voorstelling, dat zij belang bleven stellen in dat, waaraan zij hun leven gewijd hadden, en dat zij door hun voorspraak bij de goden trachtten te bewerken, dat hun werk ook na hun dood vruchten bleef dragen. Daarom was het raadzaam, zich van hunne welwillendheid te verzekeren, en daarom genoten zeer vele heroën op bepaalde plaatsen of van wege bepaalde personen goddelijke eer; zoo vereerde bijna iedere stad haar stichter als heros; zelden gebeurde het echter dat de vereering van een heros algemeen werd. Men bouwde hun ter eere tempels en altaren; de offers, die men hun bracht, verschilden echter veel van de offers voor de goden en waren in hoofdzaak niets anders dan doodenoffers. Het woord wordt ook als eerenaam gebruikt voor personen, die in een of ander opzicht uitmunten.

Herostratus, Ἡρόστρατος, van Ephesus, stak den tempel van Artemis te Ephesus in brand, ten einde zijn naam onsterfelijk te maken. Hij werd met den dood gestraft, maar het besluit der ionische steden, dat zijn naam niet genoemd zou mogen worden, bleef natuurlijk zonder gevolg. Denzelfden nacht, waarin Her. zijne misdaad pleegde, werd Alexander d. G. geboren.

Herse, Ἕρση, dochter van Cecrops, bij Hermes moeder van Cephalus, z. Agraulus.

Hersilia, gemalin van Romulus, na haar dood onder den naam Hora Quirīni als godin vereerd.

Heruli of Eruli, Ἕρουλοι, of Ἔρ., een germaansche nomadenstam. Zij waren uitmuntende krijgslieden en leverden huurtroepen, nu eens aan andere Germanen, dan weder aan de Rom. Zoo vindt men ze bij de Gothen in de derde eeuw na C.; ze woonden toen, en ook in de vierde eeuw aan de Zuidkust van de Maeōtis, in het N. van de Krim, waar vroeger Scythen gewoond hadden, en later in Italië, waar hun aanvoerder Odoācer in 476 het westrom. rijk vernietigde.

Hesiodus, Ἡσίοδος, geb. te Ascra, waarheen zijn vader uit het aeolische Cyme verhuisd was, werd door zijn broeder Perses met behulp van omgekochte rechters van zijn erfdeel beroofd, waarom hij zijn vaderland verliet en zich waarschijnlijk te Naupactus vestigde; v.s. werd hij vermoord en werd zijn lichaam naar Orchomenus in Boeotië overgebracht. Door zijne Ἒργα καὶ Ἡμέραι, een werk, waarvan het begin tegen zijn broeder gericht is, en dat verder lessen bevat over landbouw, scheepvaart, enz., werd hij de schepper van het didactische epos. Onder de andere werken, die te recht of ten onrechte aan Hes. worden toegeschreven, is het voornaamste de Θεογονία, eene eerste poging om eenigen samenhang te brengen in de verwarde verhalen omtrent de familiebetrekkingen der goden. Hes. leefde in de 8ste eeuw.

Hesione, Ἡσιόνη, z. Laomedon en Telamon.

Hesperia, Ἑσπερία, het avondland, het Westland, bij de Grieken een naam voor Italia, bij de Rom. voor Hispania. Ter onderscheiding wordt dit laatste ook wel Hesperia ultima geheeten.

Hesperides, Ἑσπερίδες, 3, 4 of 7 dochters van Nyx en Erebus of van Atlas en Hesperis, bewaakten met behulp van den draak Ladon in een tuin in het verre Westen de gouden appelen, die Gaea aan Hera als bruiloftsgeschenk gegeven had. De drie appelen, die Heracles op bevel van Eurystheus gehaald had, werden door Athēna bij de Hesp. teruggebracht.

Hesperides of Hesperis, stad in Cyrenaïca, zie Berenice no. 2.

Hesperidum insulae aan de kust van Afrika, buiten de straat van Gibraltar. Sommige schrijvers bedoelen hiermede de Fortunatorum insulae (de Canarische eilanden), anderen de Kaap-Verdische eilanden.

Hesperium promunturium, Ἑσπέριον κέρας, voorgebergte aan de Westkust van Afrika, tgw. kaap Verde, zie Hesperidum insulae.

Hesperus, Ἕσπερος, Vesper, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos, of van Atlas, werd, toen hij op den berg Atlas astronomische waarnemingen deed, van de aarde weggenomen en als avondster aan den hemel geplaatst. Hij was de vader van Hesperis en dus de grootvader der Hesperiden.

Hestia, Ἑστία, Ἱστίη, Vesta, dochter van Cronus en Rhea, godin van den huiselijken haard. Poseidon en Apollo hadden om hare hand gedongen, maar zij had gezworen eeuwig maagd te blijven, en had daarvoor van Zeus de gunst verworven, dat zij aan ieder offer aandeel zou hebben, in ieder huis als beschermende godin vereerd zou worden. De haard, het middelpunt van het huiselijk leven, en volgens oud gebruik het altaar der familie, was haar heiligdom, waar de huisvader haar bij iedere gewichtige gebeurtenis offers bracht. Voor zoo heilig werd deze plaats gehouden, dat smeekelingen en vervolgden daar een veilige wijkplaats vonden, en dat men zwoer bij Zeus, de gastvrije tafel en den huiselijken haard; vandaar dat smeekelingen en de heiligheid van den eed onder bescherming van Zeus en Hestia stonden. De staat, als een groot huisgezin beschouwd, had ook zijn gemeenschappelijken haard in het prytanēum waar ter eere der godin (Πρυτανῖτις) een eeuwig vuur onderhouden werd; bij het uitzenden van volkplantingen wordt van dit vuur medegegeven, om daarmede het vuur op haar altaar in de nieuwe stad te ontsteken.—Eigen tempels had zij weinig, maar in vele tempels van andere goden had zij een afzonderlijk altaar, bovendien werden haar bij het begin en het einde van ieder bizonder plechtig offermaal plengoffers gebracht. Men offerde haar eerstelingen der vruchten, jonge koeien, enz. Zij wordt afgebeeld met ernstige en waardige gelaatstrekken, in een eenvoudig sluitend kleed.

Hestia, Museum Torlonia te Rome.
Hestia, Museum Torlonia te Rome.

Hestia, Museum Torlonia te Rome.

Hestiaea, Ἑστίαια, later Oreüs, z. a.

Hestiaeōtis, Ἑστιαιῶτις, 1) het gebied der euboeïsche stad Hestiaea.—2) landschap in het N.W. van Thessalia.

Hesychius, Ἡσύχιος, van Alexandrië, schrijver van een belangrijk grieksch woordenboek, leefde waarschijnlijk op het einde der 6de eeuw n. C.

Ἑταῖραι, eigl. vriendinnen, in het bizonder publieke vrouwen. Door haar vrijeren omgang met mannen bereikten zij dikwijls een trap van geestbeschaving, waarop andere vrouwen zich op verre na niet plaatsen konden; te Athene wisten zij dikwijls ook de voortreffelijkste mannen te boeien. In sommige steden, bijv. te Corinthe, waren zij als ἱερόδουλοι, aan den tempel van Aphrodīte verbonden, en kwam de opbrengst van haar bedrijf ten bate van dien tempel. Aphrodite zelve had te Athene, Ephesus, enz., den bijnaam van Ἑταίρα.

Ἑταιρίαι, politieke clubs, te Athene en ook wel in andere democratische staten vereenigingen van oligarchen, waarvan de leden elkander onderling beschermden tegen onderdrukking van de regeerende partij en in processen en bij verkiezingen bijstonden, en die, wanneer de kans schoon scheen, ook medewerkten tot omverwerping der democratie. In aristocratisch geregeerde staten bestonden waarschijnlijk ook dergelijke clubs van vijanden der bestaande staatsinrichting.

Ἕταιροι, naam van de zware ruiterij in het macedonische leger. Zij stonden op den rechtervleugel, en bij de veldslagen van Alexander d. G. beginnen zij in den regel het gevecht.

Hetruria = Etruria.

Hiarbas of Iarbas, Ἰάρβας, 1) zoon van Jupiter Ammon en eene garamantische (= lībysche) nymf, koning der Gaetuliërs, van wien Dido een stuk land kocht tot den bouw van Carthago, en die vruchteloos naar hare hand dong.—2) koning van Numidia. In den burgeroorlog van Marius en Sulla koos hij de partij van Marius, doch werd door Pompeius tot de overgave genoodzaakt en ter dood gebracht (81).

Hibernia, ook Iuverna, Iverna, Ivernia, Iërna genoemd, Ἰουερνία, Ἰέρνη, thans Ierland. De Romeinen kenden het bij name, doch hebben er nimmer vasten voet trachten te krijgen.

Hibērus, zie Iberus.

Hicetas, Ἱκέτας, 1) tyran van Leontīni, door de Syracusanen te hulp geroepen tegen den jongen Dionysius; toen men echter merkte dat hij zich van de stad trachtte meester te maken, vroeg men de Corinthiërs om hulp; hij werd door Timoleon tweemaal verslagen, eindelijk gevangen genomen en ter dood gebracht (339).—2) tyran van Syracuse, opvolger van Agathocles, na eene regeering van negen jaar verdreven (278).—3) van Syracuse, pythagoreïsch wijsgeer, leerde v.s. het eerst de beweging der aarde om hare as.

Hiëmpsal, Ἰάμψας, 1) zoon van den numidischen koning Micipsa en neef van Jugurtha. Terstond na zijns vaders dood (118) geraakte hij met Jugurtha in twist en werd door dezen uit den weg geruimd, in 116.—2) numidische prins, door Hiarbas verdreven, maar door Pompeius hersteld.

Hiera, Ἱερά, 1) een der Liparische eilanden, ook Thermessa genaamd, ten N. van Sicilia.—2) een der Aegatische eilanden, ten W. van Sicilia.—3) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, door een uitbarsting ontstaan, in 197 of in 66.

Hierapolis, Ἱεράπολις, stad in Phrygia nabij de grenzen van Caria, niet ver van den Maeander, met een tempel van Cybele. Ook eene stad in Syria, W.-waarts van den Euphraat, vroeger Bambyce geheeten, zetel van den eeredienst der godin Atargatis (Derceto, z. a.).

Hierapytna, Ἱεράπυτνα, grieksche stad aan de Z.-kust van Creta, in 140 gesticht in het gebied der Eteocrētes.

Hiericus, Ἱεριχοῦς, Jericho = palmstad, sterke stad van Palaestina, ten N.O. van Jerusalem. In den omtrek groeide de beroemde balsemstruik, uit welks bast door insnijdingen de balsem werd verkregen. De weg van Jericho naar Jerusalem liep door eene wildernis, die om haar onveiligheid berucht was.

Hiero, Ἱέρων, 1) oudste broeder van Gelo, regeerde tijdens diens leven over Gela en volgde hem, hoewel hij volgens G.’s testament gedurende de minderjarigheid van diens zoon het regentschap zou bekleeden, als tyran van Syracuse op (478). In het begin had hij met veel tegenstand, zelfs van den kant van zijn broeder Polyzēlus, te kampen, en kwam het zelfs tot een oorlog met Agrigentum; de twisten werden echter door het verstandig gedrag van H. weldra bijgelegd en hij wist zich in de regeering te handhaven. Hij onderwierp Naxus en Catana, versloeg als bondgenoot der Cumaeërs de Etruriërs ter zee (474), en verjoeg den wreeden tyran Thrasydaeus uit Agrigentum (473). Hij wordt hoog geroemd als beschermer van kunsten en letteren, Aeschylus, Simonides, Bacchylides leefden langen tijd aan zijn hof. Hij stierf in 467 in de door hem gestichte stad Aetna.—2) Syracusaan van koninklijke afkomst, dapper en bekwaam legeraanvoerder, werd in 270, toen te Syracūsae een democratische opstand uitbrak, door het leger tot veldheer gekozen, kwam door de hulp der aristocratische partij in de stad, dempte den opstand, wist zich van de muitende huurtroepen te ontslaan en een nieuw leger te vormen, waarmede hij de Mamertijnen bij Mylae versloeg. Daarop werd hij tot koning uitgeroepen (264) en poogde hij de macht van Syracusae te herstellen; inderdaad bereikte de stad door zijne wijze regeering zekere mate van welvaart, maar in de oorlogen tusschen de Romeinen en Carthagers kon hij niet onzijdig blijven. Aanvankelijk koos hij de partij der Carthagers, maar reeds na een jaar ging hij na de overwinning van App. Claudius tot de Rom. over, verplichtte zich schatting te betalen, stond een deel van zijn gebied af en regeerde over het overige onder romeinsche bescherming; hij bleef de getrouwe bondgenoot der Romeinen tot zijn dood (215).—3) beroemd vazenfabrikant in Athene, uit het begin van de 5de eeuw.

Hierocles, Ἱεροκλῆς, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.

Ἱερόδουλοι, ἄνδρες (γυναῖκες, παρθένοι) ἱεροί (-ραί), tempeldienaars van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Ἑταῖραι.

Ἱεροκήρυξ, z. Eleusinia.

Ἱερομηνία, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de ἱερομηνία, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een algemeene schorsing van vijandelijkheden (ἐκεχειρία) mede verbonden.

Ἱερομνήμονες, z. Amphictyones.

Ἱερὸν ὄρος, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht bij de Chersonēsus Thracica. Hierop lag een versterking.

Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracūsae vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz., die door de Rom. was in stand gehouden.

Hieronymus, Ἱερώνυμος, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.—2) van Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.—3) van Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke geschiedenis van zijn tijd.—4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na 13 maanden geregeerd te hebben vermoord.—5) van Stridon, de kerkvader (348–420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem, vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt.

Ἱεροφάντης, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën; de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden.

Hierosolȳma (plur.), τὰ Ἱεροσόλυμα, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim, vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In 130 legde Hadriānus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken, benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herōdes Agrippa ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg (mons Olivēti).

Hilaīra, Ἱλάειρα, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Hilarotragoedia, z. Rhinthon.

Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia.

Ἱμάτιον, z. Pallium.

Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende.

Himera, Ἱμέρα, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende, de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan, dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit dezelfde bron ontsprongen.—De stad Himera was eene volkplanting van Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs, met behulp van Hiero van Syracūsae, zich van Agrigentum vrij te maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selīnus viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier eene nieuwe stad Thermae, τὰ Θερμά, gesticht. De badplaats zelf heet gewoonlijk Θερμαὶ αἱ Ἱμεραῖαι, de inwoners Θερμῖται, Thermitani. Te Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was de geboortestad van den tyran Agathocles.

Himerius, Ἱμέριος, van Prusa (315–386 n. C.), Grieksch rhetor en sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar Iuliānus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven.

Himilco, Ἱμίλκων, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (± 550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden (Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Aviēnus (z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren in de sicilische en punische oorlogen gedragen.

Ἵππαρχος, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars.

Hipparchus, Ἵππαρχος, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord (z. Harmodius).—2) dichter der nieuwe attische comedie.—3) van Nicaea in Bithynië, werkte 160–120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek, die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken (πρὸς Ἐρατοσθένην) worden vaak door Strabo geciteerd.

Hipparīnus, Ἱππαρῖνος, 1) vader van Dio.—2) zoon van den ouden Dionysius, na Dio’s dood tyran van Syracuse (353–350).

Hipparis, Ἵππαρις, rivier die door het moeras van Camarīna, op de Z.kust van Sicilia, stroomde.

Hippemolgi, Ἱππημολγοί, een scythische nomadenstam in het N., wier voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond.

Ἱππῆς, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300–500 medimnen of metreten kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse als hoplieten. Ook de spartaansche ἱππῆς, eene koninklijke lijfwacht van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen.

Hippias, Ἱππίας, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen, en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigēum. Hij gaf echter de hoop niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.—2) van Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis, die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen, wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld.

Hippius, Hippia, Ἵππιος, Ἱππία, bijnaam van Poseidon, Athēna, Hera e. a. goden en godinnen.

Hippo, Ἱππών, 1) Hippo Regius, βασιλικός, thans Bona, op de numidische kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.—2) Hippo Diarrhytus, διάρρυτος, in dat gedeelte van het carthaagsche gebied, dat Zeugitāna heette.—3) stad der Carpetāni in Tarraconensis, ten O. van Tolētum.—4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo Valentia geheeten, z.a.

Hippocentauri, Ἱπποκένταυροι, z. Centauri.

Hippocles, Ἱπποκλῆς, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker.

Hippocoon, Ἱπποκόων, 1) zoon van Oebalus en Batēa, verdreef met de hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles gedood.—2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.—3) tochtgenoot van Aenēas, bekwaam boogschutter.

Hippocrates, Ἱπποκράτης, 1) vader van Pisistratus.—2) Alcmaeonide, grootvader van Pericles.—3) broeder en opvolger van Cleander als tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook Naxus, Callipolis en Leontīni, noodzaakte de Syracusanen door zijne overwinning bij de rivier Helōrus (492) hem Camarīna af te staan, en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).—4) zoon van Ariphron, atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).—5) van Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde in de 2de helft van de 5de eeuw.—6) van Cos, de beroemde grieksche geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader Heraclīdes en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larīsa in Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt den naam Ἀφορισμοί.—Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco, zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken.

Hippocrēne, Ἵππου κρήνη, Ἱπποκρήνη, Fons Caballīnus, bron op den Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht.

Hippodamēa, Ἱπποδάμεια, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.—2) echtgenoote van Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren en Lapithen.—3) = Brisēis.—4) echtgenoote van Amyntor, moeder van Phoenix.—5) dochter van Anchīses, gemalin van Alcathous.

Hippodamus, Ἱππόδαμος, van Milētus, beroemd bouwmeester ten tijde van Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus, te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van een ontwerp eener ideale staatsinrichting.

Plattegrond van een Hippodromus.
Plattegrond van een Hippodromus.

Hippodromus, ἱππόδρομος, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (οἰκήματα) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (καλῴδιον, ὕσπληξ), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (ἄφεσις), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (χῶμα) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.

Hippolochus, Ἱππόλοχος, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.—2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelāus gedood.

Hippolyte, Ἱππολύτη, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admēte, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.

Hippolytus, Ἱππόλυτος, 1) een van de Giganten.—2) zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.—3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.

Hippomedon, Ἱππομέδων, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.

Hippomenes, Ἱππομένης, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).

Hippōnax, Ἱππώναξ, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ook Bupalus.

Hipponīcus, Ἱππόνικος, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende de σεισάχθεια van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.—2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.—3) zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.—4) zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.

Hipponium, zie Hippo no. 4.

Hipponous, Ἱππόνοος, z. Bellerophon.

Hippophagi, Ἱπποφάγοι, 1) scythisch volk in Persis.—2) volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.

Hippotes, Ἱππότης, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).

Hippothoon, Ἱπποθόων, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.

Hippothoontis, Ἱπποθωντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Hippothous, Ἱππόθοος, 1) vader van Aepytus no. 2.—2) zoon van Priamus.—3) van Larīsa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.

Ἱπποτοξόται, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.

Hirpīni, Ἱρπινοί, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculānum.

Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4.

Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.

Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octaviānus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven.

Hirtulēius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79–76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.

Hispalis, Ἵσπαλις, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetāni in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.

Hispania, Ἱσπανία, door de Grieken Ἰβηρία genoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180–178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucānus, Martiālis, Quintiliānus, Traiānus, Hadriānus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.

Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.

Hister, zie Danuvius.

Histiaea, Histiaeōtis = Hestiaea, Hestiaeotis.

Histiaeus, Ἱστιαῖος, tyran van Milētus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darīus hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).

Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae.

Histria, Ἰστρία, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.

Homeridae, Ὁμηρίδαι, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.

Homērus, Ὅμηρος, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan waren.—Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom χωρίζοντες genoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.—Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.

Homerus latinus, z. Silii no. 7.

Ὅμοιοι, gelijken. De wet van Epitādeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaars ὅμοιοι, in tegenstelling van de armere burgers, ὑπομείονες.

Homole, Ὁμόλη, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.—Homole of Homolium, Ὁμόλιον, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.

Homona, Homonadenses, Ὁμοναδῆς of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.

Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.

Ὅπλητες, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.

Ὁπλῖται, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (ἀσπίς), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.

Horae Quirīni, zie Hersilia.

Horae, Ὧραι, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irēne, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.—Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.

Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbātus en L. Valerius Poplicola Potītus, 449: 1) ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;—2) dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;—3) dat geen nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri, in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar.

Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta van Ennius ontleend.—2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolīnus.—3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsēna, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.—4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.—5) M. Horatius Barbātus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.—6) Niet tot deze gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecēnas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, het Sabīnum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octaviānus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3), het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken), waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica.

Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.

Horta, Hortānum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.

Hortātor of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.

Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae of marktdagen tot dies fasti.

Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.—2) Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de auctor der lex Hortensia de plebiscitis.—3) Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome’s grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z. Hegesias no. 2.—4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.

Hōrus, Ὧρος, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osīris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.

Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.

Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verōna.

Hostilia curia, zie Curia.

Hostiliānus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.

Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancīnus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.

Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eene seditio.

Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum (z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5).

Ὕβρεως γραφή, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z. Ἡλιαία) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.

Ὑλλῆς, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.

Hunni, Οὗννοι, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den “geesel Gods” (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila’s dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie men Bactria.

Ὕπαιθρος heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onder Templum.

Ὑπασπιστής, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.—2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (ἄγημα) gekozen.

Ὑπήκοοι, op Creta = περίοικοι.

Ὑπογραμματεύς = γραμματεὺς (z. a.) τῆς πόλεως, ook γρ. τοῦ δήμου of γρ. τῆς βουλῆς καὶ τοῦ δήμου genoemd.

Ὑπομείονες, z. Ὅμοιοι.

Hyacinthus, Ὑάκινθος, 1) zoon van Amyclas en Diomēde, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurōtas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.—2) Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.

Hyades, Ὑάδες, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionȳsus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.

Hyaea, Ὑαία, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.

Hyampēa, Ὑάμπεια, een van de toppen van den Parnassus = Lycōreus.

Hyampolis, Ὑάμπολις, stad in Phocis bij Elatēa, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.

Hyantes, Ὕαντες, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyantēus bij dichters = boeotisch, hyantis = aetolisch.

Hyarōtes, Ὑαρώτης = Hydraotes.

Hybla, Ὕβλα, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, ἡ μείζων of μεγάλη, v. s. ook Hybla Geleātis (Gereātis), Ὕβλα ἡ Γελεᾶτις, ἡ Γερεᾶτις geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, ἡ μικρά of Ὕβλα τὰ Μέγαρα, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracūsae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Μεγαρῆς Ὑβλαῖοι. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde, H. Heraea, Ἡραία of ἡ ἐλάττων, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla’s kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel.

Hyccara, (plur.), τὰ Ὕκκαρα, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.

Hydaspes, Ὑδάσπης, zijtak van den Acesīnes, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.

Hydraōtes, Ὑδραώτης, een zijtak van den Acesīnes, evenals de Hydaspes.

Hȳdrea, Ὑδρέα, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.

Hydrochous, Ὑδροχόος = Aquarius.

Hydrophoria, Ὑδροφόρια, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.

Hydruntum of Hydrus, Ὑδροῦς, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.

Hygiēa, Ὑγίεια, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athēna, die ook den bijnaam Hygiēa heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.

Hygīnus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traiānus, v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma).

Hylas, Ὕλας, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.—Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.

Hyle, Ὕλη, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.

Hylias, Ὑλίας, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.

Hylice, Ὑλική (sc. λίμνη), meer. Zie Hyle.

Hyllus, Ὕλλος, zoon van Heracles en Deïanīra, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnēsus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.

Hyllus, Ὕλλος, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.

Hymen, Hymenaeus, Ὑμήν, Ὑμέναιος, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionȳsus en Aphrodīte, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.

Hymettus, Ὑμηττός, berg in Attica ten O. van Athēnae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.

Hypacyris, Ὑπάκυρις, ook wel -caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.

Hypaepa, τὰ Ὕπαιπα, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.

Hypanis, Ὕπανις, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook = Hyphasis.

Hypata, Ὑπάτα of τὰ Ὕπατα, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.

Hypatia, Ὑπατία, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.

Hyperbolus, Ὑπέρβολος, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.

Hyperborēi, Ὑπερβόρειοι, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal ’s jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd. Hyperboreus dichterlijk = noordsch.

Hyperborēi montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborēi, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.

Hyperēnor, Ὑπερήνωρ, een van de Sparten, zie Cadmus.

Hyperīdes, Ὑπερείδης, -ρίδης, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewel hij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegīna, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.

Hyperīon, Ὑπερίων, een van de Titanen, vader van Helius, Selēne en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperīon genoemd.

Hyperm(n)estra, Ὑπερμ(ν)ήστρα, zie Danaüs.

Hyphasis, Ὕφασις, een zijtak van den Acesīnes.

Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.

Hyporchēma, ὑπόρχημα, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.

Hypothēbae, Ὑποθῆβαι, oude stad in Boeotia, waaronder men of Potniae of wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmēa of burcht verstond.

Hypothēca, ὑποθὴκη, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.

Hypsipyle, -pylēa, Ὑψιπύλη, -πύλεια, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iāson moeder van twee zonen, Thoas en Eunēus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.

Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selīnus uitmondt.

Hyrcania, Ὑρκανία, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.

Hyrcānum mare, z. Caspium mare.

Hyrcānus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobūlus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch, ἀρχιερεὺς καὶ ἐθνάρχης, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.

Hyrgis, Ὕργις, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.

Hyria, Ὑρία, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichōnis.—2) stad in Boeotia, nabij den Eurīpus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.—3) stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ook Uria geheeten.

Hyrmine, Ὑρμίνη, ook Horminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.

Hyrtacides, zoon van Hyrtacus = Nisus no. 2.

Hysiae, Ὑσιαί, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreātis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.—2) vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.

Hystaspes, Ὑστάσπης, aanzienlijke Pers, vader van Darīus I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings