← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

III.

Reading edition

's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.

Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer, als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer, dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel, klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat, wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens, in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt; van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt, u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.

Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog, in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels nog bevend hangen aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;—dan, ja, ga uit, zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en te waardeeren.

In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie, nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards, met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige tinten der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.

Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.

Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden lager dan in het overige gedeelte van het huis.

Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen, welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de regeering werden tegengewerkt.

De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen, waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld, maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten, die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten, en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na bladzijde 220eindelooze moeite en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste policie-agenten.

Demetrius Bulgaris.
Demetrius Bulgaris.

Demetrius Bulgaris.

Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door partikulieren collegiën gasthuizen, bewaarscholen, gymnasiën, in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van eene of andere inrichting van bladzijde 222dien aard, zonder te bedenken dat reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig, ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel, er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder, dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.

Op de Akropolis.
Op de Akropolis.

Op de Akropolis.

Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektuëel gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij het jongere geslacht te miskennen.

De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen, hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang, maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.

De invloed der Universiteit op de intellektuëele ontwikkeling en op geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak, door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het, juist door den intellektuëelen invloed zijner hoogere beschaving, eene macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden, maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan de onbezonnen militaire demonstratiën, die nu en dan op touw worden gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.

Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden: “Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen doen konden.”

De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de regeering van Griekenland zelf.

Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren, de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen; en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.

Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen: zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste provinciën van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij door dit brandpunt van intellektuëele ontwikkeling aangetrokken als de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad, kunt gij hen ontmoeten, bladzijde 223slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd, ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.

Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook, door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel, zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten, wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren, die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.

Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.

In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning en tegemoetkoming van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen plaatsen: in één woord, een soort van groote normaalschool kunnen inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen en haar studiën voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der Universiteit. Dit is het Arsakion.

Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele stad. Het Bizarion (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris) is een seminarie voor theologische studiën.

De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.

Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht, om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school, door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten; om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.

In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd voor de nationale tentoonstellingen (Olympiën), die alle vier jaar gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion, naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?

Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.

Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel opvolgende ministeriën zich bekommeren over zaken, die met de politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn, indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die bladzijde 224tot de schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo, is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen, nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen van een schitterenden bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in één waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.

Tribune van Demosthenes.
Tribune van Demosthenes.

Tribune van Demosthenes.

Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn, het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poëzie verloren.

Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve, voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud is toevertrouwd, gaan dagelijks voort met haar te bederven en van haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral—en dit is nog erger—dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen bladzijde 226zijn. De portieken van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.

Een metropolitaan.
Een metropolitaan.

Een metropolitaan.

Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan den voet der Propylaeën of van het Parthenon, gevoelt ge de oude helleensche wereld, in al haar ongeëvenaarde schoonheid, in al haar soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.

Als ge uw blikken van de ruïnen afwendt om het panorama rondom u te overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.

De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge met volle recht op de landschappen van Ionië en de oevers van den Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste gezicht, die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm, de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land: Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden, om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk- en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar element wordt gemist.

De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen, in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen, in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn, vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam begunstigde volk.

Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door den loodrechten rotskegel van Philé, dien de oude dichters bij een wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het Parthenon liet houwen.

Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar het westen wendt, dan breidt zich bladzijde 227een panorama voor u uit, dat in schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe, het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra; links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias; dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den Piraëus, en de baai van Salamis.

Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken hebben moest.

Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder, dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?

Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei, was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte, zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd, werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald; Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.

In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografiën, de portiek van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En toch zijn die alleszins de aandacht waard.

In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over het oude polytheïsme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders; onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van minder omvang dan onze gewone dorpskerken, bladzijde 228maar zij vertoonen een eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.

Men kan deze kerken in drie kathegoriën splitsen, die tevens drie tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen, hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte dak met een koepel gedekt was.

Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd; de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en bogen versierd met mozaïeken op gouden grond. Het niet zeer lange schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.

Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de mozaïeken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is dit een tijdperk van toenemend verval.

De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het tegenovergestelde van de heidensche tempels.

Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude dagteekening.

Vóór den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk van eene of andere ruïne afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.

Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt, op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche architectuur is ingevoerd.

De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is, althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk; het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken; de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk, met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven het onaangenaam geschreeuw der grieksche.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings