X.
Reading edition
Spalato, wij zeiden het reeds, is de opvolgster van Salona, de romeinsche kolonie, door de barbaren verwoest. Door de oostenrijksche regeering waren gelden beschikbaar gesteld voor het doen van onderzoekingen en opgravingen in deze streek, en de leiding dier werkzaamheden was opgedragen aan professor Glavinich, directeur van het museum van Spalato. De professor had de beleefdheid, ons tot een bezoek aan zijn arbeidsveld uit te noodigen: de kleine reize zal dus ook uit een historisch en archeologisch oogpunt, althans voor ons, niet zonder belang zijn.
De plaats, waar Salona stond, is een uur van Spalato verwijderd; een goede, gemakkelijke weg, die naar het binnenland der provincie loopt, voert daarheen; nabij dien weg ziet men nog de buizen, die het water naar het paleis van Diocletianus brachten. Het eenige dorpje, dat de reiziger op zijn weg ontmoet, draagt zelfs den naam van Pozzo Buono (goede put). Ter rechterhand ziet men een vierkant gebouw, door vrij hooge muren omringd, dat bij de omwonende bevolking als de Zecca (munt) van Diocletianus bekend staat. Dit is natuurlijk een dwaling: waarschijnlijk is dit gebouw eene bisschoppelijke woning uit de dertiende eeuw.
De baai, waaraan Salona lag, levert nog heden een schoonen aanblik op. De stad verrees aan den noordelijken oever van den Giadro, die in de golf van Spalato uitloopt; de rivier komt eensklaps uit de spleten van een rots te voorschijn; haar lengte bedraagt niet meer dan een halve mijl; zij levert voortreffelijke forellen op, die van ouds beroemd zijn. Het landschap buiten Spalato is zeer bekoorlijk; voor het eerst zien wij populieren; de geheele vlakte is vruchtbaar en weelderig; overal groeien wijnstokken en olijven, die buitengewoon groote vruchten voortbrengen. De vlakte strekt zich uit tot aan de kust, maar een landtong steekt in zee uit, en draagt een aardig miniatuurstadje, dat zich in de heldere golven spiegelt: Branizza, het klein Venetië genoemd, dat welhaast een eiland schijnt.
De weg, die naar de plek voert waar eenmaal Salona stond, steekt de rivier over op dezelfde plaats, waar zich reeds ten tijde der Romeinen eene brug bevond. Wie niet vooraf op de hoogte was gebracht, zou dezen klassieken grond kunnen betreden, zonder zelfs te vermoeden, dat hier eenmaal eene groote stad verrees. Wel ziet men hier en daar enkele brokken muur, maar zij verliezen zich in de oneffenheden van den bodem; en met uitzondering van enkele bogen eener waterleiding, niet of nauwelijks in de verte zichtbaar, is nergens eenig spoor te ontdekken van eene antieke stad, die tot de voornaamste steden der provincie behoorde. Even als te Pompeji en te Herculanum, is ook hier de bodem belangrijk verhoogd; maar hier is die verhooging niet te weeg gebracht door de asch- en lavastroomen van een vulkaan, die alle monumenten heeft begraven: hier zijn alle verwoestingen aangericht door menschenhanden, en heeft de tijd over alles zijn sluier geworpen. Langzamerhand heeft de weelderige natuur haar gebied hernomen; groote vijge- en amandelboomen wortelen in de aardlaag; de boer heeft zijne hut gebouwd op de plek, waar de paleizen zijner voorvaderen bedolven liggen, en de verwoeste stad slaapt in haar graf onder de aarde. Het tegenwoordige dorp draagt nog den naam van Salona, maar het beslaat slechts een zeer klein deel van de oppervlakte der oude stad. Doch, zoo uitwendig niets het oog trekt, behoeft men slechts even in den grond te delven, om tot de zekerheid te komen dat daar eenmaal Salona stond. Reeds lang voor de tegenwoordige opgravingen bestond daaraan geen twijfel; alle antieke overblijfselen in het museum van Spalato, beelden, vazen, graftomben, opschriften, enz. getuigen onwedersprekelijk van de juistheid der traditie, die in het tegenwoordige dorp Salona den nederigen opvolger ziet der eenmaal zoo beroemde stad.
Welke was de oorsprong dezer stad? Dit is niet te zeggen; vóór den tijd van Julius Caesar is alles duisternis en onzekerheid. Na de verwoesting van Delminium, wordt Salona de hoofdstad van Dalmatië, en Caecilius Metellus vermeestert haar voor de eerste maal; andermaal opent zij hare poorten voor Cneius Cosconius, en gedurende den burgeroorlog tusschen Pompejus en Caesar, tast Octavius haar tweemaal te vergeefs aan. Salona kiest in 't eind partij voor Brutus en Cassius; C. Asinius Pollion slaat het beleg voor de stad, vermeestert haar, en zij komt in de macht van Octavianus. Aanstonds na de tweede verovering wordt zij tot den rang van romeinsche kolonie verheven, en ontvangt, uit hoofde van haar gewicht, den titel van Colonia Martia, Julia Salona, later dien van Colonia Claudia Augusta Pia veteranorum. Onder Augustus bereikt zij haar volle ontwikkeling: zij geldt als het voornaamste bolwerk der romeinsche bezittingen aan dit gedeelte der Adriatische-zee. Achtervolgens bladzijde 131republiek, Conventus Colonia, Metropolis, Prefectura, en Praetorium, naar gelang van haar belangrijkheid en de wisseling der tijden en toestanden, wordt zij in den christelijken tijd hoofdplaats van een bisdom, door Sint-Doïmo gesticht; een-en-zestig bisschoppen volgen elkander op dien alouden zetel. Onder de latere romeinsche Keizers was de stad reeds aanmerkelijk verfraaid geworden; maar toen Diocletianus den troon beklom, herinnerde hij zich dat hij Dalmatiër van geboorte was; hij beminde zijn vaderland en wilde daar zijne dagen eindigen: hij liet mitsdien de stad geheel herbouwen. Tot omstreeks de helft der vijfde eeuw, alzoo gedurende ongeveer honderd-vijftig jaar na den dood van Diocletianus, ondergaat zij weinig verandering; maar in 481 maakt Odoaker, Koning der Herulen, zich van de stad meester en verwoest haar. In de zesde eeuw valt zij in handen van Totila, den Vorst der Gothen, tot zij in 535 door Keizer Justinianus wordt heroverd. Zij is nu op nieuw eene romeinsche stad; haar verwoeste muren worden hersteld en van nieuwe versterkingen voorzien; en nauwelijks weder uit haar verval opgeheven, weerstaat zij met goeden uitslag twee belegeringen, door de soldaten van Vitiges en door Totila. Van Salona vertrekken, in 544 en 552, de beroemde grieksche veldoversten Narses en Belisarius, om Italië aan de handen der barbaren te ontrukken; gedurende bijna eene eeuw geniet de stad nu eene betrekkelijke veiligheid; maar de inwoners, in stede van zich in den wapenhandel te oefenen en tot de onvermijdelijke worsteling voor te bereiden, leven in zorgelooze weelde en verbrokkelen hunne kracht in onderlinge partijschappen. Zoo nadert haar laatste ure. In 639 veroveren de Avaren Clissa, een sterke rotsvesting, die Salona beheerscht; de stad zelve biedt nauwelijks wederstand; zij wordt vermeesterd, geplunderd, en voor de laatste maal aan de vlammen prijs gegeven;—zij stond niet weder uit haar asch op.
Bezoeken wij nu haar graf. Sedert zeventien dagen is men met de opgravingen bezig; een veertigtal werklieden spitten den grond om, en de vrouwen van Salona voeren de aarde weg in korven, die zij op het hoofd dragen. Bij afwezigheid van den directeur, is de katholieke pastoor van het dorp met de leiding der werkzaamheden belast. Wij vinden hem bij de opgravingen; een geneesheer, die te paard voorbij komt rijden, houdt, ons gezelschap ziende, stil, en voegt zich bij ons. Er is een gelukkige ontdekking gedaan: op een diepte van zes tot acht el onder den bebouwden grond, heeft men eene begraafplaats gevonden, waarvan de aanleg nog duidelijk te herkennen is, met den kleinen ronden tempel, waar de lijken werden gewasschen en toebereid. De steenen kuip ligt op den grond: de voetstukken der dorische zuilen zijn ongeschonden, de schachten zijn ter hoogte van een el afgebroken. De sarkophagen zijn, in vrij grooten getale, hier en daar verspreid: allen zijn zeer eenvoudig van vorm. Wij bevinden ons op eene christelijke begraafplaats uit de eerste eeuwen: de sarkophagen zijn meest allen versierd met een grieksch kruis, en afkomstig uit de vierde of vijfde eeuw onzer jaartelling; maar tot onzen spijt zijn zij allen aan de hoeken gebroken: blijkbaar hebben de barbaren deze graven geschonden. Bijna alle sarkophagen zijn dus of ledig of met aarde gevuld. Vermoedelijk was dit hier eene voorstad van Salona, daar het niet waarschijnlijk is dat de Christenen hunne dooden binnen de muren der stad mochten begraven.
Eindelijk wordt een ongeschonden sarkophaag ontdekt, die nog zijn zegels, met het jaartal 437, behouden heeft. “Toen Honorius en Theodosius consuls waren, de eerste voor de zevende maal, de tweede voor de tweede maal” ... zoo luidt de aanhef van het opschrift. Niet zonder aandoening zien wij, hoe de arbeiders, op eene knie liggende, den hefboom tusschen den sarkophaag en het deksel schuiven; al de landlieden hebben den arbeid gestaakt en zich op de aardhoopen en heuveltjes gegroept, om getuigen te zijn van hetgeen hier voorvalt; de vrouwen, met den korf op het hoofd, houden haar oogen gevestigd op de groep in het midden. Het deksel heeft losgelaten: het is nog ongeschonden en wordt zachtkens op den grond nedergelegd; maar het regenwater is langzamerhand in de lijkkist doorgedrongen en heeft haar tot den rand gevuld. Het water wordt uitgeschept, en nu vertoont zich een geraamte benevens stukken aardewerk: verder bevat de sarkophaag niets. Professor Glavinich kopieert het opschift, dat hij echter niet ontcijferen kan; volgens hem, zijn er maar twee mannen, die deze letters kunnen lezen: Mommsen te Berlijn en Léon Rénier te Parijs.
Inmiddels gaat men met de opgravingen voort; de gansche begraafplaats is reeds ontbloot, en wij wandelen door de ruimte rond. Hetgeen wij van elders omtrent de inrichting der antieke nekropolen weten, stelt ons in staat ook hier de bestemming der bijzondere gedeelten te onderkennen. Dáár werden de lijken gewasschen, eer ze in het graf werden bijgezet; dáár werden zij voor het altaar nedergelegd, en kwamen de bloedverwanten en vrienden hunne gebeden uitstorten. Wij zijn er echter niet zeker van, of zich onder den bodem van de begraafplaats niet nog eene onderaardsche krypt bevindt; want in een der hoeken van de nekropolis hebben de arbeiders een gewelf geopend en bogen van romeinschen oorsprong ontbloot, die aantoonen dat daar eene belangrijke uitgraving moet aanwezig zijn. Wij zien eene zwarte opening, maar zij is nog te klein om te kunnen nagaan, wat men eigenlijk heeft gevonden: en men durft het gewelf niet verder te ontgraven, uit vrees dat het zal instorten en het souterrain verstoppen. Heeft men hier boven op de antieke bouwwerken later andere gebouwen aangebracht, zoo als meermalen het geval is in die romeinsche steden, die door de barbaren werden ingenomen en bezet? Of hebben wij hier werkelijk een grafgewelf, eene krypt voor ons? Wij kunnen bij ons vluchtig bezoek dit niet uitmaken, en hebben ook geen tijd, de oplossing van dit vraagstuk af te wachten: morgen hopen wij reeds ver weg te zijn. De heer Glavinich echter is zeer opgewonden en vol hoop.
Toen zij nog eene romeinsche kolonie was en tijdens hare verdelging door de barbaren, was de stad geheel omgeven door een versterkten muur: een klein gedeelte van dien muur is aan de oostzijde nog zichtbaar, maar naar den kant der rivier kan men zijn bladzijde 132spoor niet volgen; daarentegen is het noordelijk gedeelte vrij wel bewaard, en de uitspringende hoeken der torens en bolwerken zijn zelfs voor de oningewijden te herkennen; over het geheel genomen, geeft deze omwalling een vrij duidelijk denkbeeld van het stelsel van fortificatie der romeinsche steden. Ik moet hier echter bijvoegen, dat men niet zoo zeer de vestingwerken zelven, maar alleen het plan dier werken kan wedervinden. Ditzelfde geldt trouwens van de openbare gebouwen, het raadhuis, het forum, het rechthuis, de verschillende tempels, de schouwburgen en het gymnasie. Men weet uit de berichten der oude schrijvers, dat Salona ook eene wapenfabriek, eene schatkamer, een vrouwengesticht en een baphium, dat wil zeggen eene inrichting voor het verwen van stoffen, bezat. Deze laatste gebouwen behoorden aan den staat, en stonden onder het toezicht van beambten, procuratores genoemd, aan wier hoofd de zoogenaamde “graven der heilige uitdeelingen,” zoo veel als keizerlijke aalmoezeniers, waren geplaatst. De verwerij was voor het persoonlijk gebruik des Keizers, wien bij eene wet het uitsluitend recht was toegekend om stoffen purperkleurig te verwen; overtreding dezer wet door andere inrichtingen werd als een staatsmisdaad gestraft. Salona had ook een haven van eenige beteekenis; maar om daarvan de overblijfselen terug te vinden, zal men langs en waarschijnlijk ook in de Adriatische-zee nasporingen en opgravingen moeten doen.

Sarkophaag, te Salona gevonden.
De heer Glavinich toonde ons het theater en amphitheater, die zeer goed te herkennen zijn: zij zijn geheel opgegraven en zouden gemakkelijk hersteld kunnen worden. Van het theater is niets meer over dan het grondvlak en voetstukken van zuilen, die zeer goed bewaard zijn gebleven, en waarvan de bewerking een vrij zuiveren stijl verraadt. Het amphitheater is veel vollediger: een gedeelte van het proscenium en de grondslagen der bogen waarop de galerijen der zitplaatsen rustten, zijn nog aanwezig; de galerijen zelven zijn verdwenen: en geen wonder: geen ander gedeelte der antieke bouwgewrochten is zoo gemakkelijk weg te nemen en voor andere doeleinden te gebruiken. Bij het beschouwen van deze overblijfselen der oude monumenten van Salona, kan ik den indruk niet van mij weeren, dat de stad toch niet zoo groot en belangrijk was, als men ons wel verzekert: noch het theater, noch het amphitheater, noch de begraafplaatsen, noch de tempels, passen bij eene stad, zoo als ons beschreven wordt. Te Verona, te Nimes, te Arles, te Pola, te Rome, krijgt men een levendigen indruk van de grootheid der stad en de talrijkheid der bevolking, door de groote afmetingen der monumenten zelven; maar hier is dit geenszins het geval: of het theater kon de inwoners niet bevatten, of het getal der inwoners was minder dan de geschiedschrijvers zeggen.
De stichting van Salona, althans de herbouwing der stad, geschiedt in een tijd van verval: de romeinsche wereld neigt ten ondergang: de Christus is verschenen en heeft een nieuw tijdvak in de wereldgeschiedenis geopend; en het paleis van Diocletianus, hoe prachtig en grootsch ook van aanleg, mist de onuitputtelijke sobere bevalligheid, de volkomen harmonische schoonheid van den echt antieken geest: het draagt veelmeer de kenmerken van oostersche overlading en mateloozen praal.

Zijwand van den sarkophaag, door de barbaren geopend.

Andere zijwand.
Onder de beelden, bas-reliefs, gegraveerde steenen, bladzijde 134vazen, opschriften, sarkophagen, architectonische fragmenten van allerlei aard, van Salona en Spalato afkomstig, en tegenwoordig bijeengebracht in het museum dezer laatste stad, vindt men een aantal voorwerpen die, afgescheiden van hunne onbetwistbare historische waarde, ook wezenlijke kunstwaarde bezitten. Vooral onder de sarkophagen zijn er velen, die in hooge mate de aandacht verdienen. Zij zijn niet allen van Salona afkomstig, en men is omtrent hunne herkomst nog dikwijls in het onzekere, daar zelfs de geleerde Lanza, de voormalige directeur van het nationaal museum van Zara, die zoo geheel op de hoogte is van al hetgeen Dalmatië betreft, noch de juiste dagteekening wanneer, noch de juiste plaats waar men deze sarkophagen gevonden heeft, kan opgeven. Maar het is tot op zekere hoogte onverschillig, op welke plek zij nu juist opgedolven zijn: dit is zeker dat zij door romeinsche of dalmatische kunstenaars vervaardigd zijn, en meer dan waarschijnlijk tot Salona behooren. Een dezer sarkophagen, waarvan wij boven reeds spraken, en waarop de jacht op het calydoonsche zwijn is afgebeeld, wordt zelfs door sommigen voor den sarkophaag van Diocletianus gehouden. Een andere sarkophaag, waarop de strijd tusschen de Centauren en de Lapithen is afgebeeld, is ongetwijfeld van Salona afkomstig, en evenzoo die andere, met het opschrift Mesia Capta Temporum Felicitas, betrekking hebbende op de verovering van Moesië. Vooral merkwaardig is een christelijke, mede van Salona afkomstige sarkophaag, waarop onder anderen de doortocht der kinderen Israëls door de Roode-zee is afgebeeld, benevens Christus als de goede herder. Het bas-relief is uitnemend goed bewaard; de steensoort is niet minder fraai dan oostersch albast; nog heden kan men dit kostbaar gedenkstuk zien voor den ingang van een klooster, nabij het nieuwe plein van Salona; langen tijd heeft het als altaartafel gediend in de kerk der Minderbroeders. Blijkens de bewerking, moet deze sarkophaag uit de derde eeuw onzer jaartelling afkomstig zijn. Men verhaalt u, dat de voorstelling van het bas-relief onbekend bleef tot in 1818, toen Keizerin Carolina Augusta, die met Keizer Frans I Dalmatië bezocht, op het eerste gezicht de uitlegging gaf. Nog zijn op deze tomben de sporen te herkennen van het werktuig, dat de barbaren gebruikten om de graven te openen.

De jaarmarkt te Salona.
Te Salona waren wij getuigen van een tooneeltje, dat waardig was door eene teekening in de herinnering bewaard te worden, en dat overigens herhaaldelijk voorkomt. Terwijl wij uitrustten bij eene hut, in welker muur oude inscripties waren ingemetseld, kwam een jong meisje van Salona, bijkans nog een kind, in het schilderachtige nationale kostuum gekleed, aan professor Glavinich eene inscriptie aanbieden, die zij op het veld gevonden had. De archeoloog heeft hun, die dagelijks dezen historischen grond bewerken, op het hart gedrukt, geen enkel fragment te vernietigen; als zij het een of ander aanbrengen, krijgen zij eene kleine geldelijke belooning. Toen zij de hand had uitgestoken, om het geld te ontvangen, bleef het meisje, beschaamd en verward, staan; weldra echter vatte zij moed, en vroeg of het opschrift niet het aanwezen van een schat bewees op de plek waar zij het gevonden had. Wij lachten om de naïeve vraag, maar oordeelden het beter, de eenvoudige landlieden in den waan te laten, dat elke inscriptie een schat kan verbergen: dit is het zekerste middel om hen van vernieling of veronachtzaming terug te houden. En is zij geen kostbare schat, zulk eene inscriptie, die somwijlen eensklaps aan de historische wetenschap het aanzijn openbaart van een tot dusver onbekend volk, dat niemand in die streek gekend had en welks tegenwoordigheid onwedersprekelijk blijkt uit eenige regelen, voor tweeduizend jaar op een marmeren plaat gegraveerd? Dit toch was het geval met eene inscriptie, eenige jaren geleden nabij Sign gevonden.
Als ware het eene herinnering aan lang vervlogen grootheid, heeft Salona nog een jaarmarkt overgehouden, die door geheel Dalmatië beroemd is, en in de eerste helft van September gehouden wordt. Afgescheiden van den levendigen handel, die bij deze gelegenheid gedreven wordt, heeft de jaarmarkt voor den reiziger nog eene bijzondere aantrekkelijkheid: hij vindt daar eene bijna volledige verzameling van alle kleederdrachten van zuidelijk Dalmatië, beneden Sebenico, bijeen. Al de dorpen tusschen de Adriatische-zee en de turksche grenzen zijn op deze kermis vertegenwoordigd; het tafereel laat aan rijkdom en verscheidenheid niets te wenschen overig, en de reiziger, die het geluk heeft, in dezen tijd des jaars Dalmatië te bezoeken, brengt van deze jaarmarkt eene onuitwischbare herinnering mede.
De Turken van Herzegowina vertoonen zich hier in grooten getale, want de grens is niet veel meer dan eene dagreis verwijderd; maar toch is het turksche element in geenen deele het meest schilderachtige; er is zelfs een geoefend oog toe noodig om een Dalmatiër van Sign of Knin te onderscheiden van een Muzelman van Livno of Trebigne. Het is de kleederdracht der vrouwen, die aan dit feest zijn grootsten luister bijzet: ieder dorp heeft hierin zijne eigene schakeeringen van kleur en tint, zijne eigenaardigheden van snede en patroon. Bovenal wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vrouwen van de Castelli: dit is de naam van zes kleine dorpen langs de kust der baai van Spalato, die haar oorsprong ontleenen aan zestien burchten, in de vijftiende en zestiende eeuw gesticht door de heeren, aan wie de venetiaansche regeering landen in leen had gegeven, onder voorwaarde dat zij er vestingen zouden bouwen, tevens bestemd tot wijkplaatsen voor de boeren gedurende de oorlogen met de Turken. De dorpen hadden zich allengs gevormd onder de wallen der burchten, en waren gaandeweg in welvaart en ontwikkeling toegenomen; de voornaamste rijkdom der bewoners bestond in hunne kudden. Van de zestien kasteelen, zijn er tegenwoordig nog acht over: Castel Sucuraz, Abadessa, Castel Cambio (dat nog heden aan de graven van Cambio behoort), Castel Vetturi, Castel Vecchio, Castel Novo, Castel Stafileo en Castel Papali. De burchtheeren bezaten verschillende heerlijke rechten, bladzijde 135waarvan nog enkelen zijn overgebleven, maar dezen hebben niets drukkends of buitensporigs. Zoo bestaat, bij voorbeeld, een dier heerlijke rechten hierin, dat de kop van ieder varken, hetwelk op zijn land geslacht wordt, aan den heer behoort; ook ontvangt hij van ieder huisgezin per jaar een paar kippen. Tot voor korten tijd ontving hij eene maat olijven op elk dozijn maten, die de oogst opleverde; en had hij ook recht op de tong van ieder rund, op zijn land geslacht. Daarentegen gaf hij aan ieder, die hem als heer de verschuldigde hulde kwam bewijzen, een brood ten geschenke.
De ligging der Castelli is allerbekoorlijkst. De uitstekende landpunt van Spalato en het eiland Bua vormen daar een veilige, wel beschutte golf, en de grond is zeer vruchtbaar; de kasteelen verrijzen allen vlak aan den oever der zee; het is een der liefelijkste en schoonste landschappen van geheel Dalmatië.
Tot de eigenaardigheden der Castellanen behoort ook deze, dat zij eene sterke ontwikkeling der borst tot de voornaamste schoonheden der vrouw rekenen; ik behoef nu wel niet te zeggen, dat de vrouwen, om genade te vinden in de oogen der mannen, tot de zonderlingste kunstgrepen haar toevlucht nemen. Dit valt nog te meer in het oog door den bijzonderen vorm van het kleine vest, zeer kort en nauwsluitend en van voren zeer laag uitgesneden, dat hier door alle vrouwen gedragen wordt. Ook de jurk is zeer nauw aan het lijf sluitend; een kleine lage hoed, met bloemen versierd, gele kousen, groote gespen op haar zwarte schoenen, breede en lange zilveren kettingen, waaraan een mes hangt, dat aan den gordel bevestigd is, en een geheel garnituur van knoopen van filigraan aan haar jakje, voltooien het kostuum.
Natuurlijk begeven alle inwoners van Spalato zich naar de jaarmarkt, en ook zij dragen tot het schilderachtig effect bij, want de stad heeft hare eigene kleederdrachten. De gezeten burger vooral maakt aanspraak op bijzonderen smaak en elegantie in kostuum; de vrouwen onderscheiden zich door niets bijzonders, evenmin als die van de andere steden langs deze kust. Men kan zich gemakkelijk verbeelden, in Livorno, in Spezzia, in Apulië, of in eenige andere streek aan de overzijde der Adriatische-zee te zijn. De hier vergaderde menigte is zeer talrijk, zeer levendig en zeer woelig; daar niets dan slavisch gesproken wordt, kan ik niet zeggen of er goede zaken worden gemaakt. Men ziet hier een groot aantal ossen, schapen en varkens bijeen; de nijverheid is voornamelijk vertegenwoordigd door hout- en aardewerk, bekers, huisraad, knoopen, gedrukte stoften uit Oostenrijk, juweelen en sieraden van dalmatischen oorsprong. Ik wil niet zeggen, dat de jaarmarkt maar een voorwendsel is om pret te maken, doch dit laatste wordt stellig niet veronachtzaamd, en draagt niet weinig bij tot het schoone on schilderachtige van het bonte tafreel. Hier ziet ge aardige groepen, die op het kleine plein voor de kerk van Salona, aan de oevers van den Giadro, zijn gekampeerd; andere bezoekers nemen hun intrek in de nederige woningen hunner vrienden in het dorp; sommigen installeeren zich aan den oever zelven der rivier, zoo dicht mogelijk bij het water; zij graven een gat in den grond, maken vuur aan en bereiden hun maaltijd in de open lucht. Het geheel maakt bijna den indruk van eene groote karavaan in rust. Gansche kudden worden aan het spit gestoken; even als in geheel het Oosten, wordt het schaap in zijn geheel, aan een langen stok geregen, gebraden. Er wordt veel gegeten on gedronken en zeer druk gepraat: tegen den avond heerscht er dan ook eene algemeene opgewondenheid, maar er wordt veel minder getwist en ruzie gemaakt dan men oppervlakkig zou meenen, vooral als men bedenkt dat de deelnemers aan dit feest voor het meerendeel onbeschaafde en onwetende lieden zijn. Alles bepaalt zich tot luidruchtig en niet zeer welluidend gezang, met begeleiding van de guela, het nationale instrument, en tot zeer karakteristieke dansen. Vooral des avonds stroomen de stedelingen naar de kermis, om deelnemende getuigen te zijn van de pret der landlieden, die zij te zamen met den naam van Morlaken aanduiden.
Dank zij de krachtige maatregelen der oostenrijksche regeering, draagt de jaarmarkt van Salona thans een ander, vreedzamer karakter dan vroeger: zij was weleer de uitgezochte gelegenheid voor de uitoefening der nationale vendetta, waarbij in den regel bloed stroomde en verbitterd gevochten werd; men heeft, ten voorbeelde, eenige schuldigen zeer streng gestraft, en tegenwoordig wordt de orde stipt gehandhaafd door de sirdars en hunne onderhebbende pandoeren.
Op de jaarmarkt te Salona vond ik ook gelegenheid om den nationalen slavischen dans, den kollo, te bestudeeren, die ook in Servië en onder de slavische bevolkingen van Turkije inheemsch is. Het woord kollo beteekent kring; men danst dan ook in een kring, mannen en vrouwen paarsgewijze, met deze eigenaardigheid, dat de man niet de hand geeft aan zijne buurvrouw, maar zijn arm onder den arm doorsteekt der danseres, naast wie het lot hem geplaatst heeft, om dan de hand te vatten van de danseres, die op haar volgt. De gansche keten slingert zich alzoo dooreen en danst, onder het zingen van een eentonig lied, dat eenigszins droevig klinkt, maar toch niet onbevallig is. Bij dat woord dansen, moet men zich evenwel iets anders denken, dan hetgeen wij daaronder verstaan. Deze dans is, als alle oorspronkelijke volksdansen, veeleer een soort van mimiek, waarbij het niet zoo zeer op kunstmatige bewegingen, veelmin op onnatuurlijke tours de force aankomt, maar op de plastische voorstelling van een hartstocht of gemoedsaandoening, die mede uitdrukking vindt in het den dans begeleidende lied. Zoo is de kollo meer een soort van omgang met rythmische beweging, dan wel wat wij een dans noemen: desniettemin, of liever juist daarom, maakt hij een levendigen indruk. Te Gradisca zag ik eens, op een zondag, den oever der Save, wel een mijl ver, geheel bezet met groepen van zonderling uitgedoste vrouwen, met groote kransen van kunstbloemen op het hoofd, met allerlei juweelen en sieraden getooid en stralende in de meest schitterende kleuren. Er werd een feest gevierd—ik weet niet meer voor welke gelegenheid;—de vrouwen dansten alleen, bij groepen, langzaam, en schier zonder van plaats te veranderen; zij bladzijde 136maakten met haar lichaam eene eigenaardige beweging, die mij aan de jota, den bolero en fandango van Castilië en Andalusië denken deed; ik heb zelden iets zonderlinger en meer karakteristiek gezien.
Mevrouw de prinses Dora d'Istria, die van de zeden en gewoonten der slavische volksstammen eene bijzondere studie gemaakt heeft, heeft in de Revue des deux Mondes, in een artikel over de servische poëzie, een lied aangehaald, waaruit blijkt welken machtigen invloed de kollo op het gemoed dezer volken kan uitoefenen.
“De haïdouk Radoïtza, in den kerker te Zara opgesloten, veinst gestorven te zijn, en speelt zijn rol zoo goed, dat Bekis bevel geeft hem te begraven. De vrouw van den aga, twijfelende aan de waarheid van een zoo plotselingen dood, geeft den raad, dat men vuur zal ontsteken op de borst van den haidouk, om te zien of de “roover” nog teeken van leven geeft. Radoïtza, in wiens hart de echte heldenmoed woont, maakt geene enkele beweging. De turksche vrouw eischt dat men de proefneming voortzette; men legt op de borst van Radoïtza een door de zon verwarmde slang; de haidouk blijft onbewegelijk en kent geen vrees. De vrouw van den aga geeft nu den raad, hem twintig spijkers onder de nagels te drijven: hij houdt zich goed en laat geen zucht ontsnappen. Eindelijk beveelt de boosaardige, dat men een kollo om den gevangene zal vormen, in de hoop dat Haïkouna den haidouk een glimlach zal afpersen. Haïkouna, de schoonste en slankste der dochteren van Zara, leidt den rondedans; haar halssnoer rammelt bij iedere beweging, men hoort het ruischen van haar zijden onderkleed. Radoïtza, wien de marteling niet deeren kon, kan aan deze betoovering geen weerstand bieden; hij ziet haar aan en glimlacht; maar het jonge servische meisje, verrukt en tevens bedroefd over haar zegepraal, laat haar zijden zakdoek op het gelaat van Radoïtza vallen, opdat de andere meisjes den glimlach van den haidouk niet zullen zien. Nadat de proef voleindigd is, wordt Radoïtza in de diepe zee geworpen; maar, weergaloos zwemmer als hij is, keert hij des nachts in het huis van Bekis-aga terug, houwt hem het hoofd af, doodt de turksche “draak”, door haar de spijkers, die hij uit zijn lichaam gehaald heeft, onder de nagels te drijven, voert Haïkouna, “het hart zijner borst”, mede, brengt haar naar het land van Servië en huwt haar in eene witte kerk.”

Venetiaansche fontein te Sign.
In waarheid, waar aan een dans zulk een vermogen wordt toegeschreven, moet hij wel inderdaad nationaal zijn, in het volksleven wortelen, evenzeer als de erfelijke, traditioneele Turkenhaat, waarvan ook dit lied met zoo ruwe welsprekendheid getuigt.
( Wordt vervolgd .)