← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

IX.

Reading edition

Wij maken ons gereed om aan land te gaan. Weldra betreden wij de kaai aan den voet van den muur van het paleis, en volgen die tot aan de nieuwe stad, die in haar bouwstijl geheel het karakter van haar modernen oorsprong draagt. Daar ligt ook ons hotel, dat zich door netheid onderscheidt, en waarvan de benedenste verdieping wordt ingenomen door eene groote restauratie, waar de beambten en de officieren van het garnizoen hun maaltijden komen gebruiken.

Landlieden uit zuidelijk Dalmatië.
Landlieden uit zuidelijk Dalmatië.

Landlieden uit zuidelijk Dalmatië.

De ramen onzer kamers zien op de zee en op het nieuwe plein uit, waarvan slechts twee zijden bebouwd bladzijde 126zijn; alles duidt aan, dat hier eene nieuwe stadswijk in wording is. Men heeft eene nieuwe haven aangelegd; er is sprake van een spoorweg, en men wijst mij reeds de plek, waar het station zal komen te staan.

Echter is dit gedeelte der stad nog bijna geheel verlaten; door de reten onzer zonneblinden zien wij de vrouwen van Spalato, die op het plein witte lakens uitspreiden, waarop zij het zaad van turksch koren uitstrooien om te drogen; verder is er geen leven of beweging in deze buurt te ontdekken.

Ons eerste bezoek geldt natuurlijk de oude stad en het paleis van Diocletianus. Wij gaan door de smalle straten en stegen tusschen het nieuwe gedeelte en de omwalling van het paleis, en bevinden ons weldra op het plein der Signoria, het voornaamste plein der stad, vrij ruim, omzoomd door koffiehuizen, winkels en monumenten van weinig beteekenis, of die althans hun eigenaardig karakter door herhaalde verbouwing en verandering verloren hebben. Hier is het hart der eigenlijke stad, de wandelplaats, het algemeene vereenigingspunt, het centrum der beweging. Dit plein verschilt niet wezenlijk van dergelijke pleinen in de andere kuststeden: alleen mist men hier een dier fraaie italiaansche loggie of dier schilderachtige venetiaansche raadhuizen, die wij te Pola, te Zara en te Sebenico hebben bewonderd. Aan de zuidzijde van het plein bevindt zich de oude IJzeren-poort van het paleis.

Wij gaan onder een hoogen rijk versierden booggang door: daar eindigde de galerij of portiek, die, evenwijdig met de kust loopende, van de IJzeren-poort naar de Bronzen-poort, tegenwoordig de kerk van den Goeden Dood, voerde. Van deze portiek is niets meer over, dan hier en daar nog enkele sporen in het inwendige der huizen, die er tegen aangebouwd zijn, en den wijden doorgang zoo zeer vernauwd hebben, dat ge u in een der stradine van Venetië waant. De richting is echter dezelfde gebleven: de smalle straat loopt nog heden van de IJzeren naar de Bronzen-poort. De huizen zijn hoog; de zon kan nooit in deze straat doordringen; zij gelijkt bijna een reusachtigen put, langs welks wanden vensters met balkons zijn aangebracht, van waar ziekelijke, kwijnende planten afhangen, dorstende naar een weinig frissche lucht en een weinig zonneschijn.

De smalle bedompte straat volgende, komen wij aan het Domplein, het oude forum van het paleis, waarop ook de portieken uitkwamen van den Tempel en van het Mausoleum. De beide, door zuilengangen omzoomde wegen, die het gansche paleis in de lengte en breedte doorsneden, liepen hier samen. Dit belangrijkste gedeelte van het geheele gebouw is gelukkig bewaard gebleven: de stad, die de bewoners van Salona in het paleis stichtten, had ook een plein en een tempel noodig: men vond beiden bereids in het middenpunt der geïmproviseerde stad aanwezig. De nieuwe bewoners stelden de vereering van den waren God in de plaats van de dienst der afgoden, en herschiepen den tempel in eene katholieke kathedraal; toen metselden zij de bogen van de portiek toe, en bouwden op het plein, waarop het Mausoleum stond, het paleis van hun eersten aartsbisschop, waarbij de voorzijde der portiek de façade van het nieuwe paleis werd. Dit verklaart ook, waarom het kleine gebouw, onder den naam van het Mausoleum bekend, en later tot doopkapel ingericht, (naar het oude kerkelijke gebruik, dat een afzonderlijke kapel voor de doopsbediening vorderde) tegenwoordig, van het Domplein afgescheiden, in eene nauwe steeg staat.

Als wij ons op het plein plaatsen, met den rug naar de smalle straat gekeerd, die naar de Gouden-poort loopt, zien wij tegenover ons de loggia van den peristyle, op vier zuilen van rood graniet rustende. In het midden van deze loggia heeft men een onderaardschen doorgang aangebracht; van daar voeren trappen naar de lage galerijen, die met de zee in gemeenschap staan.

Aan onze linkerhand hebben wij de portiek vóór den tempel zelven, benevens de klokketoren of campanile, in 1416 door Nicolo Tverde, Dalmatiër van geboorte, gebouwd, op kosten van Maria, Koningin van Napels, en later, door de milde gaven van Elizabeth van Hongarije, voltooid. Aan dezelfde zijde, aan den hoek waar de portiek gesneden wordt door de straat, die evenwijdig met de zee loopt, hebben de Venetianen een wachthuis gebouwd, welks voorgevel mede door de antieke bogen gevormd wordt. Aan onze rechterhand bevindt zich het aartsbisschoppelijk paleis, insgelijks een geheel uitmakende met de oude portiek aan die zijde, en waarvan de vensters tusschen de arkaden gevat zijn.

Het Pantheon te Rome en de tempel in het paleis van Diocletianus te Spalato zijn de twee schoonste, nog ongeschonden gebleven monumenten der antieke bouwkunst, die door de Christenen voor hunne eeredienst zijn ingericht.

Het was in het jaar 650, dat Johannes van Ravenna, door den Paus gezonden om de aangelegenheden der Kerk in Dalmatië te regelen, den aartsbisschoppelijken zetel besteeg; tot dusver was Salona de residentie van den aartsbisschop geweest. Kort daarna werd het lichaam van Sint-Doïmo (Domnius) van Salona overgebracht naar de nieuwe kathedraal, aan dien heilige gewijd, die, volgens de overlevering, door den Apostel Petrus zelven als bisschop naar Dalmatië was gezonden, en onder de regeering van Trajanus, ten jare 107, te Salona was ter dood gebracht.

De achthoekige tempel stond oorspronkelijk op eene binnenplaats, aan de zijde van het plein afgesloten door eene portiek van zes kolommen, die nog in stand zijn gebleven, en door zijmuren, waarvan mede nog een gedeelte overig is. Als men de buitenste portiek was doorgegaan, kwam men aan eene tweede portiek van vier kolommen, die den toegang tot het gebouw zelf vormde en eenige treden boven den grond verheven was. Het geheele achthoekige gebouw was verder omgeven door eene omloopende portiek van vier-en-twintig kolommen, deels van oostersch graniet, deels van marmer, en allen bekroond met standbeelden, die tegenwoordig verdwenen zijn. De portiek vóór den tempel is eveneens verdwenen en vervangen door stevig metselwerk, waarop de campanile rust, en waarbij een aantal antieke zuilen als bouwmateriaal gebezigd zijn.

De omgang om den tempel bestaat nog, met de portiek, die hier en daar is toegemetseld, en alleen bladzijde 127aan de zijde achter het hoogaltaar is vernield. Alleen aan den rechterkant is de doorgang nog vrij; tusschen de portiek en den eigenlijken tempel, in de muren en tusschen de kolommen, ziet men eene menigte antieke graven, grafzerken en tomben van historische personen. Boven den ingang van den tempel bevond zich weleer de sarkophaag van de Prinsessen Margaretha en Catharina, dochters van Bela IV, Koning van Hongarije, ten jare 1241 overleden in de vesting Clissa, waar haar vader de wijk had moeten nemen voor de Tartaren. Haar stoffelijk overschot werd naar Spalato gebracht, en overeenkomstig een gebruik dier tijden, in een sarkophaag boven de poort van den Dom geplaatst. In de maand Mei van het jaar 1818 is dit monument verdwenen, men weet niet recht hoe; de ledige plaats getuigt nog van den gepleegden roof.

Het inwendige van den tempel maakt een grootschen indruk. De christelijke eeredienst heeft in geen enkel opzicht aan de majesteit van den antieken tempel afbreuk gedaan. Het gebouw, dat uitwendig de gedaante van een achthoek heeft, is van binnen cirkelvormig; wij staan in eene ledige ruimte, van dertien el in doorsnede en een-en-twintig el hoogte, gedekt door een koepel. Acht zuilen van korinthische orde, uit een enkel blok oostersch graniet gehouwen, en zeven el hoog, dragen een bij uitstek rijk bewerkt entablement van kolossale afmetingen, dat in zijne overmatige versiering duidelijke sporen toont van het verval der kunst. Op dit entablement rust eene galerij, mede met acht kleinere zuilen versierd, waarvan vier uit porfier en vier uit graniet, die eene kroonlijst dragen, waarop het gemetselde gewelf rust.

Het geheel is grootsch en eenvoudig; het eenige gedeelte dat, behalve het entablement, van te groote overlading getuigt, is eene fries op de bovengalerij, die om het geheele gebouw loopt en in eene reeks medaillons eene menigte bas-reliefs bevat, jachten, wedstrijden, herten, leeuwen, spelende amors, busten van Diana enz. voorstellende. De tempel is duister, hoewel men er, toen hij voor de christelijke eeredienst werd ingericht, eenige nieuwe vensteropeningen in gemaakt heeft; maar oorspronkelijk ontving hij al zijn licht door een soort van venster, boven den ingang geplaatst. Intusschen verhoogt dit halfdonker zeer het effect.

Onder den tempel bevindt zich een onderaardsche krypt, die de geheele ruimte inneemt en zeer goed bewaard is gebleven; het is niet gemakkelijk uit te maken, waarvoor zij eigenlijk bestemd was.

Bij de inrichting van den tempel voor de katholieke eeredienst, heeft men ook boven in den koepel eene opening aangebracht. Voor de plaatsing van het hoogaltaar, heeft men gebruik gemaakt van de cella tegenover den ingang, waarin het beeld van den god moet gestaan hebben; verder is een deel van den zijmuur weggebroken en een zijgebouwtje van den tempel tot kapel ingericht. De preekstoel, een heerlijk kunstwerk uit de veertiende eeuw, staat links van den ingang, en in elk der nissen tusschen de pilaren ziet men een altaar. De vloer van den tempel is onveranderd gebleven, slechts is het achterste gedeelte een paar treden verhoogd; de ruimte rechts en links van het hoogaltaar wordt door het koor ingenomen; in de hoeken verheffen zich fraaie gothische monumenten van gesneden hout, die de beide altaren moeten beschermen, in de twee nissen van den ronden muur geplaatst. De houten balkons boven de entablementen op de beide verdiepingen zijn veel later aangebracht.

De tijd heeft het marmer donker gekleurd en de glans van het porfier gedoofd; een enkel venster laat een breeden straal van licht door, die sommige gedeelten van het inwendige in helderen glans hult, maar het verdere in half doorschijnende schemering laat, welke nauwelijks het fijne beeldhouwwerk doet herkennen. De zware entablementen werpen breede en diepe schaduwen af, waartegen hier en daar de omtrekken der vergulde engelen op de baldakyns uitkomen; in de nissen en kapellen flikkeren de lampen voor het beeld der Madonna; versierde caissons, groote crucifixen, verguld snijwerk en reliefs van hout, zilveren lampen, door den tijd geel gekleurd, edele steenen in de altaren, schitteren hier en daar als lichtende stippen in het geheimzinnig halfdonker. De kerk schijnt ledig; eene enkele oude vrouw ligt in de schaduw nedergeknield en murmelt met eentonige klagende stem hare gebeden.

Driemaal hebben wij daar lange uren gesleten, in de nis rechts van den ingang zittende en schetsen makende; het was zeer donker; niettegenstaande het op den vollen middag was, moest de koster twee kaarsen ontsteken, om daarbij te kunnen teekenen. Duizenden insekten, vleermuizen, nachtvogels zelfs, daalden van het donkere gewelf en snorden en zwermden om onze ooren en verzengden hun vlerken aan de vlam der kaarsen; de koude vochtigheid drong tot op het gebeente door. De sombere indruk werd nog verhoogd door een klagend geluid, een half gesmoorden zucht, een doffen snik, nu en dan uit de schemering tot ons komende: daar lag eene vrouw of een grijsaard ter aarde gebogen en stortte hier het hart uit voor Hem, wiens oog door de duisternissen henen dringt en wiens oor de stem der klagenden hoort, van waar zij ook moge opgaan. Dan gevoelden wij toch ook, dat het hier heilige grond is.

Als wij, uit de kathedraal komende, het plein oversteken en een nauw steegje inslaan, bevinden wij ons weldra tegenover het kleine monument, dat algemeen onder den naam van het Mausoleum bekend is, hoewel het volgens sommigen een tempel van Esculaap zou zijn geweest. Het gebouw heeft den vorm van een parallelogram van acht el breedte bij eene lengte van elf en een half el. Het is betrekkelijk goed bewaard gebleven; de portiek echter, die den toegang tot den tempel vormde en die veertien treden boven den grond verheven was, is verdwenen.

Het inwendige ontving al zijn licht door den ingang; de muren zijn naakt; aan drie zijden loopt een rijk bewerkte kroonlijst, waarop het uitnemend goed bewaarde gewelf rust. De basreliefs der fries stellen amors, wijngaardranken, offervazen, leeuwen en luipaarden voor; naar deze attributen te oordeelen, zou men veeleer denken aan een tempel voor den god des wijns dan voor dien der geneeskunde. Voor den ingang staat bladzijde 128een antieke sarkophaag, met beeldhouwwerk versierd en blijkbaar uit denzelfden tijd als de tempel afkomstig. Onder verschillende allegoriën herkent men duidelijk de afbeelding van den strijd van Meleager met het wilde zwijn. De sarkophaag komt waarschijnlijk van Salona; onderscheidene geleerden hebben gemeend, dat het basrelief eene zinnebeeldige voorstelling was van den dood van Arius Aper, den moordenaar van Numerianus, die door Diocletianus, toen nog generaal, doch straks Keizer, ten aanschouwe van het geheele leger, met eigen hand werd geveld. De overlevering verhaalt, dat eene priesteres der druïden hem het keizerlijk purper had voorspeld, als hij een wild zwijn (aper) zou hebben gedood; de italiaansche archeoloog Lanza heeft zelfs op dien grond beweerd, dat deze sarkophaag eenmaal het stoffelijk overschot van Diocletianus moet hebben bewaard. Zoo als ik reeds zeide, dient het gebouw tegenwoordig nog voor doopkapel; waarschijnlijk heeft het daaraan zijn behoud te danken.

Een schaap aan het spit.
Een schaap aan het spit.

Een schaap aan het spit.

Dit zijn de voornaamste overblijfselen van het beroemde paleis; maar volstrekt niet de eenige. De gansche oppervlakte, eenmaal door de keizerlijke residentie ingenomen, is thans bebouwd met nauwe en donkere straten. Behalve de kathedraal, bevinden zich nog drie kerken binnen deze ruimte; en wie nauwkeurig alle sporen en overblijfselen wil nagaan, waarop de oudheidkundigen hunne voorstellingen van het paleis ten tijde zijner heerlijkheid gegrond hebben, moet niet alleen dit gansche terrein onderzoeken, maar moet ook in de huizen, op de binnenplaatsen en zelfs tot in de kamers doordringen. Op een bovenverdieping, achter een bed, op een trap, in een kast, vertoont zich soms eensklaps een korintisch kapiteel; elders steekt een zuil half uit den muur; ginds wederom is het een basrelief of een deel van een muur, die dikwerf het spoor wijzen tot belangrijke ontdekkingen.

Wij verlaten het paleis door de Gouden-poort, die wij bereiken door de straat, welke op het Domplein uitkomt, ten einde te volgen. De afbeelding op bladz. 120 ontslaat mij van alle verdere beschrijving. De poort waarvan de voet tegenwoordig eenige ellen in den grond begraven is, was vroeger ongetwijfeld een prachtig monument; de nissen, waarvan de sporen nog zeer duidelijk zijn te herkennen, waren oorspronkelijk met standbeelden versierd, die, zoo als men zegt, naar Venetië zijn overgebracht. Tijdens het venetiaansche bestuur, werd de Gouden-poort, in het belang der verdediging, voorzien van twee achthoekige torens, die nog voor een deel zijn in stand gebleven.

Intusschen is de oude stad, hoe belangrijk ook, niet het eenige gedeelte van Spalato, dat de aandacht van den reiziger verdient. Aan den oever der zee, links van den muur van het paleis, verheft zich een achthoekige toren, dien wij niet met stilzwijgen mogen bladzijde 129voorbijgaan. Het plein, waarop deze toren, die uit den tijd der hongaarsche heerschappij dagteekent en den naam van toren van Harvoje draagt, zich verheft, dient tegenwoordig tot markt. Dit plein behoort tot de schilderachtigste gedeelten der stad, en toont door het eigenaardig karakter der omringende gebouwen, als het ware den geleidelijken overgang tusschen drie verschillende tijdvakken: tusschen de antieke periode, de hongaarsche heerschappij en het tijdperk der venetiaansche regeering. Ook elders in de stad hebben deze verschillende tijdperken overblijfselen en monumenten achtergelaten. Natuurlijk heeft het venetiaansche karakter de overhand: gedurende haar lange heerschappij heeft de trotsche republiek ook op Spalato haar onmiskenbaren stempel gedrukt.

Op de jaarmarkt te Salona.
Op de jaarmarkt te Salona.

Op de jaarmarkt te Salona.

Het klimaat is gezond; de omstreken zijn vruchtbaar; de warmte is niet te drukkend en de winter is er doorgaans zacht; verder heeft de stad—natuurlijk met uitzondering van het paleis—weinig dat boeien kan; en de gedaanteverwisseling, die zij heden ondergaat en die haar den maar al te bekenden type onzer moderne steden nader brengt, doet haar dat oorspronkelijke en eigenaardige karakter verliezen dat ons in de andere steden van Dalmatië zoo zeer getroffen heeft. Binnen twintig jaar zal te Spalato zeker eene derde nieuwe, geheel moderne stad zijn verrezen, regelmatig van aanleg, maar koud en zonder eigen physionomie; doch de eigenlijke oude stad, binnen de muren van het paleis van Diocletianus besloten, zal aan die herschepping geen deel kunnen nemen, want daar kunnen geene groote veranderingen worden aangebracht, zonder hetgeen nog van het paleis over is, geheel te vernielen; en de oostenrijksche regeering heeft alle mogelijke maatregelen genomen om verdere schending van deze eerwaardige ruïnen te voorkomen.

Spalato mag op een aantal beroemde mannen bogen, die hetzij daar geboren zijn, hetzij daar hun verblijf hebben gehouden. Onder de breede rij harer aartsbisschoppen komt menige schitterende naam voor; een der meest bekende is wel die van den beroemden Marc-Antonio de Dominis, den voorlooper van Newton en Descartes. Aanvankelijk hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de hoogeschool van Padua, werd hij door Clemens VIII tot aartsbisschop van Segna benoemd, en besteeg in 1602 den zetel van Spalato. Wijsgeer, wiskundige, natuurkundige van naam, voegde hij bij zijne uitgebreide wetenschap een vast karakter en eene zeldzame energie; bovenal man der daad, had hij het hoofd geboden aan de Uskoken, en bewees hij tijdens het heerschen der pest in 1607, de uitnemendste diensten te Spalato. Zijn levensloop is zeer merkwaardig: ten gevolge van een geschil met het hof van Rome, gedwongen zijn vaderland te verlaten, begaf hij zich naar Venetië, waar hij geschriften in het licht gaf, die door de Inquisitie werden bladzijde 130veroordeeld. Sir Henry Wotton was destijds gezant van Engeland bij de republiek; hij noodigde Dominis uit, hem te vergezellen, en de voormalige aartsbisschop van Spalato zwoer zijne Kerk af en schreef pamfletten tegen den Heiligen Stoel. In Engeland gekomen, werd hij door Jacobus I beschermd en tot deken van de anglikaansche kerk van Windsor benoemd. Toen Gregorius XV den pauselijken troon beklommen had, wendde hij een poging aan om dezen afgedwaalden zoon der Kerk, dien hij persoonlijk gekend had, en wiens zeldzame gaven hij bewonderde, terug te brengen. Overtuigd dat Dominis juist door de vervolging verbitterd en tot buitensporigheden gedreven was, zond de Paus den spaanschen gezant tot hem, die geene moeite spaarde om hem weder voor Rome te winnen. Dominis keerde ook inderdaad terug, wierp zich voor de voeten van den Heiligen Vader, en zwoer zijne dwaling af. Maar na den dood des Pausen, sloeg het Heilige College een anderen weg in. Men beschuldigde Dominis van afval, men beweerde dat hij in verstandhouding stond met de ketters, en in 1624, twee jaar na zijn terugkeer te Rome, werd hij in den Engelenburcht opgesloten, waar hij stierf. Zijn lichaam werd openlijk, op het Campo del Fiori, verbrand, met een exemplaar zijner pamfletten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings