← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

I.

Reading edition

Een uitstapje naar Montenegro moest de bekroning zijn van onzen tocht langs de Adriatische-zee. Wij hadden Istrië, den Quarnero en zijne eilanden en geheel Dalmatië gezien; het heerlijkste weder had onafgebroken onze reis begunstigd en die tot een ongestoord genot gemaakt. Zachtkens gleden wij voort over de helder blauwe golven; de witte steden der oude venetiaansche koloniën, met haar gordel van hooge muren, haar kerken en campaniles, haar schat van herinneringen en haar monumenten van kunst en vroegere grootheid, togen langs onze oogen voorbij, afgewisseld door allerlei aantrekkelijke karakteristieke natuurtafreelen. Al verder en verder had de belangstelling ons heengelokt, en nimmer hadden wij ons beklaagd, aan de verlokking gehoor te hebben gegeven. Waarom dan niet nogmaals geluisterd naar de stem, die ons heen riep naar dat Tzernagora, dat schier ongenaakbaar bergland, die door de natuur zelve gewrochte vesting, bewoond door dat fiere, onversaagde montenegrijnsche ras, dat zich voor immer beroemd heeft gemaakt door zijn ontembaren moed en zijne onbuigbare vrijheidsliefde, dat ras van helden, waarvoor ieder mannenhart sympathie gevoelen moet? Wij aarzelden niet lang; en den 28sten October, bevonden wij ons, des morgens ten negen uur, aan de poort van Cattaro, waar de heer Radamanovich, de agent van den Vorst van Montenegro, ons bescheiden had, gereed tot de reis en met de oogen de hoogte metende van den geweldigen bergwand, dien wij te bestijgen hadden.

De berg rijst zoo steil en zoo plotseling omhoog, en de ruimte tusschen de zee en de rotsen is zoo eng begrensd, dat de mensch op kunstmiddelen bedacht heeft moeten zijn om dezen natuurlijken scheidsmuur over te klimmen; de weg is dan ook in de rots zelve uitgehouwen en kronkelt zich in zigzag, met niet minder dan drie-en-zeventig wendingen, naar boven: de naam Scala, trapladder, is dan ook, op dit duizelingwekkende pad toegepast, volkomen juist. Kort na ons vertrek, nadat wij vijf-en-dertig minuten geklommen hadden, kwamen wij aan een dorp, tusschen de citadel en de stad weggescholen, tusschen de rotsspleten verborgen; bladzijde 259de daken der huizen, even als die der zwitsersche châlets, met zware steenen tegen den wind beschut, liggen op gelijke hoogte met den weg. Naarmate ge hooger klimt, verbreedt zich het panorama: eerst overziet ge de stad, dan de eigenlijke golf van Cattaro, dan de gansche Bocca, de bergen langs de kust der Adriatische-zee. Reeds kunt ge Perasto onderscheiden, en de menigte kleine witte dorpen, die de kust omzoomen, wegschuilende aan den voet van loodrechte bergen, en al die kapen en voorgebergten, met hunne groenende tuinen en gaarden en bosschages, waarboven spitse klokketorens uitsteken, zoo scherp zich afteekenende tegen de kalme donker-blauwe oppervlakte der zee.

Weldra bevinden wij ons op gelijke hoogte met de citadel, waarvan wij door een donker en diep ravijn zijn gescheiden; wij hebben eene hoogte van meer dan duizend voet bereikt; naarmate wij hooger stijgen, schijnt de citadel als het ware met de rotsmassa saam te smelten, en het ravijn te slinken; de stad Cattaro, mede haast niet van den berg te onderkennen, zien wij thans in de diepte, vlak voor onze voeten, met haar pleinen en straten, de binnenplaatsen harer huizen, haar met boomen bezette kaai en de daarvoor geankerde schepen. Eindelijk, als ge den top des bergs bereikt hebt, hef dan nog eens uwe oogen op en omvat in een enkelen wijden blik het zonderlinge, het onvergelijkelijke panorama, half in een doorzichtigen nevelsluier gehuld: de laatste krommingen der Bocca, de grillig gevormde bergen, die haar bekkens begrenzen, en wier donkere massa zoo forsch afsteekt tegen het blauw des hemels en het blauw der wateren, en eindelijk, aan den horizon, de Adriatische-zee.

Wij hebben bijna anderhalf uur noodig gehad om hier te komen: wij bevinden ons nog altijd in Oostenrijk; wij hebben de laatste sporten van de Scala betreden, en gaan nu verder het gebergte in. Wij staan op den top, waarover de grenslijn loopt. De Scala, die geheel op oostenrijksch grondgebied ligt, wordt door de militaire genie met zeer veel zorg onderhouden; maar nauwelijks hebt ge de bergpassen betreden, of ge bevindt u te midden van den chaos. Eerst moeten wij gedurende eenigen tijd voortgaan langs den rand van een zoo diepen afgrond, dat mijn reismakker, die aan duizelingen onderhevig is, zich aan zijn zadel vastklemt en eindelijk van het paard stijgt. Eenige jaren geleden, moest men zich hier zelf een doortocht banen midden door de rotsblokken, welke de bergstroomen in den winter hadden medegevoerd; maar Nicolaas I, de tegenwoordige Vorst van Montenegro, heeft het, na veel tobbens en onderhandelens, zoo ver weten te brengen, dat er althans een begin is gemaakt met den aanleg van een weg van Cettinjé naar Cattaro; men is met den aanleg begonnen aan de beide uiteinden, aan het punt van aansluiting aan de Scala bij Cattaro, en te Cettinjé. Op de plaats, waar wij ons nu bevinden, moest noodzakelijk een leuning worden aangebracht: wij waren verplicht om ons vast te houden aan de overhangende rots, waarin men den weg heeft uitgehouwen, die letterlijk boven den afgrond zweeft.

Om van het punt waar de Scala eindigt, dat wil zeggen van de oostenrijksche grens, het berg-plateau te bereiken, heeft men omstreeks een half uur noodig: van daar overziet men eene fraaie, hoewel tamelijk steenachtige vlakte, waarin het dorp Njégosch ligt. Dit gedeelte van den weg is een der lastigste en bezwaarlijkste, een soort van ongenaakbare kloof, die voor eene ongeëvenaarde natuurlijke verdediging mag gelden. De pas wordt gevormd door de hellingen der bergen Bucovizza en Glavizza; de wateren van het riviertje de Ricovjernovitch hebben waarschijnlijk dezen smallen en diepen doorgang uitgehold: nog ziet men, diep op den bodem der kloof, een magere waterstraal. Hier ligt het dorp Verba; onze paarden lesschen hun dorst aan eene kristalheldere bron; gemeenlijk wordt hier halt gehouden; maar de heer Radamanovich zegt, dat wij te Njégosch gewacht worden, ten huize van een senator, die er eene eere in stelt ons te ontvangen. Na een half uur lang tusschen de van alle zijden loodrecht opstijgende rotsen te zijn voortgereden, komen wij eindelijk op de hoogvlakte, die wij tot dusver niet hadden kunnen zien. Op een halve mijl afstands ongeveer, ligt Njégosch, in eene schier ronde vlakte, door scherpgetande bergen omringd.

Onderweg zijn wij telkens groepen van montenegrijnsche vrouwen tegengekomen, die naar de markt te Cattaro gaan; zij komen van Njégosch, van Baïtz, van Cettinjé en van enkele dorpen, tusschen de rotsen verspreid. Onder haar zware vrachten gebogen, gaan zij langzaam voort; somwijlen voeren zij een kleinen ezel, met groenten beladen, mede. Zelden vindt ge mannen bij die groepen: meestal gaan die alleen, met de hand op de heup rustende, en de wapenen in den gordel gestoken. De arme vrouwen praten onder het loopen, breien kousen of spinnen; hoewel haast door midden gebogen onder den zwaren last takkebossen, komt toch bijwijlen een flauwe glimlach deze doorgaans zoo ernstige, droefgeestige aangezichten verhelderen. Met onuitsprekelijke verbazing zien wij, hoe deze vrouwen, in plaats van de slingeringen van den weg te volgen, recht voor zich uit gaan, en met nooit missende zekerheid hare voeten zetten op uitstekende rotspunten, die wij ter nauwernood kunnen bespeuren; zij volgen dus een soort van onzichtbaren weg, dien zij alleen kennen, maar waarlangs zij met ongeloofelijke vaardigheid omhoog klauteren en aldus den omweg van twee kilometers uithalen, dien wij moeten maken. Hoe zij dien tocht tegen de schier loodrechte helling durven wagen, is mij onbegrijpelijk. Trouwens, de jonge knaap, die ons vergezelt, doet hetzelfde, niettegenstaande men zou meenen dat de opanka, het nationale schoeisel der Zuid-Slaven, voor dergelijke expedities geheel ongeschikt is. Bij Verba ontmoeten wij een gezelschap, waarvan de aanvoerder ons met een eigenaardige, fiere beleefdheid den slavischen groet brengt. Kent het familiehoofd den heer Radamanovich persoonlijk, dan maakt hij eene buiging, en kust hem op de beide wangen, waarbij de knie een weinig wordt gebogen en de linkerhand op de borst gelegd, terwijl de rechter de beretta oplicht; de vrouwen komen ons, een voor een, de hand kussen, daarbij op doffen toon bladzijde 260de woorden prevelende: O! prijs God! Dan gaan zij verder bergopwaarts.

Wij zijn te Njégosch, in eene soort van vlakte, op het eerste plateau van den berg, tusschen Cattaro en Cettinjé: een halt, waar de reiziger even uitrust, eer hij de nieuwe berghellingen gaat beklimmen, die zich aan den horizon verheffen, en Albanië en het meer van Skutari aan zijn oog onttrekken.

Men moet den weg verlaten en een weinig links afslaan om de eerste huizen te bereiken van Njégosch, de hoofdplaats van een distrikt, dat verscheidene dorpen omvat. Zooals ik reeds gezegd heb, hebben de slavische landlieden in geheel Dalmatië, in Istrië en in Herzegowina, de gewoonte om hunne huizen of hutten op aanmerkelijke afstanden van elkander te bouwen, even als landhoeven; deze zucht tot afzondering vindt voor een deel hare verklaring in die andere gewoonte, volgens welke alle leden van een gezin zoo lang eenigszins mogelijk bij elkander onder hetzelfde dak blijven wonen. Hier, in Njégosch, staan de huizen meer in een groep vereenigd; de buitengewoon lage woningen verdwijnen bijna geheel tusschen reusachtige steenblokken en de oneffenheden van een rotsig afgebrokkeld terrein, waar de natuur, met schrale hand, hier en daar enkele plekken met bebouwbare aarde heeft bestrooid: kostbare, doch helaas al te weinig talrijke oasen, die zorgvuldig door kleine muren zijn omgeven, opdat de stormwind de aarde niet wegvoere, waaraan men het kostbare zaad heeft toevertrouwd.

Straat te Cettinjé.
Straat te Cettinjé.

Straat te Cettinjé.

Het huis, waar wij stilhouden, staat aan den ingang van het dorp, en ziet er uitwendig meer dan eenvoudig uit. Het dak is met groote steenen, aan dwarslatten bevestigd, gedekt: ongetwijfeld om het te beveiligen tegen het geweld van den wind. Wij komen op eene binnenplaats, waar, als in een slachthuis, het bloed over den harden rotsgrond vloeit en in een soort van put of bak wegloopt. Op den drempel der woning staat een man van omstreeks vijftig jaar, met de beretta op het hoofd en in de nationale kleederdracht; met vriendelijke waardigheid ontvangt hij den begroetingskus van onzen reismakker. Jongelieden, met bloed overspat, groeten glimlachend de aankomelingen en verdwijnen dan in de kleine stallen of hokken, die op de plaats uitkomen; op den grond liggen groote stukken schapenvleesch. Kleine kinderen, mede met bloed besmeerd, de kleine roode muts op het hoofd, schuilen weg bij de vrouwen, die zich eerbiedig op een afstand houden. Wij zijn in het laatst van October, en het montenegrijnsch gezin is bezig aan de gewichtige taak der toebereiding van de castradina. Met den naam van castradina noemt men hier het gezouten en gerookte geiten- en schapenvleesch, dat de voornaamste bron van inkomst is voor het geheele vorstendom, het belangrijkste artikel van zijn uitvoerhandel, nevens bladzijde 262de scoranze, een soort van visch, die in het meer van Skutari gevangen, en gezouten en gedroogd wordt. Even als in de aartsvaderlijke tijden, zou houdt ook hier het hoofd des gezins zelf het toezicht over de werkzaamheden; wij verrassen de familie bij het eerste gedeelte van haar arbeid: bij het slachten, dat tegenwoordig op de gewone wijze, door het afsnijden van den strot, geschiedt. Reizigers, die een dozijn jaren geleden Montenegro bezochten, verhalen ons, dat destijds de schapen en geiten in perken worden opgesloten, en vervolgens door den eigenaar met den yatagan in het wilde werden neergesabeld, tot de gansche ruimte met lijken overdekt was.

De lijfwacht van den Vorst.
De lijfwacht van den Vorst.

De lijfwacht van den Vorst.

Na de gewone begroetingen, bestijgen wij enkele trappen en treden een ruim, zindelijk vertrek binnen, met een lage zoldering, witgepleisterde muren en geplaveiden vloer; dit vertrek ontvangt zijn licht door twee kleine getraliede vensters, ter manshoogte aangebracht. Dit is de eenige kamer van het huis. De eene wand wordt ingenomen door twee groote, zeer breede bedden, door eene tamelijke tusschenruimte gescheiden. In een hoek staat eene groote lage tafel, met een kleed bedekt, en daaromheen banken en op de plaats der eere een houten leuningstoel of zetel. Tusschen het bed en de tafel, zie ik aan den muur een geschilderd rek, waaraan vier albaneesche pistolen met zilveren kolven, een prachtige yatagan (dolk), een moderne revolver en een geweer hangen. Aan de andere zijde van de tafel, in den hoek tegenover het bed, schitteren in de schaduw de gedreven zilveren gloriën der heiligen beelden, waarvoor eene kleine lamp brandt. In een anderen hoek van het vertrek, staat een dier groote, ruw beschilderde koffers, die tevens tot tafel en tot bank kunnen dienen, en die ge bijna in alle oostersche woningen aantreft: in dien koffer worden de kleederen, de juweelen, de kostbaarheden, al de have der familie, geborgen. Tusschen de twee bedden staat een minder sierlijk beschilderde koffer, waarboven eenige kleedingstukken zijn opgehangen. Het geheel vertoont den stempel van ernstigen eenvoud en betamelijkheid; er ligt over dit ruime, sober gemeubelde vertrek een zeker waas van patriarchale waardigheid verspreid. Hier woont en leeft de huisvader, het eerbiedwaardig hoofd des gezins, ook al is hij woïwode en senator; hier is zijn tehuis, zijn burcht; daar rusten de zijnen onder zijn waakzaam oog; daar zijn zijne schitterende, rijke wapenen, zijn prachtige gordel; daar ontvangt hij zijne gasten en brengt hun den beker toe; en in gindschen hoek, in de schemering, noode door het flikkerend en walmend lampje verlicht, hangt de montenegrijnsche Panagia.

Het geheele gezin komt nu bijeen: de vrouw, ernstig en droefgeestig van voorkomen, even als alle servische moeders, oud vóór haar tijd, en wie het moeite schijnt te kosten te glimlachen; de dochter, beschroomd, teruggetrokken, maar bevallig; de zoons, wilde knapen, die blijkbaar den baas spelen en met den vader stoeien. Mijnheer Radamanovich groet allen met dezelfde hartelijkheid; de vrouwen komen ons eerbiedig, met gebogen knie, de hand kussen. De vader neemt aan deze begroetingen geen deel; ernstig, deftig, schijnt hij ter nauwernood op te merken wat er geschiedt; hij spreekt enkele woorden, en allen gaan heen om den maaltijd te bereiden. Weldra is de tafel gedekt; het ontbijt bestaat uit een gebraden schaap, dat met een kandjar in vier stukken gesneden wordt; de wijn is goed: het is de gewone roode wijn van de dalmatische kust, die een weinig troebel is, maar waarmede de reiziger zich spoedig verzoent. Wij zijn alleen met ons drieën mannen aan tafel gezeten, de vrouwen bedienen ons staande of houden zich eerbiedig op een afstand.

Wij moeten al spoedig afscheid nemen; wij hebben nog een langen weg af te leggen, en moeten in hetzelfde dorp nog een bezoek brengen bij den broeder van onzen gastheer, die eenige schreden verder woont. Zijn huis is minder ruim, maar toont toch ook alle sporen van welvaart; wij zijn dan ook bij de aanzienlijksten des lands, bij de heeren, die in den Senaat zitting hebben, en in tijden van gevaar, de bewoners der nahiya van Njégosch ten strijde voeren. In een klein vertrek, waar de tafel toebereid staat, wordt ons de eerewijn aangeboden, en het geheele gezin voorgesteld. Ook hier, als overal, heerscht bij de vrouwen dezelfde terughouding, dezelfde stille onderworpenheid; maar het blijkt duidelijk genoeg, dat, ondanks de hoogheid van den heer en meester, het hier niet aan liefde en tederheid tusschen de echtgenooten ontbreekt, en dat de moeder des gezins door hare zonen bemind en geëerd wordt.

Wij moeten naar den grooten weg terugkeeren; maar ik wensch nog even een blik te werpen op dat groote dorp Njégosch, met zijne lange en lage huizen, die zich nauwelijks boven den grond schijnen te verheffen, verspreid tusschen de rotsen. Hier en daar, in kleine akkers rondom de huizen, door steenen muurtjes omringd, groeien aardappelen; schapen en paarden zoeken een schraal voedsel in de spleten en kloven der rotsen. Njégosch is de bakermat van het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig over Montenegro regeert, en Vorst Nikolaas, die hier geboren is, brengt er gewoonlijk een gedeelte van het warme jaargetijde door: het is hier veel minder heet dan in de hoofdstad, omdat de zeewind de lucht verfrischt en afkoelt. Van hier kan ik de vorstelijke residentie zien: een eenvoudig gebouw, met twee torentjes; boven het dak verheft zich de stok, waaraan, tijdens het verblijf van den Vorst, de nationale vlag geheschen wordt.

Het dorp Njégosch behoort tot de provincie Katounska, die elf plémena of gemeenten bevat, waarvan Njégosch de welvarendste is, vooreerst omdat het in eene vlakte ligt—althans wat men hier eene vlakte noemt;—en ten andere omdat hier een zeker aantal groote veehouders gevestigd zijn, die zich allen toeleggen op den uitvoer van castradina, welk bedrijf hun aanzienlijke voordeelen bezorgt. Elk jaar levert het vorstendom gemiddeld honderdduizend stuks klein vee, die gerookt en gezouten worden, en door de stoombooten van Lloyd naar al de havensteden der kust en vooral naar Triëst worden vervoerd.

Met uitzondering alleen van deze vlakte, waar men ten minste nog eenigen bebouwbaren grond en eenige sporen van kultuur ontmoet, is dit gedeelte des lands niet bladzijde 263veel meer dan een dorre steenwoestijn, een chaos van wild door elkander geworpen rotsen, het ruwste en onvruchtbaarste deel van geheel Montenegro. Later zullen wij, in de Berda, weilanden vinden, die het althans voor den mensch mogelijk maken te bestaan, en eenigermate het raadsel helpen verklaren, dat deze zoo schraal bedeelde bevolking niet van honger omkomt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings