De Merinos in Spanje.
Reading edition
De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist, ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo groote zorg werd gewijd.
De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden, van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar gelang van den tijd des jaars.
Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit niet minder dan tienduizend stuks bestaat.
De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras, dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten, die een geducht wapen is.
De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis, slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken, leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat, hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen; somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.
De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden; hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.
De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is, maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol, onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en bladzijde 16houdt zich over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.
De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk, dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard, de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.
Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.
Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel, eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon, in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia, nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.
In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd, om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.
De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij, bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens de algemeene arts dezer blatende gemeente. bladzijde 17