II. De archipel van Toeamotoe.—De Gambier-eilanden.
Reading edition
I.
Den 15den Januari 1873, twintig minuten voor elf uur in den voormiddag, verliet de Vaudreuil de reede van Papeete, op het eiland Tahiti. Nauwelijks waren wij in het ruime sop gekomen, of de vuren werden gedoofd en de zeilen geheschen. Ons eerste station zou het eiland Anaa zijn, het belangrijkste punt van den archipel van Toeamotoe.
De wind, die in deze streken doorgaans uit het oosten blaast, verhinderde ons den rechten weg te volgen; ware dit mogelijk geweest, dan hadden wij in minder dan twee dagen den afstand van ongeveer tachtig zeemijlen, die Anaa van Papeete scheidt, kunnen afleggen.
Eenige uren na ons vertrek kregen wij de Tetiaroa-eilanden in het gezicht, vijf-en-twintig mijlen ten noorden van kaap Venus gelegen. Deze kleine eilandjes of liever koraalriffen, die thans aan koningin Pomare behooren, zijn geheel met kokospalmen bedekt.
In den morgen van den 17den kwamen wij in het gezicht van het eilandje Meetia, dat tot een der distrikten van Tahiti, het distrikt Tautira, behoort. Dit hooge eilandje, omstreeks twintig zeemijlen van de zuid-oostpunt van Tahiti verwijderd, is een uitnemend herkenningspunt voor de schepen, die de haven van Papeete willen binnenloopen en voor de kustvaarders. Het eiland telt eene weinig talrijke bevolking. Den vorigen avond waren wij het eiland Makatoa voorbijgestoomd, dat mede vrij hoog uit de zee oprijst en door omstreeks honderd-dertig inlanders bewoond wordt. Het eiland is rijk aan prachtige tamanoe, een soort van boomen, die zeer gezocht worden voor de vervaardiging van prauwen en ook voor het bouwen van woningen. Makatea bezit diepe grotten, versierd met prachtige stalactiten. Vroeger werden de misdadigers van Tahiti derwaarts gedeporteerd.
Den 20sten Januari, des nachts ten een uur, bevonden wij ons tegenover de westelijke landpunt van Anaa. Toen ik, tegen zonsopgang, op het dek kwam, lag het eiland daar voor mij, als verborgen achter een dichten sluier van weelderig groen. Omstreeks negen uur wierpen wij het anker uit voor het voornaamste dorp, Toeahora genoemd; daar wapperde, aan een hoogen mast, de fransche vlag.
Anaa is een boomrijk eiland, dat eene lengte heeft van achttien en eene breedte van negen mijlen. Het bestaat eigenlijk uit een groot aantal koraal-eilandjes, even als de ringen van een ketting aan elkander geschakeld en rustende op een cirkelvormig rif. Deze eilandjes zijn over het algemeen vrij hoog, vooral in het noordelijk gedeelte. Anaa is het meest bevolkte eiland van den ganschen archipel; het telt ongeveer vijftienhonderd inwoners, die in beschaving boven die van de andere eilanden uitmunten. Het eenige voortbrengsel is kokosolie. De fransche resident is op dit eiland gevestigd.
Wat van Anaa geldt, geldt van bijna alle eilanden bladzijde 107van den archipel. Het zijn schier allen lange koraalriffen, ter breedte van vier- of vijfhonderd el, die een binnenmeer omgeven, dat op Rairoa een omtrek heeft van honderd mijlen, en op het eiland Fakarava een omtrek van negen mijlen. Die lange koraalrotsen, deels met de oppervlakte van het water gelijk liggende, deels slechts eenige ellen boven de zee verheven, bieden aan de buitenzijde geen ankerplaats aan, terwijl zij aan de binnenzijde met zachte glooiing tot dikwijls zeer aanzienlijke diepte afdalen. Enkelen dezer lagunen of meren, door die geweldige koraaldammen gevormd, zijn met de zee verbonden door smalle straten of kanalen, die voor schepen van alle grootte toegankelijk zijn; anderen zijn alleen voor kleine vaartuigen bereikbaar. Vele eilanden hebben in het geheel geen doorgang voor de vaartuigen, die dan over het rif heen naar het binnenmeer moeten gedragen worden: een gevaarlijk werk, zelfs voor de inlanders. Maar dezen, die allen zonder uitzondering voortreffelijke zwemmers zijn, loopen toch altijd minder gevaar dan de vreemdelingen, voor wie het in- of ontschepen dikwijls met zeer ernstige bezwaren gepaard gaat, ten gevolge van de doorgaans zeer hevige branding, die met donderend geraas op de koraalriffen breekt.
De prachtige lagune van Anaa, waarvan de smaragdgroene wateren heerlijk afsteken bij de hemelsblauwe kleur der zee, staat met deze laatste in gemeenschap door middel van een gegraven kanaal, dat in 1860 door de koraalbank is aangelegd. De geweldige stroom, die hier bijna altijd gaat, maakt echter de vaart door dit kanaal zeer gevaarlijk. Het water van het meer, dat niet op gelijk peil ligt als de zee, stroomt met groote kracht door deze nauwe opening. Een rots, die het kanaal in twee armen splitst, veroorzaakt geweldige opstuwing en maakt de vaart nog moeilijker; het voornemen bestaat echter om die rots te doen springen.
Dit gemis van eene behoorlijke gemeenschap tusschen het binnenmeer en de zee, is eene wezenlijke belemmering voor den handel van het eiland. De regeering zou daarom zeer gaarne zien, dat de inlanders hun kokosolie voornamelijk ter markt brachten op het eiland Fakarava, dat in zijne volle lengte doorsneden wordt door een kanaal, hetwelk aan de beide uiteinden, ten noorden en ten zuiden, met een breeden mond in zee uitloopt. De resident van de Toeamotoe-eilanden, die van een inlandschen visscher vernomen had dat het rif zich ten noordoosten van de uitmonding van het kanaal van Anaa nog een weinig onder water voortzet, heeft op dit vrij steil afloopende gedeelte een soort van aanlegplaats doen maken. Voldoet deze aan de verwachting, dan zou een groot schip daar kunnen ankeren, en niet, zoo als wij nu, genoodzaakt zijn, voortdurend te manoeuvreeren, ten einde op zekeren afstand van de kust te kunnen blijven.
De bewoners dezer eilanden zijn niet ontbloot van zeker gevoel van nationale eigenwaarde, zoo als uit het volgende blijkt. Omstreeks vijf-en-twintig jaar geleden, tijdens het bestuur van den heer Bonard, werd te Papeete eene algemeene vergadering gehouden van afgevaardigden van alle eilanden, die onder het fransche protektoraat staan. De afgevaardigden van den archipel kwamen daarin met nadruk op tegen de benaming van Paumotoe (onderworpen eilanden), weleer aan deze eilanden gegeven door de bewoners van Tahiti, die ze door de wapenen hadden veroverd. Op hun aandrang sprak de vergadering den wensch uit, dat de oostelijke archipel voortaan niet anders zou worden genoemd dan Toeamotoe (verre eilanden). De fransche overheid, aan dien wensch gehoor gevende, heeft dan ook, sedert 1852, aan dezen archipel, in officiëele stukken, geen anderen naam gegeven dan dien van Toeamotoe.
De resident verschijnt bij ons aan boord, om het ontbijt te gebruiken en onzen kommandant te bezoeken. Na afloop van het ontbijt laten wij ons in eene sloep aan land roeien.
Het dorp Toeahora is op de smalle zandige landtong gebouwd, die het binnenmeer van de zee scheidt, ter wederzijde van een witten weg, waarvan de felle weerschijn, bij het blakerende zonnelicht, ons haast de oogen verblindt. Met het toenemen der welvaart heeft de ontwikkeling der behoefte aan meerder levensgemak en die der nijverheid onder de inlanders gelijken tred gehouden: gaandeweg hebben zij hunne armzalige hutten vervangen door aardige woningen, met palmbladeren bedekt; deze woningen staan meestal op blokken koraal. De stijlen, de lijsten, de deuren en vensters zijn vervaardigd van het hout van den boom, wiens bladeren tot bedekking dienen; de ruimte tusschen de stijlen wordt aangevuld door een vlechtwerk van kokosbladeren. In sommigen dezer woningen vindt men bedden, behoorlijk van matten en muskietenschermen voorzien.
Nabij deze woningen wordt onze aandacht getrokken door groote kloven of uithollingen in het koraal. Deze kuilen of kloven hebben eene diepte van vier tot vijf el, zijn zes tot zeven el breed, en omstreeks vijftien el lang. De inlanders verzamelen daar een weinig aarde, en maken dan van die droge grachten een soort van tuinen, waarin zij uitmuntende taro (arum esculentum), suikerriet, bananen, ananassen en tabak kweeken.
Na eene vrij langdurige wandeling door het dorp Toeahora, waar wij overal met groote vriendelijkheid bejegend worden, begeven wij ons naar het residentshuis, om daar, uitgeput van de hitte en vermoeienis, een weinig te rusten. De resident, de heer Mariot, luitenant ter zee, ontvangt ons met de meeste hartelijkheid en doet ons eenige ververschingen toedienen, waaraan wij grootelijks behoefte hebben.
De kleine kazerne van het garnizoen maakt deel uit van het residentshuis. Ik ga haar zien. Een sergeant der mariniers, die voor eenige jaren naar Tahiti gegaan is met de Sibylle, waarop ik destijds diende, toont mij de beknopte, maar doelmatige inrichting. Hij biedt mij een fraaien rotting van pandanushout ten geschenke aan, benevens eenige sierlijke schelpen, tot verrijking onzer collectie aan boord. Het opperhoofd van Toeahora, een prachtig gebouwd man met een zeer schrander gelaat, bevindt zich bij den resident; wij ontmoeten daar ook den vorst van het eiland Kauehi, die ons op onzen tocht als loods moet dienen, benevens den officiëelen tolk, een gewezen sergeant der mariniers, die hem moet vergezellen. Ook onze kommandant bladzijde 108verschijnt, en weldra wordt een gesprek aangeknoopt, straks afgebroken door het geroffel van trommels en het luid gezang eener menigte van inboorlingen, zoo mannen als vrouwen, die voor het residentshuis zijn saamgekomen. Deze brave lieden willen ons, op hunne eigen manier, eene uitspanning bezorgen. Als altijd, is de dans daarbij hoofdzaak. Wij nemen plaats onder de breede veranda voor de woning van den resident, terwijl de inlanders in de brandende zon blijven.
De Toeamotoes staan bekend als de onvermoeidste dansers van alle eilanders onder fransch protektoraat. Zij hebben twee verschillende soorten van dansen. Bij de eene, blijven zij op hunne hielen neergehurkt zitten, en maken in die houding met hunne armen de meest afwisselende en dikwijls zeer bevallige bewegingen, waarbij zij, op de maat, een eentonig gezang aanheffen. De andere dans is een ware pantomime, waarbij de dansers door allerlei gebaren de hartstochten uitdrukken, waaraan zij ten prooi zijn. Een der toeschouwers geeft de maat aan, door met de palm der hand op een trommel te slaan, een uitgehold stuk van een kokosstam, waarover het vel van een haai gespannen is. Ditmaal wordt dit eenvoudig inlandsch instrument vervangen door twee gewone trommels, die met groote handigheid bespeeld worden. De andere toeschouwers moedigen de dansers aan, door met groote kracht, op de maat, in de handen te klappen.

Gezicht op het eiland Mangareva.
De inboorlingen van Anaa, die in veelvuldige aanraking zijn met de bewoners van Tahiti, stellen zich voor hun voedsel niet meer tevreden met de vruchten van den pandanus (een soort van palmboom) en de visschen van hun meer. Zij hebben daarom op hun eiland de proef genomen met de aankweeking van kokosboomen, en die proef is uitnemend geslaagd: de boom groeit op het eiland bijna in het wild. De kokospalm heeft zich vervolgens van het eene eiland naar het andere voortgeplant, tot ver in het oosten van den archipel. Deze zoo bij uitnemendheid nuttige boom heeft echter een geduchten vijand in een soort van groote landkrab, met zeer sterke scharen gewapend, voor wie de vrucht van den kokospalm eene zeer geliefde lekkernij is.
De kokosnoot is tegenwoordig een der hoofdbestanddeelen van het voedsel der eilanders; zij gebruiken die ook om varkens, gevogelte en honden te mesten. Deze laatsten zijn als spijs zeer gezocht.

Inboorlingen der Markiezen-eilanden; afgodsbeeld.
De wijze van bereiding der kokosolie is nog zeer eenvoudig en onbeholpen. De eilanders verzamelen de rijpe vruchten, die van den boom vallen, en raspen die met eeu uitgetand stuk ijzer, aan een hout bevestigd. Het aldus verkregen meel of deeg bewaren zij in bakken, die in kokosstammen worden uitgehold, en waarin het, gedurende twee of drie weken, aan de werking der zonnestralen blijft blootgesteld. Na bladzijde 110verloop van dien tijd is dit deeg in zoo ver tot vloeibaren staat overgegaan, dat men, door het met de hand te kneden, althans een gedeelte der olie kan uitpersen. Het overschietende deeg wordt dan onder eene ruw bewerkte houten pers geplaatst, en levert nog eene vrij groote hoeveelheid olie; maar toch gaat er een deel verloren. Vele handelshuizen zenden dan ook de noten in haar natuurlijken toestand, onder den naam van copperas, naar Europa, waar zij op veel doelmatiger wijze worden uitgeperst. Hetgeen na de persing overblijft, dient tot voedsel voor het vee, of wordt als mest gebruikt.
De dag loopt ten einde; men waarschuwt den kommandant dat de levensmiddelen en de andere voor den resident bestemde zaken aan wal zijn bezorgd. Hij geeft het teeken tot vertrekken, en wij verlaten Anaa, om naar boord terug te keeren, zeer tevreden over ons uitstapje en over de vriendelijke ontvangst van den resident.
In den loop van den 24sten varen wij voorbij het eiland Anoeanoeroenga, eigenlijk uit vier eilandjes bestaande, nevens elkander op een rif geplaatst, waarvan het middengedeelte wordt ingenomen door een lagune of binnenmeer, dat voor vaartuigen uit zee ontoegankelijk is. Het naburige eiland Anoeanoeraro, dat volgens officiëele opgaven onbewoond is, werd in het begin van 1874, door den resident der Toeamotoe-eilanden bezocht. Aan het verslag van dien officier ontleen ik het volgende:
“Den 9den Januari, des avonds, zijn wij aan het eiland Anoeanoeraro gekomen, waar ik wist dat zich schipbreukelingen in gevaarlijken toestand bevonden. De ellende dezer ongelukkigen ging alle beschrijving te boven. Op het gansche eiland was geen stuk goed katoen of doek te vinden, dan de vlag van het protektoraat. Mannen en vrouwen hadden niets om zich mede te bedekken dan eenige schorten, van de bladeren van den pandanus gevlochten. Het eiland was vroeger bezocht geworden door de kustvaarders van den heer Brander, die er kwamen om parelmoer te zoeken, maar die niet zijn teruggekeerd, omdat deze visscherij geen voldoende opbrengst gaf. De schipbreukelingen waren ten getale van zes-en-veertig, allen inboorlingen van Vahitahi; zij waren met hunne prauwen van dat eiland naar Anaa gegaan, om de vlag van het protektoraat en wetten te vragen, die hun ook gegeven werden door den heer Dubouzet, destijds te Anaa, waarheen hij zich begeven had om bij de inwijding der kerk van Tematahoa tegenwoordig te zijn. Zij keerden naar hun vaderland terug, toen zij door een storm overvallen werden, die hen op de klippen van Anoeanoeraro wierp, waarop hunne prauwen werden verbrijzeld, en waarbij twee personen het leven verloren. Hun eenige voedsel bestond uit het sap en de vrucht van den pandanus, en uit een soort van schelpdier. Gelukkig ontbrak het hun niet aan goed drinkwater. Ondanks deze ellende, hadden zij altijd in goede verstandhouding onder elkander geleefd. Toen ik het rif aandeed, kwamen deze arme lieden, bevreesd dat hun voorkomen ons tot terugkeer zou nopen, haastig naar ons toe, roepende: “Weest niet bevreesd, wij zijn geen wilden, wij zijn ongelukkige menschen!”
Zij werden aan boord van de goëlet la Mésange opgenomen, en naar Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig jaar verlaten hadden.
( Wordt vervolgd ).