VIII.
Reading edition
De vaart van Sebenico naar Spalato duurt vijf uren. Men volgt van nabij de kust, die hier zeer hoog en moeilijk te naderen is; voorbij kaap la Planca vormt de Adriatische-zee eene groote menigte inhammen en kanalen, die vrij diep in het land dringen. De steden liggen allen langs de kust, en hebben elk haar haven, even als in Istrië en in het noordelijk gedeelte van Dalmatië; maar zij verschuilen zich hier meer achter in de baaien en inhammen, en zijn verborgen door eilanden, vrij wat grooter dan die in de nabijheid van Zara en Sebenico. De belangrijkste dezer eilanden zijn: Bua, Solta, Brazza, Lissa, Lesina, Cursola, Sabbioncello, Melida en de groep der Elaphiten. Deze talrijke engten en kanalen, deze fjords, zijn een eigenaardig kenmerk van de Adriatische-zee, althans langs deze kust: tusschen la Planca en Ragusa, zou men zich schier kunnen verbeelden op een der groote italiaansche meeren te varen, want men verliest nimmer de beide oevers uit het oog: aan de eene zijde het vaste land van Dalmatië, en aan de andere zijde de eilanden en klippen, die elkander in lange reeks opvolgen.
In het jaar 303 na Christus, toen het romeinsche rijk, dien onmetelijken omvang verkregen hebbende waaraan het voor een goed deel zijn ondergang te danken had, na honderdvijftig jaren van bijna aanhoudenden krijg wederom een tijdperk van vrede intrad en nog eenmaal de wereld verblindde door den glans zijner heerlijkheid, verzamelde Keizer Diocletianus, bladzijde 120de hersteller van de militaire tucht en de overwinnaar der Perzen en Meden, het volk en het leger in de vlakte van Nicomedië. Daar besteeg hij, het hoofd omkranst met den lauwer der overwinning, de trappen van een prachtigen troon, en op de volle middaghoogte zijner macht en zijns roems, verkondigde hij aan de verbaasde wereld zijn besluit om van de regeering afstand te doen. Hij keerde zelfs niet meer naar zijne hoofdstad terug, maar gebruik makende van de algemeene verwondering, door deze mededeeling verwekt, verborg hij zich voor aller oog in een overdekten wagen en begaf zich naar Dalmatië, om daar, ver van het gewoel der wereld, het prachtige paleis te gaan bewonen, waaraan hij sedert twaalf jaren had laten bouwen.

De Gouden-poort van bet paleis van Diocletianus.
Dit paleis van Diocletianus, waarin hij negen jaar, tot aan zijn dood, woonde, bestaat nog altijd te Spalato, en is een der merkwaardigste monumenten, die ons van de oudheid zijn overgebleven. Nabij het paleis lagen de tuinen van Salona, waar de Keizer zich met het kweeken van groenten onledig hield. Dit paleis van Diocletianus is voor een deel de stad zelve, waar wij voet aan wal zullen zetten, want zij is op het terrein van dat paleis gesticht en binnen zijne muren omsloten.
Uit zee gezien, maakt Spalato bijkans den indruk eener groote stad: zij is dan ook inderdaad de volkrijkste en belangrijkste stad van geheel Dalmatië. Zij ligt aan den oever der zee en in eene vlakte; de lange levendige kaai wordt aan de eene zijde begrensd door het lazareth, een groot, vooruitspringend gebouw, en aan de andere zijde door de nieuwe wijk en de voorstad. Een trotsche campanile verheft zijne spits ten hemel, en teekent zich af tegen den ernstigen, donkeren achtergrond der bergen, boven wier golvende bladzijde 121lijnen de berg Mossor hoog uitsteekt. De groote merkwaardigheid van Spalato echter, datgene wat bovenal de belangstelling der reizigers wekt en hunne schreden naar deze stad richt, dat is de monumentale ruïne, waarvan de wedergade ter wereld misschien niet te vinden is, bekend onder den naam van het paleis van Diocletianus.
De Keizer was aan de oevers van de Adriatische-zee, aan den voet der Zwarte-bergen, te Dioclea, geboren. Hij was aanvankelijk gemeen soldaat bij een dier romeinsche legioenen, die het rijk moesten verdedigen tegen de invallen der barbaren. Langzamerhand tot de hoogste rangen in het leger opgeklommen, dong hij, hoewel de zoon van een vrijgelatene, als zoo vele anderen naar het keizerlijk purper; en in dien tijd, toen de kohorten naar welgevallen hunne gunstelingen op den troon verhieven, werd ook hij, in het jaar 284, tot Keizer uitgeroepen. Hij gaf zich den bijnaam van Jovius, en voegde zich een mederegent toe in den persoon van Maximianus, bijgenaamd Herculius, een soldaat van fortuin even als hij zelf, maar die noch zijn geestkracht, noch zijn buigzaam karakter, noch zijne menschenkennis bezat. Diocletianus had het rijk den vrede weergegeven. Na vele jaren gelukkig den krijg te hebben gevoerd, liet hij aan zijn ambtgenoot de zorg over om de laatste vijanden van Rome uit te roeien, en won hij voor zich zelven den roem van een voortreffelijk regent en een geniaal wetgever.

In de ruïnen van Salona.
Rome had haar alouden glans reeds voor een groot deel verloren; vier vorsten regeerden tegelijk en verdeelden het rijk onder zich: eerst Diocletianus en Maximianus, en vervolgens ook de beide Cesars, Constantius en Galerius, aan wie Diocletianus mede een deel van het gezag gegeven had. Voortdurend in oorlog bladzijde 122met de barbaren gewikkeld, gaf bij de voorkeur aan het verblijf te Nicomedië, waar hij eene oostersche pracht ten toon spreidde, boven dat in de heilige stad Rome; Maximianus had zijne residentie gevestigd te Milaan, Constantius in Gallië, en Galerius aan de oevers van den Donau.
Diocletianus hield van bouwen, en had overal gedenkteekenen opgericht: Rome dankte hem de beroemde baden, die nog zijn naam dragen; Palmyra, die heerlijke tempels, waarvan de ruïnen nog heden de bewondering der reizigers opwekken; Carthago, Milaan, Nicomedië, hadden onder zijne regeering prachtige monumenten zien verrijzen, waaraan hij met milde hand de schatten van het Oosten had ten koste gelegd, voor een groot deel door zijne wapenen onderworpen. Omstreeks het jaar 296, reeds naar rust verlangende, had hij den blik geworpen op de stad Salona, een der belangrijkste van Dalmatië, aan den oever eener stille baai, aan den voet der bergen, gelegen; hij had die stad geheel doen herbouwen en tuinen doen aanleggen, waar hij zich gaarne onthield te midden van de dalmatische natuur, waaraan zich voor hem zoo vele herinneringen hechtten, en die hij lief had, zoo als de visschers der klippen den naakten grond liefhebben, die hen heeft zien geboren worden. Omstreeks denzelfden tijd had Diocletianus, op een mijl afstands van Salona, aan den oever der zee, de grondslagen doen leggen van het reusachtig paleis, waar hij zijne laatste levensjaren in stille rust wenschte te slijten. Na een schitterenden veldtocht in Perzië, vertoonde hij zich voor het laatst aan de inwoners van Rome, werd daar als overwinnaar gekroond, en keerde toen naar Nicomedië terug, waar hij plechtig van de regeering afstand deed.
Het huis, waarin hij zich nu terugtrok, geleek in geen enkel opzicht de nederige woning van den wijze, wars van het gewoel der wereld en afkeerig van weelde en pracht: het was een uitgestrekt paleis, nog ten volle een Keizer waardig, en ruim genoeg om tempels en baden, zalen voor de lijfwachten en woningen te bevatten voor die gansche schaar van afhangelingen en cliënten, die zich om den gewezen souverein bleef bewegen.
Het paleis vormt een groot vierkant, aan de vier hoeken van sterke torens voorzien; de hoofdgevel is naar de Adriatische-zee gekeerd. De oppervlakte van het geheele gebouw, zonder de aangrenzende tuinen, beslaat dertigduizend-vijfhonderd el; de open galerij, die op zee uitzag, had eene lengte van tweehonderd el. Behalve de poort aan de zeezijde, had het paleis drie hoofdingangen: ten noorden, de Gouden-poort, die op den weg naar Salona uitkwam: de Bronzen-poort, die naar Epetium (tegenwoordig Hobrech) voerde; en de IJzeren-poort, die, volgens den italiaanschen archeoloog Lanza, toegang gaf tot een park, bepaaldelijk voor de jacht van den Keizer bestemd. Elke dezer poorten was gevat tusschen twee achthoekige torens. De vierde poort kwam aan zee uit, en diende voor het in- en ontschepen; zij stond in verband met uitgestrekte onderaardsche gangen en souterrains, die naar de verschillende deelen van het paleis voerden en nog heden bestaan.
Van het punt, van waar wij een blik op de stad Spalato in haar geheel geworpen hebben, is er een geoefend en scherpziend oog noodig, om het oude gedeelte te herkennen, te midden der groote veranderingen, die het in den loop der tijden en in verband met de verschillende behoeften der opvolgende bewoners ondergaan heeft. De stad is in den letterlijken zin in en tegen het voormalige paleis gebouwd, waarvan sommige gedeelten nog bijna ongeschonden in wezen zijn, schoon dan ook geheel van bestemming veranderd.
Diocletianus liet omstreeks 295 met den bouw van het paleis beginnen: hij deed afstand in 304; en als wij de kroniek van Eusebius mogen gelooven, leefde hij te Spalato tot in 313, het jaar van zijn dood. Welke lotgevallen onderging zijne vorstelijke woning sedert dien tijd?
De vierde eeuw is de eeuw van de invallen der barbaren. Het ten ondergang neigende romeinsche rijk wordt, na den dood van Theodosius, voor goed in tweeën gesplitst: Honorius ontvangt voor zijn deel Dalmatië met de andere westelijke provinciën. Gansch Illyrië wordt echter weldra de prooi der Hunnen, der Gothen, der Visigothen, en tweemaal binnen den loop van eenige jaren levert Alarik het gansche land aan de verwoesting over. Op de Hunnen volgen de Vandalen; op Alarik en Attila volgt Genserik. Marcellinus, de vertegenwoordiger van het Westersche rijk, waartoe Dalmatië heet te behooren, slaagt er echter in, de geheele provincie te heroveren, terwijl Rome zelf in de handen valt der barbaren.
Het paleis werd natuurlijk door deze vreemde horden niet gespaard: de tempels en schatkamers werden geplunderd, alles wat eenige waarde had of door fraaie bewerking uitmuntte, werd de buit der barbaren. De beelden der goden lagen, verminkt en geschonden, hier en daar verspreid; de sarkophagen werden opengebroken; Salona, de naburige stad, door Diocletianus geheel herbouwd, verfraaid en versterkt, werd der plundering prijs gegeven. Niettemin bood zij haar aanvallers heldhaftig weerstand, en weldra herleefde zij uit haar asch.
In het begin der vijfde eeuw heeft men de keizerlijke residentie van Spalato herschapen in een soort van gesticht of college voor vrouwen, waar de jonge meisjes wol komen spinnen en weven om de kleederen der krijgslieden te vervaardigen, onder de leiding van den Procurator gynecii Jovensis Dalmatiae Aspalato. Langzamerhand keert de vrede terug; het paleis wordt gerestaureerd en weer tot keizerlijke woning ingericht ten behoeve van Marcellinus, en na hem van Glycerius en Julius Nepos (475). Maar Odoaker, die zich bereids van Italië heeft meester gemaakt, doet een inval in Dalmatië, dat nu het slagveld wordt, waarop de Herulen en de Oost-gothen, onder aanvoering van Odoaker en Theodorik, elkander de heerschappij betwisten.
Theodorik roept de Gothen en de Slaven te hulp, en de steden, die bij de eerste invallen waren gespaard gebleven, worden thans verwoest: het nauwelijks herstelde paleis valt op nieuw in handen der barbaren, en Salona, de rijke stad, wordt ten tweeden maal geplunderd en aan de vlammen prijs gegeven. Wederom bladzijde 123gelukt het Keizer Constantius de provincie te bevrijden en de Gothen te verdrijven: maar de rust is slechts tijdelijk. Lombarden en Avaren overstroomen op hunne beurt het geteisterde land, dringen in Salona door en verwoesten de groote stad zoo volkomen, dat er zelfs geen spoor van overblijft. Van Salona trekken zij naar Spalato, en bestormen nog eenmaal die oude, beroemde muren, die zoo veel aanvallen hebben weerstaan.
De zevende eeuw is getuige van de geboorte der stad Spalato, en daarmede valt tevens samen de groote verandering en herschepping van het paleis van Diocletianus. De barbaren hebben op hun weg alles verwoest: er is geen tempel meer te vernielen, geen stad meer te verdelgen, geen dorp meer te verbranden: het land is bijna eene wildernis geworden. Aan de eene zijde zijn zij zuidwaarts afgetogen naar het tegenwoordige Albanië; aan de andere zijn zij langs de kust voortgetrokken, door Kroatië, Istrië en Frioul; zij hebben Aquilea en Altino verwoest, Padua geplundert, en de bewoners der kuststreken uitgedreven naar de lagunen, om daar den grond te leggen voor die machtige republiek Venetië, die hare heerschappij vestigde op de golven der Adriatische-zee.
Het schijnt dat de volkerenstroom eindelijk is uitgeput; de inwoners van Salona, die driemaal de wijk hebben genomen in de bergen en op de eilanden der Adriatische-zee, komen uit hunne schuilhoeken te voorschijn, en zoeken de plek op, waar eenmaal hunne geliefde geboortestad stond. Aan dien dierbaren grond gehecht, willen zij van de oude bekende plek niet scheiden; doch hunne vaderstad is niets meer dan een ruïne, een vormelooze aschhoop: zij willen dan voor 't minst onder denzelfden hemel leven, in de schaduw derzelfde bergen, aan den oever derzelfde zee, waarvan de frissche adem hun tegenwaait. Zij zoeken eene schuilplaats in de bouwvallen van het paleis van Diocletianus. De muren zijn zwaar en dik; zij hebben herhaaldelijk weerstand geboden aan de aanvallen der barbaren: hier is eene sterke vesting, die gemakkelijk kan verdedigd worden. De uitgewekenen vestigen hunne woningen in de portieken, in de galerijen en voorhoven, in de tempels, waaruit de goden verdwenen zijn; als schuchtere vogels, door den storm voortgedreven, hechten zij hunne nesten aan de kroonlijsten en verbergen hun kroost in de spleten en scheuren van het groote monument, onder de architraven, in de baden, in de prachtige zalen, waar de groote Keizer weleer de gezanten van Rome ontving. Het is hun slechts om eene veilige wijkplaats te doen: zij sloopen het grootsche gewrocht om zich woningen te maken, en het paleis wordt een gehucht, een dorp, eindelijk eene stad: Ad Palatium—Aspalathum—Spalatum—Spalato.
Spalato is destijds geheel besloten binnen de omwalling van het paleis; de torens, die tot verdediging moeten dienen, worden hersteld; de poorten deels toegemetseld, deels versterkt en zorgvuldig bewaakt; de keizerlijke residentie is eene vesting geworden. De groote tempel, volgens sommigen aan Diana, volgens anderen aan Jupiter gewijd, is in eene christelijke basiliek herschapen. De meeste inwoners van Salona hadden reeds voorlang den heiligen doop ontvangen en zich tot het Christendom bekeerd: Paus Martinus (640–655) zond hun als apostolisch legaat Johannes van Ravenna, die eene beslissing moest nemen in het geschil, dat tusschen Ragusa en Spalato ontstaan was over den aartsbisschoppelijken zetel, aanvankelijk te Salona gevestigd.
Salona werd in het gelijk gesteld, en daar Spalato sedert de plaats der verwoeste hoofdstad had ingenomen, werd Spalato tot zetel van den metropolitaan verheven. Johannes van Ravenna werd door het volk tot aartsbisschop uitgeroepen; hij koos zijne woning nabij de kathedraal, onder de portiek van den vroegeren tempel, waar nog heden de prelaat van Spalato resideert. Zijn paleis heeft tot voorgevel de kolonnade van de oude portiek, en zijne vensters zien uit op het vroegere plein voor den tempel. Het Mausoleum tegenover den tempel wordt tot doopkapel ingericht; de sarkophaag, waarin, naar men zeide, het stoffelijk overschot van Diocletianus bewaard werd, wordt weggenomen en op dezelfde plaats het doopvont opgericht. Dit heeft waarschijnlijk mede aanleiding gegeven tot de heerschende onzekerheid omtrent de oorspronkelijke bestemming van dezen kleinen tempel, onder den naam van het Mausoleum bekend, maar die door sommige oudheidkundigen ook de tempel van Esculaap wordt genoemd. Zoo was het heidensche, romeinsche Salona opgevolgd door eene zuiver christelijke stad, door Spalato.
Nog altijd maakte Dalmatië in naam deel uit van het Oostersche rijk; maar de Kroaten en de Serviërs, beiden van slavischen oorsprong en tot dus ver in de streken bij de Karpathen gevestigd, krijgen vergunning zich in het land te mogen vestigen en ontvangen het burgerrecht, onder voorwaarde dat zij de provincie tegen de Avaren zullen verdedigen, en de steden langs de kust der Adriatische-zee eerbiedigen. De italiaansche invloed klimt hier tot de vroegste tijden op: die steden waren romeinsche koloniën; zij blijven onderworpen aan het gezag der bisschoppen, die op hun beurt aan Rome onderworpen zijn. Eerlang zullen zij in handen vallen van Venetië: en zoo het platte land geheel slavisch wordt, zal de kust, die den latijnschen invloed ondergaan heeft, haar italiaansch karakter onuitwischbaar blijven bewaren.
De Kroaten en Serviërs brengen hunne eigenaardige gebruiken en hunne eigene hertogen of vorsten mede. Eerst moeten zij de worsteling aanvaarden met de Franken, die hun het bezit des lands betwisten; daarna beginnen zij eene zelfstandige regeering te vestigen, en leggen aan het land en zijne bewoners hunne wetten op. Spalato was destijds in het bezit van vrije municipale instellingen: het neemt in bloei en welvaart toe, zet allengs zijne perken uit en overschrijdt de grenzen van het paleis. Maar juist die voorspoed wekt de begeerlijkheid op: de Kroaten willen de stad haar vrijheid ontrooven, de piraten van Narenta, wier naam reeds toen in de geschiedenis voorkomt, bedreigen en teisteren haar zoo voortdurend door telkens herhaalde plundertochten, dat de stad zich gedwongen ziet, de bescherming van de republiek van Sint-Marcus bladzijde 124in te roepen. De Doge Piero Orséolo II, wiens naam wij terugvinden in de geschiedenis van elke stad langs deze kust, verschijnt te Spalato, verslaat de Kroaten, verdrijft de zeeroovers, sluit een voordeeligen vrede met Kresimir II van Kroatië, en ontvangt de hulde der dalmatische steden, die niettemin hare vrijheid behouden en nog steeds worden geregeerd door hare eigene bisschoppen, overeenkomstig hare statuten of keuren.
Maar Peter Kresimir neemt den titel van Koning van Kroatië en Dalmatië aan en betwist het recht van Venetië; van den anderen kant maakt Koloman, Koning van Hongarije, mede aanspraken op het land, en trekt in 1102, Spalato met een leger binnen. Kort daarop laat hij zich zelf als souverein der beide koninkrijken te Belgrado kronen. Het is de tijd van de strooptochten der noordsche zeeschuimers: Kresimir heeft eene vloot noodig, om die piraten te kunnen verdrijven, en daar hij geen eigen zeemacht heeft, sluit hij een verbond met zijne vijanden, de Venetianen, die, nadat het kustland van de Noormannen bevrijd was, de hulp inroepen van Alexis Comnenus, Keizer van Constantinopel; deze slaat, in 1143, het beleg voor de stad, om welker bezit de twee mogendheden streden.

Alnussa, tusschen Spalato en Ragusa.
Nu volgt een tijdperk van verwarring en onophoudelijke wisselingen. Spalato gaat van de eene hand over in de andere: Kroaten, Hongaren, Venetianen, Napolitanen, hebben beurtelings de macht in handen, terwijl de stad bovendien nog herhaaldelijk geteisterd wordt door de zeeroovers, en in 1241 door een inval der Tartaren. Eindelijk, in 1420, staat Ladislas, de Koning van Napels, al zijne rechten op Spalato aan Venetië af, tegen eene som van honderdduizend gouden dukaten.
Van 1420 tot 1797, alzoo tot aan den ondergang der republiek, blijft Spalato nu in de macht van Venetië, ondanks de pogingen, door de Turken, in hunne langdurige oorlogen met de republiek, bij herhaling beproefd om de stad te vermeesteren. Van 1797 tot heden deelt zij in de lotgevallen van geheel Dalmatië.
Tijdens het venetiaansche bestuur bereikte de stad haar volle ontwikkeling, breidde zich naar het noorden uit, en werd de sterkste en voornaamste handelstad van geheel Dalmatië. De stad is sinds lang niet meer besloten binnen de omwalling van het paleis; haar piazza della Signoria zelfs ligt buiten de grenzen der oude stad, waarin de inwoners van Salona eenmaal eene wijkplaats zochten. Er zijn tegenwoordig drie steden: die buiten de voormalige IJzeren-poort, die aan de zijde der Bronzen-poort, en die buiten de Gouden-poort. De kaai is verbreed geworden; de woningen der visschers, der kooplieden van scheepstuig en van allerlei andere handelaars en winkeliers, die met de scheepvaart en den koophandel in betrekking staan, zijn tegen den antieken muur van het paleis aangebouwd; en de venetiaansche regeering laat dat groote lazareth bouwen, waar, vóór de ontdekking van de kaap de Goede Hoop, de turksche karavanen de koopwaren van Indië en Perzië plachten aan te voeren.