XXV. Onze gele broeder.—De mongoolsche landverhuizing.
Reading edition
In Amerika heeft de blanke bevolking niet alleen te rekenen met de Indianen en de negers, maar ook met de landverhuizers uit het Hemelsche rijk; nevens de negerkwestie staat de chineesche kwestie, die misschien ruim zoo ernstig is.
Wij maakten voor het eerst kennis met onzen gelen broeder op de markt te Baltimore, zeker de smerigste en rumoerigste plek in de Vereenigde Staten, met uitzondering van de chineesche wijk te San-Francisco, en die wordt door gezondheids-commissiën niet gerekend tot de Vereenigde Staten te behooren.—Onze broeder is in-duplo: misschien man en vrouw, misschien ook tweelingen. Wie van beiden man of vrouw is, valt op het eerste gezicht niet zoo gemakkelijk te zeggen. Beiden zijn even groot, en dragen denzelfden ronden hoed en denzelfden blauwen kiel; beiden hebben hetzelfde gladde gezicht, ronde kin, zwarte wenkbrauwen, gevlochten haar, platten neus en kalmen blik. Te midden van het geraas en het gewoel van die markt, waar vleesch en visch, vruchten en groenten zijn uitgestald, gaat hij ongestoord en rustig zijn weg, niet aanmatigend en brutaal als de Yankee, ook niet met schuwen weerzin als de Indiaan, of angstig en beschroomd als de neger, maar volmaakt kalm en oplettend. Hij opent den mond niet om eene enkele vraag te doen, maar niets ontgaat aan zijn scherpen blik. Hij kauwt op zijn betelblad, en kijkt naar kramen en uitstallingen, naar vleesch en groenten, naar alles wat op de markt te zien is, zonder dat een glimlach om zijne lippen plooit of zijn voorhoofd zich fronst; maar als hij heengaat, kunt ge het hem aanzien dat hij zich bewust is, alles wat hij daar heeft gadegeslagen, ook zelf te kunnen maken en doen.
Des avonds ontmoeten wij hem in een verkoophuis van gering gehalte; daar slaat hij, met schijnbare onverschilligheid, maar met ingespannen aandacht, de bladzijde 322verrichtingen van den afslager gade: hij ziet hem zijne vodden, zijn katoen, zijn papieren schoenen, zinken scheermessen, glazen juweelen en geverfde pelterijen aan den man brengen. Hij zelf doet nooit een bod; maar telkens als de afslager eenige van zijn verdachte artikelen toewijst, doorgaans aan oude arme negerinnen, speelt een glimlach van goedkeuring op zijn gelaat. Onze gele broeder voltooit hier blijkbaar zijne opvoeding.
Wat later in den avond vinden wij hem bij het schietspel; niet zelf zijne centen verschietende, zoo als de Yankees en de negers, maar toekijkende en de schoten opteekenende. Voor zoo ver het mogelijk is eenige andere uitdrukking op zijn onbewegelijk gelaat te bespeuren, schijnt hij minder op zijn gemak in het schietspel dan op de markt en in het verkoophuis. Het belletje gaat te dikwijls; het schieten schijnt hem te hinderen. Na een poosje gekeken te hebben, brengt hij zijn betelblad naar de andere zijde van zijn mond, spuwt zijn rood speeksel uit en gaat naar buiten, zich even weinig bekommerende over het gejoel en gelach van negers achter zijn rug, als een Arabier om het blaften van zijn straathonden.
In Chicago, op het punt van naar Californië te vertrekken, maken wij kennis met Paul Cornell, een van de voornaamste aandeelhouders in de groote uurwerkfabriek van die stad. Van een anderen aandeelhouder, die voor zijne zaken naar San-Francisco gaat, verneem ik, dat Ralston het denkbeeld heeft opgevat om in San-Francisco eene groote fabriek van horloges op te zetten, op eene schaal, waarvan men tot dusverre in Genève of Neuchâtel nog geen begrip heeft. De grondslag van dit plan van Ralston is het gebruik van gele in plaats van blanke werklieden.
“De Chineezen, zegt Cornell, leveren goed werk voor weinig geld; zij zijn dienstvaardig, onderworpen en vlug van begrip; zij drinken nooit en maken geene wanorde.
—Hebben zij eenige bekwaamheid in het maken van uurwerken en horloges?
—Neen, voor 't oogenblik niet: zij moeten het vak nog leeren; maar zij zijn vlug en geduldig. Binnen zes of acht maanden zal de eerste de beste chineesche werkman, dien ge van de straat opraapt, in staat zijn een horloge te maken.”
Te San-Francisco is eene maatschappij opgericht, waarvan Cornell president, Ralston penningmeester en Cox secretaris is. Cornell staat aan het hoofd van verschillende godsdienstige inrichtingen en genootschappen. Ralston is een zoo volbloed patriot, dat hij geene sofa in zijn salon, geene schilderij in zijne spreekkamer hebben wil, die niet van inlandsch maaksel zijn. Cox is een van de voornaamste straatpredikers, en wijdt zijn zondag aan evangelisatie-arbeid in de achterbuurten van San-Francisco. Men huurde een deel van eene fabriek, in de Vierde straat, niet ver van de chineesche wijk, en richtte dat voor de nieuwe bestemming in. De instrumenten en machinerie werden van Cincinnati en New-York ontboden. Alles gaat voorloopig naar wensch.
“Het klimaat van San-Francisco, zoo verzekert mij Cornell, is bij uitstek geschikt voor het horlogemakersvak. Te Chicago hebben wij met vele bezwaren te worstelen; het is er zomers te heet, en 's winters te koud. De werklui verlangen warme kleeding, goede woning en duur eten. De hitte en de koude zijn schadelijk voor onze instrumenten; brandstof is er schaars en duur. In Californië hebben wij niets te vreezen van overmatige hitte of koude. Wij kunnen het gansche jaar door werken, en zoo het noodig is, kunnen wij onze machines dag en nacht aan den gang houden.”
Met godsvrucht op de plecht en vaderlandsliefde aan het roer, wat kan de nieuwe maatschappij te duchten hebben?...
“De wetten van God!” antwoordt eene stem aan mijn oor, de stem van een geneesheer, die vele jaren in San-Francisco heeft gewoond, en die met groote aandacht en niet zonder bekommering de verhuizing onzer gele broederen van Hongkong naar Californië heeft gadegeslagen.
“Deze onderneming stuit mij tegen de borst, zegt hij mij, bij een vertrouwelijk gesprek in zijne kamer. “Ik ben een geboren Amerikaan, en ik wensch dat Amerika alleen aan de Amerikanen zal behooren. Weinig menschen zijn zoo van nabij bekend met onze Aziaten als ik; en als man van wetenschap en vriend van zedelijkheid en orde, kan ik u verzekeren, dat ik niet dan met leedwezen de bevolking der chineesche wijk zou zien toenemen. Wat stelt die maatschappij van Cornell zich nu voor? Zij zeggen, dat zij in San-Francisco eene nieuwe industrie zullen vestigen. Maar wie zal daarvan profiteeren? Niet de Amerikanen, maar de Aziaten. Zij zullen chineesche werklieden onderrichten, hoe zij den arbeid van den blanke moeten doen, en zich van de markt meester maken. Waarom? Omdat de Aziaat, die van rijst en thee leeft, voor vijf-en-zeventig centen per dag wil werken; terwijl de Amerikaan, die van ossevleesch en bier leeft, vijf dollars per dag vraagt. Als de onderneming slaagt, zoo als Cornell denkt, zullen de horlogefabrieken in Chicago stilstaan, en zullen tweehonderd bekwame werklieden broodeloos zijn; Illinois zal een artistieke tak van industrie zien te gronde gaan, en vijf- of zesduizend Mongolen zullen van Hongkong oversteken, waarvan minstens een tiende gedeelte eene winstgevende betrekking aan onze kusten vinden zal.”
Als wij de bergen van Wyoming bestijgen, beginnen wij onzen gelen broeder op onzen weg te ontmoeten; hier als een vlugge bediende, elders als landbouwer of aardwerker; maar overal zwijgend, bescheiden, ijverig en onvermoeid in den arbeid. Sam huivert terug voor den kouden bergwind en de wintersneeuw. Hoog loon verlokt hem naar herwaarts te komen; maar als de ijzige adem van den wind hem het bloed doet stollen, dan geeft hij al spoedig aan de pompoenen en het suikerriet van Zuid-Carolina de voorkeur boven de elanden en herten van Wyoming. Hi-Li kan in elk klimaat en in elk land leven; in Bitter-Creek zoowel als in San-José en Los-Angeles; naar het schijnt, is hitte en koude, droogte en regen, goed en slecht voedsel, vriendelijke en ruwe bejegening, hem altegader onverschillig, mits hij slechts geld kan verdienen en besparen. Te Evanston, bladzijde 323een station in het gebergte boven het Zoutmeer, waar gewoonlijk het middagmaal gebruikt wordt, vinden wij eene schaar chineesche bedienden, in korte witte kielen of jurken gekleed als jonge meisjes, met ronde gladde gezichten als meisjes, en vlugge, stille manieren als meisjes.
Aan gene zijde van het Zoutmeer neemt het getal dezer Aziaten voortdurend toe. Overal vonden wij hen, in de valleien bij kaap Horn, te Toano, te Indian-Creek, te Halleck, in hutten en hoeven. Wij ontmoeten hen in Copper-Canon en aan de Palissaden; wij hooren van hen in de White-Pine-Country, in Mountain District, te Tuscarona, te Cornucopeia, te Eureka. Zij gaan overal heen, en doen alles wat men wil. Te Elko komt een chinees naar mij toe, met een stuk papier in zijne hand, waarop geschreven staat: “Li-Wang, Antilope-hoeve, White-Pine-Country.” Li-Wang kan geen woord engelsch spreken, toch gaat hij geheel alleen naar de mijndistrikten van Nevada, om daar een onbekenden meester te dienen, die hem misschien behandelen zal als een hond. Chineezen kunnen nog leven, waar alle andere menschen, zelfs de Uten en Shoshones, zouden sterven. Zij zijn tevreden, als zij in verlaten mijnen mogen graven en uitgeputte velden nalezen; zij achten zich voor hunne moeite beloond, zoo hun slechts een korrel zilver, een enkele maïshalm ten deel valt. Zij voeden zich met dood wild, dat zelfs de Indianen niet willen aanraken. Als bedienden, houthakkers, matrozen, mijnwerkers, bleekers, winnen zij het van alle andere arbeiders, mannen of vrouwen, blanken of zwarten.
Te Sacramento was ik getuige van een tooneel, waaruit mij bleek, hoe de blanke jeugd van Californië hun gele broeders en makkers beschouwt.
“Daar is John! roept een jongen tot zijn kameraad: willen wij hem eens gooien?”
De twee knapen houden op met hun spel, om steentjes te werpen naar een mongoolsch werkman, die zijne zware dagtaak verricht voor een zeer matig loon. Niemand schijnt er iets verkeerds in te vinden, dat die kinderen dus dezen onschuldigen man tot slachtoffer van hunne kwaadwilligheid maken.
“Het is John maar!” roept de eene jongen, als ik zijn arm vastgrijp en hem dwing de steenen te laten vallen. “Het is John maar! Ziet ge niet dat het John is?”
De gewoonte om de Chineezen als het uitschot van het menschdom te beschouwen, is dien kinderen als met de moedermelk ingegeven, juist zoo als de knapen in Georgië en Virginië van der jeugd af leerden, op een neger als hun mindere neer te zien. In den Goudstaat geboren, hebben deze knapen, van dat hun besef ontwaakte, gezien dat hunne gele buren als honden werden behandeld, geslagen, geduwd, beleedigd, mishandeld door iederen blanke. Te huis zien zij hoe hunne chineesche bedienden als slaven worden bejegend; in de kerk hooren zij hen voor heidenen uitmaken. Nooit, zoo ver hun geheugen reikt, hebben zij een chinees eene beleediging zien wreken of een slag terug geven. Waarom zouden zij zich dus ontzien, zulk een zwak en weerloos wezen met steenen te gooien?
De vader van den knaap schijnt geheel en al van dezelfde meening te zijn. Verwijten en vermaningen zijn bij hem even onvermogend. John is nu eenmaal een lastdier, een vagebond, een zwerver, die geen enkel recht kan doen gelden. Waarschijnlijk is die Amerikaan zelfs van meening, dat zijn jongen den chinees eene groote eer bewijst, als hij hem een gat in het hoofd gooit.
Deze verschijning van aziatische landverhuizers in Amerika, is zeker eene der zonderlingste, en waarschijnlijk eene der ernstigste gebeurtenissen van onzen tijd: daarmede is aan de amerikaansche staatslieden een vraagstuk gesteld van het uiterste gewicht, dat niet gemakkelijk valt op te lossen.
Sedert onheugelijke eeuwen was het chineesche volk in zijn land opgesloten, niet alleen geen omgang of gemeenschap zoekende met andere volken, maar hunne deur sluitende voor iederen vreemdeling. Zich niet om de buitenwereld bekommerende, wilde dit volk in zijne afzondering volharden, zijn eigen leven levende, zijn eigen voortbrengselen genietende, zijn eigen gewoonten en gebruiken betrachtende. Een muur, het wonderbaarlijkste gewrocht van menschelijken arbeid, scheidde hen van hunne naburen in het westen, terwijl zij in het oosten geen andere buren hadden dan de golven en de winden. In elke chineesche haven, in elke chineesche stad, verrees een slagboom: hetzij een muur of een verbod, in ieder geval iets dat de vreemdelingen buiten sloot. Nu en dan mocht een enkele pelgrim binnensluipen en bij zijne terugkomst wonderen verhalen van het Bloemenland. Een enkele koopman mocht, nu en dan, een ambtenaar omkoopen en ruilhandel drijven: maar, als een geheel beschouwd, was de gansche uitgestrekte landstreek tusschen den Hindoe-Kush en de Gele-zee ontoegankelijk voor vreemde ondernemingszucht en onbekend bij de overige menschheid.
Een vreemdeling mocht niet in het land komen, een inboorling mocht het niet verlaten. China was een land op zich zelf, zonder eenige betrekking met het overige der wereld. Zelfs de inboorlingen waren verdeeld in klassen en maatschappijen, die, in een sociaal belang, niet minder scherp van elkander waren gescheiden dan de kasten in Bengalen. Alles was in geheimenis gehuld. Een koopman kwam niet in rechtstreeksche aanraking met zijn mandarijn, een mandarijn mocht zich niet persoonlijk tot den Vorst wenden. Behalve de leden der keizerlijke familie, mocht niemand den “Zoon des Hemels” naderen. In zijn paleis opgesloten, volkomen onbekend met menschen en zaken, omringd door slavinnen, bracht de beheerscher van een derde gedeelte van het menschdom zijne dagen door met het drinken van thee, het rooken van opium en het spelen met zijne slavinnen. In zijn ongerijmden, dommen hoogmoed, beschouwde de tartaarsche monarch ieder, die buiten de grenzen van zijn gebied geboren was, als een hond, onwaardig zich te koesteren in het licht zijner hemelsche oogen.
Het engelsche geschut verbrijzelde de poorten van dit paradijs van theedrinkers en opiumrookers. De inboorlingen stroomden naar buiten door de bres, bladzijde 324die onze kanonnen hadden gemaakt, en sinds dien dag heeft deze menschenstroom niet opgehouden te vloeien, als het overtollige water van een Alpenmeer. De stroom splitst zich in beken, in watervallen, in rivieren: een der takken richt zich naar Polynesië, een ander naar Australië, een derde naar de Gouden-Poort van Californië. Wie zal ons zeggen, of en wanneer deze stroomen zullen ophouden te vloeien?

Een chineesch koopman en zijne vrouw te San-Francisco.
Bij voorkeur trekken deze Mongolen naar Californië: vooreerst, omdat de overtocht gemakkelijk en goedkoop is; ten andere, omdat het klimaat hun bevalt; ten derde, omdat het loon hooger en de markt uitgestrekter is dan ergens elders. Van Californië gaan zij over de zee naar Oregon, en over land naar Nevada, Idaho en Montana. In Utah vinden zij weinig gelegenheid om zaken te doen, want de Mormonen zijn niet minder matig en arbeidzaam dan zij zelven. Toch hebben zij zich zelfs in de stad van het Zoutmeer weten te vestigen. Zij komen in troepen, en met ieder jaar worden deze troepen grooter. In den beginne verschenen zij bij twee en drie te gelijk, toen bij tien en twintig, kort daarop bij honderden en duizenden. Nu komen zij bij tienduizendtallen.

Agenten der chineesche Maatschappijen.
De intocht dezer aziatische horden in Amerika geschiedde zoo stil en onopgemerkt, en hunne tegenwoordigheid in het land is van zoo veel nut gebleken, dat de zeer ernstige zijde van het probleem, hoewel niet verborgen voor de mannen van wetenschap, toch tot dusver aan de aandacht der staatslieden is ontsnapt. Wel heeft nu en dan een enkele, dieper ziende dan de anderen, zich de vraag gesteld, welken invloed deze invasie van barbaren zal uitoefenen op bladzijde 326de europeesche rassen in Amerika? Maar hij deinsde terug voor het antwoord op die vraag, zoodra het gele spook voor zijne verbeelding oprees.
Voor ieder, die eenigermate deze gewichtige kwestie heeft bestudeerd, staan de volgende vijf punten vast, en omtrent de daaruit voortvloeiende gevolgen is ook nauwelijks twijfel mogelijk.
Vooreerst. China is de naaste westelijke nabuur van Californië; uit de havens van Canton, Ningpo en Shanghai kan men, met de minste kosten, de Gouden-Poort bereiken. Een iersche landverhuizer in Cork moet op eene uitgave van honderd dollars rekenen, eer hij te Hunter's Point voet aan wal zet; een mongoolsche landverhuizer in Canton behoeft, om het zelfde punt te bereiken, slechts vijf-en-veertig dollars uit te geven, waarvan dan nog vijf door de Fook-Ting-Tong-Maatschappij in kas worden gehouden, om na zijn overlijden, zijn gebeente naar Hongkong terug te voeren. Een iersche landverhuizer moet de ruwste en onstuimigste zee ter wereld trotseeren, en een hoog gebergte overtrekken; terwijl een Mongool van Fokien of Kiang-soe van de eene haven naar de andere vaart, over eene zee, zoo kalm en effen als een binnenmeer, in een hemelstreek, waar eeuwige lente heerscht. Het spreekt dus wel van zelf, dat wanneer Cork en Canton haar overvloedige bevolking uitwerpen, de hongerige schare van Canton veel vroeger en onder gunstiger omstandigheden te San-Francisco komt, dan die van Cork.
Ten tweede. China, Californie's naaste buur, is het armste en meest bevolkte land der wereld. Fokien, Tshe-kiang en Kiang-soe gelijken meer op bijenkorven en mierennesten dan op gewone menschelijke maatschappijen. De dichtheid der bevolking is geheel buiten verhouding tot de uitgestrektheid van het chineesche gebied, en zelfs tot de vruchtbaarheid van den chineeschen grond. Wat de oppervlakte aangaat, is China, zonder de schatplichtige landen, niet meer dan een rijk van den tweeden rang: nauwelijks half zoo groot als Brazilië, Canada of de Vereenigde-Staten. Maar in bevolking overtreft het alle andere landen. De bevolking van Europa en Amerika te zamen staat in getal nog beneden die van China. In Kiang-soe wonen tweemaal zooveel menschen op eene vierkante mijl dan in België, het dichtst bevolkte land van Europa. De bodem is in vele provinciën bij uitstek rijk en vruchtbaar: maar hoe vruchtbaar ook, kan geen land zulke massaas onderhouden. Daar moet gebrek heerschen op groote schaal. En zullen die noodlijdenden niet gaarne van alle gelegenheden gebruik maken om een goed heenkomen te zoeken?
Ten derde. De havens van China zijn niet in waarheid open, en het volk is metterdaad niet vrij. Er bestaat alle grond om aan te nemen dat de chineesche landverhuizing geene vrijwillige daad is, zoo als bij voorbeeld de landverhuizing uit Ierland en Duitschland. Rijke en tevreden menschen verlaten schier nooit hun vaderland; geleerden en gezeten burgers doen dat maar zelden. In den regel zijn het de armen en onvermogenden, zij, die in hun eigen land geene toekomst hebben, die naar elders trekken om daar vooruit te komen. Maar als de havens open zijn, en ieder vrij is te gaan of te blijven, bestaat er althans de mogelijkheid dat ook meer gegoede en ontwikkelde mannen zich naar elders begeven. Gemeene sujetten van allerlei aard zijn in menigte naar San-Francisco gekomen; maar over het geheel genomen, behoorden de landverhuizers uit Europa toch niet tot de klasse der bepaalde misdadigers. Kan men hetzelfde zeggen van China? Welken waarborg heeft de amerikaansche regeering, dat de landverhuizers van Hongkong niet allen, of althans voor het grootste deel, oproerlingen, bedelaars, lichtekooien, moordenaars en slaven zijn? Daar is reden om het ergste te vreezen. Het is bekend dat al de vrouwen slavinnen zijn, in haar eigen land openbare lichtekooien, door slavenhandelaars in Canton gekocht en naar San-Francisco gezonden met het doel om daar haar ontuchtig bedrijf voort te zetten. De mannen schijnen maar al te dikwijls tot dezelfde kategorie te behooren. Het is eene nog altijd onbeantwoorde vraag, of China niet misschien het schuim harer bevolking naar Californië zendt, zoo als Engeland eertijds zijn grootste boeven naar Botany-bay zond.
Ten vierde. Deze Mongolen komen in dichte drommen. Nu brengt de amerikaansche theorie van openbaar recht mede, dat alle macht bij de menige berust. “Alle menschen zijn vrij en gelijk”. Luidt zoo niet de sakramenteele fraze, waarin eene der kolossaalste domheden wordt uitgesproken? Iedereen heeft hetzelfde recht, ieders stem is van gelijk gewicht. De meerderheid beslist. “De stem des volks is de stem van God.” Van de beslissing eener meerderheid is geen beroep.... Welnu, wat zal men met al deze luid klinkende onzinnigheden aanvangen tegenover de chineesche emigratie? Zijn de europeesche kolonisten in Amerika gezind en bereid, de aziatische als huns gelijke te beschouwen en te behandelen? De theorie eischt het; en op welken grond zou men ook aan de Chineezen mogen onthouden, wat zelfs aan de negers werd toegekend? Maar hoe zal dan de overmacht van die immer aangroeiende menigte bij de soevereine stembus worden gekeerd?
Ten vijfde. Deze Aziaten staan tegenover de europeesche kolonisten, niet alleen door hun geloof en zedeleer, door hunne wetten, taal en litteratuur, maar ook in de lagere kringen van het gewone leven. Zoo zij in eenig distrikt de meerderheid hebben, zouden zij het onderwijs en de opvoeding naar aziatische, in plaats van naar amerikaansche beginselen kunnen inrichten. Een Mongool heeft geen zin voor natuurwetenschap; hij koestert wantrouwen tegen een stoomwerktuig, en vrees voor een spoorweg. Ridderlijkheid tegenover het zwakke geslacht is hem geheel onbekend. Hij hecht geene waarde aan het menschelijk leven, maar zeer veel aan uitwendigheden en ceremoniën. In hun eigen land aan slavernij, polygamie en kindermoord gewend, zouden chineesche magistraten waarschijnlijk niet gezind zijn, hun gelen broeders het koopen van slaven, het huwen van onderscheidene vrouwen en het vermoorden van onwelkome kinderen te verbieden. En waar de Chineezen in de meerderheid zijn, kunnen zij magistraten naar hun goedvinden kiezen. bladzijde 327
In Californië is thans de vraag gesteld: zal de europeesche beschaving of de aziatische barbaarschheid aan de kusten van den Stillen-oceaan de overhand behouden?