← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

XXVIII. De chineesche wijk.—Chineesche vrouwen.

Reading edition

Een zevende deel van de bevolking, een zeventigste deel van de oppervlakte, van San-Francisco is aziatisch. De Oosterlingen hebben minder behoefte aan ruimte dan de Europeanen. In vele steden kan men dicht opeengepakte menschenmassaas vinden: Russen en Tartaren te Nishni-Novgorod, Kopten en Armeniërs in Jeruzalem, Arabieren en Mooren in Kaïro; maar noch in Rusland, noch in Syrië, noch in Egypte, zal men zulk eene menschenmenigte vinden, als hier in de aziatische wijk van San-Francisco opeengepakt is.

De uitdrukking aziatische wijk zou iemand in de meening kunnen brengen, dat hier sprake was van een afzonderlijk deel der stad, door muren van het overige gedeelte gescheiden, zooals, bij voorbeeld, de chineesche stad in Moskou; maar de aziatische wijk te San-Francisco is eene aan alle zijden toegankelijke buurt, eene open kolonie, gelijk May-Fair in Londen. De Chineezen hebben zich in het hart zelf van San-Francisco nedergezet.

Het theehuis van Lock-Sin, in de Jacksonstraat, mag als het middenpunt van dit nieuwe aziatische rijk in Amerika worden beschouwd; want in de Jacksonstraat, geschaard rondom Lock-Sin's veranda, vindt men de chineesche banken en magazijnen, de chineesche kramen en markten, de chineesche schouwburgen en speelhuizen; terwijl ter wederzijde van die straat de blinde stegen en namelooze poorten en gangen liggen, waarin de chineesche schurken en dieven huizen, met hun onvermijdelijken nasleep van slavinnen.

Hier schitteren in den vollen glans van een aantal papieren lantaarns, de twee groote theehuizen van Lock-Sin en Hing-Ki, waar ge thee kunt gaan drinken en inmiddels kijken naar de vertooningen der danseressen. Hier, rijkelijk versierd met roode en zwarte vlaggen, en weergalmende van den klank van gongs en cymbalen, prijkt Yu-He-Un-Choy, de koninklijke schouwburg, waar reeds drie weken lang een groot historisch tooneelstuk, een kroniek van de Ming-dynastie, vertoond wordt, dat waarschijnlijk nog negen weken duren zal. Tegenover ons, bijna even bont rood en geel geverfd, bijna even vervuld van het geluid van tam-tams en bekkens, verrijst Sing-Ping-Yuen, de nieuwe schouwburg, waarin stukken van minder gehalte worden opgevoerd, die niet langer dan dertig of veertig avonden duren. Hier in den omtrek vindt ge ook de gemeene kroegen, kelders en speelholen, waar gele dieven en booswichten zich met hunne afzichtelijke vrouwelijke kameraden, overgeven aan het verboden genot van het hazardspel om geld. Nabij die kelders bevinden zich de opiumkitten, waarheen de spelers zich in hunne koortsige opwinding begeven, om het nog gevaarlijker en vreeselijker genot te smaken van zich naar ziel en lichaam te verderven ter wille van den damp van papaversap. Daar om den hoek staat ook de groote pagode, een ruim vertrek, met gordijnen en draperiën behangen, stralende van rood en goud, waarin een afgodsbeeld troont: niet een mongoolsche afgod, met een plat en glad geschoren gelaat, schuine oogen en opgetrokken tartaarsche wenkbrauwen, maar een eerzame duitsche mijnheer, met een rechten neus, een mooien knevel en een netjes geknipten baard. Voor dien vreemden afgod staan, dag en nacht, trekpotten met thee te pruttelen en cederstokjes te branden.

De chineesche wijk in San-Francisco breidt zich voortdurend naar alle kanten uit. De Aziaten hebben reeds een goed doel van de Dupontstraat en Kearnystraat in beslag genomen, en dringen door in de Pynboomenstraat, in de Stockton- en Pacificstraten, zelfs tot in Californiastraat. In al die straten behooren een zeker aantal huizen aan Chineezen. Als de Mongolen eens een huis binnendringen, verjagen zij de Europeanen, die niet bestand zijn tegen den rook en den stank, tegen de vuiligheid en het geraas. Zoo kruipen zij al verder bladzijde 339voort, straat voor straat veroverende, en drijven overal de blanken voor zich heen, die zich met schrik en toorn van hen afwenden, als van eene bende melaatschen. Geen blanke wil onder hetzelfde dak slapen met een Chinees; geene blanke vrouw zal gaarne door de Jacksonstraat gaan.

Laat ons eens een kijkje nemen in een dier woningen, en die Aziaten in hun huiselijk leven en bedrijf gadeslaan. Niet ver van Lock-Sin's theehuis staat een vrij groot gebouw, vroeger bekend onder den naam van het Globe-hotel; een huis, vier verdiepingen hoog, met zes ramen nevens elkander in den voorgevel, en ruimte genoeg aanbiedende voor vijftig gasten. Met inbegrip van het onderhuis en zolders, zijn er waarschijnlijk zestig kamers. Aan alle kanten door chineesche mierennesten omringd, werd het Globe-hotel niet langer door fatsoenlijke reizigers bezocht, en eindelijk verhuurd aan Li-Si-Tut, een rijken Chinees, die op zijne beurt de kamers verhuurt aan zijne landgenooten van tamelijken stand—winkeliers, hotelbedienden, klerken en agenten. Li-Si-Tut draagt zorg, dat hij zijn kamers nooit verhuurt aan iemand van slechte reputatie. Geen dief, geen voddenraper, geen nachtlooper kan in zijn hotel een onderkomen vinden; geene geblankette vrouw wordt hier binnen gelaten. Dobbelen en andere verboden spelen worden niet toegelaten, evenmin als gekijf of vechtpartijen. Voor zoo ver uitwendige voorschriften de orde kunnen verzekeren, heerscht er orde in Li-Si-Tut's etablissement; en het Globe-hotel in de Jacksonstraat mag als de koninklijke karavanserai en het zomerpaleis van de chineesche kolonie in Amerika beschouwd worden.

Laat ons binnengaan. Een walgelijke stank dringt in uwe neusgaten, zoodra ge den voet op den drempel zet. Stank komt u tegen uit iedere kamer; het vuil ligt opgehoopt op ieder portaal; het stof van jaren her bedekt de vensters met eene dikke korst. Vergeleken met dit Globe-hotel onder het bestuur van Li-Si-Tut, is eene turksche gevangenis een fatsoenlijk verblijf te noemen. Alles is overdekt met eene vuile, stinkende vochtigheid, die in dikke, zwarte droppels langs de muren sijpelt. En dan, wat gedrang en geloop van allerlei lieden op de trappen en in de kamers! Overal wemelt het van menschen; overal ontmoeten u de bleeke, spookachtige gezichten van wezens, aan spel en opium verslaafd.

Elke kamer, oorspronkelijk ingericht voor het verblijf van één logeergast, is hetzij door matten in zes of zeven kompartimenten verdeeld, hetzij in het rond langs de wanden van kribben voorzien. Het laatste is doorgaans het geval, want niemand gevoelt behoefte aan afzondering, en eene kamer, die, bij verdeeling in kompartimenten, maar ruimte voor zes of zeven personen zou aanbieden, kan licht een dozijn slapers bergen, als er kribben gezet worden. Van boven tot onder is elke kamer opgevuld met rook, zwart van de vuiligheid en volgepakt met menschen. Niet minder dan vijftienhonderd personen vinden dag en nacht logies in dit chineesche paradijs!

Overvulde en ongezonde kamers heb ik ook elders gezien, maar nooit en nergens vond ik menschelijke wezens zoo opeengepakt als hier in dit Globe-hotel. Volgens zijn zeggen, verhuurt Li-Si-Tut zijn huis aan achthonderd huurders; waaruit zou volgen dat in elke van de zestig kamers, met inbegrip van het onderhuis en de kelders, dertien personen zouden wonen; maar zijne huurders, zoo beweert hij, bedriegen hem, door de kribben weder te verhuren aan lieden, die daarvan maar voor de helft van den dag gebruik maken. Bij onderzoek bleek mij, dat dit verhaal van het onderverhuren en verdeelen der kamers de zuivere waarheid is. Ki-Wok gebruikt zijne krib maar twaalf uren van de vier-en-twintig, en verhuurt ze voor de andere twaalf aan Li-Ho. In sommige kamers worden de kribben, in een etmaal, door drie verschillende personen ingenomen.

En toch mogen zij, die in dit hotel hun intrek hebben, nog gezegd worden in een ruim en luchtig paleis te wonen, als men zo vergelijkt bij hen, die in den doolhof van straten en stegen, gangen en poorten en sloppen wonen, welke rondom Bartlett-Alley gegroept liggen. Hier vestigden zich sommigen van de eerste blanke kolonisten in San-Francisco. De grond is er vochtig. De houten woningen werden zoo haastig en zoo goedkoop mogelijk in elkaar getimmerd; en in die door vocht en ouderdom half vergane, van onreinheid stinkende, van ongedierte wemelende krotten huist thans de groote meerderheid der Mongolen. In duistere holen en gaten, te slecht voor een hond, ontwaart ge soms tien of twaalf uitgemergelde menschelijke wezens, op planken uitgestrekt, met strakke blikken in het ijdel starende, en hun best doende om zich zelven en hun ellende te vergeten in het droomland van den opiumrooker.

Nog erger, indien hier van erger sprake kan zijn, is de dievenbuurt, die zich ten deele ook binnen meer fatsoenlijke wijken uitstrekt. Het is wenschelijk hier een gids en een goed geleide mede te nemen; want ge moet deze buurt bij avond bezoeken, en de chineesche misdadigers hebben hun eigenaardige manieren.

Het brandpunt van dit dievenkwartier is de onmiddellijke omgeving van Bartlett-Alley; daar huist eene afschuwelijke bevolking op onreine zolders, in walgelijk vuile kamers, in dompige vochtige kelders. De grond is bedekt met vodden en afval, de lucht verpest door de uitwasemingen van rottende stronken en schillen: overal slijk en modder, opborrelende tusschen de half verteerde planken. Voddenwinkels en bewaarplaatsen van gestolen goederen schuilen weg in den donker. En overal, in al deze holen en krotten, te midden van al die onnoembare onreinheid, wemelt het van Chineezen, wier bleeke, vervallen gezichten er nog spookachtiger uitzien bij het flauwe schijnsel eener walmende lamp.

Op al deze aangezichten leest ge vrees en vertwijfeling tevens. In het voorbijgaan hoort ge deuren toeslaan, grendels dichtschuiven; en ge gevoelt bij instinkt, dat achter elke deur een kerel staat, door het geluid van vreemde stemmen en onbekende voetstappen in het hart van den nacht, opgeschrikt en gereed om de indringers met de opgeheven bijl te treffen of hun een kogel door het hoofd te jagen.

“Doe de deur open!” roept onze gids op bevelenden bladzijde 340toon, stilstaande voor eene uit boomstammen getimmerde hut;—doe de deur open!

—Bedriegt ge mij? Bedriegt ge mij?

—Neen, neen. Doe de deur maar open.”

De stem wordt herkend; de deur gaat langzaam open, en ge werpt een blik in het krot, niet veel grooter dan eene bedstede, maar bewoond door vijf of zes mannen en vrouwen. Hoopen gestolen goed liggen op den vloer: maar nergens is een wapen of geweer te zien. Bij eene andere hut werden wij afgewezen. Op de vraag: “Gij bedriegt mij immers niet?” volgde het gewone antwoord “Neen;” maar in plaats dat de deur geopend werd, hoorden wij van binnen een druk gefluister.

“Gaat heen: gij zult mij niet beet nemen!” roept eene stem; tegelijk hooren wij het overhalen van den haan van een geweer.

“Buk u en ga voort,” fluisterde onze metgezel: en aanstonds bukken wij ons en gaan voort.

In Stout's Alley en in de poorten en sloppen rondom dit brandpunt van zonde en onreinheid, wonen de lotgenooten en makkers van deze dieven en moordenaars—de vrouwelijke slavinnen.

Laat ons naar de straat terugkeeren.

“Nu hebt ge zoo iets van onze chineesche wijk gezien,” zegt mijn metgezel, als wij omstreeks twee uur Lock-Sin's theehuis binnentreden, om ons door een kop thee te verfrisschen.

“Wat ge nu te San-Francisco hebt gezien, dat kunt ge ook zien te Sacramento, te Stockton, te San-José en op vele andere plaatsen. Waar John verschijnt, bouwt hij zich eene chineesche stad en bevolkt die met lichte vrouwen, dieven en slaven, met het uitschot der maatschappij. Wij kunnen voor weinig geld veel werk gedaan krijgen, en onze geldmannen en ekonomisten zeggen dat zij goedkoopen arbeid noodig hebben voor “de ontwikkeling des lands.” Wat dunkt u wel van den prijs, dien wij voor deze ontwikkeling moeten betalen?”

“Eindelijk, zegt een senator te Sacramento, de krant neerleggende, waarin de jongste boodschap van den President aan het Congres is opgenomen, in welke ook melding wordt gemaakt van de chineesche landverhuizing. Onze heer en meester in het Witte Huis heeft dan toch voor een oogenblik zijn oogen afgewend van de zwarte pest langs de Golf, om ook eens te letten op onze gele pest hier langs den Stillen-oceaan!”

Niemand zal kunnen zeggen dat President Grant te vroeg of te sterk gesproken heeft. Men is veeleer geneigd, het tegenovergestelde te denken. In Washington mag men praten en redeneeringen houden: in Sacramento moet er gehandeld worden. De mongoolsche landverhuizers hebben de republikeinsche beginselen op eene proef gesteld, waarvoor zij niet berekend waren; en onder die proefneming zijn beide beginselen en instellingen bezweken.

Geplaatst tegenover een dreigend gevaar van reusachtigen omvang, hebben de Californiërs, ter zelfverdediging, een dozijn wetten uitgevaardigd, die allen in flagranten strijd zijn met de heiligste beginselen van de constitutie der Vereenigde-Staten.

De amerikaansche constitutie stelt de amerikaansche havens voor iedereen open; de wetten van Californië beperken en regelen de toelating en vestiging van Aziaten in San-Francisco. De amerikaansche constitutie verleent, behoudens zeer licht te vervullen voorwaarden, aan iederen landverhuizer het burgerrecht; de wetten van Californië sluiten de chineesche landverhuizers van dit burgerrecht onvoorwaardelijk uit.

Ten gevolge van de nieuwe toestanden, door den toevloed dezer Aziaten in het leven geroepen, heeft San-Francisco opgehouden eene vrijhaven te zijn, in den zin waarin New-York eene vrijhaven is. New-York is voor ieder open. San-Francisco is niet voor ieder open. Als hij te New-York aan wal stapt, kan een Mongool, na verloop van een jaar, als amerikaansch burger genaturaliseerd worden; maar landt hij te San-Francisco, dan kan hij zelfs na verloop van twintig jaar niet genaturaliseerd worden. Deze strijd van beginselen geeft natuurlijk in de praktijk aanleiding tot groote verwarring. Niemand in Oregon, Californië en Nevada, kan met zekerheid uitmaken wat wettig is en wat niet. Eene rechtbank, die volgens de plaatselijke wet recht spreekt, beslist in dezen zin; eene andere rechtbank, die de algemeene wet toepast, beslist in tegenovergestelden zin. Strijd en verwarring in beginselen, methode en toepassing.

Een voorbeeld. Enkele weken geleden liep een schip van Hongkong de haven van San-Francisco binnen. Meenende dat dit schip eene lading bedelaars, schelmen en muiters aan boord had, door verstandige mandarijnen uit het land verwijderd, deed de overheid te San-Francisco eene poging om deze onwelkome gasten naar China terug te zenden. Er werd beslag gelegd op de boot; niemand mocht van boord gaan; en de stoomboot-maatschappij werd van wege de regeering uitgenoodigd haar lading naar Hongkong terug te voeren. De maatschappij weigerde. De rechtbanken van San-Francisco erkenden de bevoegdheid van het gemeentebestuur om die lading af te wijzen; maar de rechtbank der Vereenigde-Staten, die de beginselen der algemeene constitutie moest toepassen, vernietigde het vonnis.

Bijna iedere vrouw, die een paspoort krijgt om Hongkong te mogen verlaten, komt over als slavin, als het eigendom van meesters, die haar in de stad verkoopen, juist zoo als een planter vroeger zijne quadrone in Nieuw-Orleans verkocht. Er is op dit oogenblik voor de rechtbank eene zaak aanhangig, waaruit dit feit, en misschien nog veel meer, blijkt.

Ah-Li, een man van goede reputatie en fatsoenlijke levenswijze, woonde samen met Low-Yow, eene vrouw, die ten onrechte werd verondersteld zijne echtgenoote te zijn. Zij kregen onaangenaamheden en verlieten elkander, waarop Ah-Li van Low-Yow de terugbetaling vorderde van meer dan vierhonderd dollars, welke som hij haar had ter hand gesteld, toen zij nog voor echtelieden doorgingen. Low-Yow weigerde.

De vrouwen-kruistocht tegen den drank.
De vrouwen-kruistocht tegen den drank.

De vrouwen-kruistocht tegen den drank.

Ah-Li ging daarop naar den rechter, en verklaarde dat de chineesche vrouw, Low-Yow genaamd, een bladzijde 342chineesch meisje, Choy-Ming geheeten en slechts dertien jaar oud, voor tweehonderd dollars had verkocht: op grond waarvan hij verlangde dat deze vrouwelijke slavenhandelaar zou worden gevangen genomen. Een getuige, Ah-Sing, die zich voor een broeder van Choy-Ming uitgaf, bevestigde onder eede de verklaring van Ah-Li. Op grond dezer verklaringen werden Low-Yow en Choy-Ming beiden in hechtenis genomen. Aan deze laatste werd een advokaat toegevoegd, maar het proces rustte voornamelijk op haar eigen verklaring. Zij erkende eene slavin te zijn. Zij was als slavin van China, naar San-Francisco gebracht en daar verkocht aan Low-Yow, die haar naderhand weder verkocht aan den houder van een slecht huis. Zij stelde den rechter een verkoopbrief ter hand, dien haar, overeenkomstig het gebruik in haar land, door Low-Yow gegeven was.

De advokaat van Low-Yow beweerde dat het geheele proces niets anders was dan eene samenspanning tusschen Ah-Li en Ah-Sing, om zijne cliënte in moeilijkheden te wikkelen. Twee bejaarde Chineezen, in Stout's Alley woonachtig, verklaarden onder eede dat Choy-Ming hun kind was. Zij zeiden, dat het meisje uit hunne woning was gelokt en gedurende eenigen tijd van hen verwijderd was gehouden. Zij hadden haar nooit aan Low-Yow verkocht, en Low-Yow kon haar dus ook aan niemand anders hebben verkocht. Verschillende chineesche getuigen verklaarden dat zij Choy-Ming met de beide oude lieden gezien hadden, zoowel toen zij van het schip aan land kwamen, als later op straat.

Choy-Ming werd binnengeroepen. Door den rechter ondervraagd, of de man en de vrouw in de getuigenbank haar ouders waren, antwoordde zij ontkennend. Zij had die menschen nooit in haar leven gezien. Toen zij verklaarden haar ouders te zijn, hadden de oude man en vrouw een valsch getuigenis afgelegd. Ah-Sing, haar broeder, zou haar verklaring bevestigen. Ah-Sing werd geroepen. Was Choy-Ming zijne zuster? Ja, Choy-Ming was zijne zuster. Waren de oude man en vrouw zijne ouders? Bij het gebeente van zijn voorvaderen—neen! Hij had die lieden nooit tevoren gezien, en hij wist zeker dat zij niet de ouders waren van Choy-Ming.

De rechter, geen kans ziende om uit te maken wat in deze tegenstrijdige getuigenissen waarheid was, maakte een einde aan de zaak en zond beide partijen weg.

Choy-Ming ging naar huis met Ah-Sing en Ah-Li, en men hoorde niets meer van haar, tot zij eensklaps weer in Stout's Alley verscheen, en huisvesting vroeg bij de oude lieden als hun kind. Ondervraagd omtrent haar verklaring voor de rechtbank, zeide zij dat zij met Ah-Li was medegegaan en een poosje bij hem gebleven, omdat Ah-Sing haar met zijne bedreigingen schrik aanjoeg. Zij had op eene hoeve ten platten lande geleefd, maar had nu de twee mannen verlaten. Ah-Sing, zegt zij, is haar broeder niet, en zij houdt meer van de oude lieden dan van de twee mannen. Ah-Li en Ah-Ling mishandelden haar, en zij wil niet langer hun vrouw zijn.

Naar ik hoor, is Choy-Ming even dertien jaar!

De positie der chineesche vrouwen, die naar San-Francisco gebracht worden, is evenmin twijfelachtig als de positie der circassische meisjes, die op de markten van Kaïro en Damascus te koop werden aangeboden. Zij zijn slavinnen. Als zij met haar eigenaars te San-Francisco aankomen, wordt voor haar geene landingspremie aan de zesde maatschappij betaald; want deze vrouwen, voor wie in het samenstel der chineesche familie geene plaats is, behoeven na haar dood niet naar China worden teruggebracht. Zij worden eenvoudig als beesten weggestopt.

De geschiedenis dezer meisjes is dikwijls zeer treurig. Sommigen werden door haar vader verkocht: de arme mongoolsche boeren toch verkoopen geregeld hun dochters, juist zoo als de indiaansche wilden geregeld hunne squaws verkoopen. Velen van haar zijn gestolen kinderen, opgelicht en weggevoerd door schurken, die met dit doel de dorpen nabij de kust afloopen. In elke chineesche haven is eene markt voor zulke waar. Te Hongkong moeten zij wel van een ambtenaar een paspoort erlangen, maar die ambtenaar laat zich gemakkelijk een rad voor de oogen draaien. De eene handelaar laat drie of vier meisjes voor zijne dochters doorgaan; een ander geeft er vijf of zes voor zijne vrouwen uit. Een op het stuk van polygamie wat minder toeschietelijke consul zal wellicht zwarigheid maken, zulk een paspoort te viseeren; maar in dat geval behoeft de handelaar slechts naar een van de slaaphuizen te gaan, waar de landverhuizers, in afwachting van het vertrek der boot, hun intrek nemen, en aan eenige hunner tijdelijk eene vrouw toe te voegen—voor zoo lang de reis duurt. Dank zij dit huismiddeltje, komen de meisjes in San-Francisco, en worden verkocht aan ieder, die eene slavin begeert.

Om dit kwaad op afdoende wijze te stuiten, heeft men in Californië eene wet uitgevaardigd, waarbij aan de plaatselijke autoriteiten de bevoegdheid wordt gegeven om alle van Azië komende schepen te onderzoeken; en tevens het recht, om, wanneer zij aan boord eene lading vrouwen vinden, die verondersteld kunnen worden slavinnen te zijn, en die blijkbaar met onzedelijke bedoelingen worden aangebracht, van de stoomvaartmaatschappij te vorderen, dat die personen terug zullen worden gevoerd.

Het duurde niet lang, of het geval deed zich voor, want verscheidene kooplieden zijn bij dezen afschuwelijken handel betrokken. “Gij moogt deze vrouwen niet aan land brengen,” zeide de havenmeester.—“Dat zullen wij eens zien,” antwoordden de kooplieden, die de meisjes op spekulatie hadden gekocht, en gaarne eene goede winst van hun koopwaar wilden trekken. Zij stelden eene rechtsvordering in. De eerste rechtbank te San-Francisco stelde den havenmeester in het gelijk, waarop de kooplieden in hooger beroep kwamen bij den Chief Justice Wallace, van het opperste gerechtshof te Sacramento, die het vonnis der eerste rechtbank bevestigde. Hier afgewezen, wendden de kooplieden zich tot het kreitshof der Vereenigde-Staten, beweerende dat de wetten van Californië in openbaren strijd zijn met de amerikaansche constitutie, en daarom van geen kracht te San-Francisco, als behoorende tot bladzijde 343het gebied der Vereenigde-Staten. De rechters van het Hof vereenigden zich met deze zienswijze.

“Luister nu eens naar dit geleuter, zegt de senator. De President spreekt over die aziatische kwestie, als gold het eene kwestie van alledaagsche moraliteit!”

Dit zijn de woorden van den President: “Ik vestig de aandacht van het Congres op het algemeen erkende feit dat de groote meerderheid der chineesche landverhuizers, die op onze kusten landen, blijkbaar niet komen om zich onder ons te vestigen en hun arbeid bevorderlijk te maken aan de algemeene welvaart; maar zij komen krachtens een contract met hoofdlieden, die bijna volstrekte macht over hen hebben. In nog erger mate geldt dit van de chineesche vrouwen. Nauwelijks een merkbaar deel van haar wijden zich aan eerlijken arbeid: zij worden aangebracht met schandelijke bedoelingen, tot oneer voor de gemeente waar zij zich vestigen, en tot groot gevaar voor de zedelijkheid van de jeugd dier plaatsen. Kunnen deze kwade praktijken langs wettelijken weg worden gekeerd, dan zal het, niet alleen mij een plicht, maar ook een genoegen zijn, elke wettelijke regeling toe te passen, die de bereiking van een zoo gewenscht doel kan bevorderen.”

In californische ooren klinken zulke woorden al zeer flauw en zwak. “Als ge nu deze boodschap met de werkelijkheid vergelijkt, gaat de senator voort, verdienen zulke frazen dan wel een anderen naam dan geleuter? Hier, in Sacramento, maken wij ons geene illusiën over dezen toevloed van aziatisch gepeupel. In Californië hebben de chineesche mandarijnen eene strafkolonie gevonden, waarheen zij nu, dank zij onzer schraapzucht en dwaasheid, het schuim der maatschappij, hun vagebonden, misdadigers enz. heenzenden. Zoo komen zij van over de zee, bij duizenden, of liever bij tienduizenden; en toch zijn die duizenden en tienduizenden nog slechts de voorhoede van een groot leger. Millioenen kunnen verschijnen, waar tot dusver duizenden zijn verschenen, en tientallen van millioenen kunnen komen van waar de tienduizenden kwamen”.

Is dit alleen een droom der verhitte verbeelding, die reeds tallooze drommen van Aziaten door de Gouden-Poort meent te zien binnenstroomen? In voorhistorische tijden werd Amerika uit Azië bevolkt: waarom zou zoo iets niet op nieuw kunnen geschieden? De noodige menschenmassa is er aan gindsche kust. De zee ligt open voor hunne schepen. De overtocht levert winst op.

“Wij zijn iets meer dan dertig millioen blanken sterk, gaat de senator voort; daar ginds leven ruim drie-honderd-zestig-millioen gelen. Als zij vijftig millioen naar Amerika overzenden, heeft dit voor hen zoo goed als niets te beteekenen; maar dat geschenk zou voor ons de dood zijn.”

De senator heeft gelijk. Ook na den uittocht van vijftig millioen menschen, zouden de Vijf Provinciën nog even dicht bevolkt zijn als Ierland was vóór den hongersnood. Als de regeering van Peking schepen huurde en die vijftig millioen overvoerde, zou zij goede zaken maken. Door de Vereenigde-Staten verspreid, zoo als loontrekkende arbeiders zich altijd verspreiden, zouden vijftig millioen Mongolen eene beslissende meerderheid hebben bij alle verkiezingen, van Oregon tot de Golf van Mexiko.

Wie kan de verzekering geven, dat zij nooit komen zullen? Wie kan berekenen wat menschen, door gebrek gedreven, durven ondernemen? Honger heeft zich een weg gebaand door steenen muren en onstuimige zeeën getrotseerd. Misgewas onder de aardappelen heeft een derde deel der bevolking van Ierland naar Amerika doen verhuizen, hoewel een iersche kern vooral niet minder aan zijn geboortegrond gehecht is dan een mongoolsche boer. Wie is met de toekomst van de theeplant bekend? Wij hebben de ziekte in de druiven en de aardappelenziekte. Stel voor een oogenblik dat ook de theeplant op dergelijke wijze werd aangetast. Indien zulk een ramp van China een tweede Ierland maakte, zou het volk wel genoodzaakt zijn, bij millioenen te verhuizen. Als slechts een zevende deel der chineesche bevolking naar Amerika verhuisde, zouden zij de verkiezingen geheel beheerschen, en dank zij der wijze en voorzienige republikeinsche constitutie, onbeperkte gebieders van het land worden, waar dan de europeesche beschaving plaats zou moeten maken voor de aziatische barbaarschheid. bladzijde 344

Landschap in de vallei van Yosemiti.
Landschap in de vallei van Yosemiti.

Landschap in de vallei van Yosemiti.

bladzijde 345

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings