← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

VIII.

Reading edition

Om van de mijnen van den Aranyos naar de lage vallei van den Maros te komen, moet men de bergketen oversteken, die de groep der metaalhoudende bergen verbindt met de gebergten van Bihar. Een prachtige rots, die zich als een citadel op den breeden grondslag van het heuvelachtig plateau verheft, beheerscht het dal, waardoor de weg van Abrudbanya naar de vlakten van Hongarije loopt. Deze alleenstaande rots (twaalfhonderd-zestig el hoog), die van alle kanten zichtbaar is en die vroeger de natuurlijke grenssteen der volken was, draagt den naam van Vulkan. Toch bestaat deze massa niet uit vulkanisch gesteente, zoo als de kegels en koepels der bergen in den omtrek van Veres-Patak: vorm en kleur beiden bewijzen dat zij tot dezelfde kalkformatie behoort als de Rots der Szeklers en de rotsen bij Thorda. De naam Vulkan is, naar ik meen, afgeleid van een walachijsch woord, dat doorgang of bergpas beteekent.

De Detunata.
De Detunata.

De Detunata.

De zuidelijke helling der rots behoort aan Hongarije; maar, zoo de paal langs den weg het niet vermeldde, zoudt ge aan niets bemerken dat ge Zevenbergen verlaten hebt. In de dorpen, dezelfde groepen van huisjes met spits toeloopende rieten daken, omringd door dezelfde groene pruimeboomen, met dezelfde, half door de zon verschroeide maïsakkers. Langs de wegen kampeeren dezelfde Tsiganen; in de stoffige straten, groeten dezelfde walachijsche boeren, met onderdanige beleefdheid, dezelfde kleine magyaansche burgers. bladzijde 289

Eenige uren nadat wij de bijna verlaten goudmijnen van Boicza bezocht hadden, bevonden wij ons aan de oevers van den blanken en snelvlietenden Maros. Tegenover ons, op den top van een zuiver regelmatigen trachietkegel, verheft zich de oude citadel van Deva, die weleer den hoofdtoegang tot Zevenbergen moest bewaken. Deze vesting werd, zooals de boeren zeggen, in den “tijd der feeën” gebouwd; en inderdaad verliest zich haar oorsprong in den nacht der eeuwen: de ligging zelve, aan den ingang der vlakten van Zevenbergen, moest Deva tot een punt maken van het uiterste strategische gewicht, waarop van den beginne de aandacht van alle veroveraars was gevestigd. Nog in 1849 betwistten het oostenrijksche leger en de hongaarsche troepen elkander het bezit dezer oude vesting; zij werd toen, hetzij bij toeval, hetzij door verraad, door de ontploffing van een kruitmagazijn grootendeels vernield, waarbij de kleine magyaarsche bezitting onder het puin begraven werd.

Romeinsch mausoleum in de vallei van Demsus.
Romeinsch mausoleum in de vallei van Demsus.

Romeinsch mausoleum in de vallei van Demsus.

Ongeveer vijftien mijlen zuidwaarts, in eene zandige, stoffige vallei, waardoor een nevenstroom van den Maros vloeit, ligt een ander vlek, wel minder bladzijde 290oud, maar niet minder beroemd dan Deva in de jaarboeken van Hongarije, en dat nog altijd den naam heeft behouden van zijn stichter, den “Vayda” of voïvode Hunyad. Deze krijgsman van de vijftiende eeuw, de geliefde held der twee groote nationaliteiten van het Karpathenland, omdat hij, van geboorte Rumeen, door zijne zeden en door zijne verbindtenissen tevens Hongaar of “Hun” was, is nog voor de bewoners van Zevenbergen de meest populaire figuur van het verleden, en van alle kanten komt men nog steeds als in bedevaart zijn kasteel bezoeken. Dit kasteel, hoewel door hooge muren omringd en op een rots aan den oever der rivier gelegen, schijnt meer een lustslot dan eene vesting te zijn geweest. Koning Matthias Corvinus, die met eene italiaansche prinses getrouwd was, had de beleefdheid gehad om van over de bergen kunstenaars te ontbieden, die op een der bolwerken eene “venetiaansche galerij” moesten bouwen, versierd met schilderwerk, spiegels, porselein en gehouwen steen. In deze galerij kon de Koningin, des verkiezende, het genot smaken, de veroordeelden, die in den berenkuil aan hare voeten geworpen waren, te zien verscheuren. Dit was misschien een soort van amusement: maar het donkere, sombere paleis zal der italiaansche wel menigmaal als een kerker zijn geweest.—Het oude kasteel wordt tegenwoordig gerestaureerd.

Vayda-Hunyad ligt als verloren te midden van een kring van dorre, onvruchtbare heuvelen, acht of tien mijlen verwijderd van den spoorweg, die door de vallei van de Strel loopt; maar de vroeger verwaarloosde ijzermijnen zijn tegenwoordig van zeer groot belang, omdat men bevonden heeft dat deze erts bij uitnemendheid geschikt is voor de bereiding van staal. De dorre eenzame omtrek der kleine stad is dan ook, in den laatsten tijd, plotseling verlevendigd geworden door spoorbanen, machines en werkplaatsen; terwijl bij het naaste spoorwegstation eene groote ijzergieterij is gebouwd, die hare voortbrengselen naar Hongarije verzendt.

De spoorweg, die, ten oosten van Deva, van de Maroslijn uitgaande, zuidwaarts de breede vallei van de Strel doorsnijdt, brengt ons in die streek van Zevenbergen, waar de romeinsche heerschappij de meeste sporen heeft achtergelaten. Vlak nevens den spoorweg verrijst de oude toren van Zeykfalva, tegenwoordig tot kerk ingericht. Een ander soortgelijk gebouw, dat geenerlei verdienste heeft behalve zijne oudheid, staat op korten afstand van den spoorweg, in het dorp Boldogfalva, aan den ingang der rijke vlakte van Hatszeg, waar de wateren, van de westelijke Alpen van Zevenbergen afdalende, samenvloeien. In het verschiet ziet men, naar het westen, de vallei van Demsus, waarin een antiek mausoleum uit den tijd van Trajanus staat, dat mede in eene kerk is herschapen; niet ver van daar eindelijk, in het lagere gedeelte der vlakte, in den omtrek van het dorp Varhely, vindt men nog zuilen, kapiteelen, brokken muur, onkenbare mozaïeken, sporen van schouwburgen en paleizen. Dit is alles wat er rest van Sarmiz-Ægethusa, de oude hoofdstad der dacische Koningen. De Romeinen maakten haar tot eene kolonie, onder den naam van Ulpia Trajana; de stad moest vooral den bergpas van de “IJzeren Poort” bewaken, die ten westen toegang geeft tot de vlakke velden van den Donau, en waar men nog de sporen vindt van een romeinschen weg. Dien naam van IJzeren Poort, in de bergstreken van het Oosten zoo herhaaldelijk voorkomende, dankt ook deze pas aan de vroegere stevige vestingwerken.

Het district van Hartszeg is nog tamelijk dicht bevolkt, maar arm en slecht bebouwd. De zeldzame vruchtbaarheid van den grond, die de romeinsche kolonisten naar deze vlakte had heengelokt, zou dus op zich zelve voor de hongaarsche regeering zeker geen voldoende reden zijn geweest om in deze streek een kostbaren spoorweg te maken: het doel was dan ook voornamelijk, de exploitatie mogelijk te maken van een zeer rijke steenkolenlaag, in het hart van het gebergte, in eene hooge, vroeger bijna woeste vallei, van wier bestaan zelfs de aardrijkskundigen van beroep niets wisten. Deze vallei is een soort van kloof of verwijding tusschen twee evenwijdig loopende bergketenen der transylvanische Alpen. Zoo als ook elders meermalen voorkomt, wordt de waterscheiding hier niet gevormd door de voornaamste keten; de noordelijke keten, die deze scheiding vormt, en waarover de spoorweg moest worden aangelegd, is lager dan de zuidelijke; maar toch hadden de ingenieurs hier met zeer ernstige moeilijkheden te kampen. De hongaarsche regeering, zeer in haar schik dat zij nu ook een mijn van “zwarte diamanten” bezat, heeft zich evenwel noch door de moeilijkheden van het terrein noch door de enorme kosten laten afschrikken, en zoo werd Petroseny, (spreek uit Petrosjènje) door een prachtigen spoorweg met het groote europeesche net verbonden.

De baan volgt aanvankelijk de oevers van de Strel, en kronkelt zich langs den zuidelijken voet van een hooge heuvelgroep; dan, aan den oostelijken hoek der vlakte gekomen, waar nog op een kalkheuvel een oude romeinsche toren, als een eenzame schildwacht staat, begint zij in wijde krommingen de hellingen van de Karpathen te beklimmen. Dit is het belangrijkste gedeelte van het geheele traject. Bij elke opeenvolgende kromming vertoont zich een nieuw landschap voor uw oog: nu eens ziet ge de wijde vlakte van Hatszeg met zijne slingerende reeksen van populieren en abeelen, tusschen wier gebladerte, hier en daar, de zilveren wateren flikkeren; dan weder ontwaart ge aan alle kanten niets dan steile rotswanden of lange glooiingen met eikenopslag begroeid. De lange trein—want er zijn een menigte wagens, die met steenkolen moeten geladen worden—slingert en wringt zich om de uitstekende rotsen en door de smalle kronkelende ravijnen; hij buigt en plooit zich als eene slang, en het gebeurt wel dat ge u eensklaps op de helling weer terug vindt, vlak boven het punt, dat ge zoo even verlaten hebt. Eindelijk, na geruimen tijd gestegen te hebben, bereikt ge het hoogste punt, ruim zevenhonderd-vijftig el. Witte, steile rotsen, vol spleten en gaten en scheuren, verheffen zich ter wederzijde van den nauwen doorgang, dien de spoorweg bladzijde 291zich hier heeft gebaand. Een dezer berggevaarten draagt den naam van Csetatye, om zijne min of meer onbestemde gelijkenis met een citadel of vesting; de steenmassa is in haar gansche diepte uitgehold: deze opening, waaruit somwijlen een waterstroom te voorschijn komt, heet de grot van Boli.

Tien jaar geleden, was Petroseny een ellendig gehucht, door eenige half barbaarsche Walachen bewoond. Een beschaafd Europeaan zou zich hier niet hebben kunnen vertoonen, zonder verbazing en zelfs schrik te veroorzaken; de oude vrouwen zouden waarschijnlijk het teeken des kruises hebben gemaakt om de rampen af te weren, die op de verschijning van een zoo vreemdsoortig wezen noodzakelijk moesten volgen. Maar de industrie heeft eene nieuwe bevolking naar dezen verloren uithoek der Karpathen gelokt, en de nederige groep van armelijke hutten veranderd in eene levendige stad, die, met haar rechtsgebied ruim zevenduizend inwoners telt. Nog eer de naam dezer stad in het buitenland bekend was, was Petroseny reeds het middelpunt en de groote marktplaats geworden van den levendigsten handel van geheel het zuid-westelijk distrikt van Zevenbergen.

De moderne stad heeft, in officiëelen stijl, twee verschillende namen: het eene gedeelte, waar zich het spoorwegstation bevindt en waarvan de grond aan een mijnkompagnie behoort, is het eigenlijke vlek Petroseny; de hooger op in de vallei liggende wijken daarentegen, die aan den staat toekomen, dragen den naam van Livadzel of Livazeny, aan een gehucht in de nabuurschap ontleend; maar in de werkelijkheid vormen deze twee gedeelten niet meer dan eene en dezelfde stad, zonder andere grensscheiding dan eene denkbeeldige lijn, en geheel naar hetzelfde plan gebouwd. Overal regelmatige vierkante blokken, gescheiden door straten van gelijke breedte, en op dezelfde wijze in kleinere vakken verdeeld, waar de woningen der werklieden te midden van kleine tuintjes zijn gebouwd. Van afstand tot afstand vindt men aanzienlijker gebouwen, met balkons en verandas versierd, en bestemd tot woning voor de opzichters en meesters. Geen enkele barak, geen enkele palissade breekt de mathematische eenheid van het door de ingenieurs ontworpen plan; waarschijnlijk was, nog eer een spade in den grond gestoken werd, de platte grond der stad reeds geheel en netjes geteekend op een of ander papier, in de bureaux van Weenen of Pest berustende. Deze overdreven regelmatigheid maakt geen aangenamen indruk: de stad ziet er uit als een militair kamp, voor korten tijd daar opgeslagen en dat eerlang weer verdwijnen zal. Gelukkig troost u de schoonheid der omringende natuur van de afzichtelijke wijken en straten van het vervelende Livadzel en het onuitstaanbare Petroseny. De vlakte, waardoor zich de onstuimige Sil kronkelt, is eene aaneenschakeling van groene weiden en lommerrijke boomgaarden; bevallige bergen, gedeeltelijk met bosch begroeid, nu eens uitloopende in pyramiden, dan zich tot koepels welvende, omlijsten de vlakte met hun schilderachtige hellingen; ten oosten verheffen de toppen van den Paring zich met zachte glooiing tot eene hoogte van ruim tweeduizend-vierhonderd el. Achter den eersten top vertoont zich een tweede, daarachter een derde, en nog verder een vierde, in paarskleurige tinten gehuld. De laatste is de voornaamste kruin, een kale rotskegel, die zich eenige honderden ellen boven de streek der beuken en dennen verheft.

Eéne straat slechts onderscheidt zich, maar niet tot haar voordeel, van al de andere. Dit is eene bochtige en onregelmatige straat, omzoomd door de smerige huizen der joodsche handelaars en herbergiers, die zich, als roofvogels, op eene hoogte gevestigd hebben, van waar zij de stad kunnen overzien en de nadering van vreemdelingen en kooplustigen van verre gewaar worden. Hier ziet ge niets dan stof en slijk, mesthoopen en onreinheid, en niet zonder een gevoel van walging kunt ge het terugstootende verblijf van dit volk betreden. Het was reeds donker toen wij hier aankwamen, geleid door een joodschen herbergier, die zich met listig geweld van onze personen had meester gemaakt; en het kostte ons veel moeite, de herberg te bereiken, zonder door de vuile, stinkende plassen van stilstaand water te moeten waden. De onaangename indruk, dien de onreinheid van die echte Jodenbuurt op ons maakte, werd nog verhoogd, toen wij, dwars door den modder, een lange stoet werklieden zagen naderen, met toortsen in de hand, waarvan de flikkerende, walmende vlammen haar rossig licht wierpen op een doodkist. Dat was de cholera, die wederom een nieuw offer, het vijftiende op dien dag, had geveld! Ondanks hare ligging in een bergvallei, op eene gemiddelde hoogte van minstens zeshonderd el, werd Petroseny dus even goed door deze plaag geteisterd als de steden in de vlakte. Om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, richtten wij eenige vragen tot onzen kastelein. “O ja, zeide hij, het hoofd in den nek werpende, het gemeene volk wordt aangetast, maar de ziekte treft geen menschen van verstand!” Dit hoorende, waren wij gerust, want wij mochten ons vleien, niet minder dan onze herbergier, tot het “denkend deel” te behooren!

Den volgenden morgen gingen wij reeds vroegtijdig op weg om de steenkolenmijnen te bezoeken. De hoofdingenieur had de beleefdheid gehad, zijn rijtuig tot onze beschikking te stellen; en de kleine hongaarsche paarden brachten ons weldra, in snellen draf, naar het voornaamste mijnwerkersdorp, in een groen dal gelegen, waar de eerste beeken van de hongaarsche Sil samenvloeien. Op den stroom dreven duizenden dennenstammen, die in lange rijen met het water worden medegevoerd, om eindelijk op de kiezelbanken te stranden en tijdelijke dammen te vormen. Op de berghellingen nabij de rivier zijn de boomen reeds geheel verdwenen; zonder verschooning wordt alles geveld. De weg langs de Sil is geheel open, en om zich tegen de zonnestralen te beschermen, gebruiken de inwoners dicht gebladerde takken van olmen of populieren.

Het dorp Lonyay, waar de mijnspoorwegen van Petrilla samenloopen, is een zeer levendig vlek. Nevens de huizen der mijnwerkers, die grooter en rijker aan bloemen zijn dan te Petroseny, verrijzen de met kolen gevulde loodsen, de bergplaatsen der machines, bladzijde 292de winkels van werktuigen en levensmiddelen, benevens werkplaatsen van allerlei aard. Lange treinen, door zeer kleine lokomotiven getrokken, komen en gaan onophoudelijk, hetzij om in de omringende valleien eene lading steenkolen te gaan halen, hetzij om hunne lading in de magazijnen te lossen. Vooral bij aankomst van den “damestrein” is het tooneel zeer levendig. De mijnwerkers verdringen elkander dan op het perron, om hunne vrouwen en dochters te ontvangen, die hun het middagmaal komen brengen; dan is het een luid gepraat, geroep, gelach, in alle talen van Zevenbergen: in het walachijsch, in het magyaarsch, in het duitsch; enkele kleurige nationale kostumes komen sprekend uit te midden van het eentonige werkpak.

De exploitatie der mijnen van dit bekken is zeer gemakkelijk; de steenkolenlagen, waarvan de totale dikte ongeveer zes-en-dertig el bedraagt, liggen evenwijdig onder elkander, slechts bedekt met eene vrij dunne laag van lateren oorsprong; ter wederzijde van het bekken nemen zij eene bijkans rechtstandige houding aan. Daar arbeiden de mijnwerkers in de open lucht, en het uithakken geschiedt met het grootste gemak. Hoewel veel minder sterk en minder werkzaam dan de engelsche of belgische mijnwerker, bedraagt de opbrengst van den arbeid van den hongaarschen of walachijschen delver van Lonyay toch gemiddeld twee ton steenkool per dag, en daar zijn salaris niet meer dan gemiddeld twee gulden per dag beloopt, trekt de staat van deze exploitatie zeer belangrijke winsten. Echter is niet alles louter voordeel. Vóór drie jaar is er in een der rijkste mijnen, den “put van Deak”, brand ontstaan, die zich al verder en verder uitbreidde en de aangrenzende lagen aantastte. Onmiddellijk werden de noodige maatregelen genomen om de ramp te stuiten, anders zouden alle mijnen van Petrilla verloren zijn geweest, want de buitenlucht, alleen door eene dunne laag tuinaarde van de steenkolen gescheiden, wakkerde den brand steeds meer aan. Maanden lang moesten honderden arbeiders het gewone werk in de mijnen staken, om al de uitgangen van den brandenden put toe te stoppen, en nog heden slaat men met de grootste nauwlettendheid alle gevaarlijke punten gade. Een dikke, grijze rook stijgt uit de brandende laag, door den grond heen, omhoog, en verspreidt zich soms als een ondoordringbare mist over de gansche vlakte.

Het kasteel van Vayda-Hunyad.
Het kasteel van Vayda-Hunyad.

Het kasteel van Vayda-Hunyad.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings