← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

IV.

Reading edition

Toen wij het paleis der podestà's verlieten, was de dienst in de kerk geëindigd, en had de schare zich verspreid over het eerwaardige plein, dat met zijne vijf massieve torens schier aan den binnenhof van een alouden burcht denken doet. Wij traden de kerk binnen. Deze kerk, met hare drie schepen, die van de twaalfde eeuw dagteekent, doch van buiten door smakelooze restauratiën bedorven is, maakt van binnen een zeer bijzonderen indruk. De vrij ver uit elkander staande vensters zijn in de veertiende eeuw nog verkleind, om daardoor voor den muur, die het gewelf dragen moet, meer ruimte te winnen; het daglicht dringt gedempt door geschilderde glazen en hult de gansche kerk in eene geheimzinnige schemering. Bij dat flauwe licht ontwaart ge, niet zonder verbazing, langs de wanden der kerk eene gansche wereld van beelden: de Collegiata werd, tusschen de jaren 1393 en 1490, inwendig geheel, van onderen tot boven, met freskoos overdekt. Daar ontrolt zich, in half schemerachtige figuren, de gansche geschiedenis des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Het is natuurlijk niet mogelijk, al deze schilderijen, waarvan de waarde onderling zeer verschilt, te beschrijven; slechts op enkelen wil ik wijzen. Ziehier, aan den wand rechts van het middenschip, eene voorstelling van het Paradijs, met Christus in heerlijkheid bovenaan en de Madonna, door engelen gedragen. Aan hunne voeten, de machten en tronen en heerschappijen des hemels, spelende op allerlei muziekinstrumenten; lager, de heilige maagden, martelaars en belijders, de Pausen, bisschoppen, stichters van geestelijke orden, allen in de extase der aanbidding. In de hoogte ademt alles de overweldigende macht der onuitputtelijke, goddelijke liefde, die een stroom van vreugde en zaligheid om zich verspreidt; beneden: het blijmoedig vertrouwen, de zaligheid in hope der uitverkorenen. Ga niet vluchtig langs zulke voorstellingen heen, want dan zult gij ze ziende niet zien: de diepe zin, de innige inspiratie dezer verheven kunstwerken, gedichten in kleuren, zullen u verborgen blijven. En toch, hoezeer verdienen zij de volle aandacht, de ernstige liefdevolle studie, deze wondervolle scheppingen van een tijd, waarin de kunst, met minder ophef en rumoer, inderdaad vrij wat hooger plaats innam dan heden ten dage, en waarin zij zelve gedragen en bezield werd door hooge idealen, door een zoo verheven geest, dat al het gemeene als van zelf buiten hare sfeer viel.

Taddeo di Bartolo, de schepper van dit hemelsch visioen, heeft, in het jaar 1393, op den tegenoverstaanden wand, als tegenhanger, de Hel geschilderd, waarbij hij, blijkbaar geinspireerd door Dante, aan zijne verbeelding den vrijen teugel heeft gevierd en een tafereel ontworpen, wel geschikt om een machtigen indruk te maken. Ik ga de verdere reeks der voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament voorbij, maar mag de kerk niet verlaten zonder een blik geworpen te hebben in de kapel van Santa-Fina in het rechter kruispand. De naam van Santa-Fina is te San-Gimignano niet minder populair dan die van Sinte-Catharina te Siënna. Reeds in de veertiende eeuw werden haar bidkapellen toegewijd; het hospitaal harer geboortestad staat onder hare bescherming, en haar beeld hervindt ge telkens op de schilderijen. Haar moeder heette Impereria, haar vader Cambio de' Ciardi. Hoewel uit adellijk bloed gesproten, kende zij reeds van haar geboorte de ontberingen der armoede; toen hare moeder weduwe geworden was, leefden de beide vrouwen van haar handenarbeid. Fina, hoewel van zeldzame schoonheid, weerstond de verlokkingen der wereld, en zocht haar kracht tegen verzoeking in onthouding, gebed, en stille afzondering. Uitgeput door haar strenge boetedoeningen, werd zij krank, en legde zich neder op een smalle plank, waarop zij zich niet kon omkeeren. Na den dood harer moeder, werd zij nog losser van de aarde, en kende geene andere vreugde dan den verborgen omgang der ziel met haar hemelschen Bruidegom; twee weldadige vrouwen, Bonaventura, haar geburinne, en Beldia, haar min, voorzagen in haar nooddruft. Op haar armoedig sterfbed uitgestrekt, door de koorts verteerd, door pijnen gefolterd, week de blijmoedige glimlach niet van haar gelaat, hoewel haar uitgeput lichaam ten grave neigde. Naar de mythe zegt, verscheen haar, acht dagen vóór haar dood, de Paus Sint-Gregorius, die haar haar naderend uiteinde voorspelde. Op den 15den Maart 1253 ontsliep zij. Aanstonds ontloken bloemen rondom haar legerstede, en begonnen de klokken der stad van zelve te luiden. Nog andere wonderen, heet het, werden door haar kracht gewrocht: de burgers van San-Gimignano verkozen haar tot hunne voorspraak; Sixtus IV vergunde in 1481 de vereering van deze heilige; in 1538 werd de kanonisatie nader bevestigd door Paulus III.

Negentien jaar na den dood van Fina, besloot de volksraad, ter harer eere in de parochie eene kapel te stichten; dit plan, dat aanvankelijk door den oorlog en andere rampen en verwikkelingen op den achtergrond geraakte, kwam eerst in 1465 tot uitvoering. De prachtige en rijk versierde kapel, door Giuliano de Mariano gebouwd, prijkt met twee groote freskoos van de hand van Domenico Ghirlandajo, den beroemden leermeester van Michel-Angelo. Deze beide schilderijen zijn ware juweelen, uitmuntende zelfs te midden der rijke kunstschatten van Toskane en Umbria. De eene stelt de Uitvaart van de heilige voor. De bisschop komt de gebeden opzeggen; eene aandachtig luisterende schare omringt hem. Op haar leger uitgestrekt ligt daar Fina, over wier schoon gelaat een onbeschrijfelijk waas van jeugdige teederheid en kinderlijke argeloosheid is verspreid; de gestorvene heft, door een wonder, hare hand op, en schenkt aan haar min de gezondheid, en aan een geestelijke het gezicht weder. Een engel roert de klokken in den toren aan, die van zelve beginnen te luiden. Zielsrust, heilige kalmte, bladzijde 311dweepend geloof, ziedaar wat u tegenstraalt uit al de figuren op deze verwonderlijke schilderij, waarop, zoo als de oude Pecori zegt, “de heilige schijnt ingesluimerd aan den mond des Heeren.”

De andere fresko verplaatst u in eene armoedige woning, een soort van keuken, met huiselijk gereedschap en vaatwerk. Twee vrouwen zitten te naaien: zij zijn hoogst eenvoudig gekleed, met groote boerinnemutsen op het hoofd. Op den grond ligt Fina, die de oogen gericht houdt naar een hoek van het vertrek, waar haar Sint-Gregorius verschijnt. De eene vrouw, Bonaventura, heeft niets bespeurd; de andere, Beldia, wendt zich half om en ziet de hemelsche verschijning: haar gelaat en houding teekenen wel heiligen eerbied en bewondering, maar niet in het minst verbazing. Weet zij niet, dat bij God alles mogelijk is, en dat de nederigheid der woning voor Hem geen beletsel is voor de openbaring zijner genade en heerlijkheid? Boven ziet ge een schaar van kleine engelen, die de ziel der afgestorvene ten hemel voeren. De rustige toon van het geheel draagt het zijne bij tot den diepen, weldadigen indruk van dat nederig binnenhuis, waar hemelsche verschijningen en wonderteekenen zich zoo geheel geleidelijk invoegen in het gewone, alledaagsche leven, zoo natuurgetrouw weergegeven, dat ge nog heden elk oogenblik het origineel daarvan vinden kunt. Deze naïeveteit, deze treffende onbevangenheid, die het hoogste idealisme op de meest eenvoudige wijze met de alledaagsche werkelijkheid weet te verbinden, zonder dat ge iets van gaping, veel min van tegenstelling, gevoelt, is het groote, onnavolgbare geheim der oude meesters, waardoor zij, ook ondanks de gebreken en zwakheden der techniek, als kunstenaars zoo uitnemend hoog staan.

Aan de kollegiale kerk van San-Gimignano hechten zich groote herinneringen. Eugenius III en Bernard van Clairvaux hebben in deze kerk de heilige dienst verricht. Sint-Bernardinus van Siënna hoeft er gepredikt, zoowel als Felice Peretti, acht-en-dertig jaar voor hij Paus Sixtus V werd. Maar de gedenkwaardigste predikatiën zijn wel die, welke Girolamo Savonarola hier, in de vasten van 1484 en 1485, gehouden heeft. Hier heeft de onstuimige hervormer zijn eerste manifest uitgevaardigd; hier met beslistheid den grooten strijd zijns levens aanvaard; hier zette hij de eerste schreden op den weg, die hem naar den brandstapel van 1498 voeren zou.

De kerk verlatende, staan wij als het ware te midden derzelfde omgeving, die op de oude freskoos onze aandacht getrokken heeft. In de adellijke wijken van San-Giovanni en San-Matteo hebben de gevels der dusgenoemde paleizen allen dezelfde afmetingen: volgens een keur van 1253, mocht de breedte aan de straat niet meer bedragen dan omstreeks zes meter, terwijl voor de diepte der woning het dubbele was toegestaan. Het paleis mocht, behalve de loggia, niet meer dan twee verdiepingen hebben, met twee vensters, die somwijlen in een zelfden boog waren saamgekoppeld; de vensterbogen zijn halfrond of spits toeloopend; somwijlen ook vindt ge bogen in moorschen stijl. De versierde lijsten der vensters zijn van baksteen, dikwijls van verschillende kleur, en met eenvoudige arabesken en relief. Doorgaans is het benedengedeelte der paleizen van gehouwen steen, en de bovenverdieping van baksteen. Er waren twee deuren: de eene voerde naar de vertrekken, de andere naar de loggia of open galerij, op kolommen of pilasters rustende, waar de heer des huizes zijne vrienden of beschermelingen placht te ontvangen.

Nevens ieder paleis verhief zich weleer een toren. Nog zijn de overblijfselen van de meeste dier torens duidelijk kenbaar, ook al is het dak over het overgeschoten stuk doorgetrokken, al heeft men vensters in den muur gemaakt en den toren bij de woning getrokken. Tegen het einde der zestiende eeuw stonden er nog vijf-en-twintig torens overeind; thans zijn er nog dertien, zonder de kerktorens mee te tellen, die er bijna eveneens uitzien. Deze burchttorens zijn vierkant, van ongelijke hoogte, maar stout gebouwd, en ondanks hun slanken vorm, indrukwekkend, om niet te zeggen drukkend en somber. Zij dagteekenen allen uit de dagen der onafhankelijkheid, dat is uit de drie eeuwen, volgende op het jaar duizend.

Het bezit van zulk een toren was een voorrecht van den adel, van de hooge staatsambtenaren, en ook van de uitstekende mannen op het gebied van letteren en wetenschappen. Geen enkele toren mocht boven de Rognosa uitsteken; zij staan bijna allen binnen de eerste omwalling, rondom de Piève en het Podesta, in de wijk van den adel. Aan de voorzijde hebben zij eene kleine, lage deur; zij zijn van travertijnsteen gebouwd en schijnen van verre uit één stuk gehouwen; de smalle langwerpige vensters, zeer gering in aantal, zijn zonder orde aangebracht. Men beklimt de torens met behulp van ladders, die van binnen op smalle vloeren rusten; alleen de onderste verdiepingen worden bewoond. Sommige paleizen, hoewel niet veel grooter dan de andere, onderscheiden zich door hun bouwkundigen stijl. Uwe aandacht wordt getrokken door het paleis der Vroedschap, door de casa der Borgheresi: vooral door de woning der heeren Pesciolini. De architectuur is zoo rijk en zoo edel, dat eene oude overlevering dit paleis tot de residentie maakt van Desiderius den laatsten Koning der Lombarden, die in 759 de tweede omwalling zou hebben gebouwd. Een marmeren opschrift vermeldt, sedert eeuwen, dit feit, dat nochtans onjuist is: het paleis zelf is niet ouder dan de veertiende eeuw.

Na een bezoek aan de ruïnen der oude citadel gebracht, en vervolgens de geheele stad doorkruist te hebben, sloegen wij links de straat della Costa in, en stonden eensklaps voor een dier steile paden, die schier loodrecht naar beneden dalen. Wij lieten ons te eer verlokken dit bijna halsbrekend pad te volgen, omdat het uitliep op een monument, dat wij, dus van boven gezien, niet konden thuis brengen. Weleer bezat San-Gimignano op zijn berg welhaast geen ander water dan wat in regenbakken werd opgevangen; weldra werden eenige beekjes en sprengen van de naburige heuvelen stadwaarts geleid, en had men, buiten de poorten, een paar magere fonteinen. Maar de vroedschap, die haar burgers had gelast, zich geregeld te bladzijde 312baden, was daarmede niet tevreden. Voor 1239 ontbood zij water van Cellole, op een afstand van vier mijlen buiten de poort San-Matteo. In 1327 richtte de stad publieke baden op in het kwartier San-Matteo. Eene keur van 1415 beveelt dat de mannen en knapen boven de zeven jaar zich tusschen zondag en woensdag moeten baden; de andere dagen van de week waren bestemd voor de vrouwen en meisjes. Er was niets wat de aandacht van deze stedelijke regeering ontging.

De groote fontein te San-Gimignano.
De groote fontein te San-Gimignano.

De groote fontein te San-Gimignano.

Het monument, waarheen wij onze schreden richten, bevat de grootste fontein en de waschkuipen der stad. Zes rondbogen, door zware gedrongen pilaren gedragen, vormen twee kleine schepen, wier lijnen weerspiegelen in een groote waschkuip; de eigenlijke fontein is door een spitsbooggewelf overdekt. Uit de verte gezien, kunt gij u geen rekenschap geven van den aard van het gebouw, dat in een diep ravijn als verscholen ligt. De fontein ontvangt haar water in overvloed van eene mild vloeiende spreng uit den aangrenzenden heuvel; ge vindt daar altijd een zeker aantal vrouwen, die haar waterkruiken komen vullen of bezig zijn met wasschen. bladzijde 313

Als ge door deze stad wandelt, die met zoo zeldzame zuiverheid haar antiek-middeleeuwsch karakter heeft bewaard; door deze straten, waar schier geen enkele wanklank de stille melodie van den ouden tijd verbreekt, dan zijt ge bijna geneigd, de weinig talrijke hedendaagsche bewoners voor een anachronisme te houden; en onwillekeurig ziet ge om u heen, of ge niet een groep dier edelen en burgers bespeurt, wier beeld zoo getrouw is bewaard op de schilderijen in de kerken. En zoo ge slechts eenige studie gemaakt hebt van het verleden dezer oude republiek, dan herleeft zij weder geheel voor u, die middeleeuwsche gemeente, demokratisch door haar oorsprong en inrichting, maar, in tegenstelling met wat men heden demokratie noemt, zoo gansch en al doortrokken van den echt-aristokratischen geest: ja, aristokratisch in al hare neigingen en hartstochten, van de liefde voor het schoone tot den dorst naar het oppergezag, hooghartig, fier, vrijheidlievend, maar tevens edelmoedig en grootmoedig. Aan dien geest dankte de kleine stad haar zeldzamen bloei, haar grootheid en macht, de rijke veelzijdige ontwikkeling van haar bladzijde 314leven. Die geduchte wallen, die zware torens, die dreigende vestingwerken—ze weten allen te verhalen van bloedigen kamp en wilde worsteling met de vijanden van buiten en van binnen; maar onder de gewelven der kerken en binnen de muren der paleizen, zongen de oude schilders der ziel hunne wonderzoete liederen van de teederste en verhevenste mystiek. De inwoners hebben nog iets van dien ouden grooten geest overgehouden: zij hebben hunne stad en hunne kerk lief; nog heden, als in de schoone dagen van weleer, dragen hier de scholieren het kerkelijk gewaad; en geene schennende naamsverandering der oude straten en pleinen heeft tot dusverre vermocht, dien zin van piëteit bij de burgers van San-Gimignano uit te dooven. Mogen zij lang getrouw blijven aan hun roemrijk verleden!

Porta dell' Arco te Volterra.
Porta dell' Arco te Volterra.

Porta dell' Arco te Volterra.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings