← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

XI.

Reading edition

Ons verblijf te Spalato en te Salona had lang geduurd: een oponthoud trouwens, volkomen gewettigd door het bij uitstek belangrijke dezer plaatsen. Nu wilden wij, naar onze gewoonte, de kust verlatende, het land in zijne gansche breedte tot nabij de turksche grenzen doortrekken, om vervolgens weder naar de kust terug te keeren. De plaats onzer bestemming was thans Sign.

Wij vertrekken van Spalato en begeven ons in de eerste plaats naar Clissa, een klein dorp aan den voet eener steile rotsvesting, die in de geschiedenis van Dalmatië eene zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Het dorp begint beneden in het dal, en klautert tegen de steile, hoekige rotswanden op; de huizen zijn gebouwd op een reeks kleine terrassen, die zich als de treden van een reuzentrap boven elkander verheffen; elk huis heeft zijn eigen tuintje, dat door ontzaglijke cyclopische muren gedragen wordt. Hoog boven het laatste terras verrijst de vesting, waarvan de gekanteelde muren zich tegen de heldere lucht afteekenen. Toen ik voor het eerst Clissa bezocht, was de vesting onbezet; toen ik in de daarop volgende lente terugkeerde, nadat de opstand der rajas in Bosnië was uitgebroken, lag er bezetting. Clissa beheerscht de passen, die uit Bosnië naar de zee voeren; in vroeger eeuwen hebben de Turken, de Venetianen en de Hongaren beurtelings om het bezit dezer vesting gestreden. Bij den vrede van 1669 bleef de plaats voor goed aan Venetië.

Zoodra men Salona achter den rug heeft, verliest het landschap zijn bekoorlijk karakter: de steenwoestijn, die wij reeds vroeger tusschen Zara en Knin en tusschen Knin en Sebenico ontmoet hebben, keert weder, maar ditmaal zoo mogelijk nog doodscher en dorder. Hier en daar, waar de natuur voor eenige bunders bebouwbare aarde gezorgd heeft, vindt men een armoedig dorp; toch moet men aannemen, dat er, tusschen de rotsen verscholen, nog enkele andere vruchtbare plekjes te vinden zijn, want de vlakte is niet onbewoond. Mijlen achtereen ziet ge echter niets dan eindelooze reeksen van steenachtige heuvels, aan wier voet bladzijde 234nu en dan eenige huizen zijn gegroept; de plantengroei is zoo schraal en weinig beteekenend, dat het bijna een raadsel mag heeten, hoe hier menschen hun onderhoud vinden kunnen.

Eindelijk bereiken wij toch de grenzen van deze doodsche heuvelen: de wijde vlakte van Sign breidt zich voor ons uit; de stad zelve schuilt nog achter een vooruitspringenden heuvel weg. Deze vlakte is de grootste, die wij tot dusver in Dalmatië gezien hebben; zij is geheel groen, maar bevat hier en daar nog uitgestrekte plassen, waarop het zonlicht speelt. Aan den horizon wordt dit wijde dal begrensd door vrij hooge bergen; deze groene, malsche vlakte, waarin talrijke kudden grazen en lange rijen populieren hunne slanke kruinen wiegelen, maakt een eigenaardigen indruk, te sterker door het contrast met de woestijn, die men zoo pas verlaten heeft. Dit geheele terrein was in vroeger tijden meer dan waarschijnlijk de bodem van een meer, waarvan nog hier en daar de sporen overig zijn.

Sign, aan den voet van een wanstaltige rots gelegen, heeft niets schilderachtigs, ondanks de ruïnen van eene oude citadel, uit den tijd der venetiaansche heerschappij. Rijen populieren verbergen de huizen, die in denzelfden stijl zijn gebouwd als de nieuwerwetsche dorpen langs de kust; en zonder de kerken en kloosters, zouden er hier geen sporen te vinden zijn van de heerschappij van Venetië. De straten zijn buitengewoon breed; het stadje beslaat dan ook eene aanzienlijke oppervlakte. Men zou op het eerste gezicht niet vermoeden, dat de turksche grens maar eenige uren verwijderd is; maar onophoudelijk trekken er karavanen door de stad, die de verschillende koopwaren, welke zij van de kust hebben gehaald, naar het binnenland van Bosnië brengen.

Toen wij te Sign kwamen, was het juist marktdag: voor een vreemdeling altijd een buitenkansje. De landlieden uit den omtrek waren in vrij aanzienlijken getale toegestroomd; en hoewel de kleederdracht in hoofdzaak onveranderd blijft, ondergaat zij toch, naarmate wij de grenzen naderen, enkele wijzigingen, die niet aan onze opmerkzaamheid mogen ontsnappen.

Hier wordt bovenal onze aandacht getrokken door het eigenaardig hoofddeksel der slavische vrouwen: de okrouga, een wonderlijke witte muts, die voorover op het hoofd wordt gezet, en waarvan doorgaans alleen het voorste gedeelte zichtbaar is, want in den regel dragen de vrouwen over de okrouga een grooten witten sluier, die tot midden op den rug af hangt en ook gedeeltelijk de armen bedekt, maar het fraaie borduursel van het hemd zichtbaar laat. Te Sign is de okrouga eenvoudig een witte doek; iets verder naar de grenzen, is het voorste gedeelte opengewerkt, bij wijze van kant. In Herzegowina is dit hoofddeksel rood van kleur, en neemt meer den vorm aan van een fez; in de omstreken van Trebinje wordt de okrouga voor goed door de fez vervangen; maar ook dan nog blijft de breede sluier, die de schouders en de armen bedekt. In Herzegowina, en met name in de streek tusschen Montenegro en Mostar, wordt die sluier van fijne zijde vervaardigd; overigens ondergaat het kostuum weinig verandering. Ook dat der mannen verschilt niet merkbaar van de kleederdracht uit de omstreken van Knin; met dit onderscheid alleen, dat in Dalmatië over het algemeen de tulband gedragen wordt, terwijl in de turksche provinciën dit hoofddeksel het uitsluitend kenmerk is der Muzelmannen.

De kerken van Sign zijn zeer ruim en rijk versierd; vermoedelijk behoort hier de overgroote meerderheid der bevolking tot de katholieke Kerk, want ik heb nergens een grieksche kapel gezien. De kerken van Sign dagteekenen voor het meerendeel uit de zeventiende en achttiende eeuw, en dragen allen het italiaansche karakter; de versiering is blijkbaar afkomstig uit den tijd der venetiaansche heerschappij.

Mijn verblijf te Sign heeft niet langer dan een dag geduurd, maar ik heb er behoorlijk kunnen eten en slapen, en dit is geen klein kompliment voor een dalmatisch stadje, aan de grenzen van Herzegowina. Later heb ik meermalen, aan gene zijde der bergen, honger geleden; en zelfs aan deze zijde van den Velebit was de kost dikwijls schraal en het nachtleger van twijfelachtig gehalte. Te Sign vindt men ten minste eene behoorlijke herberg; en een blik op den weelderigen vruchtbaren omtrek geeft u de overtuiging dat het u althans niet aan voedsel behoeft te ontbreken.

Op het marktplein bewaart eene fraaie fontein, die te Padua of te Treviso niet misplaatst zou zijn, de herinnering aan den tijd der venetiaansche heerschappij. Toen wij daar langs kwamen, stonden er eenige boerinnen bij de fontein gegroept, om water te putten; en hare kleederdrachten, die ons aan het Oosten deden denken, vormden een eigenaardig contrast met den italiaanschen renaissance-stijl van het kleine, maar fraaie monument, waarvan onze lezers de afbeelding vinden op bladz. 136.

Na den dag te hebben gebruikt voor eenige bezoeken en voor wandelingen door de stad en hare omstreken, die niets bijzonders opleveren, besloot ik den volgenden morgen naar de kust te vertrekken, om mij te Spalato in te schepen naar Ragusa. Ik zou zoodoende tweemaal denzelfden weg afleggen; maar men moet wel rekening houden met de middelen van vervoer; en men is van zelve verplicht telkens naar de Adriatische-zee terug te keeren, waar men zeker is de stoombooten van Lloyd te zullen aantreffen. Er schoot dus geene andere keuze over. Zonder ongeval te Spalato aangekomen, vertrokken wij den volgenden morgen ten zes uur, en liepen, na een kalme zeereis van zes-en-twintig uren, in de haven van Gravosa, bij Ragusa, binnen.

Gravosa is als het ware de buitenhaven van Ragusa; bladzijde 235de schepen kunnen hier gemakkelijker aanleggen dan in de haven der stad zelve; de reede is dieper, veiliger en beter gelegen. De haven van Ragusa, die te zeer voor den zuid-oostenwind open ligt, wordt bijna alleen door de visschers en de kleine kustvaarders gebruikt. Deze stad, die eens een zoo belangrijken handel dreef en eene zoo gewichtige rol speelde, dat zij den naijver opwekte van de trotsche republiek van Sint-Marcus, had eigenlijk moeten gebouwd zijn op de plaats, waar nu Gravosa staat, en niet op dat eng begrensde, tusschen de zee en de rotsen ingesloten terrein, waar iedere uitbreiding onmogelijk is. Deze zoo moeilijk te genaken plek werd aanvankelijk veiligheidshalve gekozen; later, toen de stad, na velerlei rampen, herbouwd moest worden, waren de burgers te zeer aan hunne vroegere woonplaats met al haar herinneringen en traditiën gehecht, om een plek te verlaten, die van het eerste oogenblik slecht gekozen was, niettegenstaande zij in de onmiddellijke nabijheid een uitgezocht terrein hadden om eene groote stad te bouwen.

De afstand tusschen Gravosa en Ragusa bedraagt niet meer dan een halve mijl.

Een fraaie, in de rotsen uitgehouwen weg, ter wederzijde door smaakvolle villas in italiaanschen stijl omzoomd, voert naar de stad. Aan alle zijden treft ons de weelderige, zuidelijke plantengroei: aloës en cactus groeien in de spleten der rotsen; de lucht, de zee, de berg, de vorm der huizen, de geheele omringende natuur, herinneren aan de rots van Monte-Carlo en het prachtige panorama van Monaco; de donkere cypressen, die zich loodrecht verheffen uit de dichtbegroeide heesters met hun goudgele bladeren en gekleurde vruchten, voeren ons ook in onze verbeelding naar de landschappen van zuidelijk Italië. Gravosa is een stedeke van eenige beteekenis door zijn haven; daar vindt men de timmerwerven van Ragusa, waarop evenwel niet meer de bedrijvigheid van vroeger heerscht. Tusschen Gravosa en Ragusa, vlak langs den weg, bouwden de rijke kooplieden der republiek hunne landhuizen, door bekoorlijke tuinen omringd, waar zij het volle genot van het buitenleven konden smaken.

Wie de geschiedenis van Ragusa kent, zal niet zonder een gevoel van eerbied deze stad betreden; ik durf zelfs beweeren, dat het zonderlinge voorkomen der stad, zoo hoogst eigenaardig en karakteristiek ten gevolge van het gekozen terrein, in allen deele beantwoordt aan de verwachting, die de kenner harer historie zich van Ragusa gevormd heeft.

Op de tuinen en landhuizen langs den weg, volgt de voorstad Pille, waar men eenige logementen voor de reizigers vindt; vlak tegenover den weg verrijst de poort der vesting, die de gansche stad omvat. Ge ziet niets dan bedekte wegen, ophaalbruggen, diepe droge grachten, waarin, tusschen de rotsen, vijgeboomen groeien; esplanaden, waarop soldaten exerceeren; hooge gekanteelde muren, die de golvingen van den grond volgen, met zware torens en valpoorten, die aan de middeleeuwsche burchten denken doen. Boven den hoofdingang prijkt een wapenschild in bas-relief, voorstellende Sint-Biagio (Blasius), bisschop, met myter en kromstaf, en daarachter een burcht. Dit is het wapen der stad en het zegel der republiek van Ragusa; zij koos den heiligen bisschop tot haar patroon, omdat, bij zekere gelegenheid, toen de Venetianen zich door een krijgslist van de stad wilden meester maken, een priester voor den Senaat verklaarde, dat San-Biagio hem in den droom verschenen was en de plannen van den vijand had ontdekt (971). Hebt ge de smalle poort achter u, dan moet ge nog eene drie-dubbele omwalling met wachthuizen doorgaan, eer ge den Stradone bereikt.

De Stradone van Ragusa (strada, straat) is het voornaamste deel der geheele stad; bijna aan den ingang staat eene fraaie fontein, sierlijk en smaakvol bewerkt, uit het begin der zestiende eeuw; zij is of niet voltooid, of heeft door een of andere ramp haar bovengedeelte verloren. Tegenover de fontein verrijst de voorgevel van eene mooie kerk, die tot een Franciskaner-klooster behoort. Verbeeld u verder een geplaveiden weg, tusschen de tien en twaalf ellen breed, ter wederzijde omzoomd door eenvormige huizen van graniet; die huizen zijn zeer breed, zeer eenvoudig, zonder eenigen stijl, met zuilengangen voorzien en van elkander gescheiden door smalle steegjes, ter breedte van hoogstens twee el. Ter linkerzijde voert elk dezer steegjes naar een trap van meer dan honderd treden; de huizen, die in deze straatjes uitkomen, volgen natuurlijk de helling van den grond, en verheffen zich vlak boven elkander, zoodat hunne vensters op de trap uitkomen en hunne balkons daarboven zweven. Het is bijna onmogelijk, zich eene duidelijke voorstelling van dit zonderling geheel te maken.

Hoog boven die trap verheffen zich de gekanteelde muren van een op de rots gebouwd fort, dat de stad aan deze zijde verdedigen moet. De straatjes ter rechterhand, niet minder smal, liggen op dezelfde hoogte als de Stradone, en voeren naar dat deel der stad, dat aan de zee uitkomt, of liever aan den zwaren, met geduchte bolwerken versterkten muur, die langs de zee loopt.

De Stradone is zuiver recht, als ware hij met een liniaal getrokken; hij doorsnijdt de stad in hare gansche lengte en voert naar de voorstad Plocce, aan de landzijde op den weg naar Herzegowina.

Houden wij een oogenblik stil op het voornaamste plein, de Piazza dei Signori, aan het einde van den Stradone. Het laatste huis aan onze rechterhand komt met zijn zijgevel op het plein uit; daar is de kathedraal, die zich door niets bijzonders onderscheidt, en in de zeventiende eeuw werd gebouwd. Ter linkerhand verrijst een gebouw, dat door zijn uitnemend schoone vormen aanstonds de aandacht trekt, de Douane. Tegenover ons, op het plein, staat het paleis van den Rector of eersten magistraat der republiek; de fraaie zuilen, waarop spitsbogen rusten, doen u denken aan de portiek van het Dogepaleis te Venetië. Tusschen het paleis en de Douane staat een monumentaal wachthuis, waarboven zich een klokketoren verheft: dit is tevens de poort, die naar de zee voert.

Rechts van den Stradone, ook het Corso genoemd, ligt het grootste gedeelte der stad; daar vindt men bladzijde 236eene vrij ruime groenmarkt, en een aantal smalle straten en stegen, te zamen een klomp dicht opeengedrongen huizen, die voor het meerendeel zeer weinig licht ontvangen door de uiterst geringe breedte der straat, waarop zij uitkomen.

Over het algemeen vertoont Ragusa het voorkomen en karakter eener noord-italiaansche stad: het plaveisel, de balkons, de stijl der openbare gebouwen en monumenten, het buitensporig aantal kerken—alles herinnert aan de venetiaansche architectuur. Er heerscht eene buitengewone zindelijkheid. Ge ontvangt een indruk van eigenaardig leven en vroolijke opgewektheid, ondanks de zeer enge grenzen, waarbinnen ge u beweegt; alles zegt u, dat, niettegenstaande de wisselingen der tijden, hier nog welvaart en rijkdom te vinden is. In den Stradone ziet ge eene menigte winkels van goudsmeden en juweliers, en niet minder magazijnen van kleederen en borduurwerk. De lokale kleederdrachten zijn zeer opmerkelijk: het kostuum van het gilde der pakkedragers of commissionnairs gelijkt sprekend op dat der turksche kooplieden van Smyrna. Deze corporatie heeft niet alleen haar eigen gewoonten en gebruiken, haar eigen keuren en reglementen, maar ook haar eigen rechtspleging. Waarschijnlijk is dit gilde reeds zeer oud: het bestaat nog onveranderd, en de leden zijn beroemd wegens hun onkreukbare eerlijkheid.

Landmeisje uit den omtrek van Salona.
Landmeisje uit den omtrek van Salona.

Landmeisje uit den omtrek van Salona.

Thans willen wij de voornaamste monumenten van nabij bezien. Inwendig zijn de meesten geheel verbouwd en veranderd; maar het uitwendige voorkomen verdient alleszins de aandacht. Indien Ragusa er nog uitzag als in den bloeitijd der republiek, zou de stad vrij wat belangwekkender zijn; maar weinige steden stonden aan zulke zware beproevingen bloot. Den 21sten Maart 1023, op San-Benedetto-dag, werd bijna de gansche stad door brand vernield; ditzelfde lot trof haar in 1296 en nogmaals in 1459, toen slechts het gebouw der archieven en de Schatkamer gespaard bleven; eindelijk verkeerde, in 1667, eene geduchte aardbeving de geheele stad in een puinhoop. Van deze ramp dagteekent zelfs het verval van Ragusa; nimmer kon zij zich van dien vreeselijken slag herstellen. De burgers toonden eene inderdaad schier onbegrijpelijke hardnekkigheid, om steeds tot dezelfde, zoo slecht gekozen plaats terug te keeren, niettegenstaande het hun niet aan waarschuwingen ontbrak, want van de zeventiende eeuw tot 1843 keerden de aardbevingen periodiek zoo wat om de twintig jaar terug, al behoorde ook een ramp als die van 1667 tot de uitzonderingen.

De Douane is een der weinige monumenten, die aan de verwoesting van dat jaar zijn ontkomen. Het is een fraai gebouw in venetiaanschen stijl, met eene sierlijke portiek in den voorgevel. De ruime binnenplaats is aan alle zijden door zuilengangen omgeven, waaronder zich de winkels en magazijnen bevinden, die allen den naam van een heilige dragen. De opschriften wijzen nog de bestemming van het gebouw aan: “Geef den Keizer wat des Keizers is;” en dit andere, nog merkwaardiger opschrift: ”Pondero cum merces ponderat ipse Deus”. (Als ik de koopwaren afweeg, houdt God ook de weegschaal.) De Munt was in hetzelfde gebouw gevestigd; daar werd het metaal gesmolten en tot geld gestempeld.

In verhouding tot den omvang der stad, is het aantal der kerken buitengewoon groot. Evenals te Venetië, wilde iedere familie haar eigen kapel bezitten, die gaandeweg tot een kerk aangroeide; de Ragusanen waren van oudsher bekend wegens hunne kinderlijke gehechtheid aan de meest ongeloofelijke relieken. De menigte der relieken, in deze onderscheidene kerken bewaard, gaat alle begrip te boven: ieder burger van eenige beteekenis, die verre landen had bezocht, stelde er een eer in, een of andere relikwie mede te brengen. De geschiedschrijvers der republiek geven in hunne werken eene uitvoerige beschrijving van al deze antieke overblijfselen, welke voor een groot deel geschenken waren van de Koningen en Koninginnen van Bosnië en de doorluchtige beschermers der republiek, die van eene bedevaart naar de heilige plaatsen terugkeerden. Zij verhalen ook, dat na de overweldiging van Bosnië, Servië, Bulgarije, Albanië en Griekenland door de Turken, de kooplieden van Ragusa zich zooveel mogelijk beijverden om de relikwiën, die in handen der ongeloovigen waren gevallen, terug te koopen en weder aan kerken of particulieren te verkoopen.

Kleederdrachten uit den omtrek van Ragusa.
Kleederdrachten uit den omtrek van Ragusa.

Kleederdrachten uit den omtrek van Ragusa.

De meeste dier relieken worden tegenwoordig bewaard in eene ruime kapel van de kathedraal, het Reliquarium bladzijde 238genoemd. Het kost eenige moeite, toegang tot die verzameling te verkrijgen. De kapel bevat zeer groote rijkdommen, want bijna alle relikwiën worden bewaard in kistjes, bekers, doozen, monstransen van goud, zilver of rotskristal, die te zamen eene zeer aanmerkelijke waarde vertegenwoordigen. In den regel wordt de kapel niet dan op hooge feestdagen geopend, wanneer deze zaken in statigen ommegang worden rondgedragen; tijdens de republiek mocht de kapel niet worden geopend dan in tegenwoordigheid van twee senatoren.

Als men den Stradone ten einde wandelt en de stad door het reeds genoemde wachthuis met den klokketoren verlaat, dan komt men, na wederom door eenige bedekte wegen en vestingwerken te zijn gegaan, aan de Zeepoort. Daar heeft men aan zijne rechterhand de haven van Ragusa, zeer goed beschut en zeer schilderachtig, maar ook zeer klein en alleen dienstig voor de visschersvaartuigen en de kleine kustvaart. De schuiten, waarmede de bewoners der omliggende dorpen op marktdagen de stad bezoeken, liggen ook in deze haven. De Zeepoort uitgaande, komt ge ook in Borgho Plocce, waar de weg naar Trebinje begint; ge zijt slechts op weinige schreden afstands van Herzegowina, en de vrouwen van die streek bezoeken geregeld de markt te Ragusa. Daar bevindt zich ook de karavanserai der Turken, met een omheind park voor het vee, en een kleine loods, waarin aan de karavanen zout verkocht wordt.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings