I.
Reading edition
O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond, onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen, dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken; als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan den schemerenden horizon:—zie, dan is het een waar genot, weder eene meer afwisselende, rijker bladzijde 138geschakeerde natuur te mogen aanschouwen, bergen, wouden, ruischende wateren.
De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken, hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin de Sebes-Körös stroomt, die haar naam (Snelle Körös) met volle recht draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten, wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.
De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich, met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te onderscheiden: dit is het Feeënkasteel. Daarnevens opent zich een grot: het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots, een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen; de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong, in den Körös.
Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten, niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke, verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken, staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Körös haar tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt; zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.
Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa (spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar (Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening den voet in een land, door Rumeniërs bewoond. De innige sympathie, die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds, het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld bladzijde 139werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst eene vreemde wereld betreedt.
Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd leder. Hij ziet mij even aan.
“Roumoun? vroeg ik.
—Roumoun,” antwoordde hij.
En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd, waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling toch is het lot der Rumeniërs in Zevenbergen. Zij vormen de groote meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natiën: Hongaren, Szeklers en Saksers.
Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam, al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes, die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan, dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar de bovenste nevenstroomen van den Körös afdalen, mij alles aan, wat ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen, dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniërs, Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk—en dit was de dooddoener—moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en—het was verschrikkelijk om te zeggen—nooit keerde een vreemdeling van daar terug.
Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte; maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen, gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in, oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.
Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen, dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot, met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.
Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.