← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

XXIV. Charleston.—Richmond.

Reading edition

Als de koepel van Sint-Paul boven Londen, zoo verheft zich boven Charleston de toren van een nieuw weeshuis, die de vroolijke stad en de ruime baai, de fraaie torenspitsen en bloeiende tuinen, en ook de in puin liggende gebouwen, beheerscht. Op het plat van dien toren gekomen, vinden wij daar een wachter, die, in een hoek geleund, zijn pijp rookt en naar de lucht ziet. “Hoe laat mag het wel zijn? vraagt hij ons.—Hoe laat? even over twaalven.—Over twaalven! Dan moet ik de klok luiden!”

Bang! Bang!

Eenige voorbijgangers beneden in de straat kijken naar boven. Het is middag, zeggen de lotus-eters. bladzijde 178

Ja, het is middag, de ure des gebeds. Allah hu Akbar!

“Ge schijnt niet op eenige minuten te letten?

—Wel neen, Mijnheer; wij zijn niet zoo dwaas om ons over eenige minuten meer of minder te bekommeren. Wien kan dat iets schelen?”

Die torenwachter is een inboorling vau Zuid-Carolina, en zijne woning in de wolken is het hart van Zuid-Carolina. Welk een trotsch en zorgeloos volk! wat een zonnige, schilderachtige stad! Zie daar de Ashley en de Cooper, de twee rivieren die de stad omarmen, zoo als de Hudson en de Oostrivier New-York omvatten; hoe rustig en weelderig langzaam rollen zij hare wateren voort naar de baai, zacht de stranden kussende en zich behagelijk kabbelend slingerende tusschen de eilandjes, langs de forten Ripley en Sumter, tot zij eindelijk zich verliezen in den Atlantischen-oceaan. Werp een blik op die bosschages en priëelen van myrthen en palmen aan onze voeten: wat weelderige groeikracht in den grond, wat rijke kleurschakeering in het geboomte! Kunt ge u iets bekoorlijkers denken dan deze villa's langs de baai, met het uitzicht op het kasteel Pinckney en op de batterij van King-Street, met balkons, door rozen en palmen overschaduwd, met bloeiende oranjeboomen, wier gouden vruchten boven het water wiegelen? En wat heerlijke vrouwengestalten wandelen door deze tuinen, zien uit door deze jalousiën, zitten op deze balkons! Voorwaar, wel vloeit in hare aderen nog iets van het bloed der hooggeboren dames, wier portretten ons door Lely en Van Dijck zijn nagelaten!

En toch, wat kracht en vuur hier, beiden bij mannen en vrouwen. Het is een spreekwoord in Charleston, dat geen neger of mulat een gentleman vlak in het gelaat durft zien. Hoevele negerinnen en mulattinnen zouden den blik van eene dezer blanke jonkvrouwen kunnen verdragen?

De regeering is niettemin afhankelijk van de zwarte kiezers, en voor het oogenblik is Zuid-Carolina een neger-republiek, die, even als een italiaansch gemeenebest uit de middeleeuwen, door een vreemdeling wordt geregeerd. De naam van dien amerikaanschen podestà is Daniel H. Chamberlain. Robert H. Gleaver, een neger, is luitenant-gouvorneur. Van de drie-en-dertig senatoren zijn er veertien zwarten; van de honderdvier-en-twintig leden der Tweede Kamer zijn er niet minder dan drie-en-zeventig negers. Gleaver, de zwarte luitenant-gouverneur, is voorzitter van den Senaat; de voorzitter van de Kamer, Elliot, is ook een neger. Onder die senatoren en Kamerleden zijn er maar weinigen, die hun naam kunnen teekenen; niettemin willen zij de hoogste regeeringsposten bekleeden. De staatssecretaris is een neger. Betrekkingen, die zekere vaardigheid in het lezen en schrijven vereischen, zoo als die van prokureur-generaal en superintendent van het onderwijs, worden aan de blanken overgelaten; maar de ambten, waaraan hooger traktement en meer invloed verbonden is, behouden de zwarten voor zich. De directeur van financiën, de adjudant en de inspecteur-generaal zijn negers. De opperrechter Moses is een blanke; maar zijn assessor, Wright van Beaufort, is een kleurling.

Even als in Engeland, plachten ook in Carolina de rechters voor hun leven benoemd te worden, en even als in het moederland, werden zij ook hier niet dan in zeldzame gevallen van hun ambt ontzet; maar dit conservatieve stelsel is onder de heerschappij der Reconstruction-Act ter zijde gezet. Een rechter wordt nu slechts voor vier jaren aangesteld, en maar zeldzaam herbenoemd. Zijn mandaat duurt kort, en hij moet dus zorgen er zooveel mogelijk profijt van te trekken. Sommige rechters—naar mij van bevoegde zijde verzekerd wordt,—drijven handel in katoen, rijst en andere artikelen, en verschijnen niet zelden als partij in rechtsgedingen. Een domme neger, door de stemmen van partijgangers op den rechterstoel geplaatst, staat aan velerlei verzoekingen bloot!

Een neger kan maar niet begrijpen, dat er voor het bekleeden van een ambt zekere voorbereiding, om niet te zeggen een natuurlijke aanleg, noodig is. Een ambt is voor hem niets anders dan een vrijbrief om naar hartelust te kunnen rooken, stil te zitten, onbeschofte antwoorden te mogen geven, en vooral een goed salaris te ontvangen. Het ambt is om den mensch, en niet de mensch om het ambt. Als gij een neger vraagt wat hij begeert, zal hij u antwoorden: “eene betrekking”; terwijl het hem verder tamelijk onverschillig is of ge hem rechter dan wel cipier maakt.

Eenige weken geleden ontmoette ik te Philadelphia een kleurling, Henry Griffin genaamd, vijf-en-dertig jaren oud en portier van zijn beroep. Dit scheen hem niet langer te bevallen; hij wilde hooger op. Zijn buren en kameraden ontvingen hun aandeel van den algemeenen buit: waarom hij ook niet? Daarom had hij zich, tot groot vermaak van zijn patroons, kandidaat voor de Kamer gesteld in het zevende arrondissement van Philadelphia.

“Tot welke politieke partij behoort gij? vroeg ik den kandidaat.

—Ik ben republikein, Mijnheer.

—Republikein! Maar dan stelt gij u tegenover Bardsley en Patterson, mannen van uw eigen partij, en geeft daardoor aan uw tegenpartij, de demokraten, een kans op de overwinning.

—Dat mag zijn; maar wij willen ook ons deel hebben, en de republikeinen bedriegen ons op allerlei manier.

—Zoo? Ik dacht dat zij u de vrijheid geschonken en voor u tegen hunne broeders in het Zuiden gevochten hadden?

—Ja, dat is al lang geleden. Dat is dood en begraven. Ik spreek van nu. Wij, kleurlingen, stemmen voor de republikeinsche lijst. Maar als zij, door onze stemmen, het winnen, dan geven zij ons toch niets. Wij hebben een blanken gouverneur, een blanken staatssecretaris, een blanken opperrechter.

—Zoudt ge dan willen dat een zwarte opperrechter de plaats innam van Daniel Agnew?

—Wel, Mijnheer, zouden wij dan geen raadsheer, geen brievenbesteller, geen policie-agent van onze kleur mogen hebben? In New-Jersey, aan de overzijde van de Delaware, vindt ge zwarte policie-commissarissen en zwarte magistraten. In Pennsylvanië noemen wij ons ook republikeinen, maar geen enkele kleurling bekleedt bladzijde 179daar eene openbare betrekking, behalve die van portier in de gevangenissen: en die beambten moeten hun eigen kamer aanvegen en hun eigen muren witten! Is dat gelijkheid?”

Griffin is openhartig. Hij heeft de kunst niet geleerd om leelijke zaken in fraaie woorden te kleeden, en zegt u zonder omwegen, dat hij gaarne ook zijn vingers in de schatkist wil steken.

De staat van zaken te Charleston is bevredigend: bevredigender dan men zou verwachten onder het bestuur van carpet-baggers, met eene Kamer voornamelijk uit negers bestaande, en met een federaal leger in bezetting.

Tegenover een man, die zoo groote macht bezit en zoo onverzoenlijken haat vertegenwoordigt, is bedachtzame gematigdheid in woorden en handelingen voor de conservatieven dubbel noodig. Even als vele andere vreemdelingen, is ook Chamberlain niet ongevoelig voor beleefdheden en voorkomende bejegening. Hij zit gaarne aan de wel voorziene tafels der aanzienlijken, en hunkert naar den welwillenden glimlach der bekoorlijke, aristokratische dames. Een podestà in Verona of Ferrara, zal, in den regel, ook wel niet ongevoelig zijn geweest voor de bekoringen van het maatschappelijk verkeer: en de podestà van Zuid-Carolina beantwoordt deze voorkomendheid en beleefdheid der blanken zoo veel hij maar eenigszins kan, zonder gevaar te loopen, de voor hem onontbeerlijke sympathie zijner zwarte vrienden te verliezen.

“Het gaat tegenwoordig beter met u, niet waar? vragen wij aan een volbloed conservatief.

—Zoo, zoo. Wij wachten en dragen, want de tijd werkt in ons voordeel. Chamberlain, hoewel een vreemdeling, zoo als Kellogg in Louisiana, is ten minste ten naasten bij een fatsoenlijk man. Hoewel wij ons noch met zijn herkomst, noch met zijn politiek verzoenen kunnen, is het althans mogelijk, in het algemeen belang, hem onze medewerking te schenken.”

Naar onze consul mij verzekert, begint de handel langzamerhand te herleven, maar de oude, ietwat zorgelooze en voorname manier van zaken te doen is thans voorbij. Jongelieden, van New-York en Chicago gekomen, hebben daarin eene geheele verandering gebracht. Zij hebben oog noch hart voor iets anders dan voor hunne zaken, en zwoegen en arbeiden op de werven en op de kantoren, van den vroegen morgen tot den laten avond. Het is te begrijpen, dat zulke lieden spoedig fortuin maken.

In leeszalen en clubs hooren wij hetzelfde verhaal. Door haar overhaasting, gaf Charleston aanleiding tot het uitbarsten van den burgeroorlog. Geen koopstad had meer te verliezen, geene heeft zoo zwaar geleden. Haar hoogmoed is tot den grond vernederd en doodelijk gekwetst; maar zij doet haar best om, met prijselijke zelfverloochening, haar tegenwoordige ellende te vergeten, haar vorige verkeerdheden weer goed te maken, en zich eene betere toekomst te bereiden.

“Wat nuttigheid heeft het, den demokraat te spelen? zegt de eigenaar van een katoenplantage, met wien ik in de club over de toekomst van Zuid-Carolina spreek.—Het dient tot niets. Onze afdeeling der amerikaansche demokratische partij is dood. Zie deze kiezerslijsten. Men zegt dat die lijsten valsch zijn, en wij weten ook wel dat dit inderdaad het geval is. Maar hier liggen zij voor ons, en de federale officieren houden staande dat zij met stipte eerlijkheid zijn opgemaakt. De wet heeft aan de negers het stemrecht gegeven, en in eene republiek is het stemrecht alles in alles. Waarom zullen wij dan met ons hoofd tegen den muur loopen?

De brug Girard te Philadelphia.
De brug Girard te Philadelphia.

De brug Girard te Philadelphia.

—Hoe is dat in zijn werk gegaan?

—Door overleg en goed oordeel; door de kunst der blanken om zich te organiseeren en te kombineeren. In sommige graafschappen zijn wij te zwak, om den strijd te wagen. Waarom zouden wij zeven kandidaten stellen in het graafschap Beaufort, waar het getal der negers zes tegen éen bedraagt; of drie kandidaten in het graafschap Georgetown, waar zij zeven tegen éen sterk zijn? Waarom zouden wij dingen naar al de achttien zetels voor Charleston-county, waar de negers tweemaal zoo sterk zijn als wij? Zoolang wij niet meester zijn van het fort Sumter en van de citadel, valt er aan deze valsche kiezerslijsten niets te veranderen. Is het daarom niet beter, zoo vroegen wij ons af, in eene schikking te treden?

—En...?

—Wel, enkelen waren van meening dat elke poging ijdel zou zijn; anderen geloofden, dat er kans op welslagen bestond. De negers hebben hunne leiders, en die leiders wenschen niets vuriger, dan vooruit te komen. Het is voor een neger een zaak van groot gewicht, met een fatsoenlijk man te mogen praten; en ondanks al hetgeen gedaan was om de voormalige slaven tegen hunne oude meesters op te zetten, behielden de negers toch de diep gewortelde gehechtheid aan de plaats hunner geboorte. De meesten onzer waren van meening, dat er eene overeenkomst zou te treffen zijn.

—En werd de proef gewaagd?

—Ja; kapitein Dawson, een onzer bekwaamste mannen, begaf zich tot de negers, die hem goed ontvingen en naar zijne woorden luisterden. Hij bracht hun onder het oog, wat ook waar is, dat blanken en kleurlingen in hetzelfde schuitje varen, en te zamen bladzijde 182moeten bovendrijven of vergaan; en hij vroeg hun, of het niet beter zou zijn, indien zij te zamen arbeidden in plaats van elkander tegen te werken? Zij waren dat met hem eens. Dawson zeide hun daarop, dat de blanken er niets tegen hadden dat de negers, waar zij de meerderheid hadden, hunne eigene kandidaten kozen; maar hij voegde er bij, dat de blanken, in het algemeen belang, er prijs op moesten stellen, dat zij geschikte personen kozen. Uit naam van zijne vrienden, beloofde hij, dat wanneer de negers in die distrikten geschikte personen wilden kiezen, hetzij blanken of zwarten, de blanken daar geen kandidaten tegenover zouden stellen, waardoor aan de negers veel moeite en kosten zou worden gespaard. Zijn voorstel beviel hun, ook door de flinke wijze waarop het werd gedaan; en ondanks den tegenstand van scalawags en andere intriganten, werd de overeenkomst getroffen en eerlijk nageleefd. Er werden gematigde republikeinen gekozen, in plaats van vreemde fortuinzoekers, bankroetiers en communisten, zoodat wij nu, in spijt van de overmacht der negers, een machtigen invloed op de wetgeving uitoefenen.”

het kapitool te Washington.
het kapitool te Washington.

het kapitool te Washington.

Naar men ons verzekert, heeft de goede uitkomst van deze nieuwe politiek op den gouverneur Chamberlain een sterken indruk gemaakt. Het is gebleken, dat, ter bereiking van het beoogde doel, samenwerking met de negers bepaald de voorkeur verdient boven openbaren strijd tegen hen. Dit heeft gewerkt: Chamberlain verandert van taktiek; want hij weet zeer goed, dat hij met de nieuwe Kamer nimmer te Columbia zou kunnen verrichten, wat Kellogg te Nieuw-Orleans poogt te doen.

Er is juist onlangs iets voorgevallen, dat zijne oprechtheid op de proef heeft gesteld. Sedert verscheidene maanden kwamen er bij hem voortdurend klachten in over verregaande wanordelijkheden in Edgefield-county. Dit graafschap wordt bespoeld door de Savannah, en grenst aan Lincoln-county in Georgië; de zwarte bevolking heeft hier verreweg de meerderheid. De milicie bestaat uit negers, de generaal en de officieren van zijn staf zijn negers; de sheriff, de rechter en andere ambtenaren zijn mede allen negers. De blanke bewoners worden als verwonnelingen behandeld. Als een blanke in verzet komt tegen eene of andere beleediging, dan wordt aanstonds de zwarte milicie onder de wapenen geroepen. “Gij moogt de milicie van den staat niet oproepen, zeggen de burgers: dat is in strijd met de constitutie;” maar wat weten de neger-kapiteins en kolonels in Edgefield-county van de constitutie? Ontstaat er twist tusschen een zwarte en een blanke, dadelijk roept de neger-kapitein zijn kompagnie op, en het komt onvermijdelijk tot eene bloedige botsing. Twee jaar geleden, weigerde gouverneur Chamberlain tusschenbeiden te komen. Met zijn zoetsappigsten glimlach vertelde hij aan dengeen, die zijne bescherming inriep, dat men veel beweging maakte over niets; zijn secretaris, openhartiger van aard, kwam er rond voor uit, dat de oude tyrannen hun verdiende loon ontvingen.

Maar de gouverneur luistert nu naar rede; en daar op nieuw klachten uit het graafschap inkwamen, heeft hij een republikeinsch magistraat, den rechter Mackey, gezonden, om een onderzoek in te stellen en middelen tot herstel aan te wijzen. Mackey is juist onlangs van zijne zending teruggekeerd, en heeft verslag uitgebracht. Hij zegt daarin, dat, in openbaren strijd met een artikel der constitutie van den staat, de zwarte officieren in het graafschap Edgefield de vaste gewoonte hadden om hunne kompagniën onder de wapenen te roepen en aan straatrumoeren en vechtpartijen deel te nemen. Hij wijt de schuld van bijna alle wanordelijkheden aan het wanbestuur en de schromelijke misbruiken der negers; en verklaart dat sinds de dagen, waarin de normandische baronnen hun saksische hoorigen dwongen een ijzeren ring om den hals te dragen, nimmer eene engelsch sprekende bevolking zulke onwaardige behandeling heeft ondergaan, als de blanke bevolking van Edgefield-county. Mackey eindigt zijn rapport met den gouverneur voor te stellen, den neger-regimenten te ontbinden en te ontwapenen.

Chamberlain is geneigd dien raad te volgen, maar dit is niet zoo gemakkelijk. De negers zijn nu aan het gebruik van wapenen gewend, en zullen zich misschien niet op die wijze laten ontwapenen. Er heerscht alom een onrustige, strijdlustige geest, en een neger-opstand behoort niet tot de onmogelijkheden. Als Chamberlain zijn zwarte troepen ontbindt, dan zal hij genoodzaakt zijn steeds meer zijn steun bij de blanken te zoeken.

Russell, Trenholm en Dawson hebben metterdaad getoond, dat de echte geest van staatsmansbeleid in hen woont; de overwinning door de conservatieven te Charleston behaald, is een aanmoediging en een gelukkig voorteken voor alle andere zuidelijke staten.

In de bibliotheek van het Kapitool staat een beeld, bekend onder den naam van de Pupil der Natie, en voorstellende een negerknaap, in al de frischheid zijner jeugd en al de onmacht van zijn ras. De neger-type is gewijzigd, hoewel niet zóó als in Story's Afrikaansche Sibylle, waarin de kunstenaar zoo aangrijpend de smart en het lijden van een onderworpen volk heeft uitgedrukt. Bij den Pupil der Natie straalt het gelaat van zonneschijn, en het gansche beeld is als doorademd van physieke bewegelijkheid en zinnelijken levenslust. De opwaarts gerichte oogen schijnen het licht te zoeken. Vrij, en zich zijner vrijheid bewust, staat de jonge neger toch verward en verlegen. Wat zal hij doen met dit ontzaglijk geschenk? Vol kracht en levensmoed, onvermoeid bij den arbeid en vlug in het leeren, is het toch nog noodig dat hem de weg gewezen worde, dien hij te volgen heeft.—Dit is de dichterlijke, ideale voorstelling van den negerknaap.

Voor de vensters der winkels van Richmond kunt ge eene andere voorstelling van hetzelfde beeld zien, maar ditmaal door een kunstenaar, die niet idealiseert: door de zon. De onverbiddelijke lens heeft den neger weergegeven, zoo als hij werkelijk is: zittende aan den ingang eener metselaarswerkplaats, op een hoop gruis en puin en stof. De plaats moet aangeveegd worden, en den negerjongen was die taak opgedragen: bladzijde 183maar de verleiding van den zonneschijn is hem te sterk geweest. Van nature is de neger afkeerig van iederen arbeid; luieren en soezen is zijne geliefkoosde bezigheid. In plaats van de straat aan te vegen, heeft Sam zich te midden van den rommel neergezet. Hij speelt met den steel van zijn bezem, laat zijn hoofd op zijn hand rusten, en verliest zich al spoedig in het land der droomen. Hij voelt er niet de minste behoefte aan, dat iemand hem voorthelpe en den weg wijze, dien hij in het leven volgen moet. Hij verlangt eenvoudig, dat men hem met rust zal laten, opdat hij zijn oogen kunne sluiten, en zich bakeren in den zonnegloed.—Dit is de prozaïsche voorstelling der nuchtere werkelijkheid.

“Ge zult de meesten van onze nationale pupillen wel in slaap vinden, juist als Sam,” zegt lachende een mijner vrienden. Langs de James-rivier ontmoet men echter enkele exemplaren eener soort van negers, die door eigen arbeid zich eene positie hebben weten te verwerven. Men verhaalt mij van kleurlingen, die, de steden met al haar ongerechtigheden verlatende, zich op het land gevestigd hebben, die na harden arbeid kapitaal zijn begonnen op te leggen en voor hunne spaarpenningen boerderijen hebben gekocht. Vele negers zijn op die wijze kleine grondbezitters geworden, en leggen zich vooral toe op de winstgevende tabakskultuur. Deze kleurlingen zenden hunne kinderen naar school. Mulatten hebben aan amerikaansche universiteiten een akademischen graad verworven, en zich eene wetenschappelijke loopbaan gekozen, waartoe de weg hun open staat, ook in Virginië.

Doch, met hoeveel blijdschap men ook dergelijke verschijnselen moge begroeten, zij zijn en blijven zeldzame uitzonderingen. In den regel is de neger landbouwer van beroep, en tracht hij ook naar niets hoogers—tenzij de hartstocht der politiek zich van hem meester make. Hij heeft geen prikkel, die hem tot iets anders drijft. Is hij geen huisbediende, dan is hij boerenarbeider. In beide gevallen verdient hij met zijn arbeid een vijfde van hetgeen een blanke met denzelfden arbeid verdient; maar zijn voedsel is goedkoop, zoodat hij van de opbrengst van zijn ruwen en onzekeren arbeid gemakkelijk leven kan. Hij kent de waarde van een dollar, die eene zekere hoeveelheid druiven en spek, bonen, whisky en tabak vertegenwoordigt; maar hij heeft geen besef van de waarde van een tweeden en derden dollar, omdat hij niets anders kan doen dan den ganschen dag door eten, drinken, pruimen en rooken. Morgen is de toekomst, en de neger leeft alleen voor en in het tegenwoordig oogenblik. In die toekomst is er slechts éene zaak, die hem genoeg ter harte gaat om daarvoor te zorgen: zijne begrafenis.

“Wat ons arm maakt, zegt Bill, de bediende in mijn logement, dat is de uitgaaf voor onze begrafenis.” Inderdaad zou het geld, dat een neger voor zijne begrafenis uitgeeft, voldoende zijn om zijn gezin voor een paar jaar te onderhouden.

“Gisteren is een vriend van mij gestorven, zegt Bill; hij wordt van middag begraven:—eene mooie begrafenis.

—Gaat ge hem ook de laatste eer bewijzen?

—Neen, Mijnheer; ik behoor niet tot zijn maatschappij.

—Wat bedoelt ge?

—De begrafenis-maatschappij. Iedere zwarte is lid van twee of drie dezer maatschappijen. Hij moet daar veel voor betalen. Als hij sterft, krijgt hij dan ook eene mooie begrafenis.”

Op zekeren dag wandelde ik, door Jackson's-Ward (een der wijken van Richmond) naar buiten, om een blik te werpen op de schilderachtige ravijnen en smalle dalen, die de stad omringen en haar eene flauwe gelijkenis met Jeruzalem geven. Wij dalen langs een heuvel af, gaan een stroom over, en beginnen eene andere helling te beklimmen:—plotseling wordt onze aandacht getrokken door een luid gejammer en geklaag. Opziende, bemerk ik dat zich op den heuvel boven ons een kerkhof bevindt, met eenige witgeverfde palen en steenen. Bij den rand der groene glooiing staan eenige negerinnen, die luid weenen en snikken; terwijl een zwarte predikant teksten uitgalmt, en vier of vijf negers bezig zijn met in de aarde te delven. Toen wij den top bereikten, was de plechtigheid reeds geëindigd en het graf weer gesloten; maar terwijl deze stoet zich verwijderde, was reeds een andere in aantocht. Een prachtige lijkwagen met groote glazen portieren; en in dien wagen een kist, zoo rijk versierd, dat die in Engeland voor een hertog of prins zou kunnen dienen; daarachter volgen acht koetsen, elk met twee fraaie zwarte paarden bespannen, en begeleid door een twaalftal personen in uniform, met standaarden en opgerolde banieren.

“Wie wordt daar begraven? vraag ik aan een der negers, die staan te kijken.

—Mozes Crump.

—Wie is Mozes Crump?

—Een arbeider.

—Een boerenarbeider?

—Ja.”

De paarden trappelen en komen met moeite voort over dien ongelijken grond. Onder luid geschreeuw en gejammer wordt de kist naar het gat—nauwelijks een grafkuil—gedragen, waarin zij nedergelaten zal worden; en hier wordt nu, bij het neigen der banieren en het spelen der muziek, Mozes Crump ter ruste gelegd. De gansche familie is tegenwoordig—mannen en vrouwen, knapen en meisjes. Er wordt zeer luid gesnikt en gejammerd; maar de zwarte dominee overstemt al dit rumoer, behalve de klagelijke stem van eene oude vrouw, die, half snikkende en gillende, onophoudelijk roept: “Ik zie mijn zoon nooit weer! Ik zie mijn zoon nooit weer!”—De dominee tracht haar tot bedaren te brengen. Zijne stem verheffende, schreeuwt hij haar toe: “Wees stil; leef zooals hij, dan zult ge uw zoon weerzien!”—De zwarte Rachel weent en jammert, en weigert vertroost te worden, zelfs door haar eigen dominee. Als de mannen in uniform hunne spaden opnemen, en onder een eentonig gezang het graf beginnen te vullen, roept de oude vrouw nog luider: “Neen, ik zal mijn zoon nooit weerzien!” Arme ziel, zij alleen kent haar eigen smart.

De jongeren lachen en huilen beurtelings; en als het bladzijde 184graf gedicht is, verspreiden zij zich in groepen, praten met hunne vrienden, nemen dan weer plaats in hunne koetsen, en rijden weg, dwars door eene saamgevloeide gapende menigte van negers, negerinnen en mulattinen, gekleed in blauwe omslagdoeken en rose mutsen, vast overtuigd dat zij bewonderenswaardig zijn, en zeer gestreeld door de tegenwoordigheid van twee vreemde heeren.

Mozes Crump blijft alleen achter, zonder een steen om de plaats aan te wijzen waar hij rust. Zijn gezin blijft ook alleen achter, met een weinig brood en een weinig zoete aardappelen, en verstoken van den arbeid des vaders. De kosten van die begrafenis zouden voldoende zijn geweest om de jonge Crumps gedurende eenige jaren te onderhouden.

Sam in rust.
Sam in rust.

Sam in rust.

Er zal veel tijd noodig zijn om de negers te doen beseffen, dat zij voor zich zelven moeten zorgen. Sedert langen tijd gewoon op de blanken te steunen, valt het hun moeielijk nu op eigen beenen te staan. In de meeste gevallen verstaat de neger onder persoonlijke vrijheid niets anders dan de vrijheid der werkeloosheid. Wat toch was, in zijn oogen, het voornaamste kenmerk van den blanke? Vrijstelling van arbeid. Een blanke nam nimmer ploeg of spade ter hand. Voor den neger bestaat het wezen der vrijheid hierin, dat hij met over elkander geslagen armen mag staan kijken, terwijl anderen arbeiden en spinnen. Hij heeft immers den blanke nooit iets anders zien doen. Waarom zou hij dat voorbeeld niet volgen?

( Wordt vervolgd .) bladzijde 185

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings