← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

VII.

Reading edition

Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der omringende bergen ziet men zelfs—eene groote zeldzaamheid in dit gedeelte van Zevenbergen—nog overblijfselen der oorspronkelijke bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.

Goudmijn van Csetatye.
Goudmijn van Csetatye.

Goudmijn van Csetatye.

Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige kalmte ademde.

De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen, waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was, bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.

De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen geëmployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beëedigde controleurs.

Magyaren van Torotzko.
Magyaren van Torotzko.

Magyaren van Torotzko.

Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, bladzijde 286in de hoop dat wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maïsstengels verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken; de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen; bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje, groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit: rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels vroolijk wapperden.

Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken, een vijfde der bevolking bezweken.

In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope, en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden, het bidvertrek.

“Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.

—Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij, dan willen wij hem niet wakker maken.

—Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?”

Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva, waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.

Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de rivier uitwerpt.

Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden, welke de mijnwerkers in Californië gebruiken. De exploitatie van het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciërs. De eigenaar van den molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig: hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd, dat hij twaalf gulden in ééne week won; maar de gemiddelde opbrengst van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst der goudwasschers nog minder bedraagt.

De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis, toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag, waarop de hongaarsche minister van financiën, als hij in zijne ledige schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts, die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden, aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.

Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen en gebouwen van allerlei aard, bladzijde 287die te zamen de stad Veres-Patak, of Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken, die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden; een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek, niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.

De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.

De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte, zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis, tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen, terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs; en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!

De top van den Affinis is door twee groote romeinsche steengroeven uitgehold, waarvan de breed gebeeldhouwde wanden, op sommige plaatsen, eenige gelijkenis vertoonen met gebouwen: van daar de namen Csetatye Mare en Csetatye Mika (Groote Stad en Kleine Stad), hun door de Walachen gegeven. Inderdaad heeft men hier indrukwekkende monumenten van de romeinsche macht voor zich. Het midden van de groote groeve wordt ingenomen door een soort van open circus, waarboven zich de hemel welft, en dat omringd is door reusachtige rotswanden, waardoor zich aderen van verschillende kleur slingeren. Torenhooge rotsmassaas, die men heeft laten staan, verheffen zich boven die omwalling; langs de wanden van het reuzenamphitheater ziet men, op verschillende hoogten, breede galerijen, in den steen uitgehouwen, en die met andere onderaardsche gangen en galerijen in gemeenschap staan. Vergeleken bij de nauwe gaten, waardoor de tegenwoordige mijnwerkers heenkruipen, schijnen die hooge gewelfde portalen, die breede bogen en poorten der romeinsche steengroeven welhaast het werk van een geslacht van titanen: alles is veel grootscher, op veel ruimer schaal aangelegd. Men gevoelt dadelijk dat zulke werken niet in een paar dagen werden tot stand gebracht, en dat de bouwlieden zich niet hebben gehaast om hun arbeid, hoe dan ook, maar klaar te krijgen: dit zijn de scheppingen van een volk, dat aan zijne eigen toekomst geloofde en daarom geduld en geen haast had. Bovendien, zij die in deze mijnen en steengroeven werkten, waren slaven. Mochten er ook duizenden bij den arbeid bezwijken, zij werden door andere duizenden vervangen.

De breede galerijen der “Groote Stad” verlatende, haasten wij ons te paard te stijgen, en zoo spoedig mogelijk weg te rijden: wij hadden geen oogenblik te verliezen, wilden wij nog vóór zonsondergang den beroemden bazaltberg, de Detunata, de Door den Bliksem Getroffene, bereiken. Wij volgen een schilderachtig pad langs de groenende heuvelen van het plateau. Enkele groepen pijnboomen en kleine, met houtgewas begroeide vulkanische kegels teekenden hunne lange schaduwen op het malsche gras; de lucht was zuiver, en de schuine zonnestralen verguldden de omtrekken der verwijderde bergen. Al de toppen van westelijk Zevenbergen vertoonden zich aan ons oog binnen den onmetelijken omkring van den horizon.

Reeds sedert lang hadden wij de Detunata in het gezicht, maar slechts van ter zijde. Zij scheen ons toe, niet veel meer dan eene vrij onbeteekenende hoogte te zijn; maar toen wij, aan den uitgang van een bosch, plotseling de kolonnade van bazalt voor ons zagen, konden wij een kreet van verrassing en bewondering niet onderdrukken. De rots, ongeveer honderd el hoog, hangt van boven naar voren over; al de bazaltzuilen buigen evenzoo naar voren: de gansche geweldige massa maakt den indruk van eene reusachtige zeegolf, eensklaps versteend, juist toen zij op het punt stond neer te storten. Eene menigte fragmenten van zuilen, allen rechthoekig afgebroken, zijn van den bergwand tusschen de pijnboomen gevallen; sommigen dienen den herders en bezoekers tot rustbanken. bladzijde 288Waarschijnlijk heeft de berg aan al dit puin, dat zeker voor een deel door den bliksem is neergeworpen, zijn naam van Detunata te danken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings