← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

V.

Reading edition

San-Gimignano verlatende, toog ik westwaarts naar de dusgenoemde Maremma van Toskane: eene dorre, onbebouwde streek, weinig bevolkt, met geen anderen plantengroei dan enkele boschjes van verschrompelde boomen met grijskleurige bladeren. Voortdurend steeg de weg; San-Gimignano zonk achter mij in de diepte; ton westen verhieven zich vrij hooge bergen, waarboven, aan den gezichteinder, een kegelvormige top uitstak, met rechtlijnige muren bekroond. Die hooge berg stond daar immer voor ons, terwijl wij in breede kringen, over den kam der heuvelen, de woestijn doortrokken; eindelijk, toen wij den top vlak tegenover ons zagen, wees de koetsier met zijn zweep naar dit, den ganschen omtrek beheerschend punt, en sprak: “Eccò lassù Volterra!”

Het rijtuig keerde en wij reden recht op de stad aan over een hoogen rug, als een natuurlijke brug, dwars door de cirkelvormige vallei. Om de oude etrurische hoofdstad te bereiken, werden nog twee paarden voor ons rijtuig gespannen: en nu ging het voorwaarts, omhoog langs het steile pad, terwijl wij nederblikten aan den gapenden afgrond nevens ons, waarvan wij slechts door een houten leuning gescheiden waren.

Vlak aan den ingang van Volterra bevindt zich de herberg, op een terras gebouwd, van waar men de Maremma overziet; van deze piazzetta gaat eene smalle straat uit, die naar het hart der stad voert. Terwijl men bezig was de bagage af te laden, ging ik, verleid door de avondschemering, die nauwe straat in; na een paar donkere, tusschen hooge zwarte muren ingesloten steegjes te zijn langs gaan, zag ik een in grootschen stijl aangelegd plein, en stak dat over, in de hoop nu een meer levendiger wijk te zullen bereiken. Geen enkele winkel was verlicht; de koude wind, die op deze hoogte woei, had alle wandelaars van de straat gejaagd; zelfs geen bedelaar was te bespeuren in deze uitgestorven stad, waar de eenzaamheid een zoo veel akeliger indruk maakte dan op het open veld. Spoedig keerde ik naar de herberg, de locanda, de Unione, terug.

Volgens de reisboeken, hebben de vreemdelingen de keus tusschen twee evenzeer beroemde ciceroni: het ongeluk wil echter dat beiden een winkel hebben te Florence, waar zij drie vierden van het jaar doorbrengen, zoodat zij hunne reputatie, die hun klanten bezorgt, gemakkelijk genoeg verdienen. Daar zij ook nu afwezig waren, zond men ons, reeds in den vroegen ochtend, het zoontje van een hunner, een dommen knaap, van wien wij geen woord konden verstaan. Wij moesten hem met eenige baïocchi wegzenden; en daar dit geschiedde juist toen de winkels werden geopend, spreekt het van zelf dat eene zoo ongewone gebeurtenis de algemeene aandacht trok. Een kapper en eene banketbakster verwijderden de bedelaars, en beduidden ons dat wij den concierge van het museum als gids moesten nemen. Aanstonds liepen een dozijn jongens weg, om hem te halen; en weldra verscheen de custode in de gedaante van een kleinen, glimlachenden grijsaard; zijne meer dan verwaarloosde, boersche kleeding, waarvan de tallooze vlekken de vele dienstjaren bewezen, zag er bijzonder armoedig uit: trouwens, hij was gekleed, zoo als bijna iedereen van drie vierden van Italië. De jonge meisjes zijn koket en opgeschikt, de oudere vrouwen en alle mannen gaan bijna in lompen; de nationale kleederdrachten zijn verdwenen; de zucht voor schelle kleuren is nog algemeen, hoewel die kleuren door ouderdom dikwerf haar glans verloren hebben en verschoten zijn.

Het plein van het openbare Paleis (Palazzo publico), waar ge de bibliotheek en de musea vindt, doet u meer aan Siënna dan aan Florence denken; maar het plein is kompleet, en van zoo eigenaardig karakter, dat het op geen ander gelijkt. Tegenover de musea, paleizen van de dertiende eeuw, met drie rijen spitsboogvensters ongelijk verdeeld en hier en daar verspreid, verrijst het Paleis van justitie, in de veertiende eeuw gebouwd. De gekanteelde toren verheft zich hoog boven den evenzeer gekanteelden toren van het Municipio. Aan de hoeken van dit laatste gebouw staan, op voetstukken, twee marmeren leeuwen. Een derde paleis, niet minder oud, de Uffizio postale, verrijst tegenover den met wit en zwart marmer bekleeden ingang van eene der kapellen van de hoofdkerk. In den gevel van het Palazzo publico, even als in het voorhuis, ziet ge de wapenschilden van de oude consuls en van de heerlijkheden, die aan deze kleine republiek onderhoorig waren, voor zij zelve onder het gezag kwam van Florence. Deze veelkeurige gordel van blazoenen schenkt leven en toon aan het sombere monument. Elk van deze wapenschilden is eene herinnering aan eene adellijke familie, wier geheimzinnige geschiedenis deze oude muren zouden kunnen verhalen. In de bibliotheek en in de zaal der gesneden steenen heeft men nog enkele overblijfsels uit dien tijd bewaard: onder anderen zes bruidskoffers, met basreliefs in ivoor versierd, uit de dertiende eeuw; twee bisschopsstaven uit denzelfden tijd, en twee vazen van gebakken aarde, uit de vijftiende eeuw.

In de zaal der gesneden steenen bevinden zich eenige voorwerpen, in vergelijking waarvan de vier à vijf eeuwen oude freskoos der zaal modern schijnen. Die kleine glazen flesschen, met gouden arabesken doorslingerd, bladzijde 315hoe zijn die vervaardigd? Reeds de Romeinen wisten daarop geen antwoord meer te geven. Het zijn zwarte vazen, bronzen voorwerpen, werktuigen, die voor een of ander onbekend doel werden gebruikt; zeldzaamheden, waarbij een kleine Mercurius, in zuiver griekschen stijl, bijna eene nieuwerwetsche schepping schijnt. Eene eenige verzameling is die van de etrurische munten, van de grootste asse, waarop een dolfijn is afgebeeld en die den etrurischen naam van Volterra (Velathri) draagt, tot de kleinste stukjes. Er zijn in het geheel zes-en-dertig stukken, van verschillenden vorm: de meesten vertoonen een hoofd, dikwijls met een dubbel voorhoofd.

Het gezicht dezer penningen voert eensklaps de verbeelding terug naar de oudste tijden, naar dat onbekende volk, dat vóór de Romeinen in Toskane heerschte, waarvan de taal en de geschiedenis ons tot heden verborgen zijn, maar dat in eene menigte monumenten de sporen van zijn bestaan en van eene onbekende beschaving heeft nagelaten.

Na een leven van zooveel duizend jaar, dankt Volterra haar roem juist aan die overoude tijden. Deze stad, een der twaalf lucumoniën van de Tyrrheensche confederatie, door Ptolomeus in de derde plaats genoemd, is een der vijf steden, die, volgens het bericht van Dionysius van Halicarnassus, de wapenen hebben opgenomen om den aanval der Tarquiniussen af te slaan. Door onderscheidene staten van Latium gescheiden, beveiligd door haar ongenaakbare ligging, wist deze oude bondgenoote van Porsenna langen tijd hare onafhankelijkheid tegenover de Romeinen te handhaven, en haar zeer uitgestrekt gebied, dat tot Vetulonia reikte, te doen eerbiedigen. In het jaar 456 na Rome's stichting drong Cornelius Scipio Barbatus diep in centraal Etrurië door, en leverde in de onmiddellijke nabijheid van Volterra een bloedigen veldslag, die twee dagen duurde, en waarbij de overwinning toch onbeslist bleef. In de volgende eeuw werd de vesting met storm genomen, en wel vóór het jaar 547; want toen de kleinzoon van Cornelius Scipio, in dat jaar, van de etrurische steden bijdragen vorderde voor de uitrusting der vloot, die Carthago moest aantasten, gaf Volterra koren en was. Voortaan ingelijfd bij een der zestien landelijke stammen, die de eerste territoriale verdeeling van den romeinschen staat vormden, werd Volterra, dat, volgens Fabretti, tot de Sabatina behoorde, eene provinciestad.

Romeinsche burgers geworden, behielden de inwoners van Volterra niet vele van hunne zoo duur gekochte rechten; tijdens den burgeroorlog tusschen Marius en Sylla, kozen zij de partij van eerstgenoemde, hetgeen hun een aanval van Sylla op den hals haalde; na eene langdurige belegering moest de stad zich overgeven, waarop de muren werden geslecht, de voornaamste gebouwen in de asch gelegd, de aloude vrijheden vernietigd en de landerijen der burgers onder de soldaten van den dictator verdeeld. Eenigen tijd daarna werd de stad eene der militaire koloniën van Caesar; onder Augustus werd zij weder herbouwd, verfraaid en van muren omringd, die nog bestaan; vervolgens deelde Volterra voortaan in de algemeene lotgevallen van het romeinsche rijk. Van dit tijdvak zijn intusschen weinig sporen overgebleven. Zie om u heen, delf in den grond: alles spreekt u van de tijden der Etruriërs, bijna niets van de romeinsche periode. In deze streken, waar het verleden met een ondoordringbaren sluier bedekt blijft, in het oude Etrurië, waar nog zoo vele gedenkteekenen zijn overgebleven eener maatschappij, waarvan wij zoo weinig weten, eener taal, die wij ontcijferen zonder haar te verstaan,—zijn gedurende het romeinsche tijdvak twee beroemde mannen opgestaan: Linus, de zoon van Herculanus, de opvolger van Sint-Pieter op den romeinschen bisschopszetel, van wiens leven wij verder niets weten; en Aulus Persius Flaccus, de satirendichter, wiens werk meermalen duister is, en die sedert eeuwen het geduld en de wetenschap der commentatoren op de proef heeft gesteld.

In de benedenverdieping van het Volkspaleis zijn negen zalen gevuld met kunstwerken, sedert het jaar 1731 uit de etrurische graven te voorschijn gebracht. Beelden, sieraden, gereedschappen, vazen, maar vooral kleine sarkophagen, van marmer, maar meest van albast, en met basreliefs bedekt, vormen te zamen eene geheel eenige verzameling, die niet minder dan zevenhonderd dertig nommers telt. De opschriften zijn talrijk: van de rechter- naar de linkerhand lezende, kan men eenige eigennamen ontcijferen, maar dat is ook alles.

Over de afkomst van het oude volk der Etruriërs of Etrusken hangt nog altijd een sluier; naar de getuigenis der meeste oude schrijvers zouden zij uit Klein-Azië afkomstig en met de Pelasgers verwant zijn; en de nieuwste nasporingen hebben althans, mijns inziens, niets aan het licht gebracht, wat met deze hypothese in strijd is.—Noël des Vergers, bijna de eenige die de begraafplaatsen in de verschillende provinciën van Etrurië volledig heeft onderzocht, merkt op dat men in de zuidelijke streken bijna geen andere dan groote sarkophagen vindt, bestemd om het lijk te ontvangen; terwijl meer noordwaarts deze sarkophagen, meer versierd en kunstiger bearbeid, eigenlijk niet meer zijn dan koffertjes, waarin de asch der overledenen werd bewaard. Tot deze laatste kategorie behooren de sarkophagen van Volterra, die op de voorzijde beeldwerken van hoogrelief vertoonen, en op het deksel, de afbeelding van den overledene in slapende houding. De zes oudste van deze sarkophagen zijn van gebakken aarde, en zonder bas-reliefs; de meeste anderen zijn van albast; enkelen, van marmer, hebben in het midden rozen of roosvormige bloemen, waarvan de meeldraden de levensjaren van den overledene aanwijzen: deze bedoeling valt ligt te raden: bij de portretten van jongelieden of kinderen vindt men eenvoudige eglantinen; bij die van bejaarden en grijsaards, volle honderdbladerige rozen. Men vindt hier eene reeks sarkophagen van de Caecinae (Ceicna), een der oudste en doorluchtigste geslachten van Etrurië, dat later eene eerste plaats bekleedde onder den romeinschen adel, en de middeleeuwen door heeft voortgebloeid, tot nu voor vijf-en-zeventig jaren de laatste afstammeling ten grave daalde. Een der Caecinae heeft een apex in de hand: het teeken der priesterlijke waardigheid.—Somwijlen bladzijde 316stellen de bas-reliefs begrafenisplechtigheden voor: de overledene wordt weggevoerd op een met twee paarden bespannen wagen, terwijl de bloedverwanten en vrienden den stoet volgen. Op sommige sarkophagen ziet men een begrafenisstoet, overeenkomende met dien der Grieken; muziekanten, met reusachtige gebogen trompetten voorzien, gaan voor den lijkwagen uit, die door vier paarden wordt getrokken. Zeer dikwijls zijn offerplechtighedon afgebeeld; voor het overige is de stof voor de meeste bas-reliefs ontleend aan de verhalen van de Ilias en de Odyssea.—De liggende beeldjes op het deksel houden doorgaans een of ander voorwerp in de hand: een papaver, een lotusblad, een apex, een bal, een flabellum, een wiel enz.—Voorstellingen aan den trojaanschen oorlog ontleend, zijn op de etrurische sarkophagen zeer gewoon. Vooral werd mijne aandacht getrokken door een sarkophaag, waarop het beleg der stad was afgebeeld; bijzonder trof mij hier het karakter van realiteit dat de beeldhouwer aan den achtergrond van zijn tafreel had weten te geven: de muren der stad met haar citadel, een weg, die naar de hoofdpoort leidt, enz.... Die poort zelf, in oud-tyrrheenschen stijl, met een menschenhoofd aan den sluitsteen, en twee andere aan de uiteinden van den boog, had, met den muur, waarin zij gevat was, iets zoo karakteristieks, dat men onwillekeurig den indruk kreeg, hier eene kopie naar de natuur voor zich te hebben. Onze custode vestigde bijzonder onze aandacht op dit bas-relief, gaf er ons eene verklaring van, en vermaande ons, het niet te vergeten.

De kathedraal te Volterra.
De kathedraal te Volterra.

De kathedraal te Volterra.

Nadat wij het Paleis verlaten hadden, voerde hij ons door eene kromme, met zerken geplaveide straat, zoo bladzijde 318steil, dat men gevaar loopt, uit te glijden; zij voert naar eene kleine poort, begrensd door een muur, uit kolossale steenen zonder cement opgetrokken. Wij gingen het gewelf door, en volgden eenige oogenblikken een hellend pad, dat om de oude vesting heenloopt. Daar verzocht onze gids ons om te keeren, en tot onze onuitsprekelijke verbazing, zagen wij eensklaps de muren en de poort van Iluwa, zoo als wij die straks op het etrurisch bas-relief van het museum hadden aanschouwd. Dit is de Porta dell' Arco, een der oudste monumenten van Etrurië, waarvan de oorsprong zich verliest in den nacht der tijden. De bekwaamste archeologen hebben de kenmerken van den oud-etrurischen stijl herkend aan deze poort, die misschien sedert vijf-en-twintig eeuwen niet van bestemming is veranderd, en die is afgebeeld op graftomben, die zelven opklimmen tot een tijd, waarvan geen jaarboeken de heugenis bewaren. Uit rechthoekige steenblokken opgetrokken, bestaat de boog uit negentien gehouwen steenen; de twee benedenste en de sluitsteen prijken met menschenhoofden, in hoog relief, die door den tijd eenigszins gesleten zijn.

Piazza della Giustieia te Volterra.
Piazza della Giustieia te Volterra.

Piazza della Giustieia te Volterra.

Wij volgden een poos de oude muren, overal langs den rand van den afgrond gebouwd, en die dikwijls zeer laag moeten afdalen om een vast steunpunt te vinden: de stad schijnt als gedragen in een korf, die op een hoog voetstuk rust. Deze omwalling is tegenwoordig voor Volterra te ruim. Verschillende tijdvakken hebben hier hunne sporen achtergelaten; maar men vergeet de restauraties van Augustus, en zelfs de geduchte citadel, in 1343 door Gaulthier de Brienne gebouwd, bij het gezicht der ontzagwekkende materialen die de Etruriërs hebben moeten bewerken en naar deze hoogte opvoeren, toen zij die geweldige muren bouwden, die het werk van titans schijnen. Die gordel van rotsen, symmetrisch door menschenhanden saamgevoegd, draagt op eene oppervlakte van dertig el lengte en twaalf el hoogte, het bebouwde terras van het oude klooster van Santa-Chiara. Langs den voet dezer cyclopische wallen loopt een smal voetpad, dat door de wortels der boomen wordt bijeengehouden, en dat u vergunt van nabij die zonder cement, regelmatig op elkander gestapelde steenklompen te beschouwen: sommige blokken zijn drie el hoog en zes el lang. De steen is een groenachtig grijze, kalkachtige tufsteen, die zeer hard en dus zeer zwaar is, en die fossiele overblijfselen bevat. De inwoners verzekeren de vreemdelingen, dat die reuzenmuren gebouwd zijn met steenen, die niet in het land zelf gevonden worden: dit is eene dwaling; maar een feit is het, dat men die steenklompen zeshonderd ellen hoog heeft moeten opvoeren, om ze te kunnen opeenstapelen.

Onze oude custode, die ons niet meer verliet en blijkbaar met zijn rol als gids zeer was ingenomen, geleidde ons, langs den weg van Pontederra, naar eene kapel, ter halver hoogte op een heuvel, aan den voet der stad gebouwd. Aan den ingang van een klein klooster, bevindt een door een kerk gesloten poort, die twee kapellen scheidt: de eene toegewijd aan Sinte-Flora, de andere aan Sint-Hieronymus. Boven elk der beide altaren prijkt een meesterstuk der gebroeders della Robbia: een Laatste Oordeel van Andrea della Robbia, en een Sint-Franciscus, aan een monnik en aan eene non zijne orde-regelen gevende, van Luca. Deze kapel behoort aan de Inghirami en ligt aan den bovenrand eener helling, waar zij sedert meer dan tweeduizend jaar hunne bezitting hebben, die van vader op zoon is overgegaan; hunne etrurische graven zijn hier onder den grond gevonden, dragende dien naam, die het romeinsche rijk en de republieken der middeleeuwen heeft overleefd. Aan den ingang van deze bezitting—eene villa met pachthoeven, die eene oasis vormt te midden dezer wildernis van naakte bergen en ravijnen,—heeft Luigi Inghirami een soort van kapel opgericht: in de nis prijkt eene florentijnsche Madonna in bas-relief, die het Kind in de armen houdt; boven de groep blazen engelen op de bazuinen. Dit beeldwerk, dat het jaartal 1536 draagt, zou, naar men zegt, van Michel-Angelo zijn.

Doch het was niet zoozeer te doen om den ouden grafkelder der Inghirami, in vier kamers verdeeld, die een latijnsch kruis vormen en marmeren sarkophagen bevatten uit romeinschen tijd, als wel om eene andere grafkamer, van zuiver etrurischen oorsprong, en die, in 1861 eerst ontdekt, nog zeer weinig bekend is. Even als de oostersche volken en de Egyptenaars, groeven de Tyrrheniërs in de rots familiegraven, die van buiten aan niets kenbaar waren, en waarheen een verborgen onderaardsche gang voerde. Bij toeval werd, toen men bezig was te graven voor de fondamenten van een muur, de ingang ontdekt; de Inghirami hebben dien ingang doen herstellen en met eene deur afgesloten. De tuinmansvrouw van de villa, eene stevige contadina, kon niet dan met groote moeite den langen, zwaren grendel verschuiven, en moest zich nog meer inspannen om het slot te openen, dat sedert zeven maanden gesloten was. Een groote, rechtopstaande steen verborg weleer een smallen gang, waardoor men langs in de rots uitgehouwen trappen, naar den grafkelder afdaalde. Gij komt aan eene ronde zaal, mede in den tufsteen uitgehouwen, en waarvan het gewelf in het midden door een pilaar gedragen wordt. Rondom dien pilaar en in het rond langs de wanden zijn amphitheatersgewijze twee rijen trappen aangebracht, allen uit denzelfden steen gehouwen. Op die trappen staan negen-en-veertig sarkophagen, van zestig tot vijf-en-tachtig duim lang, waarin vroeger de asch der gestorvenen werd bewaard en vele dier vrouwelijke sieraden, welke door de afstammelingen dezer etrurische dames thans in de villa zijn bijeengebracht. Een aan het gewelf bevestigde koperen stang diende om een lamp op te hangen, die bewaard is gebleven.

De sarkophagen zijn bijna allen van albast, versierd met sterk vooruitkomende bas-reliefs in griekschen stijl, en ontleend aan de Ilias. De liggende figuren op de deksels staan in kunstwaarde beneden de bas-reliefs. De gedrapeerde beelden dragen diademen, somwijlen een wollen halsband en gordels: deze sieraden zijn dikwijls verguld. Op een dezer monumenten vindt men wederom de Porta dell' Arco, zoo als zij er nog heden uitziet.—Met een eigenaardige gewaarwording staart ge, bij het licht der fakkels, deze bladzijde 319sarkophagen aan, die sedert meer dan twintig eeuwen in den schoot der aarde zijn verborgen. Welke raadselen bevatten zij, tot welker oplossing ook de scherpzinnigste kritiek nog geen enkelen draad gevonden heeft. Dat ge hier romeinsche kleederdrachten, huisraad, gebruiken wedervindt, brengt u niet op den weg, want de Romeinen hebben die voor het meerendeel aan de Etruriërs ontleend. Wij weten uit Silius Italicus, dat de twaalf lictoren, de consuls met hunne bijlbundels, de vorm der curulische gestoelten, de koperen trompetten en zelfs de purperen rand, die de toga der magistraten omzoomde, van Vetulonia, nabij Volterra, afkomstig waren. Datzelfde geldt van den kothurn, uit Lydië afkomstig, en van de sieraden en tooisels der vrouwen. De Etruriërs hebben aan de Romeinen de kunst geleerd, om de jaarboeken hunner geschiedenis te schrijven; in elke stad bezaten zij eene verzameling van hunne kronieken, van hunne wetten, hunne godsdienstplechtigheden: en toch, zonderling noodlot! dit volk, wier taal nog ten tijde van Claudius door de advokaten te Rome gesproken werd, is bijna het eenige, van wiens bestaan geen enkel geschreven document getuigt. Hoogstens kunnen wij, in hunne geschriften, eenige namen ontcijferen, maar verder kunnen wij niets te weten komen, noch van hen, noch van hun tijd.

Ware het niet zoo koud geweest, dan had ik met genoegen nog eenigen tijd blijven ronddwalen door deze zonderlinge stad, zoo vol geheimenissen. Welke vragen doen zich hier op, die zonder antwoord blijven! Trouwens de eenmaal zelfstandige republiek verloor hare onafhankelijkheid reeds in 1254, en hare autonomie in 1361, toen zij zich geheel aan Florence overgaf, dat reeds honderd-zeventig jaar te voren de stad ingenomen, en haar sedert niet met rust gelaten had. Sommige kerken zijn meer gemoderniseerd geworden dan de woningen der menschen; zij bevatten eenige schilderijen van niet buitengewone waarde. De kathedraal is in dit opzicht rijker voorzien. Haar voorgevel in peperijnsteen, uit de dertiende eeuw, versierd met een fraaien, wit marmeren ingang, gaat door voor het werk van Nicolaas van Pisa. Men vindt hier een aantal schilderijen, waaronder zeer fraaie, van Dominichino, Marietto Albertinelli, Luca Signorelli, Taddeo di Bartolo, Guido Reni, Filippo Lippi, Daniel van Volterra, Benozzo Gozzoli en anderen. De preekstoel heeft bas-reliefs uit de twaalfde eeuw, die veel overeenkomst hebben met de producten der fransche kunst uit den tijd van Filips-August. De voorstelling van het Avondmaal is zeer opmerkelijk: Jezus zit aan het eind der tafel, met Johannes in zijn schoot, Judas ligt voor Christus neergeknield en vraagt een stuk brood, achter hem kruipt een duivel. Op de tafel staan drie visschen.

Dicht bij den dom staat het Battisterio, de doopkapel, een achthoekig gebouw van de twaalfde eeuw; de marmeren doopvont werd in 1502 door Andrea Contucci gebeeldhouwd; het Ciborium wordt aan Minoda Fiesole toegeschreven. De Hemelvaart op het hoofdaltaar is, naar men zegt, het werk van Pomerancio. Welke kunstschatten ook wederom hier, in de ongenaakbare hoofdstad van dit arme en vergeten bisdom!

Ter linkerzijde van de kathedraal verrijst een vierkante, zeer eenvoudige Campanile, met drie boogvensters boven elkander; deze toren is een tegenhanger van den achthoekigen koepel van de doopkapel, en maakt een vrij scherp contrast met den hoogen toren van het Palazzo publico, waar schietgaten en kanteelen, op twee verdiepingen aangebracht of liever voorgesteld, bewijzen dat de bouwmeesters van 1826, die dezen ouden burchttoren herbouwden, geen begrip hadden van de bestemming dezer werken, en zelfs in hun namaaksel de waarschijnlijkheid niet wisten te bewaren.

Tusschen de doopkapel en het linker hoekhuis van het Domplein, bevindt zich, boven eene steil afloopende steeg, eene ledige ruimte, waar de piazza uitloopt op een terras, van eene leuning voorzien en uitzicht gevende op de bergen. Het Paleis, het plein della Giustizia, de doopkapel, de dom, geheel het middelpunt der stad schijnt als een evenwicht te hangen boven een afgrond, waarlangs zich eene nauwe straat voortkronkelt, slechts aan eene zijde bebouwd en omzoomd door krotten en hutten, waarvoor wij met verbazing hoopen sneeuw op de helling zagen liggen. Dit waren stukken albast, daar neergeworpen door de beeldhouwers, die hier in hunne armoedige woningen arbeiden. Zij maken medaillons, pendules, zonder het uurwerk, kistjes, reliekbewaarders, beeldjes, presse-papier, lampen, schoorsteenvazen en dergelijke voorwerpen. Deze werklieden beschouwen zich als groote kunstenaars: ge bespeurt dat aan den trotschen blik, waarmede zij u aanzien; wat de vaardigheid en bekwaamheid voor het werk aangaat, hebben zij het inderdaad ver gebracht, maar het ontbreekt hun aan smaak: zij bepalen zich nog altijd tot de dorre, harde, armoedige, en volstrekt van alle kunstwaarde ontblootte ornamenten, die de italiaansche salons ontsierden ten tijde van Pius VII en Leo XII. De Amerikanen, die geen begrip van schoon of kunst hebben, zijn verzot op deze monsterachtigheden.

In deze op- en neerklauterende straten, waarvan de rooilijn zich schikken moest naar de golvingen van een smal bergplateau, ontmoet ge bij elken stap paleizen, waar ge onder door gaat om in eene andere straat uit te komen. Vele van deze paleizen dragen den naam der familie Inghirami. Het paleis Viti, met ornamenten uit de zestiende eeuw, is herschapen in een theater, aan Persius gewijd. Bij gebreke van zijn huis, ziet ge, aan de casa Ducci, een opschrift in fraaie, al te goed nagebootste, antieke kapitale letters, waarin de herinnering wordt bewaard aan een der laatste afstammelingen van het geslacht des dichters. De oude en edele familie der Ricciarelli bezit nog, in de naar haar genoemde straat, drie kleine aan elkander grenzende paleizen. Dat, waarin Daniello di Volterra geboren werd, draagt het nommer 12: de deur is vernieuwd. Als de nakomelingen van den kunstenaar zich in hunne woning bevinden, wordt gij in het huis toegelaten, waar een fresko van den meester bewaard wordt. Aan den gevel der gebouwen, ook van bijzondere woonhuizen, vindt ge zeer vele hartelijke en warme lofredenen ter eere van de Groot-hertogen bladzijde 320van Toskane uit het huis van Oostenrijk-Lotharingen; ook ziet ge zeer dikwijls hunne borstbeelden in nissen en op consoles. Dit getuigt wel, hoezeer deze Vorsten, in deze afgelegen en weinig beweldadigde streek van Toskane, bij het volk bemind waren; natuurlijk heeft deze liefde voor het oude Vorstenhuis ook de inwoners van Volterra niet belet, hier en daar, op de muren groote, roode W's te schilderen, die beteekenen moeten Viva Vittore Emmanuele.... Wij weten van ouds, dat de volksgunst een onbestendig ding is, en dat de menigte altijd geneigd is, de opgaande zon te aanbidden.

De schoonheid der vrouwen van Volterra is opmerkelijk: danken zij die zuivere, rustige, gedistingeerde gelaatstrekken aan haar onverstoorbare werkeloosheid? Voor alle vensters, in alle wijken en buurten, herkent ge aanstonds de typen, die de schilders van de school van Siënna zoo gaarne op het doek brachten. Wat wachten zij, daar werkeloos zittende, voor die ramen, uitziende op de straat, waar zoo zelden iemand voorbijkomt? Zien zij uit naar den bruidegom, haar in haar droomen verschenen? Helaas! er valt weinig meer te zien dan enkele zwaluwen. Die dochters van Etrurië keuvelen met elkander, met de buurmeisjes ter wederzijde en aan den overkant; komen er jonge lieden voorbij, die kijken ter nauwernood naar haar; de vreemdelingen alleen zien haar aan, waarover zij in lachen uitbarsten. In tegenstelling van de schoone sekse, nemen de giovinetti, wier aantal niet groot is, majestueuse airs aan; bij de minste aanleiding wikkelen zij zich in zware groene of bruine mantels; ook weten zij standen aan te nemen, die een mensch verbazen.... Ik heb mijzelven afgevraagd, wat hier met de oude vrouwen gebeurt, want men ziet er geen! De grootmoeders en moeders blijven waarschijnlijk in huis, en zorgen voor de huishouding, terwijl de dochters, om de eer der familie op te houden, zich aanstellen als aanzienlijke juffers, die rijk genoeg zijn om niets uit te voeren.

Etrurische muren te Volterra.
Etrurische muren te Volterra.

Etrurische muren te Volterra.

Terwijl wij deze levende galerij beschouwen, niet zonder eenigen aanstoot te geven aan onzen ouden custode der etrurische sarkophagen, zagen wij, aan het boveneinde der straat, een optocht naderen. Het was een dubbele lijkstoet, twee lijken achter elkander; de kisten, met een zwart en geel laken overdekt, werden gedragen door zwarte boetelingen, wier gelaat verborgen was achter een met twee openingen doorboorden kap, en die op het hoofd lage hoeden met breede randen droegen. Haastig trok de sombere processie langs ons heen, een treurigen en ontstemmenden indruk achterlatende. bladzijde 321

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings