← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

IX.

Reading edition

Wij wilden de transylvanische Alpen niet verlaten, zonder althans een van de voornaamste toppen beklommen te hebben. De hoogste van allen, en waarschijnlijk ook de schoonste, de Negoï, ligt op een grooten afstand ten oosten van Petroseny, aan gene zijde van den bergpas van den Rooden Toren, en de tijd ontbrak ons om zoo verren tocht te ondernemen. De Paring, veel dichter bij, scheen ons te bekend en te gemakkelijk te beklimmen. Wij bepaalden daarom onze keus tot den Retyezat (tweeduizend-vierhonderd-zes-en-negentig el), den koning van de westelijke berggroep, door een driedubbelen gordel van zeldzaam bezochte wouden en rotsen omgeven.

Na Livadzel in zuidelijke richting verlaten te hebben, komen wij in een der bekoorlijkste vlakten van geheel Zevenbergen. Deze streek was vroeger het laagste gedeelte van het groote meer, waarin de twee Sils, de Hongaarsche en de Walachijsche, uitliepen, voor zij zich een doortocht hadden gebaand door de hoofdketen der Karpathen. Zonder eigenlijk moerassig te zijn, is de grond nog vochtig; de vlakte is met het weelderigste, rijkste gras bedekt; de boomen zijn recht, krachtvol, glad van stam; de akkers, hoewel op barbaarsche wijze bearbeid, brengen prachtige oogsten bladzijde 294voort. Overal murmelen en kabbelen heldere beekjes. Een kleine schilderachtige hermitage kroont den heuvel, die zich aan de samenvloeiing der beide rivieren verheft. Tegenover ons, zagen wij, tusschen twee steile bergen, de zwarte spleet van den Szurduk, of engte, waardoor de wateren van de Sil met snellen stroom wegvloeien.

Woning van rumeensche boeren.
Woning van rumeensche boeren.

Woning van rumeensche boeren.

Het dorp Vulkan, waar de rijweg ophoudt, is slechts eene enkele lange straat, op de onderste helling van den gelijknamigen berg gebouwd. Omstreeks de helft der bevolking van het dorp bestaat uit ambtenaren, met de bewaking der walachijsche grenzen belast, kommiezen, gendarmen, ambtenaren der belasting, oppassers bij de quarantaine. Uit alle streken van Oostenrijk en Hongarije afkomstig, schijnen deze ballingen hier geen zeer aangenaam leven te leiden, maar zij troosten zich met het kegelspel. Hoe armoedig ook, ziet Vulkan in zijn slijkerige straat een vrij druk handelsverkeer. De Rumeenen van Walachije brengen, langs de slechte bergpaden, voortreffelijke vruchten, maïs en andere granen, benevens versch vleesch, naar Petroseny; op marktdagen kan men hen den berg zien afdalen, in lange karavanen, kudden ossen en varkens voor zich uit drijvende. Volgens de ontvangen rechten aan het grenskantoor, is hier in 1872 voor ongeveer vier millioen francs doorgevoerd en omgezet. Deze geheele handel, waarbij nog de sluikhandel gevoegd moet worden, is bijna uitsluitend in handen der Walachen; met uitzondering van eene kleine hoeveelheid ijzer, die zij van Vayda-Hunyad ontvangen, danken zij niets aan de industrie der Hongaren en Saksers van Zevenbergen. Terwijl hunne trotsche buren meermalen den schijn aannemen van hen te verachten wegens hunne traagheid en hun gemis, aan ondernemingsgeest, ontvangen de bewoners van Petroseny juist van hen wat zij voor hun levensonderhoud en dagelijksche behoeften noodig hebben. De Walachen voeren alle verbruiksartikelen aan, en nemen niets mede dan geld, waarvan natuurlijk de joodsche makelaars en woekeraars wel zorgen dat zij het leeuwendeel in den zak steken. Jammer slechts dat een zoo belangrijke handelsweg nog heden voor wagens en rijtuigen even ontoegankelijk is, als toen de Turken er de vestingwerken bouwden, waarvan nog de overblijfselen zichtbaar zijn.

Het dorp Vulkan verlatende, nemen wij afscheid van wat men overeengekomen is de beschaafde wereld te noemen: maar onze joodsche herbergier had ons, naar gewoonte, behoorlijk bedrogen en bestolen, waarschijnlijk om ons den overgang minder smartelijk te maken. Wij zijn nu in het hart van het dacische land, en moeten, zoo lang wij den Retyezat niet beklommen hebben, afstand doen van alle comfort. Trouwens, dit hinderde ons niet te zeer. Wij waren vroolijk en opgewekt; onze paarden liepen in een vluggen draf, en de vallei, die wij doortrokken, bood ons, bij elke kromming, eene opeenvolging der liefelijkste landschappen.

Al de bergen zijn met bosch bedekt, uitgezonderd alleen de uitstekende kalk- of granietrotsen, die te steil zijn dan dat de wortels er kunnen vatten. De beeken, die in watervallen uit de donkere valleien te voorschijn treden, breiden in de vlakte hare bedding uit en vloeien murmelend voort over gladde steentjes. Enkele hutten staan verspreid onder de groote wilgen, die nimmer door de bijl worden aangeraakt, en die in niets gelijken op de ellendige dwergachtige stronken, welke men langs onze weilanden ziet. Landlieden, in schilderachtig kostuum, groeten ons met vrijmoedige beleefdheid. Van afstand tot afstand staan, langs den weg emmers met water gevuld, op een soort van steenen palen, opzettelijk daarvoor opgericht. Getuigt deze oplettendheid voor den onbekenden reiziger niet ten gunste van het karakter der Walachijers?

De vorm van die steenen banken of palen trok mijne aandacht. Een archeoloog, die zulke steenen op eene heide van Bretagne vond, zou zonder aarzelen daarin een dolmen zien, zoo als onze keltische of vóór-keltische voorvaderen die plachten op te richten; en het zou hem niet in de gedachte komen, dat die steenen niet moesten dienen om daarop den goden te offeren, maar enkel om een watervat te dragen, bestemd om den dorst te lesschen van den vermoeiden wandelaar. Even zoo zouden de met een rieten afdakje gedekte massieve zuilen of palen van ruw graniet, aan de kruispunten der wegen, overal elders voor menhirs worden aangezien; maar een kleine steen, dwars aan den top bevestigd, herinnert u dat deze pilaren een kruis moeten verbeelden; bij gebreke van zulk een steen, is zelfs eene horizontale groeve voldoende om het granietblok te wijden. Men vindt hier exemplaren van alle mogelijke overgangsvormen tusschen den ruwen menhir der heidensche tijden, en het fraai bewerkte, met opschriften en beeldwerken bedekte christelijke kruis.

Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag, toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was; en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water, door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone menschen uit.

Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij bladzijde 295de inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen, zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten onzen gids met de paarden vertrekken.

Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste, door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras, konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo menig dal der Alpen en der Pyreneën.

De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneën “coueylas” of “jasses” worden genoemd; het eenige verschil was, dat zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest, een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was, op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij zonder ongeval den ingang der “jasse” te bereiken.

Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden, op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden, stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.

De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts, die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken sprekend op sommige streken in de Pyreneën: dezelfde waterkommen, meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen, zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneën vinden kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren, maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.

Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte, waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.

Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden bladzijde 296doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.

Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet waarom, in feestgewaad gehuld.

Rumeensche bruid.
Rumeensche bruid.

Rumeensche bruid.

Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek, verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan; de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land, waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen. bladzijde 297

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings