← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

II.

Reading edition

Njégosch ligt ter zijde van den weg, die van Cattaro naar Cettinjé loopt: wij moesten dus rechts afslaan en de vlakte oversteken; onze paarden wachtten ons aan den voet van den berg, waarachter Cettinjé ligt, en dien wij nu moeten beklimmen. Wij werpen een weemoedigen blik op de armzalige akkers en de treurige kultuur van deze streek: het zijn kleine, ronde, vierkante of driehoekige stukjes grond, verloren te midden dezer wildernis van rotsen. Elk dezer stukjes, dat voor den eigenaar schier een fortuin vertegenwoordigt, is zorgvuldig omringd door eene omwalling van rotsbrokken; naar men mij verhaalt, is de koopwaarde van zulke perceeltjes zeer aanzienlijk. Naar het schijnt, zijn al de mannen, die niet bij de bereiding der castradina noodig zijn, naar buiten gegaan om op den akker te werken of aardappelen te rooien. Ten einde mij van de kwaliteit van dit gewas te overtuigen, daalde ik in een klein ravijn af, waar eenige vrouwen bezig waren een kuil in den grond te delven, om daarin de aardappelen te bewaren; deze kuil wordt vervolgens overdekt met eene laag aarde, met kleine steentjes vermengd, die zoo lang bewerkt en plat getreden wordt, tot zij zoo hard en vast is als macadam. In Bosnië worden de aardappelen op dezelfde wijze bewaard. De knol is gezond en zeer goed uitgegroeid, hoewel hij in een bij uitnemendheid steenachtigen grond is gepoot; die kleine akkers in de ravijnen en spleten, zoo klein dat zij somwijlen niet meer dan vier of vijf el in doorsnede meten, zijn trouwens voor mij niet nieuw. Zij zijn eene herhaling op kleiner schaal van de dollinas in Istrië en Dalmatië, waar de bora met verwoestende kracht waait, en waar de weinige plekken vruchtbare grond, tusschen de rotsen verscholen, met de uiterste zorg worden bebouwd door de landlieden, wie hun geboortelot veroordeelt om op dezen ondankbaren bodem te leven te midden eener stiefmoederlijke natuur, die zij echter liefhebben, als overlaadde zij hen met haar rijkste en schoonste gaven.

Om den afstand tusschen Njégosch en Cettinjé af te leggen, hebben onze paarden, die niet buitengewoon vlug of sterk zijn, ongeveer drie uren noodig. Onze weg voert door smalle, steile passen, schier als kleine tunnels in de rotsen uitgehouwen. Ter linkerzijde daalt de bergwand naar beneden; wij rijden langs een ravijn, waarin wij, diep beneden ons, nog eenige boeren bespeuren, die den grond bewerken; verder heerschen hier volstrekte eenzaamheid en stilte. In het eerste uur vooral was onze rit uiterst bezwaarlijk: voortdurend rolden de losse steenen onder ons weg, en onze paarden struikelden en gleden uit, alsof zij tegen een gletscher opklauterden. Als wij eindelijk uit dit woeste doolhof geraken en de horizon zich verbreedt, zien wij rechts en links en voor ons uit niets dan kleine scherpe spitsen en naalden, die elkander mijlen ver onafgebroken opvolgen, en die alle reizigers, welke Montenegro bezochten, hebben vergeleken bij de plotseling versteende golven van eene onstuimige zee. Het beeld is volkomen juist: ik zou geen beter weten om den indruk dezer zonderlinge natuur weer te geven. Een gevoel van moedeloosheid grijpt u aan, en sombere, weemoedige aandoeningen overmeesteren u, te midden van deze akelig doodsche omgeving; hier geen blauwe horizon meer, als in de dorre velden van Dalmatië; geen prachtige berglandschappen, als in de Alpen en Pyreneën; hier geen levend wezen, boom noch plant; hier niets dan grauwe naakte bergen, afgewisseld door even kale heuvelen; de menschen verplicht saam te scholen in eene armzalige vlakte, die zij in het zweet huns aanschijns een mageren oogst afdwingen, en die toch nog een uitverkoren paradijs, een gezegend Eden schijnt, te midden van dezen akeligen oceaan van steen. Ondanks de nieuwheid en het zonderlinge van het landschap, valt de weg toch ieder lang, die niet weet welke verrassing hem aan het einde wacht. Nu eens moeten wij ons aan den zadelknop vasthouden, om niet achterover van het paard te vallen; dan weder worden wij voorover geworpen en moeten haastig de manen grijpen, om niet over den kop heen te buitelen. Wij komen langs de fontein van Danilo, op last van den Vorst aangelegd, als een halte voor de reizigers; omstreeks vier uur hebben wij eindelijk de grens bereikt van dezen verbijsterenden rotsenbaaierd, waarvan geene beschrijving eenig denkbeeld geven kan, en die u werkelijk de beteekenis duidelijk maakt van het zeggen der Montenegrijnen, dat toen God de wereld schiep, de zak, waarin Hij de bergen bewaarde, juist boven hun land scheurde, zoodat de rotsen er in massa uit vielen. Deze streek ziet er inderdaad uit, alsof geweldige titanen deze ontzaglijke steenklompen, in moedwilligen luim, zoo wild en ruw door en op en over elkander hadden geworpen, dat de menschelijke voet nauwelijks een doortocht vinden kan. Wij waren eindelijk afgestegen, daar wij liever gevaar wilden loopen onze voeten te kwetsen aan de harde rotspunten, dan langer de geweldige horten en stooten in den zadel te verdragen. Nu hebben wij het hoogste punt bereikt; en nu ook ontrolt zich voor onzen blik een onbeschrijfelijk panorama, gevat tusschen twee ruw geteekende rotsen, die als het ware de massieve lijst uitmaken dezer wondervolle schilderij. Het is eene opeenvolging van bergen, die, van deze hoogten gezien, schier heuvelen gelijken, en waarachter wij het meer van Skutari zien, stralende in den zonnegloed, als eeen reusachtig zilveren schild, in de groene vlakte achtergebleven. Zie daar de Moratcha, die zich als een wit lint afteekent tegen den blauwenden achtergrond; verder, de met sneeuw bedekte bergtoppen van zuidelijk Albanië en het land der Mirditen. Aan onze rechterhand, tusschen de omlijsting van rotsen op den voorgrond en de vlakte van Cettinjé beneden ons, verheft zich, ter hoogte van ongeveer zeventien honderd el, de berg Lowchen, bladzijde 264op welks top, als een onverwoestbaar ex-voto, het grafmonument verrijst van Peter II, den laatsten Vladika van Montenegro. De Lowchen onderschept voor ons het gezicht op Cettinjé, de hoofdstad van het vorstendom: maar aan onze voeten breidt zich de vlakte uit, die zelve niet anders is dan een bergplateau, achthonderd el boven den waterspiegel der Adriatische-zee en slechts een weinig minder boven het meer van Skutari verheven. Deze top, waarvan ik een der schoonste panorama's heb aanschouwd die in mijne herinnering zijn bewaard, draagt den naam van den berg Kerschmach, en verheft zich tot eene zeer aanzienlijke hoogte boven Cattaro. En zie hier, op den top van gindsche vooruitstekende rots, de palen van den telegraafdraad, die de in haar wildernis van bergen en gesteenten verloren hoofdstad van Montenegro met het beschaafde Europa verbindt.

Een senator.
Een senator.

Een senator.

Onze weg voert nu bergafwaarts, maar de helling is zoo steil en moeielijk, dat de paarden telkens uitglijden en struikelen op deze kantige, rollende steenen. Wij gaan liever te voet; al is het stil op den weg, toch zijn wij ook hier niet geheel alleen. Boven onze hoofden, op steile klippen, zitten jonge herdersknapen; zij trekken de aandacht door hun roode muts, die scherp tegen de grauwe steenen uitkomt; somwijlen hooren wij hun eentonig gezang; een licht geritsel van bladeren doet ons opkijken, en wij zien enkele geiten, die tusschen de schrale heesters langs de steile rotswanden haar mager voedsel zoeken. Bij het omslaan van een hoek verschijnt ons, rustig neergezeten aan den weg, een bergbewoner, met de hand in de zijde, de beretta op het hoofd, gekleed met de witte gougne en den over de borst gekruisten djamadan, geheel met goud geborduurd; in zijn kolan of rood marokijnen gordel bladzijde 266bergt hij een gansch arsenaal. Zoo zit hij daar alleen, in deze eenzaamheid, en verwaardigt ons nauwelijks met een blik. Ondanks het goud, waarmede zijn djamadan, vest, versierd is, behoort deze man toch, naar mijn reismakker mij verzekert, tot den middenstand; zijne wapenen zijn zeer prachtig en kostbaar; vooral trekt een sierlijke yatagan met een schede van gedreven zilver en een met koraal ingelegd handvat, onze opmerkzaamheid. De Montenegrijn vergunt ons, schoon niet zonder eenigen weerzin, dit kostbare wapen, dat zeker de waarde eener woning vertegenwoordigt, in handen te nemen; twee pistolen van italiaansch fabriekaat en een mes met ivoren handvat in in een lederen scheede, voltooien zijne wapenrusting; naast hem staat een vuursteengeweer. Toch is deze man geen soldaat van beroep; hij woont te Baïtz en komt van Njégosch, waar hij den nacht heeft doorgebracht.

De Vorst en de Vorstin van Montenegro.
De Vorst en de Vorstin van Montenegro.

De Vorst en de Vorstin van Montenegro.

Veertig minuten nadat wij den top van den Kerschmach verlaten hebben, komen wij aan een klein dorp, in een halven cirkel gebouwd tegen de helling aan de noordzijde der vlakte. Wij gaan langs eene uiterst eenvoudige kerk, zonder eenige versiering hoegenaamd. In eene rotsholte, nevens den weg, bevinden zich enkele vrouwen, die op haar schouders eenige houten vaatjes laden: er is daar eene bron, in de rots uitgehouwen; de vrouwen komen hier water putten, en dalen in lange rijen naar het dorp af. De helling is zeer steil, en wij gaan sneller voort, dan wij wel zouden wenschen. Onze paarden zijn achtergebleven; wij hebben den Lowchen nu achter ons, en de vlakte aan onzen voet vertoont zich in hare volle uitgestrektheid van drie mijlen van het noorden naar het zuiden, aan deze zijde ingesloten door bergen, welke ons, nu wij afdalen, weder in hunne natuurlijke hoogte verschijnen.

Weldra wordt de weg beter; hier is de arbeid der menschenhand kenbaar: de helling is minder steil en de weg is behoorlijk gebaand: dit is het tweede stuk van den grooten weg, nabij de hoofdstad, zoo goed mogelijk aangelegd, en voor rijtuigen zeer wel bruikbaar tot aan het vlek, dat wij daar ter linkerhand zien. Hier zijn ook sporen van bebouwing: maïs, waarvan het graan reeds is ingezameld en de bladeren staan te verdrogen; akkers, die met rogge, gerst of haver zijn bezaaid geweest, en aardappelvelden. Wij zijn nu midden in de vlakte; ter rechterhand zien wij ginds de witte huizen van Cettinjé. De heer Radamanovich wijst ons een langwerpig gebouw, blijkbaar in den laatsten tijd gesticht en eenigszins op eene schuur gelijkende: dat is het arsenaal. Tegenover ons verheft zich eene kerk, en vlak daarbij een klein monument, met een kruis gekroond. Volgens het reisverhaal van de heeren Frilley en Vlacovij, is dit een grafteeken, opgericht ter herinnering aan een gezelschap bergbewoners, Drobniaken, die in 1862 over de grenzen waren getrokken om wapenen en munitie te halen, en die op hun terugweg over het turksche gebied werden gedood. Wij gaan nog langs een groot gebouw, dat op een hospitaal gelijkt; en eindelijk, ten vijf ure in den namiddag, doen wij onzen intocht in Cettinjé. Wij hadden des morgens ten negen ure Cattaro verlaten, en ons anderhalf uur te Njégosch opgehouden. Bereids was een adjudant van Zijne Hoogheid Vorst Nikolaas, de heer Nikolaas Matanovich, ons te gemoet gekomen, om ons uit naam van den Vorst en uit zijn eigen naam, in het zuiverste fransch, welkom te heeten op het grondgebied van Tzernagora. Voor den tocht over de bergen hebben wij zeven-en-een-half uur noodig gehad.

Cettinjé, in eene vrij ruime, door bergen omringde vlakte gelegen, is sedert het jaar 1485 de hoofdstad van het vorstendom. Als wij de geschiedenis van dit land zullen verhalen, zullen wij zien, door welk een samenloop van omstandigheden Iwan Tzernojewitch, die nabij de boorden van het meer van Skutari woonde, in het kasteel van Zabljak, zich genoopt zag, den aartsbisschoppelijken zetel en den troon der Vorsten van Zèta naar herwaarts over te brengen.

Het voorkomen der kleine stad heeft niets grootsch noch schilderachtigs; voor ongeveer dertig jaar telde men er niet veel meer dan een twintigtal woningen, rondom het klooster gegroept. Het plan van aanleg is zeer eenvoudig, overeenkomende met dat der meeste steden in Kroatië: eene zeer breede straat, omzoomd door zeer lage huizen, en in het midden afgebroken door een plein, waarop zich een gewone waterput bevindt, door een prachtigen moerbeziënboom overschaduwd. Rechts opent zich eene tweede straat, die met de eerste een rechthoek vormt, en even breed, maar veel minder bewoond is. Links staat een vierkant gebouw, met een balkon versierd en door een muur omgeven, waarvoor eenige gewapende Montenegrijnen op wacht staan: dat is het paleis van den Vorst; iets verder, aan de andere zijde, staat een tweede, nog grooter, maar eenvoudiger gebouw, met een voorhof door muren met hoektorens omgeven: dit is het oude paleis, dat sedert den dood van Vorst Danilo ledig staat. Tegenover ons, tegen de hellingen van den Lowchen geleund, verrijst het klooster, de zetel van den archimandriet, met twee hoven boven elkander, een kerk en vrij uitgestrekte gebouwen. Nog iets hooger tegen de berghelling, op de rots gebouwd, verheft zich de toren van het klooster, een toren, waarvan alle reizigers verhalen. Tegenwoordig hangen er klokken in, om de geloovigen tot het gebed op te roepen; maar tot voor eenige jaren werden aan dien toren de hoofden der Turken gespijkerd, die in de onophoudelijke gevechten aan de grenzen waren gedood.

Keeren wij naar den put terug en zien wij recht voor ons uit, dan stuit onze blik tegen het eenige hotel van Cettinjé, een eenvoudig, maar bij vergelijking zeer ruim gebouw. Dit hotel werd in 1867 gesticht, voor rekening van het gouvernement, dat welwillend de zorg voor het gemak der reizigers op zich nam. Ter linkerhand verrijst de meisjesschool, die onder de bescherming staat der Keizerin van Rusland, en bestuurd wordt door eene zeer beschaafde en zeer ontwikkelde dame, mejuffrouw N. Patzévitz.—Dit kleinsteedsche geheel heeft hoegenaamd niets bijzonders of aantrekkelijks; zelfs de minst-eischende toerist gevoelt zich teleurgesteld door het volslagen gemis van alles wat pittoresk mag heeten: een gemis, te sterker gevoeld bladzijde 267na de sombere grootheid en de aangrijpende, angstwekkende verhevenheid van den weg van Cattaro naar hier. Zulk eene teleurstelling bleef ons gespaard, omdat wij niets anders verwacht hadden, daar ons verblijf in de dalmatische dorpen, die ook allen hoogst onschilderachtig zijn, ons op iets dergelijks had voorbereid. Vóór het jaar 1870, hadden deze ruwe, schier vormelooze huizen althans nog iets eigenaardigs door hun rieten daken; maar deze bedekking was uiterst gevaarlijk in eene stad, waar de huizen tegen elkander zijn aangebouwd, en waar in de woningen geen uitgang voor den rook en geen stookplaats voor het vuur wordt gemaakt. Het gebruik van pannen is dan ook bij iederen nieuwen aanbouw verplichtend gesteld.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings