← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

XXIX. Vooruitgang der blanken.—De tegenwoordige toestand.

Reading edition

Tegenover het gansch niet hersenschimmige gevaar eener groote volksverhuizing uit China, waardoor de europeesche beschaving misschien zou kunnen ondergaan en door de aziatische barbaarschheid verdrongen worden, mogen de blanken in Amerika, tot welke partij of richting zij ook behooren, zich wel ernstig rekenschap geven van den tegenwoordigen toestand met zijne eischen en behoeften, zijne beloften en gevaren.

Waterval in het Rotsgebergte.
Waterval in het Rotsgebergte.

Waterval in het Rotsgebergte.

De vooruitgang der blanken in Amerika was tot dusver zoo snel en zoo onophoudelijk, dat zorgeloosheid omtrent de toekomst niet onverklaarbaar is: bij een terugblik op hetgeen bereids is verricht, kunnen de Amerikanen lichtelijk zich inbeelden dat het werk is volbracht, dat het voortdurend bezit van het land voor hen verzekerd is. Toen Hancock en zijne vrienden de onafhankelijkheidsverklaring onderteekenden, waren dertien koloniën door haar afgevaardigden op het Congres te Philadelphia vertegenwoordigd; dertien koloniën, die te zamen eene oppervlakte besloegen van nog geen vijfhonderd-duizend vierkante mijlen en eene bevolking telden van omstreeks twee-en-een-half millioen, waaronder bijkans vijfhonderd-duizend negerslaven. Na verloop van een eeuw zijn die dertien koloniën aangegroeid tot negen-en-dertig staten en acht territoriën, eene oppervlakte beslaande van meer dan drie millioen vierkante mijlen, en eene bevolking tellende van ruim veertig millioen vrijen, de geheel onafhankelijke, zwervende indiaansche stammen niet medegerekend.

Aanvankelijk niet meer dan een strook kustland, bladzijde 346zag de jonge republiek haar gebied beperkt tusschen de zee en de naburige bergketen. Van de Penobscot-rivier in Maine tot de Attamaha in Georgië, strekte het bewoonbare land zich zelden verder dan honderd mijlen binnenwaarts uit. Hier en daar reikte eene of andere vruchtbare vallei tot twee- of driehonderd mijlen, maar in den regel begonnen de hellingen van het Alleghany-gebergte reeds op een afstand van circa honderd mijlen van de kust. Slechts op een enkel punt was deze natuurlijke slagboom doorgebroken: eene opening in de Blue-Ridge, waardoor zich eenige ondernemende planters hadden gewaagd in de vlakte, nu door westelijk Virginia en Kentucky ingenomen; en deze eenzame zwervers hingen af van de genade der roodhuiden, die van tijd tot tijd de hoeven verbrandden, de mannen scalpeerden en de vrouwen naar hun kamp wegvoerden. Pittsburg, een dorp negen jaar oud, stond midden in de woestijn. Iemand, die in een kano de Ohio durfde afzakken, werd als een stoutmoedig ontdekker geëerd. Waar nu Wheeling en Cincinnati staan, met haar scholen en kerken, haar spoorwegen en fabrieken, zag toen de stoutmoedige pionier den rook opstijgen der indiaansche wachtvuren, en hoorde hij uit de verte het krijgsgeschrei der indiaansche kampen. Roodhuiden togen ter bisonjacht in de vlakten van Indiana, dreven in kano's de Ohio af, en wierpen hunne netten uit in de nevenstroomen van de Big-Drink.

Ten zuiden had de jonge republiek aan hare grenzen een wantrouwenden en scherpzienden vijand, tegenover wien hare verhouding zoo veel te moeilijker was, omdat hij vroeger haar vriend en bondgenoot was geweest. Frankrijk had nog steeds de monden van den Mississippi in bezit, en hield dien grooten handelsweg praktisch voor de Amerikanen gesloten. In een land zonder kanalen en nauwelijks met bruikbare wegen, was het vrije gebruik van de groote rivier eene eerste voorwaarde voor kolonisatie in de vallei van den Mississippi; en het was onmogelijk, van de fransche gouverneurs te Nieuw-Orleans die vrijheid te verkrijgen. Zoo scheen de jeugdige republiek, door de natuur en door de omstandigheden, voor altijd beperkt tot haar oorspronkelijk gebied: de kusten en de valleien, die zich van Maine tot Georgië uitstrekken.

Toen de onafhankelijkheidsoorlog ten einde was gebracht, zagen vele ernstige en vaderlandslievende mannen de toekomst donker in. De edele gevoelens en hartstochten, door den oorlog opgewekt, waren uitgebluscht en geweken—en niets bleef over dan de ruïnen en het verderf, van iederen burgeroorlog onafscheidelijk. Het land was een wildernis geworden. Boerderijen, door de eigenaars verlaten, waren aan verval en verwoesting prijs gegeven. Steden waren geplunderd en verbrand geworden door de strijdende legers; bruggen waren vernield, molens verbrand, plantages verwoest. De bevolking der staten was armer dan de bevolking der vroegere koloniën; ieder stak in schulden, en bovendien was er, met en door den oorlog, een onrustige, avontuurlijke geest in de vroegere kolonisten gevaren, die hen met hun lot ontevreden en van de werken des vredes afkeerig maakte. Meer nog: dronkenschap, vloeken en zweren, vroeger bijna onbekend, waren schrikbarend toegenomen; het onderwijs, weleer het voornaamste voorwerp van de zorg der overheid in iedere stad, was verwaarloosd en in verval geraakt; leeraars en onderwijzers, in de republiek geene gelegenheid meer vindende om hunne talenten te besteden, vertrokken naar Europa. Lichtzinnigheid en onzedelijkheid was mode geworden, en de aanzienlijke dames van Boston en Richmond rekenden het zich tot een eer, Voltaire na te praten.

Zelfs Washington's vaste geest werd in hem ontrust. “De geest der vrijheid,” zeide hij zeven jaren na de onafhankelijkheidsverklaring,” is sinds lang geweken, en zelfzucht heeft zijne plaats ingenomen.” Maar tevens wijdde Washington zich met onverzwakte kracht en volhardenden ernst aan de taak, om de wonden te genezen, en de jammeren, door den oorlog veroorzaakt, te doen verdwijnen. En met welken uitslag!

Frankrijk liet zich afkoopen: de monden van den Mississippi kwamen in handen van Amerika. Spanje werd uit Florida verdrongen, en Mexiko uit Californië, Arizona en Texas verjaagd. Bijna geheel de gematigde en een deel van de tropische streek van Noord-Amerika werd gaandeweg ingelijfd bij de republiek. Bijkans dertig staten en territoriën zijn haar in het verloop van een eeuw toegevoegd. In die staten en territoriën wonen veertig millioen vrije burgers, zijn drie-en-zestigduizend kerken, honderd-veertigduizend scholen met tweehonderd-zeventigduizend onderwijzers en ruim zeven millioen leerlingen. Landstreek bij landstreek, ieder zoo groot als menig koninkrijk, is op de woestijn veroverd en in cultuur gebracht; steden bij honderden zijn verrezen en in weinige jaren tot metropolen aangegroeid; spoorwegen doorsnijden in alle richtingen het onmetelijk gebied en verbinden de beide oceanen; handel en nijverheid hebben zich op reusachtige schaal ontwikkeld, en op het gebied van technische wetenschappen neemt Amerika eene eerste plaats onder de moderne volken in. Zoo staat de jonge republiek daar, een voorwerp van bewondering en naijver voor velen, in de volle grootheid van macht, rijkdom, vrijheid, en met eene toekomst voor zich, die nieuwe wonderen in haar schoot te bergen schijnt.... Toch heeft ook deze medaille eene keerzijde!

De onderlinge strijd der rassen, dien wij hebben geteekend, is niet de eenige plaag, waarmede Amerika te worstelen heeft: daar zijn nog andere euvelen te bestrijden, zoowel van moreelen als van physieken aard, om niet te spreken van geduchte politieke en sociale krisissen, die misschien niet verre zijn.

Onder de oorzaken, die de normale ontwikkeling der blanke bevolking in Amerika belemmeren, bekleedt de ongelijke verhouding tusschen beide geslachten—een gevolg van den toevloed van mannelijke landverhuizers en kolonisten—eene eerste plaats.

Dit euvel is de bron van zeer vele anderen, en tevens van den allernoodlottigsten invloed niet alleen op het onderling verkeer tusschen de beide geslachten, maar ook op het karakter en de positie der vrouwen zelven. In dit opzicht staat Amerika achter bij elk ander beschaafd land.

In 1871 bedroeg de bevolking van Groot-Brittannië, in ronde cijfers, een-en-dertig millioen zeshonderd-zeventienduizend bladzijde 347zielen. Daaronder waren vijftien millioen-driehonderd-zestigduizend mannen, en zestien-millioen tweehonderd-zeven-en-vijftigduizend vrouwen: overwicht der vrouwelijke bevolking, achthonderd-zeven-en-negentigduizend.

In 1870 telden de Vereenigde-Staten ook, in ronde getallen, eene blanke bevolking van drie-en-dertig millioen vijfhonderd-negentigduizend zielen. Daarvan behoorden zeventien millioen negen-en-twintigduizend tot het mannelijk, en zestien millioen vijfhonderd-zestigduizend tot het vrouwelijk geslacht. Overwicht der mannelijke bevolking, vierhonderd-negen-en-zestigduizend zielen.

Deze wanverhouding, reeds op zich zelve zoo bedenkelijk, wordt nog erger door de zeer ongelijke verdeeling der vrouwelijke bevolking in de verschillende deelen des lands. Terwijl de republiek over het geheel arm aan vrouwen is, is bijna de helft der staten daarvan rijk voorzien, sommige staten zelfs al te rijk. In zeventien staten en in het district Columbia zijn er meer vrouwen dan mannen. In enkele van die staten is het verschil onbeteekenend, maar in andere daarentegen zeer aanzienlijk, grooter dan in eenig land van Europa. In Engeland bedraagt het verschil tusschen mannen en vrouwen gemiddeld acht-en-twintig per duizend—een gevolg van de sterke landverhuizing—; in Pruisen niet meer dan dertien. In Massachusetts bedraagt dit cijfer reeds vier-en-dertig, en in Noord-Carolina en Rhode-Island is de verhouding nog ongunstiger. Daarentegen heeft in al de andere staten en territoriën de mannelijke bevolking de meerderheid. Ook hier is het verschil soms onbeteekenend: in Vermont, Delaware en Kentucky niet meer dan zeven per duizend. In Californië, Kansas en Minnesota is het verschil zeer belangrijk; in Arizona, Wyoming, Idaho en Montana is het buitensporig groot:—drie, en zelfs vier tegen één. Is het noodig in beschouwingen te treden omtrent den maatschappelijken en zedelijken toestand van landstreken, waar slechts ééne blanke vrouw wordt gevonden tegen vier blanke mannen?

In onmiddellijk verband hiermede staat een ander feit. Drie jaar geleden maakte het bureau voor onderwijs eene statistiek openbaar, waaruit ontegenzeggelijk bleek, dat het getal der geboorten in Amerika van jaar tot jaar verminderde, en dat niet slechts in enkele staten, maar in alle staten. De afneming is blijvend en algemeen: dezelfde in Arkansas en Alabama, als in Massachusetts en Connecticut, in Michigan en Indiana als in Pennsylvanië en New-York, Het getal der geboorten is aanzienlijker onder de landverhuizers dan onder de ingeborenen; en toch, ondanks deze omstandigheid, is het gemiddeld cijfer over het geheele land lager dan in eenig land van Europa. Is het wel zoo vreemd, dat sommige bekwame statistici en physiologen tot de, waarschijnlijk wel wat voorbarige, slotsom zijn gekomen, dat het blanke ras op den duur op amerikaanschen bodem niet leven kan?

Een ander euvel, waarmede de amerikaansche maatschappij te worstelen heeft, en dat ontzaggelijke verwoestingen aanricht, is de verregaande onmatigheid, de dronkenschap. Deze schier onbedwingbare trek naar sterken drank is eene erfenis van de germaansche, engelsche en duitsche, voorvaders van het tegenwoordige amerikaansche volk; hier echter wordt die behoefte nog meer geprikkeld door den invloed van een klimaat, dat zoowel in warmte als in koude telkens tot uitersten overslaat. Evenals de Engelschen, hebben ook de Amerikanen allerlei middelen aangegrepen om dit steeds heftiger voortwoekerend kwaad te stuiten. Zij zijn daarin zelfs verder gegaan dan in Engeland. In sommige staten werd de verkoop van bedwelmende dranken geheel verboden; in andere werd die handel aan beperkingen onderworpen, welhaast met een verbod gelijkstaande. In onderscheidene staten is de drankverkooper verantwoordelijk gesteld voor de vergrijpen of misdaden, door de beschonkenen begaan; en in vele andere is doorgaande dronkenschap een grond voor echtscheiding. En toch—in Amerika zoowel als in Engeland, is de uitkomst van dergelijke maatregelen voor 't minst twijfelachtig. Over het geheel genomen, wordt er in Amerika tegenwoordig meer sterke drank gebruikt dan ooit te voren. Zelfs in die staten, die tot dusver geacht konden worden het minst aan dit euvel te lijden, nemen de veroordeelingen wegens dronkenschap voortdurend toe. In spijt van zijn uiterst strenge wetten, worden er in Maine, in het vorige jaar (1875), meer personen ter zake van dronkenschap veroordeeld, dan in eenig vroeger jaar sedert de invoering der verbodsbepalingen. Massachusetts, na gedurende meer dan twintig jaar de proef te hebben genomen met het verbod van drankverkoop, hoeft onlangs die wet ingetrokken, en laat nu den verkoop van sterken drank toe, behoudens vergunning der overheid. Wetten, reglementen en politiemaatregelen zijn onmachtig gebleken om het kwaad te keeren; maar evenmin is dit tot dusver gelukt aan de ijverige en welmeenende pogingen van particulieren, afschaffingsgenootschappen, vereenigingen, meetings, predikers, zendelingen. Zelfs de, in sommige opzichten misschien bespottelijke, maar in ieder geval goed gemeende, kruistocht door de vrouwen in Ohio, onder aanvoering van Moeder Carey, tegen den drank ondernomen, heeft, voor zoover men oordeelen kan, niet bijzonder veel vrucht gedragen. Het kwaad is zoo ingeworteld, en zoo velerlei oorzaken werken, juist in onzen tijd, mede om het te bevorderen, dat de vraag, hoe die verderfelijke en steeds grooter verwoestingen aanrichtende kanker kan worden genezen of althans beteugeld, inderdaad eene der ernstigste is, die de staatsman en ieder vriend des volks zich ter beantwoording kan voorleggen.

Weinig minder ernstig is het gevaar, dat de republiek dreigt door de schromelijke onwetendheid harer burgers. In Europa wordt zoo dikwijls en met zoo grooten ophef over de amerikaansche scholen en het amerikaansche onderwijs gesproken, dat vele mijner lezers misschien zeer verwonderd zullen zijn, als ik hun zeg, vooreerst, dat er geen amerikaansch stelsel van onderwijs bestaat; ten andere, dat het schoolbezoek nergens in vollen ernst verplicht is, zoo als in Zwitserland; en ten derde, dat het onderwijs noch algemeen, noch voldoende is. De republiek als zoodanig bemoeit zich niet met de opvoeding harer burgers: zij heeft slechts twee bladzijde 348speciale inrichtingen van onderwijs: de militaire akademie te West-Point in New-York, en de marineschool te Annapolis in Maryland. De zorg voor het gewone, lager, middelbaar en hooger onderwijs wordt door de republiek overgelaten aan de bijzondere staten, en door de staten aan de verschillende graafschappen (provinciën), en over het algemeen door de graafschappen weder aan de verschillende gemeenten (townships). Ligt er eene stad binnen de grenzen eener gemeente, dan moeten de burgers dier stad doorgaans zelven voor het onderwijs hunner kinderen zorgen. Daar is dus niet alleen geen algemeen stelsel van onderwijs in Amerika, maar men zou bijna kunnen zeggen, dat er zoo vele verschillende stelsels als gemeenten zijn.

Slechts in vijf staten van de negen-en-dertig bestaat er eene wet, die het bezoeken der school voorschrijft. Die vijf staten zijn New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Michigan en New-York; maar zelfs in die staten wordt de wet nergens met kracht gehandhaafd, en de uitkomsten der statistiek zijn dan ook alles behalve gunstig. In New-Hampshire kunnen zevenduizend personen niet lezen, en bijna tienduizend niet schrijven. In Connecticut kunnen twintigduizend personen niet lezen, en dertigduizend niet schrijven. In Michigan kunnen vier-en-dertigduizend personen niet lezen, en drie-en-vijftigduizend niet schrijven. In New-York zijn er honderd-drie-en-zestigduizend personen, die niet lezen, en bijna tweehonderd-veertigduizend, die niet schrijven kunnen. Volgens de statistiek, door het bureau van onderwijs te Washington uitgegeven, waren er in 1870 in geheel Amerika ruim vier millioen-vijfhonderd-duizend personen, die niet lezen, en meer dan vijf millioen-zeshonderd-duizend, die niet schrijven konden!

En men meene niet, dat deze ongeletterde lieden geheel of voor het meerendeel vreemde landverhuizers zijn: iersche arbeiders, duitsche landbouwers, Chineezen, Afrikanen enz. Volstrekt niet. Vooreerst kunnen de duitsche en chineesche landverhuizers, in den regel, wel lezen en schrijven;—ik heb nog nimmer een Chinees ontmoet, die niet kon lezen, en maar zeer weinigen, die niet konden schrijven—natuurlijk in hun eigen taal. Maar volgens de statistiek zijn van die vijf millioen zeshonderdduizend, die niet lezen en schrijven kunnen, slechts zevenhonderd-vijftigduizend personen niet in Amerika geboren. Natuurlijk worden bij deze opgaven de negers medegerekend; maar de negers zijn nu ook amerikaansche burgers, met politieke rechten. Hun aantal in deze statistiek bedraagt twee millioen zevenhonderd-vijftigduizend. Dan komen nog eenige getallen in aanmerking voor roodhuiden en Chineezen; maar na aftrek van negers, roodhuiden en gelen, blijven er dan toch nog twee millioen achthonderdduizend zuivere blanken over, die noch lezen, noch schrijven kunnen, en daarvan zijn ruim twee millioen echte geboren Amerikanen! Als men nu daarbij overweegt, hoe bitter weinig de bloote kennis van lezen en schrijven voor de intellectueele ontwikkeling bewijst, dan zal men den grooten roep over het amerikaansche volksonderwijs zoo wat op zijne wezenlijke waarde kunnen schatten.—Echter moet worden erkend, dat sedert deze verbazingwekkende feiten aan het licht kwamen, van verschillende zijden, met ernst en kracht, de hand aan het werk is geslagen, om in dezen jammerlijken toestand—mede voor een groot deel het gevolg van den burgeroorlog—verbetering te brengen. Daar zullen echter vele, vele jaren moeten verloopen, en daar zal nog zeer, zeer veel gedaan moeten worden, eer de model-republiek, ook wat het volksonderwijs aangaat, zich op gelijke lijn kan stellen met de meeste staten in Europa.

Laat ons, ten slotte, met een enkelen blik, den huldigen toestand overzien.

De natuurlijke hoofdvoorwaarden voor nationale ontwikkeling zijn overal: grond en bevolking. Ook Amerika dankt aan den overvloed van beiden in de eerste plaats zijn voorbeeldeloos snellen wasdom. Tot nu toe heeft de stroom van immigranten niet stil gestaan, en voor allen was er grond en woning in voorraad. Zal dit zoo blijven?

Sedert het einde van den onafhankelijkheidsoorlog heeft Europa meer dan negen millioen menschen aan Amerika geleverd. Blijkens de volkstelling van 1870 waren vijf-en-een-half millioen inwoners op vreemden grond geboren; terwijl van bijna elf millioen hetzij de vader, hetzij de moeder vreemdeling van geboorte was. Van de zeven Amerikanen was er dus één van geboorte vreemdeling; en bijna één van de drie was althans deels van vreemde afkomst. Geen ander land telt zoo vele vreemden in zijn gebied.

Van de ongeveer tien millioen menschen, die uit verschillende wereldstreken naar Amerika zijn verhuisd, zijn bijna zes millioen van de Britsche eilanden en van Britsch Amerika afkomstig; en ruim twee-en-een-half millioen van Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, doch zonder Polen en Hongarije. Van de niet-europeesche staten heeft China het grootste getal geleverd; dan volgen West-Indië en Mexiko. Maar de bijdragen van landverhuizers uit Azië, Afrika, Australië en Amerika (met uitzondering van Engelschen) beloopen nog niet één per dozijn. De republiek is dus hoofdzakelijk bevolkt door personen, uit Engeland en Duitschland afkomstig.

Zal nu deze toevloed van engelsche en duitsche kolonisten ook in het vervolg, op dezelfde groote schaal, blijven voortduren? Niemand die het gelooft. Daar zijn vele teekenen, meer of minder duidelijk en openbaar, die recht geven tot de uitspraak, dat deze landverhuizing haar toppunt reeds heeft bereikt en verder voortdurend af zal nemen.

Tocht door een amerikaansch bergwoud.
Tocht door een amerikaansch bergwoud.

Tocht door een amerikaansch bergwoud.

Gedurende veertig jaren (1820-'60) klom het cijfer der emigranten uit engelsche havens met ieder tiental jaren. In het eerste tiental bedroeg dit cijfer honderd-twee-en-vijftig-duizend; in het tweede tiental steeg het tot omstreeks zeshonderd-duizend; in het derde tot een millioen-zevenhonderdduizend; in het vierde tot twee-en-een-half millioen. Dan volgt een stilstand. Gedurende twee jaar daalde het cijfer, niet alleen in evenredigheid tot de vroegere vermeerdering, maar ook wat het werkelijk aantal personen betrof. Toen de oorlog uitbrak, en zoo lang die duurde, werden een bladzijde 350aantal Ieren, door het vooruitzicht van hooge soldij en goed voedsel, verlokt om naar Amerika te gaan. Maar zelfs toen werden de vroegere cijfers van emigranten nooit meer bereikt. De bronnen, waaruit de stroom ontsprong, begonnen op te drogen. Door de engelsche regeering werd en wordt nog niets gedaan, om de verhuizing des volks naar Amerika tegen te gaan: het recht om zijn eigen woonplaats te kiezen, wordt als een onschendbaar recht des menschen beschouwd. Integendeel zijn, zoowel door de regeering als door particulieren, allerlei maatregelen genomen om de landverhuizing te bevorderen en gemakkelijk te maken. En toch, ondanks dat alles, neemt de beweging af; ja, is er zelfs reeds eene beweging in tegenovergestelde richting begonnen. Scharen van landverhuizers keeren naar Europa terug, en nog grootere scharen zouden dit doen, indien hunne middelen het hun veroorloofden. Van Portland tot Nieuw-Orleans worden onze consuls onophoudelijk lastig gevallen met aanvragen om vrijen overtocht, dien zij niet bezorgen kunnen. De verhouding tusschen de aankomende en de terugkeerende landverhuizers is niet na te gaan, want van de vertrekkenden wordt geen aanteekening gehouden. Maar de persoonlijke ervaring leert mij, dat menschen van allerlei beroep, zoowel stedelingen als landbouwers, hun best doen om terug te keeren. Onze regeering doet niets om deze beweging in de hand te werken: een landverhuizer als zoodanig kan op geenerlei ondersteuning rekenen: niettemin spannen duizenden en tienduizenden al hunne krachten in om naar Liverpool en Cork terug te keeren. Tien jaar geleden, vondt ge in Munster of Essex geen enkelen boer of arbeider, die in Amerika was geweest: Amerika was voor allen het beloofde land, en niemand dacht er aan, daaruit terug te komen. Tegenwoordig is dat anders. In bijna ieder dorp nabij Cork vindt ge boeren, die te Chicago of Saint-Louis zijn geweest. In den omtrek van Ongar en Brentwood is het geen zeldzaamheid arbeiders aan te treffen, die met u over Kansas spreken kunnen. Zij hebben het beloofde land aanschouwd, en zijn toch tot hunne oude woningen teruggekeerd.

Uit Duitschland schijnt voortaan geen rijker toevoer van landverhuizers te wachten dan uit Groot-Brittannië; laat mij liever zeggen nog minder, want prins Von Bismarck heeft zijne aandacht gewijd aan deze beweging en tracht de oorzaken der voor het vaderland zoo schadelijke landverhuizing weg te nemen.

Even als Engeland, leverde ook Duitschland in ééne dekade het grootste aantal landverhuizers, waarna de beweging afnam. In de eerste tien jaren van hetzelfde tijdvak (1820–'60) vertrokken uit Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, nog geen achtduizend zielen; in het tweede tiental klom dit cijfer tot honderdvijftigduizend; in het derde, tot vierhonderd-dertigduizend; en in het vierde tot negenhonderd-vijftigduizend. Toen kwam ook hier de stilstand. Gedurende de drie volgende jaren daalde het cijfer. Tijdens den burgeroorlog wies ook weer tijdelijk de stroom der duitsche landverhuizing, maar ook hier werden, ondanks de verlokkingen van hooge soldij en goed voedsel, de cijfers van 1853 en 1854 nooit meer bereikt. De bronnen schenen op te drogen. Sedert is in Duitschland eene geheele omkeering tot stand gekomen. De pruisische regeering, thans de leidende macht in Duitschland, is niet gezind de landverhuizing ongestoord haar gang te laten gaan; reeds zijn er te velen vertrokken. Wel zal de regeering de landverhuizing niet rechtstreeks verbieden, maar ongetwijfeld zal zij die trachten te beperken en te voorkomen, door zooveel mogelijk de oorzaken weg te nemen, die de lieden bewegen elders hun levensonderhoud te gaan zoeken. Het laat zich dus niet aanzien, dat in het vervolg vele millioenen Duitschers naar Amerika zullen verhuizen.

Dit voor zoo veel het volk betreft. En nu het land. Mogen wij de opgaven en de verslagen van generaal Hazen gelooven, dan is de voorraad van land evenmin onuitputtelijk als de toevoer van kolonisten. Vele illusiën daaromtrent zijn bij nauwkeuriger onderzoek geweken. Toen Louisiana van Frankrijk werd aangekocht, achtte men dit grondgebied schier grenzenloos; niemand wist hoe ver het zich naar het westen uitstrekte, ter nauwernood waar de noordelijke grens te vinden was. Toch is nu reeds iedere bunder van dat grondgebied bezet, en voor zoover de arme en moerassige bodem toelaat, ook in cultuur gebracht. Hetzelfde was het geval toen Illinois, Jowa, Nebraska, Kansas ingelijfd werden. Die streken, meende men, boden overvloedig ruimte aan voor een onnoemelijk getal menschen, elk minstens voor dertig millioen, met eene boerderij voor ieder gezin. In deze vier staten is ook al het land reeds ingenomen: althans al het land, dat de moeite der inbezitneming loont. Het grootste gedeelte van Kansas en Nebraska, en wijde, onafzienbare streken in Dakota en Colorado, zijn voor nederzetting en kolonisatie geheel ongeschikt. Idaho, Montana, Wijoming en Utah zijn bergplateaux, voor het grootste gedeelte hoog en dor, over het geheel genomen slechts geschikt voor veeteelt op zeer groote schaal, zoo als alleen voor kapitalisten mogelijk is. Langs den oever van den Stillen-oceaan, van Washington tot Opper-Californië, is geen “wild land” meer over, en nog maar een klein deel werkelijk bruikbaar domaniaal land. Volgens Hazen geldt ditzelfde ook van Texas, Nieuw-Mexiko en Arizona. In de nabijheid van den Mississippi is de grond vochtig genoeg: maar naarmate men den Stillen-oceaan nadert, wordt de bodem hooger en dorder. Water en hout worden zeldzaam; de winter is hier zeer streng. Hier en daar vindt men wel eene vruchtbare vallei en enkele liefelijke oasen in de woestijn, zoo als Sint-George aan de Rio Virgen, maar over het geheel genomen is het land uitgedroogd, naakt en dor. In Utah en Colorado is de natuur minder ongunstig: maar de oppervlakte van het voor bebouwing geschikte terrein is ook daar zeer gering; verder noordwaarts is de grond arm, de hoeveelheid regen van weinig beteekenis, de plantengroei schraal en de koude zeer streng.

De slotsom van generaal Hazen is, dat er binnen de grenzen der republiek nog maar zeer weinig land over is van zoodanige kwaliteit, dat degelijke kolonisten daardoor tot verhuizing zouden worden uitgelokt. bladzijde 351

Zijn deze opgaven juist—en zeer bevoegde personen verzekeren mij dat ze juist zijn—dan is het einde van den buitengewonen, exceptioneelen toestand, waarin Amerika tot dusver verkeerd heeft, nabij. Voor het vervolg zal de republiek dan op eigen krachten moeten steunen en zich zelve helpen, en kan zij voortaan van Europa geene andere of meerdere hulp verwachten dan bij voorbeeld Engeland van Duitschland, of Italië van Frankrijk verwacht.

Met haar schier voorbeeldeloos verleden mag Amerika voorzeker op eene schoone toekomst hopen. Maar er zijn dreigende teekenen, die niet over het hoofd mogen worden gezien. De strijd is nog niet volstreden; het groote werk nog niet voltooid. Zal het blanke ras in Amerika zijne meerderheid tegenover vreemde elementen handhaven, dan zullen alle blanken zich aaneen moeten sluiten en, met terzijdestelling van dwaze theorieën en zelfzuchtige berekeningen, den werkelijken toestand ernstig onder de oogen zien en zich doordringen van het besef hunner onderlinge solidariteit. Zal de republiek inderdaad met vrucht arbeiden aan het groote werk der algemeene ontwikkeling en beschaving, dan moet zij, in stede van voortdurend te roemen op de verkregen resultaten, in de eerste plaats haar aandacht schenken aan de gevaarlijke wormen, knagende aan de wortelen van dien wonderboom. Dan moeten binnenlandsche twisten en partijschappen worden ter zijde gesteld; dan moet bovenal de grenzenlooze zelfzucht, het allesoverheerschende materialisme, de weergalooze corruptie, met alle kracht worden bestreden, en met ernst en toewijding de hand geslagen aan de groote taak, ook voor dit volk weggelegd, en die alleen door eendrachtige samenwerking van alle werkelijk beschavende en veredelende krachten kan worden vervuld.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings