IV.
Reading edition
Wij bevinden ons op montenegrijnschen bodem, in de hoofdstad van het kleine vorstendom. Wij willen nu, eer wij verder het land ingaan, een vluchtigen blik werpen op zijne geschiedenis. Welke volken en stammen hebben deze bergen bevolkt, en wie hebben over hen geregeerd? Welke zijn de groote lijnen, de hoofdmomenten hunner geschiedenis; en krachtens welk beginsel oefent de thans regeerende Vorst een bijna onbeperkt en onbetwist gezag uit over dit hooghartige, fiere en tot hiertoe nog onverwonnen en ongetemde volk? Ik wil trachten, zoo kort mogelijk, die vragen te beantwoorden.
Honderd-acht-en-zestig jaar vóór Christus namen de Romeinen van deze landstreek bezit: eene ontwijfelbare herinnering aan hunne heerschappij is nog altijd overig in een ouden heirweg, die van het antieke Epidaurum naar het tegenwoordige Skutari of Skodra voert. Het land behoorde toen, met geheel Dalmatië, tot de provincie Illyrië. In de derde eeuw verschijnen de Gothen, later opgevolgd en verdrongen door de Slaven, die reeds van Dioclea hunne hoofdstad hadden gemaakt. Omstreeks de zevende eeuw verdwijnt de naam van Illyrië, te midden van de verwarring der opeenvolgende invasiën van Kroaten, Bulgaren en Serviërs. Het servische rijk wordt gegrondvest en neemt snel in macht toe; dit rijk, dat nog steeds het ideaal is, naar welks verwezenlijking alle Zuid-Slaven smachtend uitzien, omvatte, behalve het tegenwoordige Servië, ook Bosnië, Moesië, een deel van Dalmatië en Dacië. Bij den noodlottigen slag van Kossovo (1389) ging dit servische rijk te gronde, en vielen de tot dusver aan de servische kroon behoorende landen in de macht der Turken.
Toen aldus de slavische macht gebroken werd, behoorde ook het tegenwoordige Montenegro tot Servië, en werd bestuurd door een ban, die het oppergezag der servische Koningen erkende. De nederlaag bij Kossovo verbrak die banden; de bans, hertogen of vorsten van Zèta weigerden zich te onderwerpen aan de mohammedaansche heerschappij, en weken met eenige stammen (plemena) naar de bijna ontoegankelijke bergen, waar zij hunne onafhankelijkheid wisten te handhaven. Dat zij, ondanks de bijna rusteloos herhaalde pogingen der Turken om dit laatste overblijfsel der eenmaal zoo machtige servische natie onder hun juk te doen bukken, deze hunne onafhankelijkheid nu welhaast gedurende vijf eeuwen inderdaad hebben bewaard:—ziedaar een eeretitel, waarop de Montenegrijnen met het volste recht trotsch mogen zijn, en die hen de rechtmatigste aanspraak moest geven op de warme sympathie en de krachtige ondersteuning van het christelijk Europa, indien dat Europa zich heden nog door andere beweegredenen, dan die aan het cynische eigenbelang ontleend, liet leiden. Maar toch, al worden zij door hunne natuurlijke bondgenooten te vaak alleen gelaten in den strijd tegen den gemeenschappelijken erfvijand, zij hebben de worsteling tegen de overstelpende overmacht niet opgegeven, en nog altijd staat Montenegro als een laatste bolwerk der zuid-slavische nationaliteit:—moge het ook zijn als de profecie eener betere toekomst.
Na het uitsterven van de oude vorstelijke familie van Balschich, in 1421, verkozen de Montenegrijnen den dapperen Stophan Tzernojewitch tot Vorst; deze stichtte twee havensteden aan de Adriatische-zee, en bouwde ook het klooster te Cettinjé, dat in 1485 tot den zetel der regeering verheven werd. Stephan sloot een verbond van vriendschap met Venetië, en leefde, even als zijn zoon Iwan, in onophoudelijken krijg met de Turken. Een der gewichtigste feiten van dit tijdvak is wel de overbrenging van den vorstelijken zetel van Zabljak, eene vesting in de vlakte ten noorden van Skutari, naar het klooster te Cettinjé, in het hart van het gebergte, dat gemakkelijker te verdedigen was, en waar het kostbaar pand der nationale onafhankelijkheid beter kon worden bewaard. George, de laatste bladzijde 271Vorst uit het geslacht van Tzernojewitch, die met eene dame uit Venetië was gehuwd, deed in 1515 afstand van de regeering en begaf zich naar het vaderland zijner vrouw. Met hem eindigt de reeks der Woïwoden of wereldlijke Vorsten van Montenegro: George Tzernojewitch droeg namelijk het oppergezag over aan den Vladika (bisschop) Vavil, welk besluit door het volk werd goedgekeurd.
Sedert dien tijd tot in 1851, werd Montenegro nu door deze tevens geestelijke en wereldlijke opperhoofden geregeerd, die de bevoegdheid hadden zelf hun opvolger aan te wijzen. Intusschen waren de stammen bijna geheel onafhankelijk geworden; de band, die de kleine natie tot dus ver had saamgesnoerd, was allengs verbroken; onderlinge twisten, veeten en oorlogen hielden de stammen tegen elkander verdeeld, en alleen de gemeenschappelijke strijd tegen den erfvijand vermocht nog tot op zekere hoogte de eendracht te bewaren. De Turken maakten natuurlijk van die verdeeldheden gebruik, om telkens nieuwe veroveringen te maken, de Montenegrijnen al verder in het gebergte terug te dringen en hen bij herhaling tot in hunne laatste wijkplaatsen te bestoken. Maar altijd moet de grimmige vijand zijne prooi weer loslaten, en weet het ongetemde volk, dat nimmer zijne wapenen aflegt, de vrijheid te heroveren en te handhaven. In 1687 staan de Montenegrijnen, van de Venetianen verlaten, alleen tegenover de verpletterende overmacht der Turken, en Soliman-pâsja dringt tot Cettinjé door, dat hij te vuur en te zwaard verwoest. Maar ook nu kan de turksche macht zich in dit onbedwingbare land niet staande houden. De stamhoofden, in het dreigend gevaar hunne onderlinge verdeeldheden ter zijde zettende, verkiezen tot Vladika Danilo Petrowitch, uit den stam van Njégosch, een man van groote bekwaamheid en energie, die als krijgshoofd niet minder dan als bisschop een bijna onbeperkt gezag over zijne onderdanen uitoefende. Danilo peinsde op middelen om zijn land van de turksche heerschappij te verlossen; en de gelegenheid bood zich weldra daartoe aan. De pâsja van Skutari noodigde den Vladika uit, eene nieuwe kerk te Podgoritza te komen inwijden: op zijn eerewoord beloofde de pâsja vrijgeleide. Maar nauwelijks was Danilo to Podgoritza aangekomen, of hij werd gevangen genomen en in den kerker geworpen; om aan den dood, die hem wachtte, te ontsnappen, moest hij een losgeld van dertigduizend dukaten betalen. Te Cettinjé teruggekeerd, vatte nu de Vladika het besluit op om alle Muzelmannen, die zich op montenegrijnsch grondgebied bevonden, te dooden; en in den Kerstnacht van 1702 werd dit besluit ook werkelijk uitgevoerd. Zoo rustte het zwaard nimmer: en wanneer men de geschiedenis van dit kleine land leest, dan is niets gemakkelijker te begrijpen dan de felle, onverzoenlijke, doodelijke haat, die Montenegrijnen en Turken jegens elkander koesteren. Inderdaad, tracht u voor een oogenblik dezen toestand helder voor den geest te brengen: een volk, zeer gering in aantal, opgesloten in eene door de natuur gevormde vesting van steile, naakte bergen, waar het schier aan alles mangelt wat ook voor het soberste leven onontbeerlijk is; en dat volk, bijna vijf eeuwen lang, gedwongen met het zwaard zijne onafhankelijkheid te verdedigen tegen een overmachtigen vijand, die zijn ondergang gezworen heeft; vijf eeuwen lang gewikkeld in een bijkans rusteloozen strijd met woeste, bloeddorstige barbaren, die overal waar zij verschijnen een spoor van verderf en dood achter zich laten; in een strijd, die de voortdurende inspanning, de onvoorwaardelijke toewijding van allen vraagt, die letterlijk allen dwingt onophoudelijk de wapenen te voeren en te ieder uur bereid te zijn, den dood tegemoet te gaan. Denk u, voor zoo ver ge dat in onze toestanden vermoogt, in dezen toestand in: en verwondert het u dan nog, dat de Montenegrijn boven alles soldaat is, dat het volkskarakter zich onder die invloeden niet altijd ten goede heeft ontwikkeld en meer dan wenschelijk is heeft overgenomen van de ruwheid en woestheid der barbaarsche horden, tegen wie deze bergbewoners voortdurend lijf en goed hadden te verdedigen?
De moord van 1702 moest gewroken worden. De verbitterde Turken willen nu voor goed aan die eindelooze worsteling een einde maken: honderd-twintig-duizend man trekken, onder aanvoering van den grootvezier Köprili, tegen Montenegro op. De verbonden stammen moeten voor de overmacht naar het hart van het gebergte wijken, en op nieuw wordt Montenegro door de Turken overstroomd, Cettinjé andermaal geplunderd en verbrand, en tweeduizend man in gevangenschap weggevoerd. Doch ook ditmaal was de plaag voorbijgaande en herwon het volk zijne onafhankelijkheid. Omstreeks dien tijd werd de waardigheid van Vladika in het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig nog regeert, erfelijk verklaard; daar echter de bisschoppen niet mochten huwen, werden zij door een hunner neven opgevolgd.
Toen, in 1788, Keizer Jozef II van Duitschland en Keizerin Katharina II van Rusland aan de Porte den oorlog verklaarden, riepen zij ook de medewerking der Montenegrijnen in. Deze grepen aanstonds naar de wapenen, en gaven tot in 1791 aan een turksch leger van vijftigduizend man de handen vol werk; maar toen in Augustus van dat jaar de vrede van Sistowa gesloten werd, vergaten de beide monarchen, ondanks hunne plechtige beloften, hun trouwe bondgenooten en werd te hunner behoeve niets bedongen. Nu volgde voor Montenegro een betrekkelijk lange tijd van rust, dien de later heilig verklaarde Vladika Peter I Petrowitch gebruikte om de inwendige aangelegenheden des lands zooveel mogelijk te regelen. Hij maakte een einde aan de onderlinge veeten der stammen, breidde de bevoegdheid van het opperste gerechtshof uit, en vaardigde in 1798 een algemeen wetboek (Zakonik) uit, waarin de tot dusver in Montenegro gebruikelijke en overgeleverde wetten en regelen van bestuur, rechtspleging enz. waren bijeenverzameld. Aan de oorlogen van Rusland tegen Turkije en Frankrijk, in de eerste jaren dezer eeuw, namen de Montenegrijnen zeer levendig aandeel; en in 1812 veroverde Peter de Bocca di Cattaro met de stad van dien naam, waardoor hij eene voor zijn volk schier onmisbare gemeenschap met de Adriatische-zee verkreeg. Men vergunde hem evenwel niet, die natuurlijke haven van Montenegro te behouden; hij moest bladzijde 272de stad aan Oostenrijk afstaan, dat toch, naar men zou meenen, met geheel Dalmatië tevreden kon zijn en het arme vorstendom dezen eenigen uitgang naar de beschaafde wereld niet behoefde te benijden.
De opvolger van Peter I, de jonge, edele Peter II, die in Petersburg zijne opvoeding ontvangen had, heeft zich door zijne onvermoeide pogingen tot beschaving van zijn volk een welverdienden roem verworven. Zelf een man van veel aanleg en ontwikkeling, ook dichter, bevorderde hij krachtig de belangen van het zoozeer verwaarloosde onderwijs, en maakte zich als regent verdienstelijk door de vestiging van eene regelmatige regeering en de zorg voor de welvaart en de ontwikkeling zijns volks. Ook hij voerde bij herhaling oorlog tegen de Turken en was daarin meestal gelukkig, al was het ook, bij gebrek aan medewerking, indien al niet door rechtstreeksche tegenwerking der europeesche mogendheden, onmogelijk, de gemaakte veroveringen te behouden. Peter II, die den 31sten October 1851 stierf, was de laatste Vladika: zijn neef en opvolger Danilo deed afstand van zijne geestelijke waardigheid, en werd in 1852 door Oostenrijk en Rusland als erfelijk Vorst van Montenegro erkend. Met hem begint een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Montenegro; wij hopen later meer uitvoerig over dezen merkwaardigen man te spreken. Danilo I werd op den 12den Augustus 1860, door een Montenegrijn, uit persoonlijke wraakzucht te Cattaro doorschoten, en bezweek den volgenden dag. Daar hij slechts eene dochter naliet, werd hij opgevolgd door den zoon van zijn broeder Mirko Petrowitch, den tegenwoordigen Vorst Nikita (Nikolaas) I.

De waterputten te Cettinjé.
Prins Nikolaas I, Petrowitch Njégosch, die in officieele stukken den titel voert van Vorst en Gospodar van Tzernagora en Berda, werd in 1841 geboren, in het dorp Njégosch, waar wij hebben stil gehouden. Het geslacht der Petrowitch is uit Herzegowina afkomstig en was ook daar in een vlek, Njégosch genaamd, gevestigd. Terwijl een aantal aanzienlijke servische families, na de verovering des lands door de Turken, tot den Islâm overgingen en zich daardoor het bezit van hare oude en het genot van nieuwe privilegiën verzekerden, bleven de Petrowitch aan hunne christelijke belijdenis getrouw, en moesten zich deswege allerlei kwellingen en onderdrukkingen getroosten. Omstreeks 1550 verlieten al de leden van het geslacht, met hunne onderhoorigen en hunne kudden, hunne toenmalige woonplaats en sloegen hunne tenten op in een bergvlakte, waar zij gras voor hun vee vinden konden. De familie of clan stichtte daar een vlek, waaraan zij den naam gaf van hare aloude vaderstad, breidde zich uit, nam in welvaart toe, en bekleedde weldra, dank zij de bekwaamheid en den moed harer hoofden, haar rijkdom en macht, een eerste plaats bladzijde 273onder de aanzienlijkste geslachten des lands. In 1697 werd een Petrowitch, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, uit hoofde van zijn onversaagden heldenmoed en den invloed, dien hij op de stammen uitoefende, door de algemeene vergadering der woïwoden tot Vladika gekozen, welke waardigheid kort daarop erfelijk in de familie werd verklaard. De dynastie der Petrowitch zit dus sedert honderd-tachtig jaar op den troon van Montenegro; daar echter de Vladika, uit hoofde van zijn geestelijk karakter als bisschop, niet huwen mocht, werd hij steeds door een zijner neven opgevolgd. Krachtens dit beginsel regeert ook de tegenwoordige Vorst, zoon van Mirko Petrowitch, oudsten broeder van Danilo I en aarts-hertog of weliki-woïwode van Montenegro. De laatste Vladika, Danilo, had echter, zooals reeds gezegd is, van zijne geestelijke waardigheid afstand gedaan en zich in het huwelijk begeven, zoodat de erfelijkheid in rechte lijn kon worden ingevoerd; bij gebreke van mannelijk oir, had dan ook Danilo's broeder, Mirko Petrowitch, den troon moeten beklimmen; maar ten gevolge van bijzondere omstandigheden deed hij afstand van zijne rechten, zoodat zijn zoon Nikolaas tot Vorst werd gekozen, de eerste van dien naam en de zevende soeverein uit zijn geslacht.

Slavische boeren van Grahovatz.
Gelijk bijna niemand naar Rome gaat (of althans ging), zonder den Paus te zien, zoo gaat men ook niet, en nog minder, naar Montenegro, zonder een bezoek af te leggen bij den Vorst. Bovendien is men te Cettinjé als in een circus of schouwburg, en al wilde men onopgemerkt blijven, zou dit welhaast onmogelijk zijn, want uit zijn paleis overziet de Vorst zelf de gansche stad; niets van hetgeen er gebeurt ontgaat de aandacht, en de aankomst van een vreemdeling is eene gebeurtenis, hoewel de Montenegrijn uit zijn aard bladzijde 274zich weinig om vreemden bekommert. Een gewoon toerist waagt zich in den regel niet te midden dezer bergen; wie hier komt, doet dit doorgaans met een bepaald doel, hetzij wetenschappelijk, hetzij politiek, en het kleine hof van Cettinjé weet gaarne wie de bezoekers van het land zijn. In iederen onbekenden reiziger vermoedt men allicht een geheimen zendeling: trouwens iederen avonturier valt het niet moeilijk, zich in het geheele Balkan-schiereiland voor een russisch agent te doen doorgaan. Al mijne brieven voor het vorstendom en ook die persoonlijk aan Zijne Hoogheid gericht, waren ten gevolge van een misverstand in Italië achtergebleven. De agent van den Vorst te Cattaro, met wien ik bij toeval te Sebenico kennis had gemaakt, had per telegraaf van onze komst bericht gezonden; en daar de adjudant van den Vorst, die zijne opleiding te Saint-Cyr had ontvangen, het fransch zoo goed sprak als ik zelf en een trouw lezer was van de Revue des Deux-Mondes en van andere fransche tijdschriften, werden wij al spoedig aan het hof voorgesteld.
Het paleis van Cettinjé gelijkt, wat zijne afmetingen betreft, op eene aanzienlijke villa uit den omtrek van Parijs; toen wij er des avonds voor het eerst ontvangen werden, gingen wij eerst door eene met wapen-trofeeën versierde voorzaal, en beklommen vervolgens een trap, die naar de wachtkamer op de eerste verdieping voerde. Voor de deur dier kamer stonden, op het portaal, ter wederzijde vier lijfwachten, in groot uniform en in volle wapenrusting. Het getal dier lijfwachten, kabahadié, bedraagt niet meer dan tien. Een adjudant ontving ons aan den ingang van dezen salon, die met de portretten prijkt van Vorst Danilo, van de Keizers en de Keizerinnen van Rusland en van Oostenrijk, van den gewezen Keizer en de Keizerin van Frankrijk, van den Vladika Peter II, van Mirko Petrowitch, van de Prinses-weduwe Darinka, en van de Prinses Milena, de regeerende Vorstin. Al die portretten schenen mij toe van de hand van Czermak, den bekenden servischen schilder, te zijn.
Zoodra ik den drempel van den tweeden salon overschreden had, kwam de Vorst naar mij toe, en weldra waren wij in gesprek gewikkeld. De omstandigheden waren zeer ernstig; de Vorst was gedrukt, ontstemd en blijkbaar niet op zijn gemak. Een bewoner van Herzegowina, een turksch onderdaan, was onlangs op montenegrijnsch gebied vermoord gevonden, juist toen de bergbewoners, naar hunne gewoonte, gereed stonden zich naar de markt te Podgoritza te begeven. De Turken hadden daarop, zonder verder onderzoek, de op niets kwaads bedachte Montenegrijnen aangevallen, en zeventien hunner, mannen en vrouwen, vermoord. Natuurlijk had dit feit door geheel Montenegro de heftigste verontwaardiging opgewekt, en brandden de bergbewoners van begeerte om hunne broeders te wreken. De Vorst deed wat hij kon, om zijne onstuimige en krijgshaftige onderdanen in bedwang te houden: de diplomatie was in de zaak gemengd, en Nikolaas I wilde tot iederen prijs eene botsing met het overige Europa en vooral met zijn natuurlijken beschermer, den Keizer van Rusland, vermijden. Hij twijfelde niet aan zijn invloed, hij wist dat hij gehoorzaamd zou worden; maar zoo de Vorst al bereid was zich te voegen naar de eischen der diplomatie en den langzamen gang der kanselarijen, is het wel te begrijpen dat de vurige Montenegrijn met moeite de beleediging verduurde en ten volle den toorn billijkte, die in het hart zijner onderdanen kookte.
Rijzig van gestalte, donker van gelaatskleur, met een laag voorhoofd, zwaar, vol, glanzend hair, levendige en doordringende oogen, statig en eenvoudig van voorkomen, vertoont de Vorst den echten type van den volmaakten montenegrijnschen ridder. Deze man, die als driftig en onstuimig bekend staat, heeft eene zachte en doordringende stem; hij spreekt langzaam en weegt zijne woorden; hij bedekt zijn hartstocht en energie onder een waas van eenvoud, kalmte en rustige zachtmoedigheid, dat een zeer aangenamen indruk maakt, en u bijna doet vergeten dat Prins Nikolaas in lichaamskracht, vlugheid en behendigheid door weinigen overtroffen wordt, en dat hij de eerste ruiter en de eerste schutter van het geheele vorstendom is. Hij heeft ongetwijfeld ook het voorkomen van een krijgsman; maar tevens heeft hij getoond een voorzichtig en bekwaam diplomaat te zijn, die zijn tijd weet af te wachten en begrijpt dat hij, om zijn doel te bereiken, rekening moet houden met de omstandigheden. Nikolaas I stelt er blijkbaar meer zijne eer in, de onstuimige drift zijns volks te beteugelen, dan nieuwe lauweren te zoeken in den strijd, al heeft hij reeds blijken te over gegeven van persoonlijke onverschrokkenheid. Hij spreekt met groote liefde van zijn volk; hij weet wat hun ontbreekt, en kan, door eigen aanschouwing, oordeelen over het verschil tusschen de sociale toestanden in zijn land en in de andere landen van Europa; maar hij waardeert ook zijns volks natuurlijke gaven en krachten, hij begrijpt en deelt de groote nationale aspiraties en verlangens, en daarom juist houden de Serviërs het oog op hem gericht.
Zijne eerste jeugd heeft hij gesleten te midden dezer woeste en dorre natuur; als kind heeft hij die naakte rotsen beklommen en zich nedergezet in de armste woningen, luisterende naar de oude volksliederen, die de grootsche en smartelijke herinneringen der geschiedenis van Montenegro bewaren; en de servische muze, die de helden bezingt en treurt op de graven der verslagenen, heeft ook hem met haar vleugelslag aangeraakt: hij zelf is dichter-zanger. Dit is trouwens eene traditie in de vorstelijke familie, want een zijner voorgangers behoort tot de voornaamste rhapsoden van Servië; maar bij Vorst Nikolaas is dit tevens de uiting van eene natuurlijke aandrift. Door dit alles, door zijne liefde voor den wapenhandel, zijn smaak in lichaamsoefeningen, zijne kracht, zijne vlugheid, is hij een echte zoon zijns volks, maar tevens is hij Vorst, in den echten ouden zin des woords: hij is inderdaad de Voorste, niet alleen in gezag, maar ook in al die oefeningen en kampspelen, die aan de oude wedstrijden doen denken. De Vorst heeft eene europeesche opvoeding ontvangen; zijn vader Mirko heeft hem tot zijn tiende jaar in vrijheid laten rondloopen door de bergen; daarop werd hij naar Triëst gezonden, waar de knaap, bij eene servische familie, het onderricht bladzijde 275ontving, voegende aan den rang, dien hij eenmaal bekleeden zou; maar zonder dat hem, met verwaarloozing van het nationale element, die zoogenoemd kosmopolitische gezindheid werd ingeprent, die den Vorst, bij zijn terugkeer in het vaderland, dikwijls tot een vreemdeling onder de zijnen maken.
Van Triëst ging hij naar Parijs. Frankrijk oefende destijds een soort van protektoraat over het vorstendom uit en stond overal zijne belangen voor; deze omstandigheid, gevoegd bij de persoonlijke betrekkingen tusschen Danilo I en Napoleon III, deed de fransche hoofdstad kiezen als de plaats, waar de jonge Nikolaas zijne verdere opleiding zou ontvangen. Om dezelfde reden zendt hij zelf thans zijne kinderen naar Sint-Petersburg. Hij werd in het college Louis-le-Grand opgenomen; maar de vurige jonkman, die zijne vakantiën in zijn vaderland ging doorbrengen, voelde zich nooit recht te huis in die soort van groote kazernen, waar het aan lucht en vrijheid ontbreekt. In den herfst van 1860, toen hij nauwelijks negentien jaren telde, zag hij zich door den plotselingen dood van zijn oom, die slechts eene dochter, Prinses Olga, naliet, eenklaps tot den troon van Montenegro geroepen.
Mirko, de vader van den Vorst, was de incarnatie van den ruwen, onversaagden Montenegrijn, zoo als vroegere reizigers, Viala de Sommières, Wilkinson en Marmier, dien geteekend hebben. Deze Mirko is overigens eene historische figuur; zijn naam, die in de nationale liederen voortleeft, was de schrik der Turken, en niet zonder recht droeg hij den bijnaam van het Zwaard van Montenegro. Danilo I, een zeer ontwikkeld en begaafd man, die veel gereisd en gelezen had, verscheidene vreemde talen sprak, en, met de westersche beschaving volkomen vertrouwd, misschien zijn volk te ver vooruit was, was minder krijgsman dan wel regent, wetgever en hervormer, die zijn volk tot een hooger trap van beschaving wilde opvoeren. Mirko, zijn broeder, was daarentegen volbloed soldaat, en wel een montenegrijnsch soldaat, die zich bitter weinig bekreunt om de vormen en eischen en behendigheden der diplomatie. Zijn leven lang was hij het meest geduchte krijgshoofd; hij was het, die als opperbevelhebber te Grahovo, aan de Turken, onder aanvoering van Hussein-pâsja, die geduchte nederlaag toebracht, die zijn roem door het gansche Oosten vestigde en die de Turken niet kunnen vergeten. De Porte liet ook de gelegenheid niet voorbijgaan, om haar wraak aan hem te koelen; toen het turksche leger, met verpletterende overmacht op verschillende punten te gelijk in het land gedrongen, eindelijk voor de derde maal de hoofdstad bedreigde en Europa zich genoodzaakt zag tusschenbeiden te komen, werd in art. 5 van het vredesverdrag tusschen den jongen Vorst Nikolaas en Omer-pâsja bepaald, dat Mirko uit het land gebannen zou worden. Het was zeker hard voor den zoon, zulk een traktaat te moeten onderteekenen; maar aan den anderen kant was het eene vleiende onderscheiding voor Mirko, dat de gezworen vijanden van zijn volk zoo hoogen prijs stelden op zijne verwijdering. Deze bepaling bleef evenwel een doode letter, en gedurende de vijf jaren van betrekkelijken vrede, die nu volgden, wijdde Mirko zich met alle kracht aan de reorganisatie der strijdkrachten van het vorstendom. In 1867, toen Vorst Nikolaas in Frankrijk vertoefde, brak de cholera te Cettinjé uit en verspreidde zich met snelheid door bijna alle provinciën; de Vorst keerde onmiddellijk terug, en kwam nog juist bij tijds om zijn vader in zijn armen te zien sterven, slachtoffer der onverbiddelijke kwaal.
Kort na zijne troonsbeklimming, in November 1860, trad de Vorst in het huwelijk met Milena Petrowna, dochter van den woïwode Petar Voukotich: eene verbindtenis, naar de gewoonte des lands, reeds lang te voren vastgesteld tusschen Mirko en den woïwode, die wapenbroeders en vrienden waren. Het huwelijk had al aanstonds dit voordeel, dat aan het hoofd der kleine hofhouding geene vreemde dame optrad, wier gewoonten, wier smaak en geheele levenswijze misschien in contrast zouden zijn met die des lands. De Prinses, eene rijzige, statige vrouw met een regelmatig ernstig schoon gelaat, waarvan de mat bleeke tint nog te meer uitkomt door het fraaie zwarte hair en de groote levendige oogen, draagt altijd het nationale kostuum, dat bij personen van hoogen rang, door de toegevoegde versierselen, in dubbele mate schilderachtig mag worden genoemd. De Prinses is moeder van zeven kinderen, zes dochters en een zoon, die den Keizer van Rusland tot peter heeft.
Prinses Milena spreekt vloeiend fransch, en neemt rechtstreeks aandeel aan de regeering: eene uitzondering op den gewonen regel in deze landen, waar alleen de moeder met bijzonderen eerbied bejegend wordt, maar de echtgenoote en de zuster doorgaans eene ondergeschikte plaats innemen. Nicolaas I, die meermalen van de nationale gewoonten is afgeweken, heeft, bij eene plechtige gelegenheid, openlijk als zijn wil te kennen gegeven dat zijne gemalin de leiding der regeering op zich zou nemen. Het was in December 1868, toen de Vorst naar Rusland ging om den Keizer, van wien hij voortdurend zoo vele bewijzen van genegenheid ontvangen had, zijne hulde te brengen; vóór zijn vertrek deelde hij aan de consuls te Ragusa en te Skutari, en aan de pâsjas der naburige provinciën mede, dat de Prinses gedurende zijne afwezigheid met het regentschap was belast. Dit is eene nieuwigheid. Prins Milan van Servië handelt op gelijke wijze, daarbij onze westersche gewoonte volgende, maar zeer in strijd met de bijkans oostersche zeden van het land, waar de Turken, hunne gezworen vijanden, sedert vier eeuwen nevens hen gekampeerd, hunne vrouwen naar den harem verwijzen, en alleen aan de Sultane-Valide soortgelijke voorrechten toekennen.

Montenegrijnsche vrouw uit Berda.
Tusschen den Vorst en zijne onderdanen staat geen tusschenpersoon, en niets misschien treft den vreemdeling meer, dan de echt patriarchale eenvoudigheid, die aan iederen Montenegrijn zonder onderscheid het recht toekent, onmiddellijk tot den soeverein te naderen: een recht, waarvan zelfs de eenvoudigste zonder schroom of aarzeling, zij het ook met betamelijken eerbied, gebruik maakt. Toch vertoont Nikolaas zich nooit aan zijne onderdanen dan omgeven van den praal en de staatsie, aan zijn rang verbonden,—en ook deze bladzijde 276vertooning strookt geheel met de zeden des volks; maar desniettegenstaande is er hier nog iets overgebleven van de antieke zeden, van die aloude gemeenzaamheid tusschen Vorsten en onderdanen, die niet in het minste afbreuk deed aan de achtbaarheid en het ontzag, doch waarvan wij geen begrip meer hebben. Den morgen na onze komst te Cettinjé, terwijl ik in de kamer van het logement zat te teekenen, zag ik den Vorst uitgaan, vergezeld van een talrijken stoet, bestaande uit senatoren, ministers, woïwoden, de lijfwachten en de perjaniks of gendarmen, in alles een dertigtal personen, allen in nationaal kostuum. De meesten, althans de aanzienlijksten, droegen hooge kaplaarzen; de anderen, zoogenaamde dokolienitsé of albaneesche slopkousen. De Vorst liep alleen, eenige schreden vooruit, ongewapend en met een rijzweep in de hand; de hooge staatsambtenaren volgden hem, en daarachter de hoofden, naar hun rang gegroepeerd. Van tijd tot tijd stond de Vorst stil om een voorbijganger aan te spreken, die, met de beretta in de hand, na eene lichte kniebuiging, op zijne vragen antwoordde. In de vlakte gekomen, zette Nikolaas zich op een boomstam neer; enkele personen waren hem gevolgd, en een daarvan ging recht op hem toe, bleef op eenige schreden afstands voor hem staan en richtte het woord tot hem. De Vorst luisterde, en gaf nu en dan een kort bescheid; anderen volgden den eersten spreker op, en het onderhoud duurde alzoo een geruimen tijd. Op dezelfde wijze spreekt Nikolaas bij wijlen recht, beslist een geschil, smoort in de geboorte eene dreigende vendetta, verhindert een misdaad, voorkomt een ongeluk of troost een beproefde. Dien eigen avond, toen wij ten paleize waren, verhaalde Zijne Hoogheid ons, dat een boer uit Rjeka niet had geschroomd hem bladzijde 278te spreken over den moord te Podgoritza, en hem met die woordenrijkheid, aan alle Serviërs en met name aan de Montenegrijnen eigen, den indruk had geschetst door dien moord veroorzaakt, en het vertrouwen uitgesproken dat hij, Nikolaas, tijdig zou weten te handelen.

Koopvrouw te Cettinjé.
Zooals ik zeide, die rechtstreeksche gemeenschap van den Vorst met zijn volk is een der opmerkelijkste, en laat ik er bijvoegen een der beste, eigenaardigheden van deze regeering. De Vorst verneemt persoonlijk allerlei klachten; hij is in onmiddellijke aanraking met iedereen, van den woïwode tot den armsten herder, die zijne toevlucht tot hem neemt; hij weigert niemand gehoor, en geen Montenegrijn, hoe onaanzienlijk hij ook moge wezen, zal ooit de hulp van een ander inroepen, als het er op aankomt zijne eigene zaak voor te dragen en te verdedigen. In het goede jaargetijde wordt deze vierschaar doorgaans onder den moerbeziënboom, nabij den put in de hoofdstraat, gespannen, of wel onder den boom voor den ingang van het klooster, waar een rondloopende bank is geplaatst. Men denkt daarbij aan den klassieken eik, onder welken Lodewijk de Heilige placht recht te spreken. Ook van nog andere tooneelen zijn die boomen vaak getuige. In 1861 was de Vorst, toen twintig jaar oud, werkeloos toeschouwer van de worsteling tusschen de Serviërs van Herzegowina, onder aanvoering van Luka Voukalovicz, en de Turken. De openbare rouw over den dood van Danilo I was nog niet afgeloopen, toen op zekeren morgen een bode van een woïwode nabij de grens aan het paleis aankwam met de tijding dat de vijand den voet had gezet op montenegrijnsch grondgebied. Nikolaas beval dat de standaard, die van wege den rouw van het paleis was weggenomen, weder zou worden geplaatst; paarden, wapenen en ammunitie werden in gereedheid gebracht; naar alle zijden werden boodschappen gezonden, en des avonds, tegen het ondergaan der zon, zette de Vorst zich neder onder den grooten boom in de vlakte. Alle inwoners van Cettinjé schaarden zich om hem, en daar verklaarde hij den oorlog door het aanheffen van de Pesmas, die schoone, opwekkende, vurige, nationale krijgszangen, die ook in de minst strijdlustige harten den moed en de geestdrift doen ontvlammen.