← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

IV.

Reading edition

Zondag, den 5den, vertrokken wij kwart voor vier uur in den morgen, en bereikten te half negen een put. Dikwijls zijn wij genoodzaakt geweest uit te rusten, want wij moesten dwars over een rij zandheuvels heentrekken. Deze put geeft ons geene toereikende hoeveelheid water; den ganschen nacht werkten wij door om meer water uit den bodem te doen wellen; drie uren arbeidens kost het, een emmer vol te krijgen: eindelijk gelukt het ons aan elk onzer dieren een emmer water te geven.

Lewis en Charley gaan voort met den omtrek te onderzoeken; op het oogenblik dat ik vreesde naar ons laatste kampement te moeten terugkeeren, komen zij met goed nieuws terug. Zij hebben een put gevonden, die aan twee of drie onzer kameelen het leven redt.

Den 8sten vertrekken wij te zes uur met ons goed, om ons nieuw kampement te bereiken. Ten einde de kameelen te sparen, ging ik te voet. Wij bleven daar verscheidene dagen, om onzen uitgeputten kameelen rust te gunnen en hunne krachten te laten hernieuwen, want ons aller leven hangt er van af of zij al of niet door de woestenij kunnen heentrekken.

Op den 15den kunnen wij van den put in het kamp nog slechts water krijgen voor ons persoonlijk gebruik: wij zijn dus verplicht de kameelen te doen teruggaan tot de vorige halt. Ik laat het spoor volgen der inlanders, maar zij zijn naar het zuidoosten getrokken, en in die richting kunnen wij niet gaan; wij moeten altijd zooveel mogelijk onze reis in westelijke richting voortzetten. De streek die wij doortrekken is dorder en droger dan die wij het laatst hebben doorkruist. Onze pogingen om een nieuwen put te vinden mislukken, en den 19den moeten wij denzelfden weg terug. Wij kunnen ons voor ons maal niet meer gunnen dan een lepel meel, aangelengd met water, daarbij een weinig in de zon gedroogd kameelenvleesch, en geroosterde acaciazaden.

Den 20sten hebben wij een duif geschoten. Des avonds maakten wij een kameel af, die aan den rug gewond was; binnen twee dagen zou hij niet meer kunnen loopen, en wij zouden hem dan moeten achterlaten, ten prooi aan de vliegen, die onmiddellijk, in ongeloofelijk groote menigte en met duizelingwekkende snelheid komen aangonzen.

Op den 22sten zend ik Lewis en Charley naar het zuiden om water op te sporen. Den 26sten kwamen bladzijde 359zij terug: zij hebben op eenigen afstand ten zuiden tamelijk goede putten gevonden. Zoodra onze kameelen wat uitgerust zijn, zullen wij ons daarheen begeven. Maar op den 29sten treft ons een nieuwe ramp: een onzer grootste kameelen wordt ziek; als wij dien verliezen, hebben wij er nog maar vijf over, en van die vijf zijn er twee uiterst zwak, en wel zoo, dat wij geen staat op hun behoud kunnen maken.

4 November.—Wij staan aan den ingang van de woestijn, die ons scheidt van de Oakover-rivier. Moge God ons kracht schenken, die door te komen! Richard is zwaar ziek, en ik ben er even slecht aan toe. De zandheuvels zijn voor ons meer afmattend dan anders, en wij kunnen lang niet zoo spoedig voort als wij dachten.

Op de zandheuvels volgen vlakten, begroeid met spinifex; maar daar, welk eene ontdekking! zagen wij twee of drie waterspranken, die, voor zoo ver wij er in de duisternis over konden oordeelen, van het zuiden naar het noorden loopen. De zon zal spoedig opgaan. Gedurende den nacht kunnen wij slechts een dertigtal mijlen afleggen, en er ligt nog een schier onafzienbare ruimte tusschen de rivier en de plek waar wij ons bevinden. Wij hebben geen meel, geen thee, geen suiker en geen zout meer, en kunnen ons vleesch dus niet meer inzouten. Wij leven alleen nog maar van in de zon gedroogde reepen vleesch, die reuk noch smaak hebben en even weinig voedsel bevatten, als een stuk droge boomschors.

17 November.—Lewis is de rivier gaan opsporen; hij zal zeker vijf dagen uitblijven, en bij zijne terugkomst moeten wij den kameelen een paar dagen rust gunnen. De duur van onzen tocht wordt op deze wijze onophoudelijk verlengd, en van oogenblik tot oogenblik dreigt de gevreesde hongerdood werkelijkheid te zullen worden.

Ons voedsel is even afschuwelijk als karig. De wijfjeskameel, die wij geslacht hebben, was zeer oud en geheel uitgedroogd en taai, zoodat haar vleesch nagenoeg geen voedende bestanddeelen bevat. Maar water hebben wij nu in overvloed, en dat is een onschatbare zegen, die al onze andere ontberingen betrekkelijk gering doet schijnen.

Op den 21sten tegen vijf uur in den namiddag kwam Lewis terug: het is hem gelukt de bronnen van de Oakover-rivier te bereiken; zij liggen toch verder verwijderd dan ik dacht, maar waarschijnlijk is er, als men nog meer in westelijke richting voorttrekt, een nader weg. Daar wij nu allen bij elkander zijn, moeten wij wederom een kameel afmaken, die ons met het hart en de lever een prachtig maal opleverde, en wiens vleesch wij op den volgenden dag toebereidden; de onverdragelijke warmte neemt sedert eenige dagen af, en wij kunnen dus eenigszins tot verademing komen.

Op den 1sten December vertrokken wij te tien uur des avonds; drie onzer waren genoodzaakt te voet te gaan; vandaar dat wij niet dan langzaam konden voorttrekken te midden der afmattende vlakten en zandheuvels. En als wij ophouden om te kampeeren en uitterusten, komen onze oude vijanden, de mieren, die ons beletten te slapen.—Op den 4den werd ik zoo hevig ziek, dat ik niet meer rechtop kon zitten op mijn kameel en men mij in liggende houding achterover op het lastdier moest vastbinden. Men kan zich denken, hoe ik geslingerd en geschokt werd, wanneer het dier de rotsige en steile hellingen der zandheuvels beklom; eindelijk te kwart over twee uur, des nachts, werd ik van die plaag verlost: de zandheuvels lagen achter ons, en wij bereikten eene reeks van rotsen.

Op den 11den bereikten wij eindelijk de Oakover, eene breede en indrukwekkend schoone rivier. Met welk een gevoel van dankbaarheid zochten wij een schuilplaats voor de hitte der zon onder de schaduw der boomen, die aan den oever stonden geplant! Wat schijnen zij ons grootsch toe, die boomen, na zoovele maanden doorgebracht te midden der huiveringwekkende zandheuvels, waar wij schier door de zonnehitte verbrand zijn.

Op den 13den vertrokken Lewis en een Afghaan met de twee beste kameelen, op mijn bevel, ten einde de woning van den heer Harper en C^o. op te zoeken. Schoon ik niet weet op welken afstand die woning zich bevindt, en ik ten eenenmale onkundig ben of mijn vriend nog leeft, grijp ik toch gretig deze eene kans op redding aan, die ons nog rest. Wij zelven, die moeten achterblijven, legeren ons aan de oevers der rivier.

Op den 29sten December was Lewis nog niet terug; indien het blokhuis waarop al mijne berekeningen gegrond waren, verlaten is, en Lewis naar Roeburne heeft moeten gaan, dan zal hij op zijn minst drie weken uitblijven:—en tenzij God ons bijsta, kunnen wij het zoolang niet meer uithouden. Toch heb ik er niet verkeerd aan gedaan, Lewis naar die plaats te zenden: want moge ook al mijn plan mislukken, dan is althans zijn leven gered, en dat der twee hem vergezellende tochtgenooten....

Weinige oogenblikken nadat kolonel Warburton zijn dagboek tot hiertoe gebracht had, kwam Lewis werkelijk terug met een overvloed van levensmiddelen en zes paarden. Hij had de plaats zijner bestemming bereikt, en dadelijk had men zich beijverd alles te zijner beschikking te stellen wat den beklagenswaardigen reizigers ten goede zou kunnen komen.

Op den 3den Januari, verliet kolonel Warburton zijn kamp, en kwam op den 11den bij de heeren Grant, Harper en Anderson aan. Zijne ontdekkingsreis was geëindigd. Uit het hart van Australië uitgegaan, was het hem gelukt, de westkust van het vaste land, dwars door de woestijn heen, te bereiken: hij had den voet gezet in streken, waar vóór hem nog geen Europeaan was doorgedrongen.

Dank zij de goede zorgen, die men aan de reizigers besteede, konden zij den 21sten naar Roeburne vertrekken, eene kleine stad aan de kust der Indische zee, waar zij met groote hartelijkheid werden ontvangen. Trouwens gansch Australië stelde er prijs op, zijn dank te kunnen betuigen aan den onverschrokken reiziger, die weldra ook in Engeland zijne ontberingen en doorgestane gevaren zag beloonen op eene wijze zoo schoon als hij maar had kunnen verlangen: de Royal Society of Geography keurde kolonel Warburton in 1874 haar gouden eerepenning waardig. bladzijde 360

De laatste kameel.
De laatste kameel.

De laatste kameel.

bladzijde 361

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings