XXVI. De zes maatschappijen.—Hop-Ki.
Reading edition
Wat men elkander te San-Francisco omtrent de Chineezen verhaalt, klinkt vrij verward en zonderling. Volgens het algemeene gevoelen, zouden de Chineezen in Amerika niet veel anders zijn dan een troep lijfeigenen, naar lichaam en ziel behoorende aan de Zes Maatschappijen en onderworpen aan eene soort van aziatisch veemgericht of groot-loge, met een geheimzinnig gezag bekleed, waaraan niemand, wie hij ook zij, zich kan onttrekken.
Daar de geloofwaardigheid van deze legende mij nog al twijfelachtig voorkwam, trachtte ik nadere berichten in te winnen bij personen, die geacht konden worden met de feiten bekend te zijn—ambtenaren bij de policie en geestelijken; maar langen tijd was al mijn onderzoek vergeefs. Eindelijk gelukte het mij, door bemiddeling van den consul Booker, in aanraking te komen met de eenige personen, die volledig met den waren stand van zaken bekend zijn—de in Californië gevestigde Chineezen van rang. Onder dezen, wier getal niet groot is, komt eene eerste plaats toe aan Li-Wong, een voornaam koopman van onbesproken eerlijkheid. Beter dan anderen, schijnt hij de rechte man om op mijne vragen te antwoorden. Bovendien heeft Li-Wong verplichting aan onzen consul wegens zekere diensten, hem in zijn handelszaak bewezen. Hij toont zich bereid, een deel van zijne schuld af te doen, door ons alle inlichtingen te geven, die wij mochten verlangen. Wij noodigen hem daarom uit tot eene samenkomst op het consulaat. Hij verschijnt stipt op het bepaalde uur, en na vele plichtplegingen en complimenten, laten wij hem in een stoel plaats nemen tegenover het portret van Koningin Victoria, wier majesteit mitsdien in zijne aziatische oogen kon stralen.
“Wilt ge zoo beleefd zijn, om het een en ander te vertellen omtrent de Zes Maatschappijen?
—Zes Maatschappijen? Gij verkeert daaromtrent in dwaling. Wij hebben in werkelijkheid maar vijf maatschappijen, en geen zes. Wat gij de zesde maatschappij noemt, is eene commissie van beheer en arbitrage, een plaatselijk bestuur, in Amerika gevestigd, en belast met de behartiging onzer belangen langs de kust van den oceaan. De Vijf Maatschappijen hebben haar zetel in China, en ontleenen haar naam aan de plaats waar haar leden wonen: Ning-Yung, Kwong-Tchaw, Hop-Wo, Sam-Yep en Yung-Wo. Deze Vijf Maatschappijen verzamelen de emigranten, brengen hen naar Canton en Hongkong, maken al de noodige schikkingen voor hun overtocht, en bezorgen hen aan boord der stoombooten. De zesde maatschappij, of liever commissie, zetelt in San-Francisco, waar het haar taak is, de landverhuizers bij hunne aankomst te ontvangen, en toe te zien dat hunne contracten en verplichtingen zorgvuldig worden nagekomen.
—Wilt gij mij iets naders mededeelen omtrent die contracten en verplichtingen?
—Volgaarne; maar dan moet gij u ook op ons standpunt plaatsen en de zaken in het ware licht beschouwen. De Melikanen (Amerikanen) noemen ons heidenen, maar wij hebben onze eigene godsdienst, en onze godsdienst is niet, als die der Melikanen, alleen verbindend voor degenen, die van haar gediend willen zijn en slechts zoolang zij dit willen. Onze godsdienst geldt voor ons zoo lang wij leven en ook na onzen dood. Alzoo, wanneer de Vijf Maatschappijen zich verbinden om iemand naar Californië te brengen, is dit één punt: wanneer zij zich verbinden om zijn stoffelijk overschot naar China terug te brengen, is dat een tweede punt. Gij begrijpt mij? Het eerste punt is een contract, het andere eene verplichting.
Geldt dezelfde soort van overeenkomst voor al uw passagiers?
—Niet voor allen. Wij hebben op onze lijsten twee klassen van landverhuizers: ten eerste, zij, die op onze kosten overkomen, alzoo onze schuldenaars zijn, en verplichting hebben tegenover ons; en ten andere, zij die hun overtocht zelven te Hongkong betalen en dus bij hunne komst in Francisco vrij zijn. Met de eersten alleen hebben wij een contract; maar ook tegenover de anderen hebben wij onze verplichtingen, daar wij gehouden zijn, hen, in geval van overlijden, terug te voeren.
—Zeg mij, hoe die maatschappijen werken. Waar vinden zij de landverhuizers?
—De Vijf Maatschappijen hebben hare reizende agenten, die alle provinciën bezoeken, zoowel langs de kust als in het binnenland; zij spreken de arme lieden, die gebrek hebben aan rijst en thee, van het overvloedige loon, dat zij in Californië, Oregon en Nevada met hun handenarbeid verdienen kunnen. Natuurlijk hangen zij daarvan de verleidelijkste schilderingen op. De Melikanen verstaan de kunst van overdrijven; de Chineezen hebben het daarin nog verder gebracht dan de Melikanen. Die agenten maken den lieden wijs, dat de heuvels louter zilver zijn, en dat de rivieren goud in overvloed bevatten. Zij bieden hunne hulp aan, en verstrekken paspoorten aan allen, die wenschen te vertrekken. Zij maken gebruik van alle mogelijke vervoermiddelen, te land en te water; en daar zij over voldoende middelen kunnen beschikken, weten zij alles zoo goed in te richten, dat zij een landverhuizer, per wagen en per schip, naar de kust brengen voor minder geld dan hij op een voetreis zou moeten uitgeven. Voor vijf dollars brengen zij hem van zijn dorp naar Hongkong. Is hij arm, dan worden hem die vijf dollars voorgeschoten, en krijgt hij ook het noodige voedsel, voor welk een en ander hij eene schuldbekentenis afgeeft. In Hongkong aangekomen, zorgen zij voor zijn paspoort, en bespreken zijne plaats op de boot. De vracht, vijf-en-veertig dollars, wordt door hen betaald, benevens eene landings-premie van vijf dollars, die door de stoomboot-maatschappij aan onze commissie in San-Francisco wordt terugbetaald. Die vijf dollars worden in het fonds der overledenen gestort.
—Zoo is dan, als algemeene regel, ieder landverhuizer, bladzijde 328die van Hongkong naar San-Francisco gaat, niet alleen een hulpbehoevende maar bovendien een schuldenaar, op wien bepaalde verplichtingen rusten?
—Hm! Een Chinees is daaraan gewend; hij geeft daar niet om; hij kan hard werken en veel geld opsparen. Dan wordt hij van zelf vrij.
—Hoeveel bedraagt, gemiddeld, zijne schuld bij zijne aankomst in Amerika?

Chineesche vrouwen te San-Francisco.
—Een gewoon passagier kan, alles bijeen genomen, bij zijne maatschappij voor negentig of honderd dollars in schuld staan. Al dat geld moet hij verdienen.
—Eer hij zijn eigen meester is en kan doen wat hij verkiest?
—Natuurlijk; eer hij doen kan wat hij verkiest moet hij beginnen met zijne schuld af te betalen.
—Stellen de Vijf Maatschappijen in China zich met zijne persoonlijke schuldbekentenis tevreden, in het vertrouwen dat zij van de zesde maatschappij in San-Francisco haar uitschotten terug zullen krijgen?
—Zij nemen ook eene schuldbekentenis voor de geheele familie aan. In China heeft iedereen wel iemand—vader, oom, broeder—die borg voor hem spreken wil. Wij zijn niet als de Melikanen. De inrichting der familie bij ons maakt het gemakkelijk zulke borgstellingen te krijgen, want ieder lid eener familie heeft zijne aangewezene plaats in eene heilige reeks, die van het eene stamhoofd tot den laatsten afstammeling reikt. Is er grondeigendom, dan nemen wij daarop hypotheek, en de familie betaalt de aflossing en de rente tegen vier-en-twintig of zes-en-dertig ten honderd.
—Dat is eene aardige rente!
—Ja; het is handel, en als zoodanig moeten wij trachten er zooveel mogelijk voordeel van te trekken. Als een landverhuizer geen vaste goederen bezit, verlangen bladzijde 329wij de persoonlijke borgstelling van zijn vader en grootvader: want voor een Chinees is eene verbindtenis, uit naam van zijn voorouders aangegaan, de heiligste die hij kent. Wordt er enkel een persoonlijke borgtocht gesteld, dan vorderen wij hooger rente; wij vragen dan tien dollars per maand, in plaats van twee. Toch worden die overeenkomsten zelden verbroken. Natuurlijk loopen wij eenige risico.

Hop-Ki.
Onze man kan sterven; nog erger, hij kan ziek worden; of wat het ergste is, hij kan eene misdaad begaan. Wordt hij in de gevangenis gezet, dan kan hij niet werken. Ook kan het gebeuren dat zijn borg in gebreke blijft. Maar in alle zaken moet men op dergelijke kwade kansen rekenen.
—Een man, met zulk eene schuld te zijnen laste, is metterdaad een slaaf.
—In Canton, ja; in San-Francisco, niet. Wij gebruiken nooit zulke uitdrukkingen; wij zijn zijne meesters en zijne bloedverwanten. Wij ontvangen hem, bij zijne komst te San-Francisco, in onze twee groote vereenigingen—de Wing-Yung en de Fook-Ting-Tong—die bij leven en sterven zorg voor hem dragen.
—Wat zijn dat voor vereenigingen?
—Wing-Yung is ons bureau voor de levenden, dicht bij de gevangenis van het graafschap. Bij de aankomst der schepen brengen wij onze lieden naar Wing-Yung, waar zij huisvesting en voeding vinden, en waar eene dienst voor hen gezocht wordt. Fook-Ting-Tong is ons bureau voor de overledenen, op het kerkhof van Laurel-Hill, waar het stoffelijk overschot van ons volk wordt bijgezet, tot het naar China kan worden terug gezonden.
—Trachten uwe schuldenaars zich niet dikwijls door de vlucht aan hunne verplichtingen te onttrekken? bladzijde 330
—Dat kunnen zij niet doen. Zij hebben geen eten en geen geld; zij spreken geen woord engelsch en kennen geen enkel melikaansch magistraat. Bijna iedereen in San-Francisco beschouwt hen als slechte menschen—straatloopers, booswichten en oproerlingen. In geen enkel gezin wil men een Chinees als bediende aannemen, tenzij wij hem een getuigschrift geven en borg blijven voor zijn goed gedrag. Zoo moeten zij zich wel aan ons houden, of op straat van gebrek omkomen. Wij verhuren hen en ontvangen hun loon, waarvan wij hun een zeker bedrag per maand uitkeeren, zooveel zij noodig hebben om van te leven, tot dat hun schuld is afgelost.
—Maar nu de personen van de andere kategorie, zij die zelven hun overtocht betalen en voor eigen rekening naar herwaarts komen—hebben zij bij hunne aankomst niets met u te maken?
—Niets te maken met de zesde Maatschappij?
—Ja; zijn zij dan van alle toezicht ontslagen, behalve natuurlijk van dat der amerikaansche policie?
—Zij betalen aan de Maatschappij vijf dollars per hoofd, bij wijze van landingspremie. Die premie moeten zij betalen, omdat zij zonder onze vergunning niet aan land kunnen komen.
—Zoo heeft dus uwe maatschappij eene zekere mate van gezag over ieder, die van Hongkong komt en in deze haven aan wal stapt?
—Wij zijn zedelijk verplicht, zijn gebeente naar China terug te brengen: tot dekking van onze kosten, leggen wij hem de betaling van vijf dollars op. Als wij geen getuigschrift voor hem afgeven, wil de stoombootmaatschappij hem niet aan land laten gaan. Dit is eene voorwaarde van het contract, door de Vijf Maatschappijen met de stoomvaart-maatschappij gesloten. Zoodra een passagier zijn vijf dollars betaald heeft, mag hij het schip verlaten;—maar die vergunning wordt hem niet gegeven, zoolang hij niet bewijzen kan, deze premie betaald te hebben, hetzij in goud, hetzij door eene schuldbekentenis.
—En daarna verliest gij hem evenmin uit het oog als uw rechtstreekschen schuldenaar?
—Zeker, evenmin. Wij verliezen niemand uit het oog. Wie zou anders zorg dragen voor zijn lijk?
—Gij hebt uwe eigene policie en uwe eigene magistraten, niet waar?
—Wij hebben overal onze spionnen en opzieners. In San-Francisco hebben wij veel spionnen. Niemand ziet daarin iets berispelijks. Met behulp van deze onze spionnen en opzieners weten wij wat er in ieder huis omgaat. Wij kennen den naam van ieder der onzen; wij weten waar hij is en wat hij doet. Het is onze plicht, zooveel mogelijk met alles bekend te zijn. Immers, als iemand gestorven is, moeten wij zijn lijk opsporen en naar het vaderland terugzenden. Zoo wij dit niet deden, zou hij als een hond begraven en vergeten worden.
—Naar men verzekert, zou uwe maatschappij over zoo groote geheime macht beschikken, dat gij de overtreders op elke plaats kunt bereiken en te ieder stond kunt treffen, zelfs onder de oogen der plaatselijke overheid. Men heeft mij, bij voorbeeld, verhaald van twee uwer landslieden, die bij Reno, in de bergen van Nevada woonden; een daarvan zou zich schuldig hebben gemaakt aan een of ander vergrijp tegen de reglementen van de Zes Maatschappijen; zijn makker zou daarop een wenk hebben ontvangen om hem te dooden, waarop de schuldige zoo handig uit den weg werd geruimd, dat men de misdaad nooit op het spoor is kunnen komen. Kan zoo iets waarlijk zijn gebeurd?
—Wie zal dat zeggen? Er zijn goede en er zijn slechte Chineezen. De melikaansche wetten maken de slechten nog slechter. Zoo gij in Hongkong iemand vermoordt, wordt gij onfeilbaar opgehangen, onverschillig of gij rijk zijt of niet. Het geld doet niets af. Maar zoo gij in San-Francisco een moord pleegt, laat men u, indien ge veel geld hebt, vrij gaan. Dat is geen billijke wet. Hier zijn ook allerlei soorten van geheime genootschappen geoorloofd. In China worden alleen ter kwader naam bekend staande lieden leden van eene Vrijmetselaarsloge: schavuiten en rebellen, die de dynastie willen omverwerpen en de godsdienst vernietigen. Al zulke geheime genootschappen, die niets dan kwaad stichten, worden door de mandarijnen streng onderdrukt. Hier stichten de slechte, verdorven Chineezen eene loge. Wij verzoeken de Melikanen, dat zij die loge zullen doen sluiten, en wij krijgen ten antwoord, dat de melikaansche wet de oprichting van Vrijmetselaarsloges vergunt. Dat is eene zeer verkeerde wet. Zoo moet dan de Zesde Maatschappij zelve die genootschappen en loges vernietigen.
—Neen; wij bezitten geene geheime macht. Wij hebben alleen onze schuldbekentenissen en hypotheken, en daarmede dus ook de macht, welke ieder die geld leent bezit over zijn schuldenaar. Wat daarbuiten ligt, is enkel zedelijke macht ... en de twee groote vereenigingen Wing-Yung en Fook-Ting-Tong. Zelven Chineezen, kennen en begrijpen wij onze broeders; wij hebben dezelfde godsdienstige plechtigheden en hetzelfde besef van familieband en familieplicht als de armste volgelingen van Tao en Boeddha. Het begrafenisfonds—ziedaar den voornaamsten grondslag van ons gezag. Wie niet zou aarzelen een moord te doen, zal zich toch tweemaal bedenken, eer hij in verzet komt tegen eene rechtbank, die de macht heeft om het overbrengen van zijn gebeente naar Hongkong voor onbepaalden tijd uit te stellen.
—Gebeurt dit dikwijls?
—Ja, voor maanden en soms voor jaren. Zonder een door ons afgegeven bewijs, wil geene stoomboot een lijk aan boord nemen; sommige gezagvoerders weigeren het volstrekt.
—Bezit gij zelf geen schepen?
—Nog niet. Wij drijven onzen handel met engelsche schepen; en engelsche matrozen zijn afkeerig van het bladzijde 331vervoer van lijken. Hunne godsdienst brengt niet, als de onze, mede, dat iemand moet begraven worden op de plaats, waar hij geboren is.
—Keeren dan al uwe landgenooten terug?
—Ja, alle brave lieden onder hen. Hier en daar vindt ge enkele tartaarsche ellendelingen, die geen eerbied hebben voor hunne voorvaderen, die hun staart afknippen en zich naar melikaansche wijze kleeden. Dit zijn geen menschen, maar honden. Dezulken uitgezonderd, keeren alle Chineezen terug—na hun dood.
—En toch neemt de landverhuizing toe?
—Ja, van jaar tot jaar. Het laatste jaar bedroeg het getal der emigranten vijfduizend; dit jaar, dertienduizend; in het volgende jaar, misschien vijf-en-twintigduizend. In Melika is land in overvloed en weinig inwoners; in China is het juist andersom; daarom wil een Chinees gaarne in Melika leven en na zijn dood naar China terugkeeren.”
Als ge zulk een bescheiden, zachtmoedigen Mongool, met zijn vriendelijk-kalme oogen, aanziet, en dan hoort, hoe over hem en zijn gansche geslacht de bitterste vervloekingen, de grofste smaadredenen worden uitgestort, dan kunt ge niet nalaten, medelijden met hem te gevoelen.
Zie hem aan tafel, waar zijn helder gelaat, zijne slanke figuur en vlugge bewegingen eene zoo scherpe tegenstelling vormen met de vuil donkere kleur, de vormeloos plompe gestalte en de onbeholpen traagheid van den neger-bediende. Sla hem gade in de keuken, in de werkplaatsen der spoorwegen, in de zilvermijnen: altijd en overal is hij bij de hand, met zijn geschoren gelaat, zijn gevlochten staart en zijn beleefd onderdanigen glimlach, altijd vaardig om voor u te doen wat hij kan, en dat zoo goed als hij kan.
Als ge meer dan verzadigd zijt van het staren op Biddy en haar smerigen, smakeloozen opschik, dan is het eenn verkwikking uw oog te laten rusten op Hop-Ki, die de tafel bedient in een eenvoudigen kiel, zoo wit als versch gevallen sneeuw.
“Met zijn onnoozel gezicht, heeft die kerel toch twee messen onder zijn kiel,” fluistert mijn buurman, die een afkeer heeft van het gele ras, maar er niettemin zelf een uitmuntenden chineeschen kok op nahoudt.
—Zoo op het oog is het toch een knappe jongen.
—Bah! een chineesche heiden; net zoo'n groote schavuit als de rest, misschien nog erger, als de waarheid bekend was.
—Dus weet gij er niets van?
—Weten? Mijnheer, niemand kan hier iets van weten. De kerel heeft geen naam, en niemand weet van waar hij komt. Hoe kan ik weten, hoeveel moorden hij op zijn geweten heeft, hoe langen tijd hij in de gevangenis gezeten heeft? Als ik hem ondervraag, vertelt hij mij leugens. De kerel zegt dat hij nooit iemand heeft vermoord, en nooit een dag in de gevangenis heeft doorgebracht, Zie eens, hoe hij daar om den stoel van die dame sluipt. Geen twijfel, of hij heeft twee messen onder zijn kiel verborgen.
—Och, kom; bewijs hem de gunst, dat nog niet voor uitgemaakt te houden.
—Neen, ik wil dien kerel gene enkele gunst bewijzen. Hij werkt voor mij, en ontvangt zijn loon: verder gaat onze betrekking niet. Geloof mij, in zijn land was die kerel een dief, een muiter of een slaaf. Die Chineezen zenden ons waarlijk niet de bloem van hunne bevolking. Zij kunnen geen mandarijns missen.”
Als men in de clubs en aan de open tafels te San-Francisco zulke praatjes hoort, komt men van zelf op het vermoeden, dat een groot deel van den haat, de vrees en het wantrouwen, waarmede Hop-Ki bejegend wordt, niet zoozeer een gevolg is van zijn heidendom, maar van zijn vrouwelijk voorkomen, zijne kalme, passieve manieren, en vooral van den geringen prijs, dien hij voor zijn arbeid vraagt. Natuurlijk kunnen enkelen ernstiger redenen hebben om hem te haten; maar de zoo even genoemde motieven oefenen op de publieke opinie een zeer grooten invloed uit.
“Hebt gij gaarne die aziatische bedienden in uw huis? vraag ik aan mijn cynieken gastheer.
—In beginsel, neen;—in de praktijk, ja, antwoordt hij. Even als met andere vrouwspersonen, kunt ge niets met hen aanvangen, en het toch niet zonder hen stellen; en van twee kwaden moet men het minste kiezen. Als koks en bedienden, zijn zij hun loon waard; maar ge kunt ze niet lijden, want ge weet niet wie ze zijn, en waarom zij Canton verlieten. In hun land, wees daar zeker van, deugden zij niet veel. Voor ons blanken, zijn zij even fantastische en onverantwoordelijke wezens als de kinderen van den mist. Maar als gij een diner wilt geven, moet ge een chineeschen kok hebben.
—Waarom geene iersche Biddy of eene beiersche Gretchen?
—Neen, neen; spreek me niet van iersche Biddy's en beiersche Gretchen's! Kijk eens naar dien schurk van een Ki. Ge merkt wel, dat ik hem aanspreek als Ah-Ki en niet als Hop-Ki. “Ah” beteekent zooveel als mijnheer, en de kerel staat ook op zijn eer. Iemand met “Ah” aan te spreken, is een van zijn drieduizend beleefdheidsformules, en die drieduizend formules beginnen te San-Francisco in gebruik te komen. Ik noem dien bengel dus Ah-Ki, en heb niet noodig zijn loon te verhoogen: zoo brengt mijne beleefdheid mij vijf dollars per maand op. Bovendien kost Hop-Ki mij minder dan welke Biddy of Gretchen ook, en is daarbij nauwgezetter in de vervulling van zijn plichten. Vraag aan mijne vrouw, of zij ooit eene naaister, eene kamenier en waschvrouw gehad hoeft, die met Ki kon wedijveren. In den beginne kunt ge u niet van lachen onthouden, als ge zulk een heidenschen Chinees, met zijn bleek maansgezicht, in uwe bad- en kleedkamer bezig ziet met het ledigen der kuipen en het schoonmaken van kommen; maar als ge drie- of viermaal aan zijn varkensstaart getrokken hebt, zonder dat het ding loslaat, dan zijt ge aan hem gewend en ge vergeet zijne kunne.
—Vergeleken met Gretchen en Biddy, schijnt uw schurk van een Ki dan toch eene soort van gunsteling te zijn.
—Wel, ja—eene soort van gunsteling; zoo als ge van een bunzing uw gunsteling maken zoudt. Hij is des bladzijde 332avonds altijd thuis, en verlangt zondags geen uitgaansdag. Als hij een enkele maal naar de pagode wil gaan, zal hij mij altijd verlof vragen, en nooit eene minuut over zijn tijd tehuis komen. Ook brengt hij nooit broers of neven mede, die mijn wildbraad opeten. Om den heiden recht te doen, hoewel hij twee messen onder zijn kiel verbergt, moet ik zeggen dat hij sommige eigenschappen bezit, die bij blanken zelden worden gevonden en nooit bij iersche Biddy's en duitsche Gretchen's. Hij drinkt nooit, en is bijna nooit nurks of driftig. Hij gebruikt nooit onbetamelijke worden, althans geen woorden, die uwe vrouw of dochter kan verstaan. Ongetwijfeld raast en tiert de kerel in zijn slaap, en vloekt hij in zijn eigen taal; somwijlen betrap ik hem op zulke aanvallen van drift; maar die heiden is zoo slim, dat zelfs in zijne hevigste aanvallen van woede, iemand die hem niet kent, zou meenen dat hij een kind in slaap zong.


Indianen uit Californië.
—Is het waar, dat, even als de andere Aziaten, ook de besten onder deze Mongolen toch leugenaars en dieven zijn?
—Ja, zij liegen en stelen; maar niet erger dan de meesten van hun stand. Alle dienstboden liegen en stelen. Biddy steelt erger, Gretchen is brutaler dan Ki. Bovendien heeft Ki oogenblikken van berouw, die bij Biddy en Gretchen nooit voorkomen. Als hij zich bijzonder slecht gedragen heeft, dan komt hij tot mij, met tranen in de oogen, en verzoekt mij, hem een goed pak slaag te geven.
—En doet gij dat?
—Wel zeker. Hij houdt van den stok, en ik ook. Het is voor ons beiden goed, als Ki nu en dan een pak ransel krijgt. Ik voel mij daarna altijd beter jegens hem gestemd.”
Mijn gastheer is niet minder bekend wegens zijne zachtmoedigheid, dan wegens zijn humor. Niemand in San-Francisco heeft zich meer moeite gegeven dan hij, om te bewerken dat de Chineezen door de rechtbanken en de policie naar billijkheid behandeld werden.