XIV.
Reading edition
Voor de eerste maal, in een armoedige herberg tusschen Knin en Sebenico; voor de tweede maal te Ragusa, in een kruidenierswinkel; voor de derde maal eindelijk in een pover kroegje te Borgho-Pille, waar de karavanen een teug van den nationalen drank, de slivovitza (pruimebrandewijn) komen drinken,—heb ik de guzlars de nationale volksliederen van Servië hooren zingen.
De guzla, het instrument dat dezen zang begeleidt, is minder dan eenvoudig: het is bijna barbaarsch: een enkele snaar over een soort van lederen mandoline, met een buitengewoon langen steel, gespannen, ziedaar alles. De strijkstok is een soort van houten boog, waaraan mede een enkele snaar bevestigd is. De guzla hangt in de slavische herberg aan den wand, even als in Spanje de guitaar of pandero aan den wand der posada; en diegene onder de gasten, die de servische zangen het beste uit zijn hoofd kent, neemt het instrument van den muur en begint te zingen. Hij houdt de guzla tusschen de beide knieën, even als een violoncel, en begint met enkele hooge noten; weldra groepeert zich de schare om hem heen; aanvankelijk luistert men met zeer weinig aandacht: men gaat en komt, loopt heen en weer, verricht allerlei bezigheden en hindert den zanger; inmiddels gaat hij voort met zijn lied; de toehoorders worden aandachtig; er vormt zich een kring om hem, die telkens aangroeit; weldra heerscht er algemeene stilte en belangstelling. Sommigen leunen zwijgend tegen den muur; anderen, op zakken liggende, neergehurkt, met de beenen onder het lijf gevouwen, zitten roerloos; niemand spreekt een woord; de voorbijgangers, die een kop koffie of iets anders verlangen, treden voorzichtig naar binnen en geven zwijgend een teeken. De stem van den zanger is al hooger geklommen; hij windt zich op en zijne oogen schitteren; de slavische versregel wordt afgebroken door zonderlinge geluiden, die elke frase van den zang doen uitkomen. Voorzeker is dit geen muziek in den eigenlijken zin des woords; men zou haast zeggen, dat hier noch melodie, noch harmonie, noch maat, noch klank te vinden is; en toch ondanks dit alles, heeft deze eentonige melodie iets bekoorlijks, iets onwederstaanbaars; zij is somber en treurig, maar nu en dan breekt eensklaps, als een bliksemstraal, een wilde zegekreet, een luid gejubel door dien doffen weemoed heen. Dit lied is een beeld van de geschiedenis van het servische volk zelf, zoo vol rouw en smart, en toch ook wederom doortinteld van onsterfelijke hoop; het is hun Ilias, hun Odyssee en hun Romancero: de afspiegeling van het leven der Serviërs, hunne geschiedenis met al haar legenden, de verheerlijking hunner nationale helden.
De millioenen Slaven, die Bosnië, Herzegowina, noordelijk Albanië, Slavonië, Dalmatië, een deel van Istrië, Batchka, Syrmië, het Banaat, Montenegro en Servië bewonen, hebben deze aloude zangen en liederen broksgewijze bewaard; zij worden alom gezongen: te Belgrado, te Agram, te Zwornick, te Banjaloeka, te Knin, te Dernis, aan de golf van Cattaro en in de Zwarte-Bergen. Deze machtige propaganda valt buiten het bereik van wetten en verordeningen, van policie en gendarmerie; deze liederen, van de vaderen geërfd, zijn de heilige verbondsark dezer slavische stammen, die daarin de herinnering van hun grootsch verleden, den troost onder het lijden en den jammer van het heden, en eene profecie van aanstaande verlossing en vrijheid bewaren.
Ook nu, nu langs de boorden van de Drina, de Morawa, de Narenta, weder de heilige krijg is ontbrand; nu andermaal het zwaard is uitgetogen en de Kruisbanier opgeheven om eindelijk, eindelijk de slavische Christenen te bevrijden van het juk der mohammedaansche barbarenhorde; ook nu klinken alom die zangen door het wijde slavische land. Des avonds, als de dalende nacht het kamp in haar sluier hult, als de laatste glans aan den hemel wegsterft, en in het bivouak de nachtvuren worden ontstoken:—dan rijzen uit de groepen der strijders, die zich straks ter ruste zullen begeven, de oude nationale liederen; dan klinken alom de tonen van de guzla, die de krijgslieden medenamen naar hun tent; en luisterende naar die aloude gewijde zangen, zoo vol van der vaderen roem en der vaderen lijden, rijpt te vaster het besluit om het zwaard niet neder te leggen, voor de gevloekte tyran van der vaderen erfgrond zal verdreven zijn. bladzijde 247
Van ganscher harte zij hun de overwinning toegewenscht!
Deze zoo beroemde servische zangen, die tegenwoordig eene eigene letterkunde vormen, waren voor omstreeks veertig jaar, buiten de slavische landen bijna geheel onbekend. In Frankrijk werden zij voor het eerst bekend gemaakt door Mérimée, die beweerde deze liederen, op een reis door Dalmatië, te hebben opgeschreven uit den mond van een ouden guzlar. Hij gaf eene gansche verzameling daarvan uit, onder den titel van La Guzla, die in Frankrijk grooten opgang maakte; het duurde niet lang, of de zoogenoemde servische volksliederen kwamen in de mode. Eenige jaren later bekende de heer Mérimée, in de voorrede voor eene nieuwe uitgave, dat hij, in overleg met zijn geleerden vriend Ampère, die zangen zelf gemaakt had, en dat zij hoogstens geacht konden worden nabootsingen te zijn van oorspronkelijke liederen, waarvan hij den tekst onder de oogen gehad had. Hij voegde daarbij, dat hij, zeer gaarne een reis naar Dalmatië wenschende te doen, maar niet over de vereischte middelen kunnende beschikken, begonnen was met zijn boek te schrijven, en voor het geld, dat hij daarmede verdiend had, later naar Dalmatië was gegaan om te onderzoeken of het boek juist en getrouw was.
De echte servische zangen hebben ongetwijfeld een zeer sterk sprekend karakter, zoodat het een dichter, die zin heeft voor lokale kleur en zich eenige studie getroosten wil, niet zoo bijster moeilijk kan vallen, ze na te volgen. Maar Vouk Stephanovitch Karadjitch is toch de eerste, die een juist en nauwkeurig denkbeeld van deze zangen gegeven heeft in zijn boek: Servische Volksliederen, Spreekwoorden en Verhalen. Herder is misschien de eerste geweest, die ze in westelijk Europa heeft bekend gemaakt; ook Goethe heeft een enkel dezer liederen in het duitsch vertaald. In 1823 gaf een Serviër, die zijn naam niet heeft bekend gemaakt, te Leipzig een verzameling van servische volksliederen uit, onder den titel Narodné Serbske pesmé; maar aangezien de servische taal zeer weinig bekend is, werden deze zangen eerst opgemerkt en gewaardeerd, nadat Mrs. Robinson, onder den pseudoniem Talvi, daarvan een duitsche vertaling bezorgd had. In 1836 gaf de italiaansche dichter Tommaseo—van Dalmatië geboortig—zijne Canti popolari uit, waaronder hij eene ruime plaats toekende aan de “illyrische zangen.”
Nu was het ijs gebroken, en in Frankrijk, Duitschland en Engeland werd steeds meer de aandacht op dezen dichterlijken schat gevestigd, zagen vertalingen of bewerkingen dezer servische liederen het licht. Mickiewicz, zelf een der grootste dichters van het slavische ras, spreekt aldus, in bezielde taal, over deze liederen:
“Volkszangen, arke des verbonds tusschen den ouden en den nieuwen tijd, in u legt de natie de zegeteekenen harer helden neder, de hoop en verwachting harer innigste gedachten, de bloem harer teederste gevoelens! Heilige arke, niemand kan u slaan, u verbrijzelen, zoolang uw eigen volk de schennende hand niet tegen u heeft opgeheven! O, zang des volks, gij zijt de tempelwachter der nationale herinneringen; uwer zijn de vleugelen en de stem des aartsengels, uwer ook vaak zijne wapenen! De vlam verteert de scheppingen van het penseel, de roovers plunderen de schatten: het lied ontkomt aan het verderf en blijft leven. Als het vernederde en ontaarde volk zijne herinneringen en zijn hoop vergeet en het lied laat kwijnen, dan vlucht het naar de bergen en hecht zich aan de puinhoopen, en van daar klinkt zijn stem, verhalende van den ouden tijd. Zoo vlucht de nachtegaal van het brandende huis en zet zich een oogenblik op het dak; maar als ook het dak bezwijkt, dan vliegt hij heen naar de bosschen, en zingt met luider stem een lied van rouw en smart, te midden van ruïnen en graven.”
Inderdaad leeft in deze liederen de nationale geschiedenis. Even als de rhapsoden der oudheid, zoo hebben ook de rondtrekkende guzlars, dank zij hun dichterlijk instinkt, de namen der helden, de gedachtenis der doorgestane beproevingen, der behaalde overwinningen, voor het servische volk bewaard. Om zijn eersten bundel bijeen te brengen, ging Stephanovitch van dorp tot dorp, overal onderzoekende of er zich daar ook een guzlar of zanger bevond, die om zijn uitstekend geheugen beroemd was.
Op zekeren dag, zoo verhaalt Mickiewicz, vindt hij een ouden marskramer, die een aantal liederen van buiten kent; hij neemt den man mede naar zijn huis, geeft hem te drinken, en beweegt hem zoo doende al zijn liederen, een voor een, op te zeggen, terwijl hij zo middelerwijl opschrijft, en de verminkte regels weer in hun oorspronkelijke zuiverheid herstelt. Een ander maal verhaalt men hem van een man, die een geheel gedicht van buiten kent; om dien man te vinden, riep hij de hulp in van Prins Milosch, een held die niet schrijven kon, maar in wiens ziel niettemin het heilige vuur gloeide en die ten volle de waarde en de beteekenis dezer vaderlandsche liederen begreep. De Prins beveelt dat men dien guzlar opspore. Nu bleek het dat deze beroemde zanger een oude roover was, bedekt met litteekenen, en die zich nog altijd niet had verzoend met de pandoeren en de gendarmen; hij begreep niet wat de Vorst van hem verlangde; hij vreesde dat men hem een strik spande en deed geen mond open. Om hem aan de praat te krijgen, werd hij half dronken gemaakt: nu droeg hij zijn gedicht voor, en de slavische litteratuur telde een meesterstuk te meer.