← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

IV.

Reading edition

De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad van Dalmatië to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes en klippen, langs de kusten gestrooid.

De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid; de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden, van goudglans doortrokken ether.

Dalmatië vormt eene smalle strook lands, door Kroatië en Herzegowina begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico, tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.

Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen, vormen de bergen van Dalmatië.

Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatië in vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in zeer hooge, steile rotskegels.

Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatië vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt, twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, bladzijde 30en zich in de moerassen boven Fort-Opus verliest.

Muziekanten.
Muziekanten.

Muziekanten.

De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt; in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin, vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom des lands; en de Dalmatiër, hoezeer matig en arbeidzaam van aard, aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud te voorzien. De oude bosschen van Dalmatië, die nog in den atlas van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen, bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen Dalmatië bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt, niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt en regelen gesteld voor het weiden.

Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede, op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven, en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatië is sterk, moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt, bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatië, niet ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen, gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde, sterk gespierde Dalmatiërs, met hunne edele gelaatstrekken en hun krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde, op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder volkomen dan vroeger.

Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatië is geen land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.

Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij zich draagt. De Dalmatiër is gastvrij, en geheel onbekend met die streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven; de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden, muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog; maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatië wil gaan reizen, moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners, ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol rijst verschaffen konden.

De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die het in drie provinciën verdeelden, een soort van vazalstaten, welke wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche koloniën te Lissa en Trau aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke jaartelling was geheel Dalmatië eindelijk voor goed onderworpen aan de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land den naam gedragen van Illyrië; nu werd het Dalmatië genoemd, en daar het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis, moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde Dalmatië in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruïnen aanschouwen: Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.

Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviërs, die het land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatië onder de heerschappij der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings bladzijde 31oefent bijna iedereen de heerschappij in Dalmatië uit: de Sarraceenen, de Venetianen, de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten zulke verwoestingen aan, dat Venetië de Dalmatiërs te hulp komt, en, tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.

Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland van Cattaro tot aan de golf van Triëst; van weerszijden worden gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De heerschappij van Venetië duurde, ondanks de pogingen van enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden, driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio, den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrië, Dalmatië, de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro en Venetië zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatië aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk Italië in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van Dalmatië. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu werd het echter van Italië gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische provinciën vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal, die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.

Het koningrijk Dalmatië is in vier kreitsen verdeeld, die elk een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara, Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza, Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de districten Curzola, Sabioncello, Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten; Spalato, tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro, honderd-vier.

Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatië tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk Marmont eene volkstelling liet houden, schatte hij de bevolking op tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend; de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang; niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid des lands.

Venetië oefende haar gezag uit door middel van beambten, die naar Dalmatië gezonden werden om in naam van de republiek en den Senaat het bewind te voeren; zij droegen den naam van proveditoren, en waren zoowel met het burgerlijk als het militair gezag bekleed; naar gelang van de belangrijkheid der stad, voerden zij den titel van graaf, gouverneur, kapitein of burchtvoogd, maar zij stonden allen onder de bevelen van den proveditor-generaal, die rechtstreeks briefwisseling voerde met den Senaat en den Doge. Te Zara en te Spalato werden die proveditoren in het bestuur bijgestaan door een raad van drie patriciërs, uit Venetië gezonden. Maar daar de republiek nimmer haar stelsel van argwanende controle liet varen, en daar zij hare koloniën wenschte te beschermen tegen mogelijk misbruik van macht van de zijde dezer proveditoren, werd telkens om de drie jaar eene buitengewone commissie, bestaande uit drie senatoren, afgevaardigd, om een algemeen onderzoek in te stellen, en tevens aan allen, die meenden zich over handelingen van het bestuur te moeten beklagen, gelegenheid te geven, die klachten persoonlijk in te brengen. Deze buitengewone commissarissen traden met groote staatsie en veel vertoon van indrukwekkende macht op: tot hun gevolg behoorde ook de beul, in het rood gekleed en met het zwaard in de hand. Later werd, vooral op aandrang der proveditoren, de taak dezer commissie eenigszins gewijzigd.

Tegenwoordig heeft iedere stad haar gemeenteraad, die belast is met de zorg voor de stoffelijke en zedelijke belangen der burgerij. De behartiging van de algemeene belangen des lands is opgedragen aan den Landdag van Dalmatië, eene vertegenwoordigende vergadering, waarvan de leden gekozen worden, en die te Zara bijeenkomt. De Landdag vaardigt eenigen zijner leden af naar den Rijksdag te Weenen; de bijzondere belangen van Dalmatië worden dus ook in de hoogste regeeringscollegiën der monarchie vertegenwoordigd. De zittingen van deze vergadering te Zara kunnen soms onstuimig genoeg zijn, wanneer de politieke hartstochten der verschillende partijen worden opgewekt.

Sieraden der Dalmatiërs.
Sieraden der Dalmatiërs.

Sieraden der Dalmatiërs.

In den Landdag van Dalmatië staan, even als in dien van Istrië, drie partijen tegenover elkander: de italiaansche partij, de slavische partij, en de duitsche partij. Elk van deze drie maakt voor zich aanspraak op de heerschappij. De groote intellektuëele en staatkundige beweging, in de laatste jaren voornamelijk van Agram uitgegaan, en de oprichting eener slavische universiteit, hebben de slavische partij aanmerkelijk versterkt en een vasten bodem voor haar streven geschapen. bladzijde 32De slavische idee ligt ten grond aan de herhaalde bewegingen en opstanden in de aangrenzende turksche provinciën; zich harer kracht bewust, streeft zij er naar, zich een vasten vorm te verschaffen, uitdrukking te vinden, tot werkelijkheid te worden. Het ware roekelooze verblinding, dit niet te zien, en gevaarlijke zelfmisleiding het gewicht van deze verschijnselen te miskennen. Blijkbaar woelt en werkt in de gemoederen dezer bevolkingen het denkbeeld eener slavische eenheid; en wellicht is de dag niet zoo verre meer, waarop de Slaven in Bohemen en Moravië, of althans die in Kroatië, in Servië, in Bosnië, in Herzegowina, in Dalmatië, in Bulgarije en Montenegro, alle onderlinge verdeeldheid vergetende, en de slagboomen, die hen nu nog scheiden, verbrekende, zich onder de banier van één hoofd zullen scharen, en met haastige schreden zullen jagen naar de verwezenlijking van een ideaal, waarvoor men nog niet durft uitkomen, maar dat geen geheim kan zijn voor ieder, die met eenige aandacht de stemming der bevolking in deze gewesten heeft gade geslagen.

Stedelijk gendarme te Sebenico.
Stedelijk gendarme te Sebenico.

Stedelijk gendarme te Sebenico.

bladzijde 34

Niemand kan zeggen, hoe lang het nog duren zal eer de groote slavische beweging zulke kolossale afmetingen zal aannemen, en eene overweldigende macht zal worden. Om haar einddoel te bereiken, zal zij zeer geduchte vijanden moeten overwinnen en een harden kamp hebben te voeren; voor meer dan één europeeschen staat geldt het hier inderdaad de kwestie van te zijn of niet te zijn. Welke houding zal Rusland, welke Oostenrijk tegenover deze beweging aannemen? Van welken invloed zal zij zijn op de naaste toekomst van het vermolmde rijk der Osmanlis? Ziedaar vragen, waarin wij ons nu niet willen verdiepen, en waarop het ook onmogelijk is, thans een antwoord te geven. Dit is zeker: even als Europa eene italiaansche en eene duitsche kwestie gekend heeft, waarvan de tijdelijke of definitieve oplossing op stroomen bloeds en tranen is komen te staan, zoo zal het ook weldra eene slavische kwestie leeren kennen, die niet minder beroeringen, omwentelingen en oorlogen in haar schoot verbergt. Ieder ziet en gevoelt dit; zonderling echter is het, dat zij, die, waar het de unificatie van Duitschland, of liever de onderwerping van Duitschland aan Pruissen gold, elk middel geoorloofd rekenden, die verraad en onrecht, geweld en roof toejuichten, mits ze maar bevorderlijk waren aan het groote doel;—dat diezelfde lieden, voor wie het recht der duitsche eenheid boven alle bedenking stond, en elk ander recht beheerschte, nu aan de Slaven het recht betwisten, het hun gegeven voorbeeld na te volgen en op hunne beurt naar nationale en politieke eenheid te streven! Dat de verwezenlijking van dit slavische ideaal voor Pruissen-Duitschland minder aangename gevolgen zou kunnen hebben, is toch op zich zelve geen reden, waarom het streven der Slaven ongeoorloofd moet worden genoemd? Van historisch recht mag hier geen sprake zijn: de moderne staatslieden en rechtsgeleerden hebben ons immers sedert lang aangetoond en metterdaad bewezen dat dit niet bestaat?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings