← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Een bijschrift bij een plaat.

Reading edition

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld, eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer, zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel, van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming bladzijde 255van land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn, dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch, min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom—ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde u opwekken tot kennismaking met het boek.

“Ik heb een halven dag op de Villa-Reale doorgebracht, eene wandelplaats, met eiken en altijd groene heesters beplant, vlak langs het strand. Enkele jonge boomen, doortinteld van licht, ontplooien hunne kleine, teedere blaadjes en ontvouwen alreede hunne gele bloesemkelken. Standbeelden, schoone naakte jongelingsfiguren, Europa op den stier, buigen hun wit marmeren lichamen tusschen het zachte, wazige groen der planten. Op de grasperken speelt het licht in breede plekken; slingerplanten kronkelen zich om de zuilen; hier en daar schittert het levendig purper der jong ontloken bloemen, en de fijne, fluweelige kelken trillen en wiegelen op de zwoele koelte, die tusschen de citroenstammen ruischt. Zee en lucht zijn beiden weldadig; welk een tegenstelling, als ik denk aan de kusten van den Oceaan, aan onze stranden van Normandië en Gaskonje, door de winden geteisterd, door de regenvlagen gegeeseld, waar verschrompelde dwergachtige boomen wegschuilen in de spleten en holten, waar het helm, het korte schrale gras, zich als huiverend aandringt tegen de naakte hellingen! Hier onderhoudt en voedt de nabijheid van het water den plantengroei; ge voelt de frischheid en zachte zwoelte van den ademtocht, die de bloemen koost en doet ontsluiten. Ge vergeet u zelven en alles om u heen: ge luistert naar het geritsel der suizende bladeren; ge volgt het spel hunner schaduwen op het zand. En toch—op zes passen afstands rolt de zee, met een dof gemurmel, haar breede golven, die, met vlokkig schuim overdekt, langzaam uit- en wegvloeien over den zandigen oever. De nevel verdampt onder de zon; tusschen het gebladerte door, bespeurt ge den Vesuvius en zijne geburen, de gansche bergketen, die in steeds duidelijker omtrekken te voorschijn treedt. Zij zijn bleek paars van kleur; en naarmate de dag ter kimme zinkt, wordt dit paars teerder en zachter. Eindelijk gaat die tint over in de fijnste schakeeringen van violet; geen bloemkelk kan bekoorlijker zijn; de hemel is geheel helder geworden, en de stille kalme zee schijnt een meer van azuur.

“Dit tooneel weder te geven is onmogelijk. Lord Byron heeft wel gelijk: de schoonheid der natuur kan niet op ééne lijn worden gesteld met die der kunst. Een schilderij blijft altijd beneden de voorstelling, die men zich daarvan maakt, een landschap staat steeds daarboven. Dit is schoon: ik weet er niets anders van te zeggen; dit is grootsch en dit is aantrekkelijk; dit verkwikt en verheugt den geheelen mensch, de zinnen en het gemoed; ge kunt u niets weelderigers en niets edelers denken. Waarom zou men zich, met dit tafereel voor oogen, de moeite geven van te arbeiden en iets voort te brengen? Het is overtollige moeite, zich een goed ingericht huis te bouwen, of met groote inspanning die omslachtige inrichtingen tot stand te brengen, die men eene constitutie of eene kerk noemt; overtollige moeite ook, de genietingen der ijdelheid en der weelde na te jagen: ge hebt slechts uwe oogen te openen, rondom u te zien; u te laten leven; met een enkelen blik omvat ge de schoonste bloem des levens.

“Ik had mij op een bank neergezet; ik zag den avond vallen, de kleuren en tinten wegsmelten; en het was mij, alsof ik mij in de Elyseesche velden der oude dichters bevond. De sierlijke bevallige vormen der boomen teekenden zich af tegen het heldere blauw. De ontbladerde platanen, de dorre eiken zelfs, schenen te glimlachen. De verrukkelijke blijde helderheid des hemels, door het fijne weefsel hunner takken geschakeerd, scheen zich aan de boomen zelven mede te deelen. Zij schenen niet dood of verstijfd, zooals bij ons, maar ingesluimerd en, onder de koesterende aanraking dezer warme lucht, gereed, hunne knoppen te openen, hunne teedere uitspruitsels toe te vertrouwen aan de naderende lente. Hier en daar flikkerde een ster; de maan begon haar zilver licht uit te gieten. De standbeelden, nog blanker dan straks, schenen in die geheimzinnige schemering als met leven bezield. Groepen jonge vrouwen, wier kleederen zacht op en neder golfden, schreden geruischloos voort, als zalige schimmen. Het was mij, als ware ik getuige van het antieke grieksche leven; als kon de stille harmonie dier slanke vormen en dier gedempte tinten mij voor altijd bevredigen, als had ik geen behoefte meer aan pracht en gloed van lijnen en kleuren. Ik hoorde de verzen van Aristophanes reciteeren; ik zag zijn jongen athleet, kuisch en schoon, naar geen ander genot verlangende dan, met een lauwerkroon op het hoofd, te mogen wandelen tusschen de populieren en bloeiende platanen, in gezelschap van een wijzen vriend van zijn leeftijd. Napels is eene grieksche kolonie, en elke nieuwe ervaring doet ons steeds beter begrijpen, hoe machtigen invloed het landschap en het klimaat uitoefenen op den smaak en den geest van een volk.

“Omstreeks acht uur was het bladstil geworden. De hemel scheen van lapis-lazuli. Eene koninginne gelijk, straalde de maan alleen te midden van het matelooze blauw; haar licht trilde op de groote wateren en goot daarover een breeden mat zilveren stroom uit. Geen woorden kunnen de bevalligheid, de zachte gratie uitspreken dezer bergen, in het schemerend violet van hun nachtelijken sluier gehuld.

“Overal schitteren lantaarns; in de open lucht babbelen de menschen overluid, lachen en eten. Die hemel is op zich zelven een feest!”

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien.
Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien.

bladzijde 257

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings