VI.
Reading edition
Ten westen van Thorda verheffen zich naakte, grijze, leelijke heuvelen, die, althans op het eerste gezicht, zich door niets bijzonders schijnen te onderscheiden. Echter wees men ons van verre een spleet, niet ongelijk aan den mond van een ravijn, en men beschreef ons die kloof als een verwonderlijk schoone bergpas. Wij lieten ons overhalen, en togen op weg ter bezichtiging van dit wonder.
De zeer moeilijke en lastige weg, met steenen bezaaid en zeer steil afdalende, loopt om een heuvel, waarin hier en daar sneeuwwitte albastrotsen door de dunne aardlaag te voorschijn komen, die met distelen, onkruid, gras en mos bedekt is. Wij gaan door een kleinen pas en dalen af in een weiland, waar een smal beekje zich murmelend tusschen het hooge gras kronkelt. Den loop dier beek volgende, komen wij weldra aan een geheel met meel bestoven molen, die daar als te midden der aardige watervalletjes schijnt neergeworpen. Voor den ingang zit eene schoone rumenische vrouw te spinnen. Haar echtgenoot, een prachtige jonge man met lange blonde hairen en een vriendelijken lach om de lippen, leidt ons zijne woning binnen, richt eenige bescheiden vragen tot ons, en laat ons zijne heiligenbeelden zien: oude byzantijnsche kunstwerken, die voor een liefhebber van antieke symbolische kunst veel geld waard zouden zijn.
Deze molen staat juist aan den ingang van de bergengte. De heuvelreeks met hare eentonige hellingen splitst zich hier, en vormt twee witte of goudgele rotswanden, bezaaid met zwartachtige mossen. De blik klimt langs de grillig gevormde wanden omhoog en ziet op naar den hemel, die zich als een blauw lint boven den langen, smallen pas uitspant; beneden is men in de vochtige schaduw als verloren.
Een der uitgetande rotspunten, die de smalle kloof beheerschen, is geheel doorboord en laat een helderen lichtstraal door; andere spleten en kloven schijnen daarentegen zwarte gapende muilen. Twee dezer grotten hebben dit eigenaardige, dat zij inderdaad maar eene enkele grot vormen, die door de kloof in tweeën gedeeld is. De reusachtige portalen, ter wederzijde van het enge dal, passen volkomen bij elkander: een bergstroom holde de rotsen uit toen de kloof, die volgens de legende door het zwaard van den heiligen Ladislaus geopend werd, nog niet bestond, en de heuvel nog slechts ééne samenhangende massa vormde. In voorhistorische tijden moeten vluchtelingen de ingangen dezer grotten hebben versterkt; de overblijfselen der poorten zijn nog op de hellingen zichtbaar. Scharen van vleermuizen bevolken thans de straten der twee oude onderaardsche steden.
De bergengte is niet uitgestrekt, maar wij hadden ons lang opgehouden, en beklommen nu haastig een uitspringenden heuvel, om daarna weder af te dalen bladzijde 282naar het dorp Meskö, op een albastrots gebouwd, die den Aranyos beheerscht. Daar wachtte ons, sedert eenige uren, het rijtuig, dat een gastvrije Magyaar ons te gemoet gezonden had. De vier vurige paarden, die naar den stal verlangden, joegen voort in galop; maar telkens moesten zij hun drift betoomen, want de weg is een echte zevenbergsche weg: dat wil zeggen, goed, overal waar de natuur daarvoor gezorgd heeft, maar doorgaans hobbelig, vol gaten en kloven, bezaaid met steenen en rotsblokken, en door afgronden omzoomd. Het was ons dus eene ware uitkomst, toen wij in de vlakte van Keresztes de groep van hooge populieren bespeurden, waarachter de woning wegschool, in welke ons een gewenschte avondmaaltijd wachtte. Welk een aangenaam verblijf in deze eenvoudige landelijke woning! Zij maakt geen aanspraak op architectonische schoonheid; maar het is een genot, dien houten trap te beklimmen en te wandelen onder die ruime veranda, die de welriekende heesters van den tuin schier met hunne bloemrijke takken omslingeren. Door het gebladerte heen ziet ge de stallen en de schuren, om een ruim grasveld gebouwd; eene ruischende beek stuwt haar helder water voort achter een dichte rij boomen en verdwijnt straks onder de wilgen langs de oevers van den Aranyos. Ik meende een oogenblik overgebracht te zijn naar eene plantage in Louisiana, en de gulle gastvrijheid, waarmede wij in het huis ontvangen werden, droeg er toe bij, om dien indruk te versterken.
Den volgenden morgen vroeg rolde ons rijtuig reeds door de vruchtbare vlakte, waar het ongetemde volk der Daciërs vergeefs den schok poogde te weerstaan der legers van Trajanus, en zagen wij steeds duidelijker de opening der bergvallei voor ons, waaruit de Aranyos te voorschijn treedt. Wij stonden aan den drempel van het beroemde land, dat, vóór de ontdekking van Amerika, door den rijkdom zijner mijnen, voor de volken van Europa de groote schatkamer der kostbare metalen was.
De ingang van het smalle dal, een ware triomfboog, wordt gevormd door eene opening, die de ingenieurs, ten behoeve van den weg, in de porfierrots hebben uitgehouwen. De soort van obelisk aan den noordelijken oever van den stroom draagt den naam van Leany-Kö of Maagdenrots, ter eere eener jonge prinses, die door de Tartaren in haar burcht belegerd werd, en die een middel wist te vinden om 's nachts te ontsnappen en de wijk te nemen op deze rots.
Het meest in de nabijheid van Thorda liggen de mijnen van Torotzko, in eene nevenvallei, ten zuiden van de rivier. Naar het schijnt, bevatten de bergen van dit distrikt ook een overvloed van lood, zwavellood en kwikzilver; maar sedert onheugelijke tijden worden alleen de ijzermijnen geëxploiteerd. Sedert eeuwen danken de inwoners aan deze industrie hunne buitengewone welvaart, en vooral ook hunne vrijheid. Als mijnwerkers en vervaardigers van allerlei gereedschappen en wapenen, hadden zij het voorrecht verworven, zich zelven naar eigen wetten te mogen regeeren.
Terwijl ons rijtuig langzaam den weg volgde, die uit de vallei van den Aranyos, al slingerende, de hellingen van den berg Szekel-Kö bestijgt, verhaalde een mijner reisgenooten in 't kort de geschiedenis van het mijnwerkers-stadje. Reeds in de tiende eeuw werden de mijnen dezer streek door magyaarsche kolonisten bewerkt, maar de wijze van bewerking was hoogst gebrekkig; de eerste vaste smeltovens werden opgericht door oostenrijksche kolonisten uit het distrikt Eisenwürzel. Die bekwame mijnwerkers verbroederden zich gemakkelijk met de bewoners des lands, namen de taal en de zeden der Magyaren aan, en losten zich geheel in de massa der bevolking op. Slechts eene enkele gewoonte is in stand gebleven als eene herinnering aan den duitschen oorsprong: bij bruiloftsmaaltijden, zijn het de genoodigden, die voor den wijn zorgen. Maar deze gewoonte, die eene ergernis is voor de Hongaren der andere distrikten, daargelaten, onderscheiden de inwoners van Torotzko zich, wat hunne zeden aangaat, gunstig van de meeste andere bewoners van Zevenbergen. De vrouwen genieten hier de algemeene achting en eene groote mate van vrijheid; voor het onderwijs wordt behoorlijk gezorgd; mannen en vrouwen kunnen bijna zonder uitzondering lezen, schrijven en rekenen, en weten iets van de geschiedenis des vaderlands; de magyaarsche taal wordt hier met groote zuiverheid gesproken; luiheid is eene schier onbekende ondeugd.
Dadelijk na onze komst te Torotzko, trachtten wij de herberg op te sporen; maar te vergeefs wandelden wij het groote marktplein rond, dat, op dit uur van den dag, eene gloeiende zandwoestijn geleek. De huizen, van steen gebouwd, en niet, zoo als veelal in Zevenbergen, van leem of van hout, trokken onze aandacht door hunne groote zindelijkheid. De gevels geleken allen op elkander, en prijkten met halve kolommen en ruw beeldwerk: dit is wel geene kunst, maar in ieder geval verdient de bouwmeester waardeering wegens zijne goede bedoelingen. Korten tijd geleden was Torotzko door een hevigen brand geteisterd, waarvan hier en daar nog zeer duidelijke sporen te herkennen waren; eene geheele wijk der stad was nieuw opgebouwd. Maar de herbouwing was nog niet voltooid, en zoo ontbrak ook nog steeds de herberg. Wij moesten dus een beroep doen op de hongaarsche gastvrijheid.
Wij spraken een man aan, die op den nok van een dak zat, en eenige beleefde woorden waren voldoende om de deur der woning voor ons te openen. De mooie kamer, waarin wij gelaten werden, was niet zeer ruim; maar zij bevatte niettemin eene menigte voorwerpen, die er allen even netjes uitzagen en die met groote kunst in deze kleine ruimte waren gerangschikt. Langs de witgepleisterde wanden hingen de portretten van de hoofden en leiders der hongaarsche omwenteling van 1849, voorts gekleurde platen en photografiën; aan de balken der zoldering hingen beschilderde potten van verschillenden vorm; de banken, de tafel, het bed waren beschilderd met bloemen naar oosterschen trant; in een hoek van het vertrek stond een fraai bewerkte kachel, waaromheen een steenen bank eene geschikte zitplaats aanbood; op het bed, dat met geborduurde gordijnen omhangen was, lagen vier reusachtige matrassen of dekbedden, geheel met rood borduursel overdekt en bijkans tot aan de zoldering reikende; fraaie, rood en zwart bladzijde 283gewerkte doeken waren aan de zoldering bevestigd, overal waar de schotels en pannen eene plaats vrij lieten. Naar men mij zeide, vindt men in de meeste huizen van Torotzko gansche reeksen van boeken opgehangen aan de balken, even als de hammen en worsten in de boerenwoningen van het zuiden van Frankrijk; maar bij onzen gastheer was geen ander boek te vinden dan eene verzameling van nationale liederen. Wij dorsten ons nauwelijks verroeren in dit kleine museum, uit vrees van iets omver te werpen of te beschadigen; en toch wist de vrouw des huizes ons hier een maaltijd te bereiden en een behoorlijk nachtverblijf in te richten, zonder de orde in de kamer eenigszins te verstoren. Toen wij den volgenden morgen van deze vriendelijke lieden afscheid namen, zag de kamer er weer geheel als een museum uit.
Er heerscht te Torotzko eene algemeene welvaart, zoo als genoegzaam blijkt uit de weelde en den rijkdom der kleeding op zon- en feestdagen: hier vindt men de oude duitsche kleederdrachten terug uit de middeleeuwen, nevens die van Hongarije en het Oosten. De gehuwde vrouwen en de jonge meisjes, de jongelingen en de volwassen mannen zijn van elkaar onderscheiden door de kleur der linten en borduursels hunner gewaden; bovenal munten de jonge meisjes, die er voor het meerendeel gansch niet onaardig uitzien, door pracht en rijkdom van kleeding uit. Om het fijne middel dragen zij een gordel van roode zijde met gouden kwasten, en dikwijls met edele steenen versierd; de fuzö, die de borst bedekt, is met parelen en gekleurde zijde gestikt, terwijl een prachtige witte bonten pels den glans dezer sieraden nog beter doet uitkomen; van haar mutsje van goudlaken hangen veelkleurige linten en vergulde franjes af. Zulke kostumen, die inderdaad eene kleine fortuin vertegenwoordigen, zijn alleen mogelijk in een land, waar de voornaamste kleedingstukken en sieraden onveranderd van geslacht op geslacht overgaan; toch vraagt men zich met eenige bevreemding af, hoe de middelen hier zulk eene weelde kunnen veroorloven.
De oude ijzerindustrie draagt nog maar voor een zeer klein gedeelte bij tot dien voorspoed van Torotzko. Wij bezochten de armzalige smeltovens van den omtrek; moeilijk kan men zich iets ongelukkigers en onbeholpeners denken: mij dunkt, zóó moeten de negers in het hart van Afrika arbeiden. Als men ziet, hoe, in afgelegen streken, zulke aartsvaderlijke wijze van werken van eeuw tot eeuw blijft voortbestaan, dan begrijpt men eerst ten volle de kracht der gewoonte of liever der erfelijkheid: de zoon werkt op dezelfde plaats, waar zijn vader en zijn grootvader hebben gearbeid; hij hecht zich aan dezelfde mijn, aan dezelfde manier van werken, hoewel hij er maar weinig voordeel van trekt, en door anderen arbeid veel meer zou kunnen verdienen; er is niets minder dan eene omwenteling noodig, of wel de prikkel van het uiterste gebrek, om hem los te maken van den ouden, traditioneelen sleur.
Tegenwoordig worden de kosten van exploitatie der meeste smeltovens niet meer door de winsten opgewogen, en het aantal der verlaten mijnen vermeerdert van jaar tot jaar. In een menschenleeftijd is de produktie van het metaal met tweederde verminderd: zij is van zeshonderd tot tweehonderd ton gedaald, en zal waarschijnlijk binnen kort geheel ophouden, tenzij de industrie eene herschepping onderga en de bereiding van het erts op goedkooper wijze geschiede. De burgers van Torotzko, verstandiger dan velen hunner buren, zijn er dan ook reeds op bedacht om deze vervallen industrie door een ander meer winstgevend bedrijf te vervangen: zij leggen zich voornamelijk toe op het kweeken van ooftboomen. Zij zijn ook algemeen bekend als uitmuntende landbouwers, en het graan hunner akkers is het beste van geheel Zevenbergen. Het ware te wenschen dat zij ook de boschkultuur ter harte namen, en aan hunne naakte velden de groene kroon wedergaven, die zij sedert eeuwen met zoo ruwe hand hebben uitgeroeid!
De berg, die zich ten oosten van Torotzko verheft, is in de geschiedenis van Zevenbergen beroemd: hij draagt den naam van Szekel-Kö of Rots der Szeklers. Op den top stond weleer een sterk kasteel, dat in de dertiende eeuw door de Mongolen belegerd werd. De bezetting, tot het uiterste gebracht, stond op het punt zich over te geven, toen eensklaps de Szeklers, uit hunne valleien in de Karpathen toegesneld, ter hulpe opdaagden en de aziatische horden op de vlucht dreven. Sedert deze overwinning, behoort de berg aan de bevrijders, en de brokken muur, die men nog heden op den top ziet, zijn de overblijfsels van door hen gestichte gebouwen. Nog altijd wordt de dag dezer zegepraal feestelijk gevierd; volgens een overoud gebruik, gaan de inwoners van Torotzko dan naar buiten om hooge masten te planten, waaraan vlaggen en banieren wapperen, en die de opgerichte lansen moeten verbeelden, welke voorheen de grafkuilen der krijgslieden aanwezen.
Om naar Torotzko terug te keeren, namen wij den weg door een andere bergkloof, niet minder beroemd dan die van Thorda, en waar ook menigmaal het bloed heeft gestroomd; de grotten in de prachtige rotsen zijn een geliefkoosd verblijf voor de arenden. Aan het boveneinde dezer enge vallei ligt het dorp Torotzko-Szent-Györgyö, waardoor wij naar de stad terugkeerden. De beide burchten, waaraan het dorp zijn naam ontleent, en die beiden aan een geslacht behoorden, dat in erfelijke veete met de burgers van Torotzko leefde, zijn thans niet meer dan bouwvallen. De oude feodale burcht, die den heuveltop kroonde, is geheel verdwenen, op een geschonden, half ingostorten toren na; en het meer moderne kasteel, dat zich in de vlakte verhief, werd in 1849 door de Walachen verbrand, en is sedert een ruïne gebleven. Maar de omstreken van het dorp zijn belangwekkend om de grotten van den berg Bedellö.
Deze kalkrotsen danken aan de boomen en het dicht struikgewas, tot dus verre aan de vernielende bijl des houthakkers ontsnapt, eene zekere wilde bekoorlijkheid, die aan de dorre wanden van de Rots der Szeklers ontbreekt. Langs de scherpe kanten der rots hangen groene kransen; saamgestrengelde takken verbergen halverwege den ingang der grotten; tusschen twee fijne varenstruiken ziet men de grillige kegels der stalaktiten. Het is een stuk maagdelijke natuur, als bij vergissing overgebleven te midden van deze naakte velden; en wel bladzijde 284voegt hier die natuurlijke poort of boog, gevormd door een geweldig rotsblok, op twee andere steenmassaas rustende, die de wijde, wazige vlakte zoo schilderachtig omlijst. Boven op deze rotspoort staat een lange stok, waaraan eenige takken gebonden zijn, niet ongelijk aan een reusachtigen bezem: misschien is dit zonderling ornament wel een soort van talisman om de booze geesten te verdrijven.